CConstaterende datEijsden-Margraten
Koppel je AI →
Document · PDF

07 Schriftelijke vragen en antwoorden Verordening Sociaal Domein

* Raadsvergaderingen 18 februari 2025, gemeente Eijsden-MargratenBij agendapunt: Schriftelijke vragenronde4.185 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Raadsvergadering 18 februari 2025 Schriftelijke vragen Agendapunt 07: Verordening Sociaal Domein

Vanwege de ruim toegepaste participatie voorlopig geen nadere vragen.

Vraag 1: 2.1.1.2 – waarom is de intake telefonisch? Waarom leggen we die keuze niet bij de hulpvrager? Uit ervaring weet ik dat telefonisch juist drempelverhogend kan werken. Antwoord: Eerste contact waarin hulpvraag wordt gemeld is telefonisch waarna een vervolggesprek volgt. Het vervolggesprek (intake) is fysiek op lokatie of bij mensen thuis, Vraag 2: 2.3.2.4 – waarom wordt er voor de goedkoopste en niet voor de beste of duurzaamste oplossing gekozen? Dit kan concurrentie op prijs tot gevolg hebben bij aanbieders. Is dit wenselijk op vraagstukken vanuit het sociale domein? Antwoord: Wij kijken in eerste instantie naar een minst ingrijpende en kostenbewuste oplossing die voldoet aan de noodzakelijke ondersteuning, zie de kernwaarde: (maatwerk met nadruk op kostenbeheersing: wij zijn kostenbewust). Dat is een bestaande verordeningsbepaling die is ontstaan op basis van jurisprudentie. Dat betekent in feite dat er niet meer dan nodig verstrekt wordt om een bepaald probleem op te lossen of te verminderen en dat gemeenten kostenbewust moeten omgaan met gemeenschapsgeld. Die bepaling sluit overigens niet uit dat een duurdere voorziening wordt verstrekt als die langer meegaat, want dat kan op termijn ook goedkoopst-adequaat zijn. Zie artikel 2.6.6 lid 1 Wmo 2015.

Lid 2 biedt de grondslag om bij Algemene Maatregel van Bestuur (AmvB) nadere regels te stellen voor onder meer inkoop van Wmo-diensten. Die nadere regels staan in artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Op basis daarvan zijn gemeenten verplicht een reële prijs te betalen aan zorgaanbieders. Bij het bepalen van een reële prijs moeten gemeenten rekening houden met 1) kosten van de beroepskracht; 2) redelijke overheadkosten 3) kosten van niet productieve uren 4) reis- en opleidingskosten 5) indexatie; 6) kosten administratie en rapportages. Daarmee worden mogelijkheden om op prijs te concurreren beperkt. Daarnaast is er sprake van een tekort aan zorgpersoneel, waardoor slechts een beperkt aantal zorgaanbieders actief kunnen zijn op de markt.

Pagina 1 van 11

Vraag 3: Er is een aantal redenen waarom ondersteuning op maat geweigerd kan worden. Daar hebben wij vragen over; 2.3.3.1b – waarom wordt in sommige gevallen de deur gesloten voor mensen die het probleem zelf veroorzaakt hebben? Is dit wenselijk in het kader van ‘iedereen verdient een tweede kans’ ? 2.3.3.1c – waarom wordt in sommige gevallen hulp geweigerd als de hulpvrager zelf al geprobeerd heeft het probleem op een andere manier op te lossen? Dit staat haaks op hetgeen gevraagd wordt in 8.1.2.1a (eerst zelf proberen op te lossen) Antwoord: 2.3.3.1b. Dit is een “kan” bepaling. In elke concrete situatie wordt een afweging gemaakt. 2.3.3. 1c. De gemeente is wettelijk verplicht vooraf een onderzoek naar persoonlijke situatie uit te voeren, staat in de Wmo2015, artikel 2.3.2 en Jeugdwet artikel 2.3. Dit voorkomt willekeur en zorgt ervoor, dat de voorziening passend is bij de situatie van de hulpvragers. Als er een voorziening wordt getroffen zonder onderzoek vooraf, kan dat juridisch worden aangevochten. Er kunnen situaties zijn waarin de gemeente op korte termijn een voorlopige voorziening treft, bijvoorbeeld bij acute nood. Dit mag echter alleen tijdelijk zijn, waarna alsnog een volledig onderzoek moet volgen.

In 8.1.2.1a (eerst zelf proberen op te lossen) wordt bedoeld een probleem zelf, met eigen middelen op te lossen, daarmee wordt niet bedoeld een probleem zelf met gemeentelijke middelen c.q. gemeentelijke maatwerkvoorzieningen op te lossen. Vraag 4: 2.5.1.3 – wat wordt verstaan onder een ‘crisissituatie’ en wie bepaalt of sprake is van een dergelijke situatie? Antwoord: Een crisissituatie is een acute en urgente situatie waarin veiligheid en gezondheid van een persoon ernstig in gevaar is. Een crisissituatie kan door een persoon zelf, een familielid of door derden, (zorgverlener, maatschappelijk werk, politie, Veilig Thuis) worden gemeld bij de gemeente. Een crisissituatie vraagt om snelle actie. In overleg met de melder bepaalt de gemeente of er sprake is van crisissituatie en zet, indien nodig, spoedprocedure in. Vraag 5: 3.4.1 – wat wordt bedoeld met ‘beschikbaarheid van voldoende budget’? Is dit het budget vanuit de gemeente? In dat geval; wat gebeurt er met de hulpvraag als er onvoldoende budget is voor de oplossing die wel het probleem kan oplossen? Antwoord: Dit is een “kan” bepaling. Doel daarvan is kostenbeheersing en spreiding van beschikbare middelen over het jaar en beter in control te zijn. Het budget is van de gemeente. Het hanteren van budgetplafonds mag niet leiden tot schendig van de wettelijke zorgplicht van de gemeente.

De gemeente is verplicht om passende ondersteuning te bieden, ook als het budgetplafond is bereikt. Er kunnen andere budgetten benaderd worden of desnoods kan een totaalbudget worden bijgeraamd via een bestuursrapportage Vraag 6: 7.7.1.4b – er wordt gesproken over ‘inwoners met een inkomen tot 110% boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm’. Waarom wordt gekozen voor 110% en niet voor 120%, een percentage dat in het algemeen gezien wordt als de grens?

Pagina 2 van 11

Antwoord: Deze integrale verordening beoogt geen beleidswijziging. Bij de bestaande regelingen, die zijn door de raad zijn vastgesteld in 2015, wordt een inkomensgrens van 110% gehanteerd. Destijds is dit bepaald uit budgettaire overwegingen. Vraag 7: Waarom wordt uitgegaan van 110% van het inkomen en niet van 110% van het netto besteedbaar inkomen? Mensen met aflosverplichtingen van schulden of mensen die te maken hebben met beslag op inkomen of uitkering vallen hierdoor buiten de doelgroep en die hebben het juist nodig. Dit geldt voor meerdere artikelen overigens. Antwoord: Wij sluiten aan bij de Participatiewet en de daarbij ontstane jurisprudentie om het inkomen van de aanvrager te beoordelen. Daarbij moeten wij rekening houden met het inkomen waarover de aanvrager ‘redelijkerwijs’ kan beschikken. Dit maakt dat het deel van het inkomen dat onder beslag valt niet meetelt bij het inkomen van de aanvrager. Zo zijn er meerdere uitzonderingen, bijvoorbeeld de bestuurlijke zorgpremie, die niet specifiek in de verordening zijn opgenomen teneinde de leesbaarheid te bevorderen. In het kort: De aanvrager in het voorbeeld kan niet beschikken over het deel van het inkomen of de uitkering waarop beslag ligt. Dit deel telt daarom niet mee bij de beoordeling.

Vraag 8: 7.4.1.6 – wat wordt bedoeld met ‘de kostendelersnorm telt niet mee’? Antwoord: Bij de beoordeling van de individuele inkomenstoeslag moet worden vastgesteld dat een aanvrager een ‘langdurig laag inkomen’ heeft. Een langdurig laag inkomen is een inkomen dat 36 maanden aaneengesloten niet meer bedraagt dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm. De bijstand kent verschillende normen, waaronder de kostendelersnorm. De kostendelersnorm is een lagere norm dan de bijstandsnormen van niet kostendelers. Door de kostendelersnorm niet mee te tellen zijn de criteria van een langdurig laag inkomen minder streng en komt deze groep gemakkelijker in aanmerking voor individuele inkomenstoeslag dan wanneer wij de kostendelersnorm wel zouden meetellen. Vraag 9: 7.4.4c – wat wordt verstaan onder ‘bijzondere detentie’? Antwoord: Extramurale vrijheidsbeneming, TBS met dwangverpleging na ontslag van alle rechtsvervolging. Vraag 10: 7.4.4c – wordt voorarrest meegeteld als detentie als de persoon in kwestie later wordt vrijgesproken? Antwoord: Het gaat om personen wie rechtens hun vrijheid is ontnomen. Daaronder valt o.a. voorlopige hechtenis, zelfs als deze detentie achteraf onterecht is geweest. Dit volgt uit jurisprudentie. Deze uitsluitingsgrond is alleen van toepassing op het moment waarop belanghebbende een beroep doet op de toeslag.

Met andere woorden: het feit dat belanghebbende in de referteperiode voorafgaand aan het recht op individuele inkomenstoeslag gedetineerd is geweest, is geen uitsluitingsgrond. Dit geldt voor alle vormen van (bijzondere) detentie.

Pagina 3 van 11

Vraag 11: 8.2.1 – bij verlaging van de uitkering kan het inkomen onder het bestaansminimum komen. Hoe wordt dit opgevangen om te voorkomen dat de problemen alleen maar groter worden? Antwoord: Een verlaging wordt toegepast indien er sprake is van het schenden van verplichtingen. De wetgever wil hiermee voorkomen dat men zonder gevolgen de verplichtingen kan negeren. Bij een verlaging dient echter maatwerk te worden toegepast. Dit betekent dat in schrijnende gevallen ook kan worden afgezien van een verlaging indien dit onevenredige gevolgen heeft voor de inwoner. Dit zal per individueel geval moeten worden beoordeeld.

Vraag 12: Pagina 1: U schrijft dat het concept-integrale verordening meer maatwerk kan bieden en hiermee effectieve en efficiënte inzet. Bedoelt u hiermee dat samenwerking door deze verordening binnen het sociaal team wordt versimpeld en daarmee belemmeringen weggenomen wat juist bevorderd er meer effectieve en efficiënte maatwerk binnen budget kan worden geboden aan onze inwoners? Antwoord: Ja, dat bedoelen we. Vraag 13: Pagina 4: Wij hebben een gezamenlijk proces en een participatietraject doorlopen om input van de adviesraad en de gemeenteraad in een vroeg stadium op te halen om te komen tot een gedragen stuk. Dat proces gaf ons nieuwe inzichten in mogelijkheden en voordelen van integraal werken. Kunt u de nieuwe inzichten in mogelijkheden en de voordelen kort beschrijven? Antwoord: Wij hebben met elkaar integrale kernwaarden gedeeld en vastgelegd. Het gaat om kernwaarden die

ten grondslag liggen aan staand beleid. Dit gezamenlijk proces was waardevol vanwege bewustwording in praktische gevolgen van de vastgestelde bestuurlijke afspraken en beleidsplannen. Een voorbeeld: in het bestuursakkoord staat dat de gemeente “liefdevolle ondersteuning biedt aan inwoners en werkt aan “kwaliteit van leven” voor alle inwoners. Voor het Sociaal Domein hebben wij dat vertaald in de kernwaarde: Wij ondersteunen u in een (tijdelijke) kwetsbare situatie, zodat u goede kwaliteit van leven kunt hebben en naar vermogen in de samenleving kunt meedoen. Wij hebben samen gezocht naar één toegangsprocedure voor alle hulpvragen, ongeacht onder welke wet de hulpvraag valt. Wij hebben concrete situaties en dagelijkse praktijk met elkaar besproken en gezien dat sommige hulvragen niet tot werkelijke oplossingen kunnen leiden omdat een probleem op meerdere leefgebieden negatieve gevolgen kan hebben. Wij hebben bezien hoe wij met integraal werken meer mogelijkheden voor maatwerk kunnen creëren. Wij hebben besproken hoe met integraal werken eerder en sneller andere problemen kunnen worden ontdekt. Pagina 4 van 11

In overleg met de adviesraad hebben gedachtengoed “Positieve Gezondheid” uitgebreid ook naar Participatiewet. Vraag 14: Pagina 5: er komt een monitoringssysteem via dashboards. Hoeveel meetmomenten zijn er in het jaar en is vooraf bepaald bij welke trends en knelpunten wordt ingegrepen en bijgestuurd? Antwoord: Wij monitoren doorlopend de situatie via dashboards. Maandelijks staan we stil bij de cijfers. 4 keer per jaar spreken we met de stuurgroep Sociaal Domein over de cijfers, trends en ontwikkelingen. 2 keer per jaar rapporteren wij aan de raad via de bestuursrapportages. De volgende trends en knelpunten kunnen leiden tot bijsturing: een dalende kwaliteit van dienstverlening aan de hand van een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, een aantal klachten en bezwaarprocedures, een aantal toegekende aanvragen en kosten. Vraag 15: Betekent de Integrale verordening, dat er binnen het Sociaal domein teams en/of medewerkers ook andere wetten/taken gaan uitvoeren dan waar zij zich mee bezighouden? Daar ze zich alleen eerst concentreerde op bijvoorbeeld schuldhulpverlening of WMO. Antwoord: Alle medewerkers hebben bureaudienst en moeten een integraal intakegesprek kunnen voeren. Zij hebben een “generalistische eerstelijnsfunctie’ om een goed zicht te krijgen in de situatie. Hun specialisaties blijven daarnaast bestaan en worden ingezet bij vervolgacties.

Vraag 16: Gaat deze verordening juist meer maatwerk mogelijk maken of juist minder? Nu ook gewerkt gaat worden met algemene kernwaarden die zullen gelden voor alle taken binnen het Sociaal Domein. Hoe verhoudt zich dat met hoe er nu wordt gewerkt binnen het Sociaal team? Antwoord: Bedoeling is doelmatig en efficiënt inzetten van maatwerkvoorzieningen. Wij denken aan betere kostenbeheersing doordat de maatwerkvoorzieningen in samenhang worden ingezet. In het Sociaal Domein kan vanuit verschillende waarden worden gewerkt, die elkaar tegen kunnen spreken. Voor de Wmo en Jeugd wordt er gesproken van hulp door sociale omgeving, terwijl voor de Participatiewet bijvoorbeeld financiële hulp door de omgeving juist nadelig kan werken. Het werken vanuit algemene kernwaarden maakt afwegingen om bepaalde ondersteuning in te zetten transparant en duidelijk voor alle betrokkenen, de inwoner, de gemeente, de professionals. Dat helpt betere gesprekken over de hulpvraag te voeren, weloverwogen keuzes te maken en meer begrip voor elkaar te hebben, door het beter kunnen uitleggen van gemaakte keuzes met name bij complexe hulpvragen. Tot nu toe wordt er in het Sociaal Team gewerkt vanuit een specialisatie, Wmo, Jeugd, Participatie etc. Met name bij complexe hulpvragen werkt de aanpak vanuit één specialisatie niet goed: problemen kunnen zich opstapelen en oplossingen kunnen elkaar tegenspreken.

Ook komen mensen met meerdere klantmanagers en hulpverleners in aanraking en moeten ze steeds opnieuw hun verhaal doen. Ook continuïteit in onze dienstverlening komt regelmatig in gevaar, de teams zijn organisatorisch kwetsbaar, het wegvallen van een klantmanager betekent vertraging in oppakken van de hulpvraag en soms escalatie van een probleem.

Pagina 5 van 11

Vraag 17: Bijlage Integrale verordening Pagina 23 Hoe is de scheiding gemaakt tussen wat er behoort tot “Professionele en Niet-Professionele” hulp? Antwoord: Professionele hulp is hulp door een hulpverlener in dienst van een zorgaanbieder of zelfstandige zonder personeel (zzp’er) die beroepsmatig hulpverleent. Niet-professionele hulpverlening wordt geleverd door iemand uit sociaal netwerk. Vraag 18: Pagina 23 In de verordening schrijft u dat bij de criteria voor ‘Niet-Professionele hulp’ men moet voldoen aan bepaalde opleiding die voldoet om de betreffende hulp te kunnen verlenen. Kunt u de criteria benoemen en/of welke opleiding men dan moet hebben afgerond wil voldaan worden aan deze gestelde eis? Antwoord: Het gaat erom dat we moeten kunnen vaststellen dat de niet-professionele hulpverlener kwalitatief goede hulp kan bieden, het hebben van een bij de hulpvraag passende opleiding kan dan een optie zijn, maar dit is niet verplicht. Wellicht staat dit niet duidelijk genoeg in de tekst. We passen de tekst aan voor meer duidelijkheid. U kunt het pgb besteden aan hulp door een niet-professionele hulpverlener, wanneer die hulpverlener: a. aannemelijk heeft gemaakt dat de hulp niet tot overbelasting leidt; b. dat hij kwalitatief goede hulp kan bieden; en/of een opleiding heeft afgerond die nodig is om de betreffende hulp te kunnen verlenen; en c.

een Verklaring omtrent gedrag natuurlijke personen (VOG - specifiek screeningsprofiel 45) kan overleggen. De verklaring mag niet ouder zijn dan 3 maanden voor de datum van de aanvraag.

Vraag 19 : De Adviesraad vindt dat het taalgebruik in de verordening eenvoudiger moet. Hoe wordt vastgesteld of de verordening nu echt makkelijker te lezen en te begrijpen is? Antwoord: De verordening is geschreven op basis van richtlijn voor taalniveau B2. Wij maakten gebruik van een modelverordening van Stimulansz dat op taalniveau B2 is geschreven door experts van Stimulansz. Door te teksten van de huidige verordeningen te vergelijken met de teksten van de integrale verordening wordt het duidelijk dat de integrale verordening een stuk eenvoudiger is qua taalgebruik.

Pagina 6 van 11

Vraag 20: Volgens de Adviesraad is het vormen van integrale teams belangrijk voor de uitvoering. Hoe staat het met de samenstelling en training van deze teams? En is er genoeg capaciteit om de nieuwe verordening goed uit te voeren? Antwoord: Er wordt gewerkt met één integraal team (het Sociaal Team). Het Sociaal Team bestaat uit dezelfde klantmanagers die naast hun specialistische taak, ook generalistisch kunnen werken. Daarvoor krijgt het Sociaal Team een opleiding. Er wordt gewerkt met de bestaande capaciteit: de nieuwe verordening gaat niet uit van meer hulpvragen maar van een andere benadering van de hulpvraag. Vraag 21 : Er wordt een aantal keren de term 'hulpvraag' gebruikt. Rekening houdend met fenomenen zoals zorg mijden, stille armoede e.d. willen wij graag van het college een definitie van hulpvraag? Antwoord: Een hulpvraag is de start van een gezamenlijk dialoog over een probleem die de inwoner ervaart, een blokkade of belemmering die in de weg zit om goed te kunnen functioneren en mee kunnen doen in de samenleving. Een hulpvraag kan ook door derden worden gesteld. In dat geval onderzoeken we de hulpvraag en bieden wij hup aan, denk aan “bemoeizorg΅, inzet van vangnet GGD, wijk-ggz-er, welzijnscoach, onafhankelijke cliëntenondersteuner Tegelijkertijd respecteren we zelfbeschikking en autonomie van mensen.

Ons uitgangspunt daarbij is dat mensen goed geïnformeerd moeten worden en geholpen kunnen worden bij het in beeld brengen van de hulpvraag. Vraag 22: Wie stelt de hulpvraag? Antwoord: In beginsel stelt iemand die een probleem ervaart een hulpvraag. De hulpvraag kan daarnaast ook vanuit de omgeving of door een professional in de zorg, hulpverlener of maatschappelijke werker worden gesteld. Naar aanleiding daarvan gaan wij in gesprek met de hulpvrager. Vraag 23 : Op welke wijze wordt de vraag gesteld? Antwoord: Mesen kunnen schriftelijk, mondeling, telefonisch of digitaal hun hulpvraag stellen. Het is mogelijk dat iemand anders de hulpvraag vraag of probleem aan ons voorlegt. Daar is dan wel een machtiging voor nodig. De eerste verkenning van de hulpvraag wordt telefonisch gedaan. De verkenning van de hulpvraag kan leiden tot een melding. Dat betekent dat wij de gegevens en hulpvraag registreren in onze systemen. In overleg met de hulpvrager wordt de noodzaak van een vervolggesprek bepaald om de situatie en of hulpvraag nader te onderzoeken. Het vervolggesprek kan bij mensen thuis plaatsvinden maar kan in overleg elders op locatie plaatsvinden. Wij informeren daarbij over de gratis hulp van een onafhankelijke cliëntondersteuner of vertrouwenspersoon.

Pagina 7 van 11

Vraag 24: Inspraak reactie 07f. Goed dat er een gesprek met de MFA in Gronsveld heeft plaatsgevonden. Wat is de uitkomst ervan? Antwoord: Dat gesprek is nog niet geweest. Vraag 25: 7e Zienswijze Platform Zorgvragers. Waarom is dit platform niet bij het tot stand komen van deze verordening betrokken? Antwoord: De functie van adviseur wordt in onze gemeente vervult door de adviesraad Sociaal Domein. De verordening beoogd geen beleidswijziging, vandaar dat wij niet hebben gekozen voor brede raadpleging vooraf. Het Platform was betrokken bij een inspraaktraject. Vraag 26: Wij missen de reactie van het college op hun zienswijze. Antwoord: Antwoord is inmiddels aan de documenten toegevoegd onder 7j. Vraag 27: Verordening Hfd 6.3 De uitvoering van het PGB lijkt wel strenger geworden. De regels waaraan moet worden voldaan zijn vaag. Bovendien is het moeilijk om in staat te zijn om een PGB te kunnen uitvoeren. Worden cliënten hierin bijgestaan? I. Antwoord: De regels voor een PGB zijn niet gewijzigd, maar in deze verordening zijn de regels beter in beeld gebracht. Uitvoering van een PGB ligt volledig in handen van Sociaal Verzekeringsbank. Organisatie Per Saldo kan daarbij helpen. Per Saldo informeert en adviseert mensen die een pgb willen aanvragen of al een pgb hebben. Ook onafhankelijke ondersteuner van Mee kan mensen helpen en adviseren.

Vraag 28: Hfd 7.5 de regelingen voor het kind budget ( 100 / 150 euro) jaarlijks per kind lijken ons karig, zeker gezien de voorwaarden waaraan moet worden voldaan. Waarom is er voor een dergelijk laag bedrag gekozen? Antwoord: Deze verordening is geen beleidswijziging. De bestaande regeling rondom tegemoetkoming in de kosten voor schoolgaande kinderen is opgenomen in deze verordening. De genoemde bedragen komen voort uit deze regeling. De verordening wordt uitgevoerd binnen de bestaande budgetten opgenomen in de programmabegroting 2025 e.v. Pagina 8 van 11

Vraag 29: RV p.4 Op welke manier zijn inwoners (niet onderdeel zijnde van de adviesraad of de gemeenteraad) meegenomen in een participatietraject? Antwoord: De verordening bevat geen beleidswijziging, de inwoners zijn meegenomen in een inspraaktraject. Vraag 30: RV p. 5 Welke specifieke budgetten moeten worden ontkokerd en op welke manier draagt dit bij aan efficiënter inzetten van budgetten? Antwoord: De PW en een deel van de Wmo-jeugdbudgetten kunnen wij breder inzetten. Budgetten die onder doeluitkeringen vallen kunnen niet worden ontkokerd in verband met specifieke eisen omtrent budgetverantwoording richting het Rijk. In de praktijk kunnen we budgetten ontkokeren door anders naar hulpvraag te kijken en inzetten van meest passende ondersteuning, bijvoorbeeld: inzet van dagbesteding in het kader van de Wmo kan soms beter passen dan inzet van PW-instrumenten en andersom. In sommige situaties kan inzet van financiële ondersteuning voor het gezin meer passend zijn dan inzet van jeugdhulp. Vraag 31: Bijlage 7b Hoofdstuk 2 Van hulpvraag tot besluit pag. 5 en verder - de termijn van aanvraag tot besluit kan (max) 25 tot 30 weken bedragen, met mogelijk ook nog een verlenging (niet gemaximaliseerd); in hoeverre valt deze procedure nog onder de doelstelling “effectief en efficiënt"? Antwoord: Dit zijn de wettelijke termijnen waaraan de procedure gebonden is.

Het streven en de praktijk is dat de aanvragen ruim binnen deze termijnen worden afgehandeld, met uitzondering van een aantal Wmo aanvragen waarbij wij gebonden zijn aan externe partners. Vraag 32: Bijlage 7b p.12, art.3.4.5. Op welke manier is het helpend om de premie voor de participatieplaats pas na 6 maanden uit te keren? In hoeverre werkt vertrouwen mee in de beoordeling of voldoende is meegewerkt? Antwoord: Om de werkgever te bedanken om de werknemer een langere periode in dienst te nemen. Zo vergroten we de kans van de werknemer om werknemersvaardigheden op te doen en de kans op een baan te vergroten. Vraag 33: Bijlage 7b p.13, 3.4.8. Op welke manier worden statushouders die buiten deze nieuwe inburgeringswet vallen begeleid? Pagina 9 van 11

Antwoord: Deze inwoners kunnen gebruik maken van alle reguliere voorzieningen. Vraag 34: Bijlage 7b p.13, 3.4.9.1. Vertrekken moet verstrekken zijn. Antwoord: Klopt, bedankt! Vraag 35: Bijlage 7b p.21, 5.5. Hoe vaak is de mantelzorgwaardering geïndexeerd sinds 2015? Is er onderzoek geweest naar welke waardering mantelzorgers nodig hebben? (spelfout bij punt 2, én moet zijn één). Antwoord: Uit onderzoek van MantelzorgNL blijkt dat de meeste mantelzorgers (62%) behoefte hebben aan een financiële bijdrage. Dit is in een recent onderzoek bevestigd. De waardebon of spaarpas staat op de tweede plaats, gevolgd door vouchers. Het gaat om één bedrag dat verdeeld wordt over alle aanvragers, met een maximum van € 200,00. U raad heeft dit budget beschikbaar gesteld. Vraag 36: Bijlage 7b p.25 Zijn er nu al mogelijkheden voor inkomensafhankelijke eigen bijdrage? Wat zijn de financiële gevolgen voor het uitstellen van de wet op eigen bijdrage van 1 januari 2026 naar 2027? Antwoord: Nu zijn er geen mogelijkheden voor inkomensafhankelijke eigen bijdrage voor de Wmo. Jeugdwetgeen eigen bijdrage, PW-idem dito. In de huidige begroting en in deze verordening houden we geen rekening met inkomensafhankelijke eigen bijdrage. In de Wmo heeft de gemeente geen zicht op inkomens van de cliënten, we kunnen daarom geen betrouwbare inschattingen geven van effecten van inkomensafhankelijke eigen bijdrage.

Vraag 37: Bijlage 7b p.26, 7.1.1.4a Waarom is gekozen voor 110%, is dit wettelijk bepaald? Welke mogelijkheden zijn er bijvoorbeeld om dit naar 130% van de bijstandsnorm te trekken? (idem p. 28, 7.5.1.1b en p.30, 7.6.1.1b, etc.) Antwoord: De verordening betreft geen beleidswijziging. Bij de bestaande inkomensregelingen wordt de inkomensgrens van 110% gehanteerd. De raad bepaalt de bijstandsnorm en stelt daarvoor budget beschikbaar. De raad kan besluiten de percentage van 110% van de bijstandsnorm te verhogen, binnen het huidige beleid en daaraan gekoppeld budget kan dat niet. Vraag 38: Bijlage 7b pag. 27 7.4.1.4/6/7 Referte periode; is hier een ander woord voor te gebruiken in het kader van begrijpelijk taalgebruik? Antwoord: Ja, een eenvoudiger woord voor "referteperiode" is toetsperiode.

Pagina 10 van 11

De zin wordt dan: De toetsperiode is een periode van 36 maanden vóór de bijstandsaanvraag waarin wordt gekeken of de aanvrager geld, werk of hulp heeft gehad die invloed heeft op het recht op bijstand. Vraag 39: Bijlage 7b p.35 h.8 Hoe vaak komt zo'n verlaging of terugvordering in onze gemeente voor? Antwoord: In 2024 was dat 5 keer. Vraag 40: Bijlage 7b pag. 41: Inspraak van bewoners ad 2.a. bij plannen voor beleid en regels - hoe is dat bij deze regelingen georganiseerd, behalve dat de adviesraad en brancheverenigingen zijn geconsulteerd? Antwoord: Bij deze verordening is er geen sprake van beleidswijziging. Maatschappelijke partners, zorgaanbieders, verenigingen etc. worden betrokken bij het opstellen van een nieuw beleid, dat is hier dus niet het geval. Vraag 41: Bijlage 7d en 7h p. 2 en Bijlage 7b p.42 Worden inwoners alleen via de website geïnformeerd over de mogelijkheden tot een klachtenprocedure? Wordt de inwoner hier ook actief over geïnformeerd door de gemeente? Antwoord: Op de website staat algemene informatie over klachten. Klachten kunnen telefonisch, per mail of per brief worden ingediend. Ook het KCC zal nogmaals worden geïnstrueerd zodat zij inwoners de juiste informatie kunnen geven of doorverbinden naar de klachtencoördinators. Tijdens een hoorzitting in het kader van bezwaar worden inwoners vaker ook attent gemaakt op de klachtenprocedure.

Ook onze medewerkers informeren inwoners indien daar aanleiding voor bestaat. Vraag 42: Bijlage 7e Klopt het dat hier geen reactie van het college is? Antwoord: De bijlage met de reactie is inmiddels toegevoegd (7j) Vraag 43: Uit de inspraakreacties blijkt dat termijnen ruimschoots overschreden worden en dat inwoners wachten op een reactie vanuit de gemeente. Op welke manier ziet de integrale verordening erop toe dat dit niet meer gebeurt? Antwoord: In de verordening staan de wettelijke termijnen vast. De wettelijke termijnen worden niet overschreden. Met invoering van de integrale verordening wordt de werkwijze van het Sociaal Team gewijzigd. Onze klantmanagers gaan ook als generalisten werken waardoor wij vragen sneller kunnen oppakken en daarmee wachttijden te voorkomen.

Pagina 11 van 11

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EijsdenMargraten&id=5ab488c0-df30-4237-9d04-fe1356e05f5a