08 Schriftelijke vragen en antwoorden Analyse Begrotingen 2027 Verbonden partijen
Tekst van het document
Raadsvergadering 26 mei 2026 Schriftelijke vragen Agendapunt 08: Analyse Begrotingen 2027 Verbonden partijen
Algemene vragen Vraag 1: Is het wettelijk niet zo dat een zienswijze alleen ingediend wordt als je het ergens niet mee eens bent? Met andere woorden is een zogenaamde “positieve zienswijze” juridisch niet overbodig? Antwoord: Een zienswijze is primair bedoeld om een standpunt kenbaar te maken over een ontwerpbesluit of voorgenomen besluit van een gemeenschappelijke regeling. Dat hoeft echter niet per definitie een afwijzende reactie te zijn. Ook een positieve of instemmende zienswijze is juridisch toegestaan. In de praktijk kiezen gemeenten er regelmatig voor om expliciet een positieve zienswijze in te dienen. Daarmee maakt de gemeenteraad formeel kenbaar dat zij kennis heeft genomen van de begroting en daarmee kan instemmen. Dat heeft vooral bestuurlijke en procedurele waarde: het laat richting de gemeenschappelijke regeling zien dat de raad actief betrokken is geweest bij de behandeling van de begroting en geen bezwaren heeft. Vraag 2: Hoe beoordeelt het college het totaalbeeld van de bijdragen aan verbonden partijen, waarbij per saldo sprake is van een nadeel van circa € 220.000, in relatie tot de financiële positie van onze gemeente? Antwoord: Het college constateert dat het totaalbeeld van de bijdragen aan verbonden partijen per saldo leidt tot een financieel nadeel van circa € 220.000.
Dit nadeel wordt betrokken bij de integrale afweging binnen het gemeentelijke begrotingsbeeld en bezien in relatie tot de totale financiële positie van de gemeente. Daarbij dient te worden opgemerkt de financiële ontwikkelingen bij verbonden partijen grotendeels samenhangen met autonome ontwikkelingen, wettelijke taken en prijs- en loonstijgingen, waarop gemeenten slechts beperkt directe invloed kunnen uitoefenen. Tegelijkertijd blijven we kritisch op de ontwikkeling van de gemeentelijke bijdragen en wordt via zienswijzen en bestuurlijke overleggen gestuurd op kostenbeheersing en doelmatigheid. Hoewel het genoemde nadeel een negatieve invloed heeft op het begrotingssaldo, is dit op dit moment beheersbaar binnen het bredere financiële kader van de gemeente. We blijven de financiële ontwikkeling van verbonden partijen nauwgezet volgen, mede gelet op de structurele druk op de gemeentelijke financiën in de komende jaren.
Pagina 1 van 7
Vraag 3: Op welke wijze zorgt uw college ervoor dat structurele meevallers bij verbonden partijen structureel worden verwerkt in toekomstige begrotingen? Antwoord: Het college beoordeelt bij de behandeling van de begrotingen en jaarstukken van verbonden partijen expliciet of sprake is van incidentele of structurele financiële effecten. Indien zich structurele meevallers voordoen, brengt het college dit via de zienswijzeprocedure en het bestuurlijk overleg onder de aandacht van de betreffende gemeenschappelijke regeling. Daarbij wordt de verbonden partij gevraagd om structurele voordelen ook structureel te verwerken in toekomstige begrotingen en bijdragen van deelnemende gemeenten. De gemeentelijke vertegenwoordigers in de besturen van de gemeenschappelijke regelingen hebben hierin eveneens een rol. Uiteindelijk blijft het opstellen van de begroting een verantwoordelijkheid van de gemeenschappelijke regeling zelf, waarbij besluitvorming plaatsvindt door het algemeen bestuur van de regeling. Vraag 4: Hoe geeft het college invulling aan de actieve sturingsrol van de raad richting verbonden partijen, gezien de toenemende financiële druk? Antwoord: Het college geeft invulling aan de actieve sturingsrol van de raad door de raad tijdig en zo volledig mogelijk te informeren over de financiële en beleidsmatige ontwikkelingen bij verbonden partijen.
Dit gebeurt onder meer via de planning- en controlcyclus, de aanbiedingsnota’s bij begrotingen en jaarstukken en de zienswijzeprocedures. Daarnaast benut het college de beschikbare bestuurlijke overleggen en de vertegenwoordiging in de besturen van gemeenschappelijke regelingen om kritisch aandacht te vragen voor thema’s als kostenbeheersing, doelmatigheid en prioritering van taken. Daarbij wordt nadrukkelijk gekeken naar de financiële gevolgen voor de deelnemende gemeenten. Vraag 5: In hoeverre ziet het college mogelijkheden om via samenwerking met andere gemeenten collectief scherper te sturen op efficiency en kostenbeheersing bij verbonden partijen? Antwoord: Het college ziet samenwerking met andere deelnemende gemeenten als een belangrijk middel om gezamenlijk sterker te sturen op efficiency, kostenbeheersing en prioritering bij verbonden partijen. Juist omdat gemeenten individueel vaak beperkte invloed hebben, kan een gezamenlijke bestuurlijke lijn bijdragen aan meer slagkracht richting gemeenschappelijke regelingen. In de praktijk wordt steeds vaker afstemming gezocht met andere gemeenten. Daarbij wordt gekeken naar gezamenlijke aandachtspunten zoals onder andere kostenontwikkeling, taakuitvoering, doelmatigheid en de noodzaak van nieuwe investeringen of uitbreidingen van beleid.
We achten het van belang om, zeker gezien de toenemende financiële druk op gemeenten, waar mogelijk gezamenlijk op te trekken in het formuleren van kritische zienswijzen en het stellen van financiële kaders richting verbonden partijen. Daarmee kan collectief nadrukkelijker worden gestuurd.
Pagina 2 van 7
Vraag 6: Wordt het niet tijd dat ook GR-en risico-voller ramen? Antwoord: Het college vindt het van belang dat er realistische ramingen door gemeenschappelijke regelingen worden opgesteld. Hierbij dient is het uitgangspunt te zijn dat begrotingen gebaseerd moeten zijn op een reële inschatting van de te verwachten lasten en baten. Het bewust “risico-voller” ramen kan leiden tot schommelingen in gemeentelijke bijdragen. Het college acht daarom vooral een transparante en goed onderbouwde risicoparagraaf van belang. Wel wordt in de bestuurlijke overleggen en zienswijzeprocedures nadrukkelijk aandacht voor het tijdig verwerken van financiële ontwikkelingen. Vraag 7: Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen (BsGW) Het college stelt dat BsGW structurele meevallers kent. Waarom worden nog steeds niet volledig structureel verwerkt in de begroting? Antwoord: Bij de BsGW is de afgelopen jaren sprake geweest van positieve resultaten en meevallers. Daarbij geldt echter dat niet iedere meevaller zonder meer als volledig structureel kan worden aangemerkt. Een deel van de positieve resultaten hangt samen met incidentele effecten, fluctuaties in uitvoering, volumeontwikkelingen of tijdelijke onderschrijdingen van kosten. BsGW maakt bij het opstellen van de begroting een eigen afweging ten aanzien van de mate waarin resultaten structureel kunnen worden verwerkt.
Daarbij spelen ook voorzichtigheid in de ramingen en het opvangen van toekomstige risico’s een rol. We blijven er wel op aandringen dat structurele voordelen, voor zover deze voldoende bestendig zijn, ook structureel worden vertaald in toekomstige begrotingen en bijdragen van deelnemende gemeenten. Vraag 8: Hoe zorgt u ervoor dat BsGW in de komende jaren een realistischer raming van proceskostenvergoedingen hanteert? Antwoord: Er is nadrukkelijk aandacht voor een zo realistisch mogelijke raming van proceskostenvergoedingen, mede gezien de financiële impact hiervan op de bijdragen van deelnemende gemeenten. Daarbij wordt in bestuurlijke overleggen gewezen op het belang van actuele inzichten, trendanalyses en het verwerken van gerealiseerde cijfers uit voorgaande jaren in de begrotingsramingen. Tegelijkertijd maken we de kanttekening dat de hoogte van proceskostenvergoedingen mede afhankelijk is van externe factoren, zoals landelijke jurisprudentie, ontwikkelingen in bezwaarprocedures en het aantal ingediende WOZ-bezwaren. Dit maakt het ramen hiervan complex en deels onzeker. We blijven daarom aandringen op een transparante onderbouwing van de gehanteerde aannames en op het tijdig bijstellen van ramingen wanneer ontwikkelingen daar aanleiding toe geven.
Pagina 3 van 7
Vraag 9: Veiligheidsregio Zuid-Limburg (VRZL) In hoeverre bestaat het risico dat nieuwe taken rond maatschappelijke weerbaarheid en noodcommunicatie in de toekomst leiden tot extra structurele kosten voor gemeenten? Antwoord: Nieuwe taken op het gebied van maatschappelijke weerbaarheid, crisisbeheersing en noodcommunicatie kunnen in de toekomst leiden tot extra structurele kosten voor gemeenten. De toenemende eisen vanuit het Rijk, veranderende dreigingsbeelden en de noodzaak tot verdere professionalisering van crisisorganisaties brengen naar verwachting aanvullende investeringen en uitvoeringskosten met zich mee. Op dit moment is nog niet in alle gevallen volledig duidelijk hoe omvangrijk deze structurele effecten zullen zijn. Dit hangt mede af van landelijke beleidsontwikkelingen, de wijze van financiering door het Rijk en keuzes die binnen de veiligheidsregio’s en gemeenschappelijke regelingen worden gemaakt. Vraag 10: Omnibuzz De daling van het vervoersvolume laat zien dat beheersmaatregelen effect sorteren. Hoe zorgt u ervoor dat deze financiële voordelen structureel behouden blijven, zonder dat dit ten koste gaat van kwetsbare inwoners? Antwoord: De daling van het vervoersvolume wijst erop dat ingezette beheersmaatregelen effect sorteren.
Het is van belang dat financiële voordelen die hieruit voortvloeien waar mogelijk structureel worden verwerkt in toekomstige begrotingen en bijdragen. We willen wel dat de noodzakelijke ondersteuning en bereikbaarheid voor kwetsbare inwoners gewaarborgd blijt. Beheersmaatregelen mogen niet leiden tot het wegvallen van passende voorzieningen of tot verminderde toegankelijkheid van zorg en ondersteuning. Vraag 11: Ziet het college mogelijkheden om de leerpunten uit Omnibuzz (actieve sturing, maatwerk, volumebeheersing) ook toe te passen bij andere verbonden partijen? Antwoord: De leerpunten die binnen Omnibuzz zijn opgedaan op het gebied van actieve sturing, maatwerk en volumebeheersing hebben zeker meerwaarde. Deze uitgangspunten kunnen ook bij andere verbonden partijen relevant zijn. Het is echter ook zo dat iedere gemeenschappelijke regeling een eigen wettelijke taak, bestuurlijke context en verantwoordelijkheidsverdeling kent. Daardoor is het niet mogelijk om maatregelen of werkwijzen één-op-één over te nemen. Vraag 12: GGD Zuid-Limburg (Veilig Thuis, JGZ) De CDA-fractie onderschrijft het belang van Veilig Thuis. 12 fte is echter wel fors. Hoe kan dit zo opeens zo fors uit de klauwen lopen? Antwoord: Het college begrijpt de zorg over de omvang van de uitbreiding bij Veilig Thuis.
De voorgestelde uitbreiding van circa 12 fte hangt samen met een combinatie van factoren, waaronder een toenemende complexiteit van meldingen, hogere caseloads, strengere wettelijke eisen, aangescherpte kwaliteitseisen en de noodzaak om wachttijden en werkdruk terug te dringen. Pagina 4 van 7
Daarnaast is landelijk zichtbaar dat Veilig Thuis-organisaties onder druk staan door een groeiend aantal meldingen en een intensievere aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling. In eerdere jaren is op onderdelen sprake geweest van een spanningsveld tussen beschikbare capaciteit en de feitelijke uitvoeringsvraag, waardoor nu een inhaalslag noodzakelijk wordt geacht. Tegelijkertijd vindt het college het van belang dat dergelijke uitbreidingen goed worden onderbouwd en proportioneel zijn. Via de zienswijzeprocedure en bestuurlijke overleggen wordt daarom kritisch gekeken naar de noodzaak, efficiency en structurele financiële gevolgen van de voorgestelde uitbreiding. Daarbij blijft het uitgangspunt dat kwalitatief goede en tijdige hulpverlening gewaarborgd moet blijven. Vraag 13: Op welke momenten wordt de raad geïnformeerd over de voortgang en effecten van het plan van aanpak Veilig Thuis 2026–2027? Antwoord: Het college vindt het van belang dat de raad goed geïnformeerd blijft over de voortgang en effecten van het plan van aanpak Veilig Thuis 2026–2027. De raad wordt hierover in ieder geval geïnformeerd via de reguliere planning- en controlcyclus. Daarnaast zullen relevante ontwikkelingen, tussentijdse evaluaties en eventuele financiële consequenties, voor zover beschikbaar, met de raad worden gedeeld via raadsinformatiebrieven.
Vraag 14: Vragen betreffende RV 08a Analyse begrotingen 2027 Verbonden partijen Pag. 2 Veiligheidsregio: De begroting is beleidsarm, maar er wordt wel ingespeeld op maatschappelijke en operationele ontwikkelingen. Waarom worden voor deze ontwikkelingen geen ambities en doelen geformuleerd, zodat duidelijk is waaraan gewerkt gaat worden en om hoeveel financiën dit vraagt? Antwoord: De begroting van de Veiligheidsregio Limburg-Zuid voor 2027 is in hoofdzaak beleidsarm van aard en primair gericht is op de voortzetting van bestaande taken en wettelijke verantwoordelijkheden. Tegelijkertijd wordt in de begroting wel ingespeeld op maatschappelijke en operationele ontwikkelingen, zoals veranderende risico’s, crisisbeheersing, maatschappelijke weerbaarheid en informatieveiligheid. Een eventuele nadere uitwerking van ambities, beleidsdoelen en concrete maatregelen is aan de Veiligheidsregio zelf. Vraag 15: Omnibuzz Er is sprake van een positief resultaat, door een daling van vervoersvolume door gerichte maatregelen. Hoe verhoudt deze financiële meevaller zich met onze maatschappelijke opdracht om vereenzaming tegen te gaan? Minder vervoersvolume betekent immers minder reizen en dus minder sociaal contact?
Pagina 5 van 7
Antwoord: De daling van het vervoersvolume bij Omnibuzz hangt voor een belangrijk deel samen met gerichte beheersmaatregelen en kan niet direct worden gelijkgesteld aan een ongewenste afname van maatschappelijke participatie of toename van vereenzaming. Vraag 16: RD4 Hoe kan het dat de modernisering van het afvalstoffenpark, verdere digitalisering e.d. niet leiden tot kostenvermindering maar juist tot een grote kostentoename? Is dit conform de verwachtingen of is hier sprake van niet voorziene tegenvallers? Antwoord: De ontwikkelingen zijn gericht op het toekomstbestendig maken van de dienstverlening en het verbeteren van efficiency, het voldoen aan veranderende wet- en regelgeving en het verhogen van de kwaliteit en gebruiksvriendelijkheid van processen. De investeringen leiden in de eerste jaren tot hogere kosten waardoor eventuele efficiencyvoordelen pas op langere termijn zichtbaar worden. Op basis van de huidige informatie lijkt hier niet uitsluitend sprake van onvoorziene tegenvallers, maar vooral van kostenontwikkelingen die samenhangen met de gekozen moderniserings- en investeringsopgave.
Geen vragen
Geen vragen
Geen vragen
Geen vragen
Pagina 6 van 7
Pagina 7 van 7