14 Schriftelijke vragen en antwoorden Koersnota Sociaal ontwikkelbedrijf Maastricht-Heuvelland
Tekst van het document
Raadsvergadering 16 december 2025 Schriftelijke vragen Agendapunt 14: Koersnota Sociaal ontwikkelbedrijf Maastricht-Heuvelland.
Geen vragen.
Vraag 1: Koersnota p.3 Bij financiële aspecten wordt gesproken over de impulsmiddelen van het Rijk. Kunt u hier de achtergronden van schetsen? Hoogte, voorwaarden voor het ontvangen van de middelen, wie krijgt de zeggenschap over deze middelen, etc. En hoe wordt het risico afgedekt als deze middelen na 2034 wegvallen? Antwoord: Het impulsbudget is formeel vrij besteedbaar, omdat het via een decentralisatie-uitkering aan gemeenten wordt uitgekeerd. Dat betekent dat het ministerie van SZW het gebruik van het budget niet juridisch kan afdwingen of corrigeren, ook niet als het aan andere doelen wordt besteed. Toch is de inzet van het impulsbudget niet vrijblijvend. Tussen het Rijk, de VNG, Cedris en Divosa zijn heldere bestuurlijke afspraken gemaakt waarin het doel van de middelen specifiek benoemd staat. Het bedrag wordt overgemaakt naar de grootste partij in het WSW samenwerkingsverband, in ons geval de gemeente Maastricht. Op regionaal niveau is afgesproken dat het budget wordt gereserveerd voor de implementatie van het sociaal ontwikkelbedrijf. Voor 2025 gaat het om een bedrag van €384.528 voor Eijsden-Margraten, Meerssen en Maastricht. De impulsgelden zijn bedoeld voor de implementatie van het SOB, en niet voor structurele zaken. Dat dekt ook het risico af dat deze middelen na 2034 wegvallen. Vraag 2: Koersnota p.6 Het bufferbudget is een mooi initiatief.
Aan de hand van welke criteria wordt dit budget verstrekt, welke doelgroep komt ervoor in aanmerking en geldt er een maximum aan het aantal personen of aan de totale inzet? Antwoord: Het bufferbudget wordt uitgekeerd aan inwoners die door een ongelukkige samenloop van regelingen een netto besteedbaar inkomen hebben dat onder de bijstandsnorm ligt. Om deze mensen tegemoet te komen wordt jaarlijks een bedrag van €1.000 toegekend. De gemeente wordt via een decentralisatie-uitkering alleenverdienersproblematiek in het gemeentefonds gecompenseerd voor deze kosten. De Inlichtingendienst van het ministerie van SZW heeft een eerste indicatie gegeven dat dit in de gemeente Eijsden-Margraten een paar personen betreft. Er zit geen maximum op het aantal inwoners of de totale inzet. Pagina 1 van 8
Vraag 3: Koersnota p.13 In de tweede alinea wordt gerefereerd aan gestandaardiseerde werkprocessen. Naar welke werkprocessen verwijst u en zijn deze in de huidige praktijk niet al in grote mate gestandaardiseerd? Antwoord: Wij doelen op werkprocessen als doorverwijzing en overdracht van inwoners binnen de keten. Door van 3 organisaties naar één organisatie te gaan nemen het aantal overdrachtsmomenten af en kunnen we de werkprocessen beter op elkaar laten aansluiten. Vraag 4: Koersnota p.13 Bij het vierde opsommingspunt geeft u aan dat noodzakelijke voorzieningen tijdens de herstructurering overheid worden gehouden. Aan welke voorzieningen moeten we denken en welke criteria worden gebruikt om te bepalen of de voorzieningen essentieel zijn? Antwoord: Met noodzakelijke voorzieningen wordt gedoeld op voorzieningen die worden gebruikt om inwoners in de transformatieperiode het re-integratieproces naar de arbeidsmarkt te blijven doen doorlopen. Dat is het voornaamste criterium. Voorbeelden van dit soort voorzieningen zijn: leer-werktrajecten, arbeidstechnische keuringen of begeleiding van inwoners die met loonkostensubsidie aan het werk zijn. Vraag 5: Koersnota p.13: laatste opsommingspunt.
Hoe groot is het budget dat u uittrekt voor de transformatieperiode van 5 jaar, hoe wordt dit gefinancierd en welke kosten mogen hieruit betaald worden? Antwoord: Voor de structurele kosten van het SOB zijn de budgetten die gebruikt worden binnen de huidige reintegratieketen (Annex, MTB, Podium24) leidend. Voor de transformatie maken wij gebruik van de impulsgelden die wij van het Rijk hebben ontvangen. Alle kosten die noodzakelijk zijn voor de transformatie van het nieuwe sociaal ontwikkelbedrijf worden hieruit betaald. Vraag 6: Koersnota p.24: onderdeel 1 laatste opsommingspunt. Hoe ziet u de concrete uitwerking van het punt "als iets duurder is, moet het benoemd kunnen worden. Ook als dit betekent dat er keuzes gemaakt moeten worden als blijkt dat niet alle doelgroepen bediend kunnen worden binnen het beschikbare budget". Welke afwegingskaders geeft u hierbij mee? Antwoord: Indien het budget niet toereikend is zullen de afwegingskaders voor eventuele voorstellen per casus verschillen. Hoofddoel blijft echter dat de impact van dergelijke keuzes zo klein mogelijk is. Vraag 7: Koersnota p.25 U refereert hier aan de handreiking die door het ministerie recentelijk is gepubliceerd en welke u in de verdere uitwerking zult meenemen.
Wat zijn de hoofdpunten en -adviezen in deze handreiking die invloed gaan hebben op de financiële inrichting en de governance inrichting van het sociaal ontwikkelbedrijf?
Pagina 2 van 8
Antwoord: De handreiking geeft een uiteenzetting van de verschillende bekostigingsmogelijkheden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de p*q methodiek, lumpsum of nacalculatie. Daarnaast is er een stappenplan naar de nieuwe bekostigingsmethodiek, inclusief afwegingscriteria. Na vaststelling van de koersnota zal in een gezamenlijke werkgroep nader onderzocht worden welke bekostigingsmethodiek uiteindelijk wordt toegepast. Vraag 8: Koersnota p.25 In het koersdocument lezen we veel over synergievoordelen. Echter, voor de ondersteunende processen blijft onderbelicht wat de oprichting van het sociaal ontwikkelbedrijf hiermee gaat doen. Hoe voorkomt u dat de overhead kosten bijvoorbeeld niet de pan uit gaan rijzen? Antwoord: Door het samenvoegen van de verschillende organisaties, worden ondersteunende processen van de verschillende uitvoeringsorganisaties ook samengevoegd. Denk hierbij bijvoorbeeld aan personeelsadministratie en ICT omgeving. Deze samenvoeging zorgt voor een meer gestroomlijnde dienstverlening en daarbij lagere overhead kosten. Vraag 9: Koersnota p.26 Op deze pagina wordt genoemd dat maatschappelijke impact meetbaar wordt gemaakt via indicatoren.
Op welke indicatoren wil de gemeente Eijsden-Margraten specifiek gaan sturen en hoe wordt gestuurd wanneer resultaten achterblijven? Welke escalatie- of bijsturingsmechanismen worden daarbij ingezet? Antwoord: Na vaststelling van de koersnota wordt een regionale beleidsgroep op poten gezet om beleid te maken op de verschillende onderdelen in het re-integratieproces. Daarbij worden ook de indicatoren geconcretiseerd waarop wij bij willen sturen, evenals het escalatiemodel. Vraag 10: Koersnota Hoe worden doelgroepen en werkgevers tijdig en volledig geïnformeerd over de wijzigingen? Antwoord: De verschillende betrokken doelgroepen worden op verschillende manieren geïnformeerd. Medewerkers van de uitvoeringsorganisaties (waaronder de inwoners die onder de WSW vallen) worden via de eigen directie geïnformeerd. Werkgevers worden geïnformeerd via de vaste contactpersonen binnen de uitvoeringsorganisaties MTB en Podium24.
Vraag 11: Blijft SEM in de Uitvoeringsorganisatie dezelfde taken behouden of gaat er iets veranderen? Dan graag een toelichting daarop. Pagina 3 van 8
Antwoord: SEM blijft onze eigen gemeentelijke sociale dienst, en zal in die hoedanigheid niet veranderen of andere taken gaan vervullen. Vraag 12: Welke vestigingslocatie(s) is/zijn er op het oog? Antwoord: Op dit moment is dit nog niet duidelijk, na vaststelling van de koersnota zal een regionale beleidsgroep worden opgezet die de adviseert over centrale dienstverlening of dienstverlening op locatie. Vraag 13: Blijven de huidige voordelen van SEM voor onze inwoners behouden in de nieuwe constructie? Antwoord: De huidige voordelen van SEM zullen behouden blijven binnen deze nieuwe constructie. Vraag 14: In welk tijdsbestek denkt u de verdere uitwerking van dit Koersdocument te kunnen realiseren? Antwoord: Zoals in de koersnota vermeld, richten wij ons op een transformatieperiode van 5 jaar. Daarbij wordt het principe “sneller waar mogelijk, langzamer indien noodzakelijk” gehanteerd. De besluitvorming over de GR staat sneller op de planning.
Vraag 15: Er ligt een ambitieus stuk waarin wordt aangegeven dat er wel financiële gevolgen zijn, maar de hoogte daarvan nog moet worden bepaald. Kan het dus zo zijn dat de ambities die nu in de koersnota staan later bijgesteld moeten worden indien blijkt dat er onvoldoende budget is? Antwoord: Wij verwachten in eerste instantie dat de bestaande budgetten toereikend zijn. Indien de budgetten niet toereikend zijn zullen wij met een voorstel terugkomen bij uw raad, waarin wij aangeven welke afwegingen wij hebben gedaan, wat er niet haalbaar is binnen de huidige budgetten en welke gevolgen daaraan zijn verbonden. Vraag 16: In het kader van de onduidelijkheden rondom budget vs ambitie hebben we de volgende vervolgvragen: Welke keuzes moeten worden gemaakt als het budget niet toereikend blijkt—welke doelgroepen of trajecten worden dan prioriteit? Antwoord: Op voorhand is het niet mogelijk om specifieke trajecten of doelgroepen te prioriteren. Indien het budget niet toereikend blijkt wordt in eerste instantie gekeken naar oplossingen die de kleinst mogelijke impact hebben voor de inwoners. Pagina 4 van 8
Vraag 17: Inzake de organisatorische structuur; Hoe realistisch is het beeld van “één sociaal ontwikkelbedrijf” zolang de WSW juridisch apart blijft georganiseerd? Antwoord: De aparte WSW structuur voor Eijsden-Margraten, Maastricht en Meerssen is enkel noodzakelijk omdat de inwoners die onder de WSW vallen in de gemeenten Valkenburg, Gulpen-Wittem en Vaals bij WOZL blijven. De financiering van die aparte entiteit wordt gedaan door de gemeenten EijsdenMargraten, Maastricht en Meerssen, aangezien het inwoners van die drie gemeenten betreft. Zolang er nog inwoners onder de WSW vallen, zijn wij verplicht hen een werkplek aan te bieden.
Vraag 18: Welke risico’s ontstaan door het feit dat drie gemeenten wél en drie gemeenten níet de WSW meenemen? Antwoord: Hier zijn geen risico’s aan verbonden. Belangrijk is wel om te benoemen dat de gemeenten EijsdenMargraten, Meerssen en Maastricht financieel verantwoordelijk zijn voor de aparte WSW-entiteit. Vraag 19: Hoe kan het SOB één loket zijn voor inwoners als er twee parallelle organisaties naast elkaar functioneren. Antwoord: Zoals beschreven in het koersdocument behouden de inwoners die onder de WSW vallen hun rechten en plichten. Wettelijk gezien zijn wij verplicht deze inwoners een werkplek te bieden. Er stromen geen nieuwe mensen meer in bij de WSW, wat het feitelijk een sterfhuisconstructie maakt. Dat houdt in dat er geen nieuwe meldingen komen bij het SOB van mensen met een WSW indicatie. De aparte entiteit voor Eijsden-Margraten, Maastricht en Meerssen is enkel en alleen opgericht voor de financiële verantwoording. Vraag 20: Eén van de uitgangspunten voor het inrichten van de SOB is het verminderen van ambtelijke en bestuurlijke afstemming. Waar ontstaat deze tijdwinst precies en op welke manier kan dit worden onderbouwd? Antwoord: Voorbeeld: in de huidige situatie hebben de betrokken bestuurders met alle drie de uitvoeringsorganisaties meerdere bestuursoverleggen per jaar, welke ambtelijk worden voorbesproken.
In de nieuwe situatie werken wij nog maar met 1 partij samen. Wel zal voor de entiteit van de WSW nog een apart afstemmoment blijven bestaan. Verder kunnen bestuurders taken beleggen bij het bestuur van het SOB, wat maakt dat er minder bestuurlijke afstemming noodzakelijk is. Vraag 21: Hoe wordt voorkomen dat het blijven bestaan van de twee gescheiden organisaties juist meer afstemming veroorzaakt in plaats van minder?
Pagina 5 van 8
Antwoord: Zoals vermeld bij vraag 20 neemt het aantal afstemmomenten af omdat het aantal organisaties waarmee wordt samengewerkt afneemt. Voor de WSW entiteit van Eijsden-Margraten, Meerssen en Maastricht zal wel een apart afstemmoment blijven. Vraag 22: Hoe kunt u de stelling verdedigen dat de GR ambtelijke en bestuurlijke afstemming vermindert, terwijl ook wordt aangegeven dat de GR ‘nog weinig detail’ bevat en de nadere invulling ‘volgt in het implementatieplan’? Antwoord: Zodra de GR met het algemeen en dagelijks bestuur is ingericht zal de bestuurlijke en ambtelijk afstemming afnemen. Om de GR op poten te zetten, inclusief governance, beleid en financiën is voor de transformatieperiode tijdelijk meer afstemming noodzakelijk.
Vraag 23: Hoe voorkomt u dat in de transformatieperiode van 5 jaar de bestuurlijke en ambtelijke druk niet juist verhoogd wordt omdat er 2 structuren zijn? Antwoord: Zoals beschreven in vraag 21 en 22, zal op korte termijn de ambtelijke en bestuurlijke drukte toenemen om de GR op poten te zetten. Aangaande de 2 structuren: voor de inwoners die onder de WSW vallen, komt er geen apart bestuurlijk overleg. Zij krijgen een werkplaats aangeboden welke gefinancierd wordt door de WSW subsidie die wij van het Rijk ontvangen. Vraag 24: Er wordt gesproken over maatwerk, maar dit dreigt te conflicteren met de uitvoeringscapaciteit. Welke alternatieven zijn er als blijkt dat maatwerk niet mogelijk is door een tekort aan personeel? Antwoord: Er zijn op dit moment geen indicaties dat maatwerk niet mogelijk is door uitvoeringscapaciteit. Bovendien heeft maatwerk een grotere kans dat iemand duurzaam uitstroomt uit de bijstand, en niet na een paar maanden weer terugkomt in de bijstand. Vraag 25: Hoe hoog is het risico op wachtlijsten en voor diagnose, leerwerktrajecten en plaatsing en hoe wordt voorkomen dat deze wachtlijsten gaan ontstaan? Antwoord: Op dit moment zijn er geen wachtlijsten, het risico hierop is klein. Indien het risico ontstaat zal er afstemming plaatsvinden tussen gemeenten en het SOB om dit risico te mitigeren.
Pagina 6 van 8
Vraag 26: Pagina 2 In de voorgestelde propositie is ten opzichte van de huidige situatie sprake van een Meer mensgerichte benadering. Hoe wordt meetbaar gemaakt dat inwoners daadwerkelijker een meer mens gerichte benadering gaan ervaren? Antwoord: Na de vaststelling van de koersnota gaan wij aan de slag gaat met het beleid voor het SOB, evenals met indicatoren om tevredenheid te meten. Wel heeft één SOB als voordeel dat de inwoners niet ‘doorgegeven’ worden van de ene uitvoeringsorganisatie naar de andere organisatie. Vraag 27: Hoe wordt gewaarborgd dat de mensgerichte benadering niet ondersneeuwt in schaalvergroting? Antwoord: Er vindt feitelijk geen schaalvergroting plaats, aangezien de uitvoeringsorganisaties worden samengevoegd. De mensgerichte benadering zal worden verankerd in het nieuwe beleid voor het SOB. Vraag 28: Pagina 2 Door de colleges van de zes gemeenten in Maastricht-Heuvelland wordt voorgesteld de bestaande infrastructuur met al haar deskundigheid en kennis van de bestaande uitvoeringsorganisaties Annex, MTB en Podium24 te behouden, maar samen te voegen tot een nieuw sociaal ontwikkelbedrijf. Welke risico’s zijn verbonden aan de samenvoeging van drie organisaties tot één nieuw sociaal ontwikkelbedrijf? Antwoord: Een van de risico’s van het samenvoegen is bijvoorbeeld dat sommige functies in het nieuwe SOB dubbel bezet zullen zijn.
Desondanks is er voor alle medewerkers van de huidige organisaties plek in het nieuwe SOB. Daarnaast is het risico dat de transformatie duurder uitvalt, hiervoor achten wij echter de huidige budgetten samen met de impulsgelden voldoende om deze transformatie te voltooien.
Vraag 29: Pagina 23. Keuze gaat naar een “Gemeenschappelijk openbaar lichaam”, met als benoemd risico “bestuurlijke drukte”. Wat betekent dit in de praktijk qua sturing en toezicht voor de gemeenteraad?
Pagina 7 van 8
Antwoord: De nieuwe opzet geeft de gemeenteraad meer directe sturing, aangezien uw raad jaarlijks de mogelijkheid heeft een zienswijze over de begroting te formuleren. Dat geeft de raad de mogelijkheid om keuzes te maken over de GR. Daarnaast dient het algemeen bestuur van de GR verantwoording af te leggen aan de gemeenteraad. Dat is in contrast met de huidige opzet, waar de gemeenteraad jaarlijks de begroting vaststelt. Vraag 30: Om hoeveel inwoners in EM gaat het die onder de regelingen vallen waar het SOB mogelijk voor opgezet wordt? Antwoord: Uitgaande van de doelgroepen die beschreven staan in de koersnota, betreft het tussen de 250 en 300 inwoners van onze gemeente. Vraag 31: Zeker bij dit soort voorstellen is ervaringsdeskundigheid van belang. Toch heeft burgerparticipatie op individueel niveau niet plaatsgevonden. Hoe kan dit worden verklaard? Antwoord: Voor de totstandkoming van dit document zijn verschillende adviesorganen geraadpleegd die de betrokken mensen representeren. De ASD is op regelmatige basis bijgepraat, en hebben een formeel advies uitgebracht. Daarnaast hebben de adviesraden van de overige gemeenten ook een advies uitgebracht. Ook de uitvoeringsorganisaties hebben vanuit hun ervaring een advies uitgebracht, denk hierbij aan de OR van MTB.
Bij de verdere uitwerking van het transitieplan zal door gebruik te maken van klankbordgroepen ook burgerparticipatie op individueel niveau gaan plaatsvinden. Vraag 32: P. 13 Hoe ziet de transformatieperiode van 5 jaar eruit? Waar kunnen mensen in deze periode terecht en wat merken zij van de transformatie? Waarom zijn basisbanen niet opgenomen in de koersnota? Antwoord: Een volledig uitgewerkte blauwdruk van de transformatie is er niet. Wel wordt na vaststelling van de koersnota direct begonnen met het verder uitwerken van de governance en financiën, evenals het opstellen van beleid voor het SOB. Het uitgangspunt is dat de inwoners zo min mogelijk merken van de transformatie, zij kunnen gebruik maken van de bestaande voorzieningen binnen de drie uitvoeringsorganisaties. Als deze voorzieningen overgaan in het SOB gaan de inwoners mee. Basisbanen zijn niet meegenomen in deze koersnota omdat de zes gemeenten in MaastrichtHeuvelland deze niet aanbieden.
Pagina 8 van 8