08 Schriftelijke vragen en antwoorden BP Dalestraat Banholt.docx
Tekst van het document
Raadsvergadering 14 februari 2023 Schriftelijke vragen Raadsvoorstel 8: BP Dalestraat 64a Banholt
Geen vragen.
Geen vragen. Hamerstuk.
Vraag 1: Waarom wordt de verstening ter plaatse niet teruggebracht? Waartoe dienen straks al die opstallen? De bedrijfsfunctie is immers vervallen? Antwoord: Zoals al in het raadsvoorstel is aangegeven, heeft er ten aanzien van het aantal bijgebouwen een dossierstudie plaatsgevonden. Uit deze dossierstudie is geconcludeerd dat het overgrote deel van de bebouwing reeds aanwezig was, vóórdat sprake was van het bedrijf, zoals dat in 2007 in het bestemmingsplan is vastgelegd. Anders gezegd: de bebouwing functioneerde reeds als bijgebouw bij een woning. Een van de bestaande gebouwen is later in gebruik genomen als timmerwerkplaats en daardoor is de hele locatie bestemd als ‘Bedrijf’. In 2014 is geconstateerd dat deze werkplaats marginaal (ca. 13m2) illegaal is uitgebreid, waarvoor in 2015 vergunning is verleend. In het voorliggend bestemmingsplan, zijnde het wijzigen van de bestemming 'Bedrijfsdoeleinden' naar de bestemming 'Wonen', wordt derhalve uitgegaan van de oude situatie “Wonen” met de destijds aanwezige bijbehorende bouwwerken. De opstallen zullen worden gebruikt als bergruimte. Vraag 2: Graag uitleg over het verhaal van de spuitcirkel. Schept dit geen rechtsongelijkheid met plannen die in het verleden hierop werden afgewezen? Antwoord: De goede ruimtelijke ordening die gehanteerd wordt als afwegingskader bij het opstellen van bestemmingsplannen betreft maatwerk.
Ieder geval wordt op zichzelf bekeken.
1
De huidige planologische situatie is dat ter plaatse de bestemming bedrijfsdoeleinden, inclusief de functieaanduiding “timmerfabriek” van toepassing is. Nu er geen bedrijf meer ter plaatse is, willen de initiatiefnemers die het perceel gekocht hebben, de feitelijke situatie in overeenstemming brengen door deze wijziging van het bestemmingsplan. Door het feit dat ter plaatse geen bedrijf meer is, is er een planologisch strijdige situatie ontstaan. Het aanhouden van een afstand van 50 meter voor de spuitzone is het uitgangspunt ingeval sprake is van het toevoegen van een gevoelig object, zoals een woning. Echter, in het voorliggend geval is geen sprake van het toevoegen van een woning maar is sprake van het puur planologisch omzetten van een bedrijfswoning in een reguliere woning en vermindert de intensiteit van het gebruik van het perceel omdat de bedrijfsbestemming eraf wordt gehaald. In de bedrijfswoning werd reeds gewoond. Er is qua ruimtelijke effecten geen verschil tussen het wonen in een bedrijfswoning en een reguliere woning. Beide verschillen ook niet wat betreft het risico om te worden blootgesteld aan gewasbeschermingsmiddelen. Het aanwezige bedrijf is beëindigd en de bedrijfsbestemming zal daarom eraf worden gehaald.
De herziening van het bestemmingsplan leidt derhalve tot een betere ruimtelijke ordening, ook wat betreft het spuitzone-aspect aangezien het perceel minder intensief gebruikt zal gaan worden. Dat wil zeggen dat er zich minder mensen zullen bevinden in de opstallen waardoor de gevoeligheid van het perceel afneemt. De goede ruimtelijke ordening en spuitzones betreft jurisprudentie recht en vereisen maatwerk. Wij zijn van mening dat bovenstaande redenering/ motivatie stand zal houden bij de Raad van State, mocht er beroep worden ingesteld. Bovenstaande motivering is besproken met de initiatiefnemer en die is hiermee akkoord. Het alternatief is dat in het voorliggend geval een slechtere ruimtelijke situatie zal blijven bestaan dan nu mogelijk wordt gemaakt op grond van het nieuwe bestemmingsplan. Per saldo zal een betere “spuitzonesituatie” ontstaan. Ook wordt opgemerkt dat niet in alle gevallen medewerking zal worden verleend aan het realiseren van een spuitvrije zone en dat als bovenstaande redenering zich niet voordoet, veel ontwikkelingen die grenzen aan het buitengebied geen doorgang kunnen vinden. Vergelijkbare gevallen zijn in het verleden op dezelfde wijze beoordeeld. Dit betroffen doorgaans wijzigingsplannen, welke door het college worden vastgesteld.
Vraag 1: Moet dit RV nog behandeld worden? ( op pagina 3 van de toelichting staat dat het is vastgesteld op 07-12-2022.) Antwoord: Dit raadsvoorstel moet nog worden vastgesteld. De reden dat in de stukken van het bestemmingsplan (Regels, Toelichting en Verbeelding) vastgesteld staat, is dat deze stukken door het 2
stedenbouwkundig bureau al zijn voorbereid voor publicatie in het geval uw raad het bestemmingsplan zal vaststellen op 14 februari a.s. De tijd tussen de datum van vaststelling en de aanlevering voor publicatie is kort, vandaar reeds deze voorbereidingen. Mocht uw raad het bestemmingsplan niet vaststellen, wordt het uiteraard niet gepubliceerd. Vraag 2: Toelichting slecht leesbaar door vele lege pagina’s ( pag. 2, 8, 12, 22,28, 39 ) 6 stuks van de totaal 40! Op pagina 7 stopt de tekst, waarvan wij er vanuit gaan dat deze vervolgd zou moeten worden op pagina 8! Kunnen we voor de Dialoogvergadering in deze zsm een gecorrigeerd RV tegemoetzien? Antwoord: De reden voor de lege pagina’s is dat dit pdf bestand een printversie betreft waardoor hoofdstuknummers op de rechter pagina’s beginnen en daarom in enkele gevallen een lege pagina ontstaat.
Vraag 1: Wij zijn blij te lezen dat voor dit plan goed contact is geweest met belanghebbenden. Zo moet het gaan. Wat we jammer vinden is het volgende: Er staat dat het in dit plan niet noodzakelijk is om de bepalingen rondom spuitcirkels te hanteren. Vraag: Waarom wijkt u in deze casus af van eerdere toepassing van de regelgeving rond spuitcirkels? Vraag: Tast dit niet de rechtszekerheid van onze inwoners aan? Antwoord: De goede ruimtelijke ordening die gehanteerd wordt als afwegingskader bij het opstellen van bestemmingsplannen betreft maatwerk. Ieder geval wordt op zichzelf bekeken. De rechtszekerheid wordt derhalve niet aangetast. Sterker, betrokkenen kunnen ervanuit gaan dat ieder geval op zijn eigen merites wordt beoordeeld. De huidige planologische situatie is dat ter plaatse de bestemming bedrijfsdoeleinden, inclusief de functieaanduiding “timmerfabriek” van toepassing is. Nu er geen bedrijf meer ter plaatse is, willen de initiatiefnemers die het perceel gekocht hebben de feitelijke situatie in overeenstemming brengen door deze wijziging van het bestemmingsplan. Door het feit dat ter plaatse geen bedrijf meer is, is er een planologisch strijdige situatie ontstaan. Het aanhouden van een afstand van 50 meter voor de spuitzone is het uitgangspunt ingeval sprake is van het toevoegen van een gevoelig object, zoals een woning.
Echter, in het voorliggend geval is geen sprake van het toevoegen van een woning maar is sprake van het puur planologisch omzetten van een bedrijfswoning in een reguliere woning en vermindert de intensiteit van het gebruik van het perceel omdat de bedrijfsbestemming eraf wordt gehaald. In de bedrijfswoning werd reeds gewoond. Er is qua ruimtelijke effecten geen verschil tussen het wonen in een bedrijfswoning en een reguliere woning. Beide verschillen ook niet wat betreft het risico om te worden blootgesteld aan gewasbeschermingsmiddelen. Het aanwezige bedrijf is beëindigd en de bedrijfsbestemming zal daarom eraf worden gehaald. De herziening van het bestemmingsplan leidt derhalve tot een betere ruimtelijke ordening, ook wat betreft 3
het spuitzone-aspect aangezien het perceel minder intensief gebruikt zal gaan worden. Dat wil zeggen dat er zich minder mensen zullen bevinden in de opstallen waardoor de gevoeligheid van het perceel afneemt. De goede ruimtelijke ordening en spuitzones betreft jurisprudentie recht en vereisen maatwerk. Wij zijn van mening dat bovenstaande redenering/ motivatie stand zal houden bij de Raad van State, mocht er beroep worden ingesteld. Bovenstaande motivering is besproken met de initiatiefnemer en die is hiermee akkoord. Het alternatief is dat in het voorliggend geval een slechtere ruimtelijke situatie zal blijven bestaan dan nu mogelijk wordt gemaakt op grond van het nieuwe bestemmingsplan. Per saldo zal een betere “spuitzonesituatie” ontstaan. Ook wordt opgemerkt dat niet in alle gevallen medewerking zal worden verleend aan de realisering van een spuitvrije zone en dat als bovenstaande redenering zich niet voordoet, veel ontwikkelingen die grenzen aan het buitengebied geen doorgang kunnen vinden. Vergelijkbare gevallen zijn in het verleden op dezelfde wijze beoordeeld. Dit betroffen doorgaans wijzigingsplannen, welke door het college worden vastgesteld.
Vraag 2: Waarom is er tijdens het participatietraject niet van de gelegenheid gebruik gemaakt om met de eigenaar van het aanpalend land een niet-spuiten overeenkomst te sluiten? Antwoord: In het onderhavige geval is gemotiveerd dat er geen spuitzone hoeft te worden opgelegd gelet op de verbetering van de goede ruimtelijke ordening ter plaatse aangezien er uitsluitend een woonbestemming mogelijk wordt gemaakt en geen bedrijf meer.
4