17h Geanonimiseerd
Tekst van het document
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) Verzonden: donderdag 8 mei 2025 12:12 Aan: cc:
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
Onderwerp: Re: klacht over een schending van de procedurele regels
(geanonimiseerd) Geachte mevrouw N Dank voor voorgaand bericht, dat is duidelijk. Zoals u aangeeft biedt de commissie de mogelijkheid om nog te reageren op het verweerschrift. Dat wil ik via deze weg dan ook graag op een aantal punten nog doen. In de bijlage onze reactie. Kunt u bevestigen dat dit nog meegenomen wordt door de commissie? Alvast dank voor uw reactie.
Met vriendelijke groet,
(geanonimiseerd)
Op di 6 mei 2025 om 10:18 h
(geanonimiseerd) :
(geanonimiseerd)(geanonimiseerd)
(geanonimiseerd) Geachte heer N Afgelopen vrijdag heb ik uw klacht doorgestuurd naar de commissie. Hierbij wil ik u informeren over het standpunt van de commissie.
Na overleg met de voorzitter en de overige commissieleden, geeft de commissie aan dat zij geen aanleiding ziet om de hoorzitting te verplaatsen. De commissie merkt op een verweerschrift niet wettelijk verplicht is. Hoewel de commissie in haar jaarverslag aangeeft dat het wenselijk is dat bij de ter inzage liggende processtukken ook een verweerschrift van het bestuursorgaan is bijgevoegd, doet dit niets af aan de geldigheid van de procedure. De commissie zal tijdens de hoorzitting bepalen welke stukken wel en niet worden meegenomen.
Mocht u
na de hoorzitting nog willen reageren op specifieke zaken of aspecten in het verweerschrift, dan is dit mogelijk. De commissie zal hier in haar advisering rekening mee houden. Aangezien de klacht gericht is tegen het handelen van het college, zal de klacht dan ook verder door het college inhoudelijk worden opgepakt.
Namens de intergemeentelijke adviescommissie bezwaarschriften, Met vriendeijke groet,
(geanonimiseerd) Secretaris (algemene kamer)
Reactie op verweerschrift college Aan: Intergemeentelijke Adviescommissie Bezwaarschriften T.a.v. de secretaris Betreft: Bezwaarschrift voorkeursrecht — percelen R 433, R 436 en R 444 (Eijsden-Margraten)
(geanonimiseerd) «n B (geanonimiseerd) Namens: B Geachte commissieleden,
Namens (geanonimiseerd) N en mijzelf stuur ik u een reactie op het verweerschrift van het college d.d. 30 april 2025 met referentie JN/JN/7026386. De nummering van de onderstaande is gebaseerd op de nummering van het verweerschrift.
3.1 Ontbreken van een concreet ruimtelijk beleidsvoornemen a. Ontbreken van een concreet ruimtelijk beleidsvoornemen Hoewel het college zich beroept op artikel 9.1, eerste lid, onder c van de Omgevingswet (voorheen artikel 5
Wvg), blijft de kern van ons bezwaar overeind: er ontbreekt een concreet, objectief herleidbaar ruimtelijk beleidsvoornemen dat ten grondslag ligt aan het raadsbesluit. Uit het raadsbesluit zelf en de bijbehorende stukken blijkt niet: . Dat er sprake is van enig (beleids)document waarin woningbouw op deze locatie als reële ontwikkeling wordt benoemd; . Noch dat er een ruimtelijke verkenning, planstudie of voorbereidend traject is gestart met betrekking tot deze gronden. De enkele vermelding van de wens tot woningbouw in een meerjarenbegroting vormt geen ruimtelijk beleidsvoornemen in de zin van de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
b. Jurisprudentie vereist wél onderbouwing, ook bij globaal beeld Het college stelt terecht dat op basis van vaste rechtspraak (0.a. RvS 15 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:607340 en RVS 22 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1638) een globaal beeld van de toekomstige bestemming volstaat. Diezelfde jurisprudentie stelt echter dat dit globale beeld wel moet blijken uit een beleidsdocument of andere bestuurlijk vastgestelde bron. Het college toont dit in het geheel niet aan.
Daarmee voldoet het raadsbesluit niet aan het motiveringsvereiste uit artikel 3:46 Awb, noch aan de bedoeling van artikel 9.1 Ow. c. E-mailcorrespondentie bevestigt ontbreken van planvorming Opnieuw op de overgelegde e-mailcorrespondentie waarin namens de gemeente wordt bevestigd dat er nog geen concreet plan is voor de betreffende locatie. Deze erkenning ondermijnt de stelling van het college dat er voldoende beleidsmatige onderbouwing bestaat.
Conclusie van dit onderdeel:
.
het ontbreken van een concreet en herleidbaar ruimtelijk beleidsvoornemen,
.
een ontoereikende motivering van het besluit,
. en strijd met het evenredigheidsbeginsel, nu een vergaand juridisch instrument is ingezet zonder voldoende planologische basis.
3.3 Onvoldoende motivering Het college heeft in het verweer geprobeerd de motivering aan te vullen met verwijzingen naar de programmabegroting 2025-2028 en de spreiding van de woningbouwopgave over de verschillende kernen, waaronder Eckelrade. Daarbij wordt gesteld dat de locatie 'Eckelrade, Miséricorde' is geselecteerd als “straatje erbij”-locatie, omdat deze grenst aan bestaand woongebied en een [ogische ligging zou hebben. Deze aanvullende motivering is echter nog steeds onvoldoende op de volgende gronden: a. Geen beleidsmatig vastgesteld document dat locatiekeuze onderbouwt Het verweer verwijst naar een algemene beleidslijn in de begroting, maar nergens blijkt uit een concreet ruimtelijk beleidsdocument, nota of besluit dat: . ‘'Eckelrade, Miséricorde' daadwerkelijk is aangewezen als prioritaire of geschikte uitbreidingslocatie; . een onderbouwde locatiekeuze of -afweging is gemaakt ten opzichte van andere locaties; . er een concrete woningbouwbehoefte is vastgesteld specifiek voor dit gebied en de betrokken percelen. Het college stelt dat zo’n beleidsdocument niet nodig is vanwege het karakter van artikel 9.1 lid 1 sub € Ow, maar dat is slechts juist voor zover de toegedachte functie niet elders planologisch is vastgelegd — het ontslaat de gemeente niet van de plicht om de locatiekeuze helder en navolgbaar te motiveren. b.
Motivering blijft te vaag en summier De redenering dat de |ocatie “aan de rand van bestaand woongebied ligt” en “eerder al in beeld is geweest” is te summier voor een besluit met ingrijpende rechtsgevolgen voor grondeigenaren. Er ontbreekt:
.
een toetsing aan ruimtelijke kwaliteit, bereikbaarheid of leefomgevingsfactoren;
.
onderbouwing waarom deze locatie nú urgent is voor woningbouw;
.
enige kwantitatieve of beleidsmatige analyse.
De stelling dat het “een logische ligging” betreft is subjectief en onvoldoende gemotiveerd zonder verdere onderbouwing. . Onvoldoende individuele motivering per perceel Het college stelt dat het voldoende is dat een deellocatie globaal is benoemd en dat andere gronden buiten beschouwing blijven op basis van beleidsvrijheid. Echter, de Raad van State verlangt dat bij aanwijzing van concrete percelen wél voldoende motivering wordt gegeven waarom juist deze percelen zijn aangewezen. Beleidsvrijheid ontslaat de raad niet van haar motiveringsplicht (zie 0.a. ABRVS 2014:3786).
d. Voorwaardelijke motivering in bezwaarprocedure is te laat Het college geeft aan dat het de motivering “zo nodig” nog verder zal aanvullen in de beslissing op bezwaar. Bezwaarmakers wijzen erop dat dit in strijd is met het motiveringsbeginsel, omdat de motivering ten tijde van het besluit zelf aanwezig en kenbaar moet zijn. Een motivering die pas achteraf wordt toegevoegd, kan het gebrekkige besluit niet herstellen (artikel 3:46 jo. 7:12 Awb; zie ook ABRVS 22-10-2014). Conclusie van
dit onderdeel:
De motivering van het besluit blijft zowel inhoudelijk als procedureel onvoldoende. Zonder concreet beleidsdocument of navolgbare locatieafweging is niet voldaan aan de motiveringsplicht van artikel 3:46 Awb. Het feit dat het college overweegt de motivering achterafte verbeteren, bevestigt juist dat het oorspronkelijke besluit ondeugdelijk is gemotiveerd en op dat moment niet dragend was.
3.4 Disproportionaliteit en ontbreken van ruimtelijke noodzaak a. Geen enkele motivering tav de woningbehoefte Het college stelt dat het Woningmarktonderzoek Eijsden-Margraten van april 2022 achterhaald is. Dit onderzoek noemt een woningbehoefte van circa 710 woningen tot 2030. Van opschaling of concrete noodzaak tot uitleglocaties buiten de bestaande contouren blijkt uit geen enkel ander document van de gemeente.
b. Geen onderbouwing vanuit Woondeal Limburg 2023-2030 In het verweer stelt het college dat de woningbouwopgave is toegenomen tot 1.000-1.100 woningen, met een beoogde plancapaciteit van circa 1.500 woningen. Deze aantallen worden echter niet onderbouwd in de Woondeal Limburg 2023-2030. In deze woondeal worden per gemeente prestatieafspraken op hoofdlijnen gemaakt, maar er wordt geen enkele concrete doelstelling opgenomen waaruit de door het college genoemde toename blijkt. Bovendien benadrukt de woondeal juist de noodzaak tot samenwerking en afstemming, waarbij overcapaciteit en versnipperde ontwikkeling tussen kernen wordt ontmoedigd. Het zelfstandig aanwijzen van nieuwe uitleglocaties zonder aantoonbare onderbouwing past niet binnen deze beleidslijn.
. Structurele krimp Zuid-Limburg (Woonmonitor 2024) De Woonmonitor 2024 toont aan dat Zuid-Limburg te maken heeft met structurele bevolkingsdaling en afnemende huishoudensgroei. Het gaat om een krimpregio waar in meerdere gemeenten de vraag naar woningen op middellange termijn zal stagneren of zelfs dalen. In dat licht is het extra belangrijk om zorgvuldig en terughoudend om te gaan met het aanwijzen van nieuwe woningbouwlocaties buiten de bestaande
kernen.
d. Ruime plancapaciteit in de provincie Volgens diezelfde monitor bedraagt de Limburgse plancapaciteit inmiddels bijna 43.000 woningen, waarvan een aanzienlijk deel nog niet is gerealiseerd. In Zuid-Limburg is daarmee al in belangrijke mate voorzien in de toekomstige woningbouwbehoefte. Extra uitleglocaties, zoals Eckelrade, Miséricorde, zijn ruimtelijk niet noodzakelijk zolang bestaande locaties niet zijn benut of afgevallen.
Conclusie van dit onderdeel:
Gelet op:
.
de structurele bevolkingskrimp in Zuid-Limburg;
.
de bestaande, ruime plancapaciteit;
. en het ontbreken van een concreet, dringend beleidsdocument dat de ontwikkeling van Eckelrade, Miséricorde als essentieel benoemt; Is het vestigen van een voorkeursrecht op deze gronden disproportioneel en onnodig. Het druist in tegen
de beginselen van doelmatigheid, proportionaliteit en zorgvuldigheid zoals neergelegd in de Awb (artikelen 3:2, 3:4 lid 2 en 3:46).
3.8 Verhouding omvang aanwijzing en woningbouwopgave Het college stelt dat de aanwijzing van ca. 1,4 hectare (14.000 m?) in de kern Eckelrade gerechtvaardigd is, ondanks dat in de programmabegroting 2025-2028 expliciet wordt uitgegaan van slechts 10 woningen op de locatie Miséricorde. Die aantallen worden in het verweer aangeduid als een “eerste globale aanname”, met de toevoeging dat bij verdere planuitwerking wellicht meer woningen kunnen worden gerealiseerd. Deze redenering roept echter meerdere fundamentele bezwaren op: Onvoldoende concretisering van planvorming Uit het raadsbesluit van 19 februari 2024 blijkt dat de vestiging van het voorkeursrecht is gebaseerd op de woningbouwprojectie uit de programmabegroting, waarin nadrukkelijk wordt uitgegaan van 10 woningen. Dit aantal s niet gepresenteerd als een ondergrens, maar als concreet uitgangspunt. Er is geen enkel beleidsdocument of stedenbouwkundig plan waaruit blijkt dat er op deze locatie méér woningen zijn beoogd, noch is onderbouwd dat een hogere woningdichtheid nodig of wenselijk is. Disproportionaliteit Het aanwijzen van 1,4 ha voor slechts 10 woningen betekent een woningdichtheid van ca. 7 woningen per
hectare, wat ruim onder de gangbare normen ligt. (Mede gelet op het feit dat er 30% sociale woningbouw gerealiseerd moet worden)Ook als wegen, tuinen en openbaar groen worden meegerekend, is dit niet efficiënt ruimtegebruik, zeker niet gezien het provinciale beleid om zorgvuldig met de schaarse ruimte om te gaan.
In strijd met de beleidscontext De Woonmonitor Limburg 2024 wijst op een structurele krimp in Zuid-Limburg, waar ook EijsdenMargraten toe behoort. Daarbij komt dat uit de Woondeal Limburg 2023-2030 géén aanwijzing voortkomt dat voor Eckelrade of vergelijkbare kernen grootschalige uitbreiding of het aanleggen van uitleglocaties noodzakelijk is. De verwijzing naar betaalbaarheidseisen uit de Woondeal rechtvaardigt daarom niet op zichzelf een dergelijke ruime grondreservering. Voorbarigheid en rechtszekerheid Als het college stelt dat het aantal van 10 woningen mogelijk opgerekt kan worden na planuitwerking, terwijl tegelijkertijd géén stedenbouwkundige of beleidsmatige onderbouwing bestaat voor méér woningen, roept dat vragen op over de zorgvuldigheid van het besluitproces en
de rechtszekerheid voor grondeigenaren. De bevoegdheid om grond met voorkeursrecht aan te wijzen vereist immers een redelijke proportionaliteit tussen doel en middel (art. 3:4 Awb). Conclusie van dit onderdeel:
De aanwijzing van 1,4 ha grond voor de realisatie van 10 woningen is, zoals het college zelf stelt, niet gebaseerd op een vastgesteld plan, maar op de veronderstelling dat in de toekomst mogelijk meer woningen kunnen worden gerealiseerd. Dit maakt het besluit speculatiefen disproportioneel, zeker gezien de beperkte woningbouwopgave die in het raadsbesluit wordt genoemd en de krimpende bevolkingsontwikkeling n de regio. Daarmee is de motivering onvoldoende en in strijd met het evenredigheidsbeginsel van de Algemene wet bestuursrecht.
3.9 Alternatieven / Inbreidingslocaties Het college stelt dat de alternatieven pas in een later stadium van planvorming een rol spelen, en dat de raad beleidsruimte heeft om gronden aan te wijzen. Dit verweer miskent echter enkele belangrijke beginselen: 1. Verplichting tot serieuze afweging van alternatieven (bestuursrechtelijk zorgvuldigheidsbeginsel) Op grond van artikel 3:2 van de Awb moet het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit alle relevante feiten en af te wegen belangen betrekken, waaronder ook het bestaan van minder ingrijpende alternatieven. Juist wanneer een bevoegdheid zoals het vestigen van een voorkeursrecht ingrijpt in eigendomsrechten, mag van de raad worden verwacht dat zij inzichtelijk maakt waarom andere (minder belastende) opties zijn afgevallen. 2.
Onvoldoende motivering voor afwijzing alternatieven In het raadsbesluit van 19 februari 2024 noch in de programmabegroting 2025-2028 wordt inhoudelijk ingegaan op de mogelijkheid van inbreiding binnen de kern Eckelrade, terwijl dat bij uitstek past binnen de schaalgrootte van de opgevoerde woningbouwopgave. Daarmee i niet transparant gemaakt waarom is gekozen voor het aanwijzen van landbouwgrond aan de rand van het dorp, terwijl binnen de bestaande contour alternatieven beschikbaar zijn.
3.
Disproportionaliteit van de locatiekeuze Gelet op de beperkte woningbouwbehoefte in Eckelrade (1030 woningen tot 2034), is het aanwijzen van 1,4 ha landbouwgrond voor woningbouw zonder serieuze toetsing van inbreidingsmogelijkheden niet proportioneel. De aangevoerde alternatieve locaties kunnen samen een belangrijk deel van deze behoefte al invullen.
Conclusie van dit onderdeel:
Het college stelt ten onrechte dat alternatieven pas bij latere planvorming relevant zijn. Juist bij het nemen van een ingrijpend besluit als het vestigen van een voorkeursrecht dient het bestuursorgaan ook redelijkerwijs alternatieve oplossingen in overweging te nemen, zeker wanneer deze concreet en ruimtelijk passend worden aangedragen. Nu dit aantoonbaar niet is gebeurd, is het besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd in de zin van de Awb.
Samenvattende
conclusie:
Het besluit tot vestiging van het voorkeursrecht op de locatie Eckelrade, Miséricorde schiet op meerdere essentiële punten tekort. Het ontbreekt aan een concreet en herleidbaar ruimtelijk beleidsvoornemen dat de aanwijzing onderbouwt. De motivering is inhoudelijk en procedureel onvoldoende, en voldoet niet aan de motiveringsplicht van artikel 3:46 Awb. Het besluit berust deels op toekomstveronderstellingen zonder planologische verankering, wat het onevenredig maakt ten opzichte van de ingrijpende juridische gevolgen voor de eigenaren. Daarbij is geen serieus onderzoek gedaan naar minder ingrijpende alternatieven, zoals inbreidingslocaties binnen de kern, wat in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Tegen de achtergrond van de structurele bevolkingskrimp in Zuid-Limburg en de reeds bestaande plancapaciteit ontbreekt iedere dwingende noodzaak voor aanwijzing van deze gronden. Het besluit is daarmee ondeugdelijk gemotiveerd, disproportioneel en onzorgvuldig voorbereid.
Slotopmerking — precedentwerking en willekeur Indien het bestreden besluit ondanks het ontbreken van een concreet beleidsvoornemen, de
ontoereikende motivering en het disproportionele karakter van de aanwijzing toch in stand zou worden gelaten, ontstaat er een gevaarlijk precedent. Het zou immers impliceren dat een gemeenteraad zonder concreet plan of duidelijke beleidsafweging gronden onder het voorkeursrecht kan brengen, louter op basis van een globaal voornemen. Daarmee wordt de weg vrijgemaakt voor een toepassing van de Wet voorkeursrecht gemeenten die berust op beleidsmatige willekeur. Dit is onverenigbaar met fundamentele rechtsstatelijke beginselen, waaronder het legaliteitsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel zoals neergelegd in de Algemene wet bestuursrecht.
(geanonimiseerd) Wij danken u voor uw zorgvuldige beoordeling. Met vriendelijke groet, N Namens:
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
(geanonimiseerd)