CConstaterende datEijsden-Margraten
Koppel je AI →
Document · PDF

20210920 06b BP Maartensweg Noorbeek Bijlage Toelichting.pdf

Beeldvormende vergadering 20 september 2021, gemeente Eijsden-MargratenBij agendapunt: Raadsvoorstel: Bestemmingsplan St. Maartensweg 20 Noorbeek13.194 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid De provinciale groenstructuur, bestaande uit beschermingszones van verschillende typen (waaronder de Goudgroene en Zilvergroene natuurzones), is ruimtelijk vastgelegd in het POL welke is vastgesteld op 12 december 2014. De Goudgroene natuurzone vormt het netwerk aan bestaande natuurgebieden (voormalige EHS) en nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. De beheergebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot de Zilvergroene natuurzone. In het Provinciaal Natuurbeheerplan zijn de na te streven doelen weergegeven op het gebied van (agrarisch) natuur- en landschapsbeheer. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Soortenbescherming Wat betreft soortenbescherming is de Wet Natuurbescherming (Wnb) van toepassing. De soortenbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.10 Wnb).

Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend.

Hoofdstuk 4

30

Vanaf 1 januari 2017 moet, onder de Wet Natuurbescherming, bij ruimtelijke ontwikkelingen naast de zorgplicht ook rekening gehouden worden met juridisch zwaarder beschermde soorten vanuit nationaal en Europees oogpunt. Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bijlage A en B’ van de Wet Natuurbescherming. Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). Op de ‘Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten’ van het Ministerie van LNV (augustus 2009) wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën vogelnesten. Van de meeste vogelsoorten zijn de nesten uitsluitend beschermd wanneer deze tijdens de broed- en nestperiode in gebruik zijn. Het gaat om soorten die jaarlijks nieuwe nesten maken. Van een aantal soorten roofvogels en uilen, koloniebroeders en gebouw bewonende vogelsoorten (‘categorie 1-4 soorten’) zijn de nesten en de functionele leefomgeving jaarrond beschermd. Ten slotte is er een categorie nesten van vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om, als die broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (‘categorie 5-soorten’).

Vooralsnog is het uitgangspunt dat deze indeling gehandhaafd blijft, totdat de provincies deze hebben aangepast en vastgesteld. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Onderzoek In het kader van voorliggende ontwikkeling heeft BRO een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage2. Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000gebied.

Het meest dichtbij gelegen Natura 2000-gebied betreft het gebied ‘Noorbeemden & Hoogbos’, op circa 600 meter ten westen van het plangebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Wel dient in het kader van voorliggend bestemmingsplan aangetoond te worden dat er geen negatieve effecten worden voorzien in het kader van stikstofdepositie op de omliggende 2

BRO, Quickscan flora en fauna ‘Sint Maartensweg 20’ te Noorbeek, projectnummer P02439, 22 januari 2020

Hoofdstuk 4

31

Natura 2000-gebieden. Om de effecten omtrent stikstofdepositie inzichtelijk te maken wordt gebruik gemaakt van het programma AERIUS calculator. De AERIUS calculator maakt de depositie van stikstofverbindingen in de vorm van ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx) op het oppervlak van de omliggende Natura 2000-gebied inzichtelijk. Met de recente uitspraak van de Raad van State (d.d. 29 mei 2019) is beslist dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet zondermeer als toestemmingsbasis mag gelden voor nieuwe activiteiten. In lijn met de recente uitspraak van de Raad van State geldt derhalve dat binnen onderhavig planvoornemen een projectbijdrage van 0,00 mol/ha/jaar als aanvaardbaar wordt geacht. In het kader van onderhavig bestemmingsplan heeft een stikstofdepositie berekening plaatsgevonden voor de aanleg- en gebruiksfase3. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura-2000 gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Wat betreft gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid is het plangebied is niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone. Het dichtstbijzijnde onderdeel van de goudgroene natuurzone ligt ongeveer 400 meter ten zuidwesten van het plangebied.

Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de goudgroene natuurzone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van de goudgroene natuurzone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Het plangebied ligt wel aansluitend aan de bronsgroene landschapszone. De landschappelijke kernkwaliteiten binnen deze zone blijven ook met de ontwikkeling behouden. Negatieve effecten op de zilvergroene natuurzone en bronsgroene landschapszone zijn eveneens uitgesloten. Soortenbescherming Bij de voorliggende ontwikkeling in het plangebied gaan geen essentieel leefgebied of verblijfsplaatsen voor beschermde soorten verloren.

Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht wordt genomen:  Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;  In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Houtopstanden Binnen het plangebied zijn geen houtopstanden aanwezig. Daarnaast bevindt het plangebied zich binnen de bebouwde kom. Toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming is zodoende niet aan de orde.

3

BRO, AERIUS-berekening St. Maartensweg Noorbeek Gemeente Eijsden-Margraten, projectnummer.: P02439, d.d. 6 januari 2020

Hoofdstuk 4

32

4.6 Verkeer en parkeren Verkeer Onderhavige ontwikkeling voorziet in de sloop van het reeds bestaande bedrijfspand. Hiervoor in de plaats worden twee twee-onder-een-kapwoningen gerealiseerd. Deze nieuwe functionele indeling van het plangebied brengt een lager verkeersgeneratie met zich meer als de voormalige bedrijfsfunctie. De woningen binnen het plangebied worden direct ontsloten aan de Sint Maartensweg. De verkeersbewegingen als gevolg van de woning zijn gering en kunnen in voldoende mate worden opgevangen door de omliggende wegen. Parkeren De gemeente Eijsden-Margraten is bezig met de voorbereiding om nieuw parkeerbeleid op te stellen. Tot de vaststelling van het nieuwe gemeentelijk parkeerbeleid worden de kencijfers conform de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ gehanteerd. Derhalve moeten op iedere woonkavel twee parkeerplaatsen gerealiseerd worden. Binnen het plangebied is voldoende ruimte om per woonkavel te voorzien in de realisatie van twee parkeerplaatsen. Hiermee wordt de parkeerbehoefte die ontstaan middels onderhavige ontwikkeling op eigen terrein gewaarborgd.

4.7 Waterhuishouding Beleidskader Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld. Nationaal:  Nationaal Waterplan;  Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21);  Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW);  Waterwet. Provinciaal:  Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021. Beleid waterschap Het Waterbeheerplan 2016-2021 is op 14 oktober 2015 vastgesteld door de Algemene besturen van Waterschap Roer en Overmaas en Waterschap Peel en Maasvallei. Zo konden zij, vooruitlopend op de fusie in 2017 (tot Waterschap Limburg), alvast invulling geven aan gezamenlijk waterbeheer. Met dit Waterbeheerplan zetten de waterschappen de koers uit voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg; hoe men invulling wil geven aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon water.

Hoofdstuk 4

33

In dit plan is vastgelegd hoe het waterschap het watersysteem en waterkeringen op orde wil brengen en houden. Voorbeelden van maatregelen zijn: het aanleggen en verbeteren van dijken tegen overstromingen, het aanpakken van knelpunten van wateroverlast, herstellen van beken en het verbeteren van de effluentkwaliteit van de rioolwaterzuiveringsinstallaties. Brochure ‘Regenwater schoon naar beek en bodem’ In deze brochure van de Limburgse waterbeheerders worden de richtlijnen en de voorkeursvolgorde voor het afkoppelen van regenwater van het riool beschreven bij (vervangende) nieuwbouw. De voorkeursvolgorde gaat voor het afkoppelen uit van de trits vasthouden, bergen, afvoeren. Voor het grondoppervlak, dakoppervlak, en voor hergebruik worden richtlijnen gegeven voor het afkoppelen. Kenmerken van het watersysteem Grondwater en waterkwaliteit Het plangebied ligt niet binnen waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied of een boringsvrije zone. Het is van belang in het plangebied verontreiniging als gevolg van afstromend hemelwater te voorkomen. Om de waterkwaliteit te garanderen wordt geadviseerd bij de aanleg van de in het plangebied te realiseren gebouwen geen gebruik te maken van uitlogende materialen. Daarnaast dient het gebruik van strooizout en chemische onkruidbestrijdingsmiddelen in het plangebied zoveel mogelijk te worden voorkomen.

Oppervlaktewater Aan de achterzijde van het plangebied is conform de Leggerkaart van Waterschap Limburg de watergang ‘Leegloop St. Maartensweg’ gelegen. Dit betreft een primaire watergang. Deze watergang is binnen onderhavig bestemmingsplan door middel van een beschermingszone (dubbelbestemming ‘Waterstaat – Beschermingszone watergang’) beschermd. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen invloed op deze watergang. Hemel- en afvalwater Het afvalwater binnen het plangebied wordt geloosd op het bestaande rioolstelsel. De voorgenomen ontwikkeling is beperkt van omvang en heeft derhalve geen zwaarwegend effect (extra overstort of vuillast) op het bestaand rioolstelsel. Het regenwater dat afstroomt van de daken en verhardingen zal in het plangebied worden opgevangen en geïnfiltreerd middels een zelfstandig infiltratiesysteem. Het regenwater zal in géén geval afgegeven mogen worden op het gemeentelijke rioleringsstelsel. Waterschap Limburg streeft ernaar op bij nieuwbouw en herstructurering regenwater volledig af te koppelen en binnen het plangebied te verwerken. Conform de Keur van Waterschap Limburg (in werking getreden op 1 april 2019) geldt voor de regio Zuid-Limburg de norm dat een buiduur van twee uur, zijnde 80 mm per m2 verhard oppervlak, opgevangen dient te worden binnen het plangebied.

Omdat middels het voorliggende bestemmingsplan slechts een kader wordt gecreëerd waarbinnen het toekomstig bouwplan dient te worden gerealiseerd, is in dit bestemmingsplan geen uitwerking van het infiltratiesysteem tot op detailniveau opgenomen. De exacte wijze waarop met hemelwater zal worden omgegaan, wordt uitgewerkt in het kader van de in de toekomst aan te vragen omgevingsvergunning voor het bouwen. Hierbij worden de hiervoor genoemde richtlijnen in acht genomen.

Hoofdstuk 4

34

Het projectgebied is in de bestaande situatie reeds deels bebouwd en verhard met een bedrijfsloods en de omliggende verhardingen. Middels de voorliggende woningbouw zal vergelijkbare hoeveelheid bebouwd en verhard oppervlak worden gerealiseerd. Hierdoor is sprake van een hemelwaterneutrale ontwikkeling en zal het project in ieder geval geen negatief effect hebben op de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse. Overleg waterbeheerder Waterschap Limburg heeft aangegeven dat plannen waarbij de toename van de hoeveelheid verhard oppervlak kleiner dan 2.000 m² bedraagt, niet hoeven te worden voorgelegd aan het watertoetsloket. Aangezien de toename van de hoeveelheid verhard oppervlak minder zal bedragen dan 2.000 m² en er voor het overige geen waterschapsbelangen in het geding zijn, hoeft het bestemmingsplan niet aan het waterschap te worden voorgelegd. Conclusie Als gevolg van de realisatie van de woningen treden geen negatieve effecten op met betrekking tot de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en staat het aspect water de uitvoering van het plan niet in de weg.

Hoofdstuk 4

35

5.

JURIDISCHE ASPECTEN

5.6 Planonderdelen Het bestemmingsplan voor de ‘Herziening Sint Maartensweg 20 Noorbeek’ is vervat in een verbeelding, de planregels en de toelichting. De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van de aanwezige bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk worden de diverse bepalingen artikelsgewijs besproken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding zijn de bestemmingen weergegeven. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. Het nieuwe bestemmingsplan voor het plangebied is opgesteld conform het vigerend bestemminsplan ‘Sint Maartensweg 20 Noorbeek’. Het bestemmingsplan is opgesteld conform de landelijke richtlijn voor bestemmingsplannen (SVBP 2012), alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

5.7 Toelichting op de verbeelding De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:500. Opgenomen is een woonbestemming met daarin een bouwvlak waar de nieuwe woningen, alsmede verkeer-, parkeer- en groenvoorzieningen zijn toegestaan. Door middel aanduidingen zijn aanvullende bouwregels, waaronder het maximum aantal woningen en maximum bouwhoogte en goothoogte opgenomen. Daarnaast is een bouwaanduiding opgenomen voor woningtype. Tot slot bevat de verbeelding twee dubbelbestemmingen om de archeologische waarde en watergang binnen het plangebied te beschermen.

Hoofdstuk 5

36

5.3 Toelichting op de planregels De regels leggen de gebruiksmogelijkheden van de gronden en de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing vast. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten:  Hoofdstuk 1: Inleidende regels;  Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels;  Hoofdstuk 3: Algemene regels;  Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels. 5.3.2

Inleidende regels

Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden. 5.3.3 Bestemmingsregels De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd:  bestemmingsomschrijving;  bouwregels;  nadere eisen;  afwijken van de bouwregels;  specifieke gebruiksregels;  afwijken van de gebruiksregels;  omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;  omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;  wijzigingsbevoegdheid. Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van gronden en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de

Hoofdstuk 5

37

toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning. De afwijking van de bouwregels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om onder voorwaarden afwijking te verlenen van een specifieke regel. De specifieke gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik. De afwijking van de gebruiksregels heeft tot doel bepaald gebruik wat eerder is uitgesloten onder voorwaarden wel toe te laten. Onderstaand worden de regels van de opgenomen bestemming nader toegelicht. ‘Agrarisch met waarden’ De (delen van de) bestaande agrarische percelen in het zuidwestelijk deel van het plangebied, waarop ten behoeve van de woningbouw een spuitvrije zone is opgenomen, zijn overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan voor deze percelen bestemd tot ‘Agrarisch met waarden’. In de regels zijn de geldende rechten op deze percelen overgenomen. Daarnaast is het achterste deel van het perceel aan de Sint Maartensweg 20 bestemd tot ‘Agrarisch met waarden’. Op dit perceelsdeel is woonbebouwing en het gebruik voor woondoeleinden niet mogelijk, omdat het woon- en leefklimaat daar niet gegarandeerd kan worden vanwege de spuitzone van de percelen met nummers 432 en 433. Op de tot ‘Agrarisch met waarden’ bestemde gronden mag niet worden gebouwd, met uitzondering van kleinschalige recreatieve voorzieningen, erfafscheidingen en bestaande bebouwing.

‘Wonen’ De hoofbestemming op het perceel aan de Sint Maartensweg 20 is de woonbestemming. Aangesloten is bij de standaard woonbestemming van de gemeente Eijsden-Margraten. Dit betekent dat gewerkt wordt met een bouwvlak voor de woning en een bijgebouwenvlak voor de bijbehorende bouwwerken (uit-, aanbouw en bijgebouw). Deze zijn op de verbeelding aangegeven, evenals de maximale bouwhoogten. ‘Leiding’ De dubbelbestemming ‘Leiding’ is opgenomen vanwege de planologisch beschermde olieleiding die het meest noordwestelijke deel van het plangebied doorkruist. De regeling omtrent deze dubbelbestemming is overgenomen van het op dit betreffende perceelsdeel vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Margraten 2009’ (geconsolideerde versie 2012-12-14). ‘Waarde – Archeologie’ De agrarische gronden in het zuidwestelijk deel van het plangebied kennen in het ter plekke vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Deze dubbelbestemming is in het voorliggende bestemmingsplan eveneens opgenomen op deze gronden. Ter plaatse van deze dubbelbestemming is het gemeentelijk archeologisch beleid van toepassing met de ondergrenzen voor de noodzakelijkheid van archeologische onderzoek. Indien er minder dan 2.500 m2 grond verstoord wordt, is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk.

Hoofdstuk 5

38

‘Waarde – Archeologie 5’ Deze archeologische dubbelbestemming is van toepassing op het perceel aan de Sint Maartensweg 20. Ter plaatse van deze dubbelbestemming is het gemeentelijk archeologisch beleid van toepassing met de ondergrenzen voor de noodzakelijkheid van archeologische onderzoek. Indien er minder dan 1.000 m2 grond verstoord wordt, is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. ‘Waarde – Beekdal’ Het meest zuidoostelijke deel van het plangebied ligt binnen een beekdal en is daardoor planologisch beschermd in het ter plekke vigerende bestemmingsplan. Deze dubbelbestemming is in het voorliggende bestemmingsplan eveneens opgenomen op deze gronden. De regeling omtrent deze dubbelbestemming is overgenomen van het op dit betreffende perceelsdeel vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Margraten 2009’ (geconsolideerde versie 2012-12-14). ‘Waarde – Ecologie’ De agrarische gronden in het zuidwestelijk deel van het plangebied kennen in het ter plekke vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waarde – Ecologie’. Deze dubbelbestemming is in het voorliggende bestemmingsplan eveneens opgenomen op deze gronden. De regeling omtrent deze dubbelbestemming is overgenomen van het op dit betreffende perceelsdeel vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Margraten 2009’ (geconsolideerde versie 2012-12-14).

‘Waarde – Landschapselement’ De agrarische gronden in het zuidwestelijk deel van het plangebied kennen in het ter plekke vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waarde – Landschapselement’. Deze dubbelbestemming is in het voorliggende bestemmingsplan eveneens opgenomen op deze gronden. De regeling omtrent deze dubbelbestemming is overgenomen van het op dit betreffende perceelsdeel vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Margraten 2009’ (geconsolideerde versie 2012-12-14). ‘Waterstaat – Beschermingszone watergang’ Het achterste deel van het perceel aan de Sint Maartensweg 20 valt net binnen de beschermingszone van de achtergelegen watergang. Binnen de beschermingszone zijn geen gebouwen toegelaten. Hierdoor blijft de watergang bereikbaar voor onderhoud. ‘Waterstaat – Erosie’ De agrarische gronden in het zuidwestelijk deel van het plangebied kennen in het ter plekke vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Erosie’. Deze dubbelbestemming is in het voorliggende bestemmingsplan eveneens opgenomen op deze gronden. De regeling omtrent deze dubbelbestemming is overgenomen van het op dit betreffende perceelsdeel vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Margraten 2009’ (geconsolideerde versie 2012-12-14).

5.3.4 Algemene regels In de Anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze

Hoofdstuk 5

39

bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. In de Algemene bouwregels zijn nadere bepalingen opgenomen omtrent maatvoeringen en bebouwingspercentages. In de Algemene gebruiksregels is een nadere bepaling opgenomen met betrekking het gebruik van de gronden. In de Algemene aanduidingsregels zijn de gebiedsaanduidingen ‘milieuzone – bodembeschermingsgebied’, ‘milieuzone – spuitvrije zone’, ‘overige zone – hoogstamboorgaarden’ en ‘veiligheidszone – leiding’ opgenomen. Het bodembeschermingsgebied ‘Mergelland’ is aangegeven in de provinciale regelgeving en geniet bescherming ten behoeve van duurzaam behoud van kwetsbare functies en waarden. In de Omgevingsverordening Limburg zijn voor dit gebied aanvullende eisen gesteld. Ter plaatse van de spuitvrije zone is het gebruik van drift veroorzakende chemische gewasbeschermingsmiddelen niet toegestaan. Ter plaatse van de zone hoogstamboomgaarden vindt de ontwikkeling van nieuwe hoogstamboomgaarden ten behoeve van landschapsontwikkeling bij voorkeur plaats. De veiligheidszone is opgenomen vanwege de olieleiding in het noordwestelijke deel van het plangebied.

In de Algemene afwijkingsregels en Algemene wijzigingsregels verschaffen burgemeester en wethouders de gewenste beleidsruimte om bij de uitvoering van het plan te kunnen inspelen op gegevens of situaties die vooraf niet bekend kunnen zijn. In het artikel Overige regels zijn de overige zaken geregeld die niet elders kunnen worden ondergebracht, te weten voorrangsregels en verwijzingen naar geldende wet- en regelgeving. 5.3.5 Overgangs- en slotregels In de regel Overgangsrecht is geregeld in hoeverre en onder welke voorwaarden bestaande gebouwen en het bestaand gebruik van gronden en bouwwerken mogen afwijken van het plan. In de Slotregel is aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 5

40

6.

HANDHAVING

Een bestemmingsplan is voor de gemeente een belangrijk instrument om haar ruimtelijk beleid vorm te geven. Door middel van een combinatie van positieve bestemmingen en het uitsluiten van bepaalde activiteiten en functies kan een sturing plaatsvinden van gewenste en ongewenste ontwikkelingen. Een belangrijk aspect hierbij is de handhaving en het toezicht op de naleving van het bestemmingsplan. Deze handhaving is van cruciaal belang om de in het plan opgenomen ruimtelijke kwaliteiten ook op langere termijn daadwerkelijk te kunnen vasthouden. Daarnaast is de handhaving van belang uit een oogpunt van rechtszekerheid: alle bewoners en gebruikers dienen door de gemeente op een zelfde wijze daadwerkelijk aan het plan worden gehouden. In dit bestemmingsplan is daarom allereerst gestreefd naar een zo groot mogelijke eenvoud van in het bijzonder de planregels. Hoe groter de eenvoud (en daarmee de toegankelijkheid en leesbaarheid), hoe groter in de praktijk de mogelijkheden om toe te zien op de naleving van het plan. Bewust zijn in het plan geen detailbepalingen opgenomen die – hoewel misschien op zichzelf niet onwenselijk – in de praktijk niet kunnen worden gehandhaafd. In het verlengde daarvan is zoveel mogelijk afgezien van bepalingen die door de bewoners en andere gebruikers als een onnodige beperking van hun vrijheid kunnen worden gevoeld.

Hoe minder knellend de planregels zijn, hoe kleiner de kans dat het met de regels wat minder nauw wordt genomen. In de praktijk worden op den lange duur immers ook alleen die regels gerespecteerd waarvan door de betrokkenen de noodzaak en de redelijkheid wordt ingezien. In de bouwregels zijn maten opgenomen die van toepassing zijn op gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Te realiseren gebouwen en andere bouwwerken moeten voldoen aan deze maatvoering, zo niet, dan kan het college van burgemeester en wethouders geen omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen. Gebruiksregels zijn opgenomen om gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken en ongewenste ontwikkelingen uit te sluiten. Toetsing aan de gebruiksregels is aan de orde bij functiewisseling of nieuwvestiging. Het gemeentebestuur draagt de verantwoordelijkheid om toe te zien op de naleving van de opgenomen regels in het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 5

41

7.

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

Ingevolge artikel 1.3.1. van het Bro dienen burgemeester en wethouders te besluiten en te publiceren of er terinzagelegging van het bestemmingsplan plaatsvindt, of er zienswijzen kunnen worden ingediend en of er een onafhankelijke adviesinstantie advies uitbrengt. Ook is in artikel 1.3.1. Bro bepaald dat het voornemen tot het voorbereiden van een bestemmingsplan waarbij geen MER wordt opgesteld, dient te worden gepubliceerd conform artikel 3:12 lid 1 en 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en langs elektronische weg. Inspraak Voor dit bestemmingsplan wordt géén inspraakprocedure gevolgd. Het plan wordt direct als ontwerp ter inzage gelegd, waarbij voor een ieder de mogelijkheid bestaat een zienswijze op het plan in te dienen. Vooroverleg Volgens artikel 3.1.1. Bro dient vooroverleg te worden gevoerd met diensten van het Rijk, provincie en het waterschap. Deze instanties kunnen aangeven dat in bepaalde gevallen vooroverleg niet noodzakelijk is. Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moeten burgemeester en wethouders, indien niet is aangegeven dat van vooroverleg kan worden afgezien, daarom overleg plegen met het Waterschap, met andere gemeenten wiens belangen bij het plan betrokken zijn en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. In het kader van onderhavig plan zijn geen nationale belangen in het geding.

Vooroverleg met de Rijksoverheid is dan ook niet noodzakelijk. Gezien de ligging binnen het stedelijk gebied en het gestelde in de Interim Belangenstaat van de provincie Limburg zijn er met plan ook geen provinciale belangen gemoeid en is vooroverleg met de provincie dan ook niet noodzakelijk. Overleg met het waterschap is, conform het Toepassingsbereik Watertoets ook niet nodig, aangezien er geen waterschapsbelangen in het geding zijn en er gezien de bestaande situatie, geen toename in het verharde oppervlak plaatsvindt. Zienswijzen De resultaten van de terinzagelegging van het ontwerp-bestemming worden hier tezijnertijd beschreven.

Hoofdstuk 5

42

8.

PROCEDURE

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit:  Openbare kennisgeving van het ontwerp-bestemmingsplan;  Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan Gedeputeerde Staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten;  Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht;  Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend;  Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien Gedeputeerde Staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling;  Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden;  Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Hoofdstuk 5

43

BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Tegelen www.bro.nl

Hoofdstuk 5

44

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EijsdenMargraten&id=f5e24ee4-1854-4c5c-b6e8-7ae6d6172e71