CConstaterende datEijsden-Margraten
Koppel je AI →
Document · PDF

06 Vragen en antwoorden Rapport Rekenkamer

Raadsvergaderingen 7 juli 2026, gemeente Eijsden-MargratenBij agendapunt: Vragenronde4.494 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Raadsvergadering 7 juli 2026 Schriftelijke vragen Agendapunt 6: Rekenkamerrapport SEM

Vraag 1 Het rapport constateert dat in ongeveer een kwart van de onderzochte dossiers persoonlijke omstandigheden geheel ontbreken in de verslaglegging. Kan het college toelichten welke concrete stappen het neemt om te garanderen dat álle cliënten — ook de meest kwetsbare - een werkelijk persoonsgericht traject krijgen, en niet slechts een rechtmatigheidstoets? Grondslag rapport: §3.2, pag. 29: — in 6 van 28 dossiers geen persoonlijke omstandigheden aangetroffen; maatwerk slechts in 11 dossiers duidelijk zichtbaar. Antwoord: In het kader van de Participatiewet in Balans dienen alle cliënten opnieuw gesproken te worden voor een traject richting (gesubsidieerd) werk of maatschappelijke participatie. Daarbij wordt in de verslaglegging ook gekeken naar andere persoonlijke omstandigheden welke invloed hebben op het te doorlopen traject. Vraag 2: De rekenkamer stelt vast dat een vaste contactpersoon door cliënten als cruciaal wordt ervaren, maar dat niet iedere cliënt er een heeft. Deelt het college de conclusie dat het cruciaal is dat elke uitkeringsgerechtigde een benoemde, bereikbare contactpersoon heeft — en zo ja, welke stappen worden genomen om dit te regelen? Grondslag rapport: §3.3 (pag. 34, aandachtspunten) cliëntervaringsonderzoek — twee respondenten noemen afwezigheid vaste contactpersoon als voornaamste gemis.

Antwoord: In de praktijk wordt hier al grotendeels invulling aan gegeven doordat cliënten in de meeste gevallen een vaste klantmanager toegewezen krijgen. Deze klantmanager fungeert als eerste aanspreekpunt voor vragen, begeleiding en ondersteuning. Door omstandigheden zoals personeelswisselingen, ziekte, verlof of piekbelasting kan het voorkomen dat tijdelijk niet dezelfde contactpersoon beschikbaar is. Het uitgangspunt blijft echter dat cliënten zoveel mogelijk door een vaste klantmanager worden begeleid. Het college blijft zich inzetten om deze werkwijze te behouden en waar mogelijk verder te versterken. Vraag 3: SEM is telefonisch uitsluitend bereikbaar van 9.00–12.00 uur. Cliënten met een bijbaan, zorgtaken of taalbarrière worden daardoor onevenredig belemmerd. Ziet het college mogelijkheden de bereikbaarheid te verruimen of alternatieve kanalen (chat, terugbelverzoek) te openen? Grondslag rapport: §3.3 (pag. 34, aandachtspunten)— twee respondenten ervaren telefonische bereikbaarheid als beperkt door vaste blokuren. Antwoord: Het sociaal team zorgt ervoor dat er iedere werkdag tussen 09:00 en 12:00 uur een medewerker van het sociaal team telefonisch beschikbaar is.

Pagina 1 van 12

Vanaf 13:00 tot 17:00 uur is de gemeente telefonisch bereikbaar via het algemene nummer. Als er een vraag voor sociale zaken is, wordt de inwoner doorverbonden met een beschikbare medewerker van het sociaal team. Tot slot zijn onze klantmanagers voor inwoners tijdens kantooruren ook bereikbaar via e-mail, WhatsApp of hun directe telefoonnummer.

Vraag 4; Gelijke behandeling, Rechten & privacy Het rapport signaleert dat 29% van de uitkeringsgerechtigden Arabischsprekend is, maar dat communicatie en brieven nog regelmatig juridisch taalgebruik bevatten dat niet aansluit bij B1-niveau. Welk actieplan heeft het college om de begrijpelijkheid van communicatie voor anderstalige en laaggeletterde cliënten structureel te verbeteren? Grondslag rapport: §2.4 cliëntenbestand (29% Arabischsprekend); §3.2 communicatie — in 13 van 28 dossiers taalgebruik beoordeeld als "deels begrijpelijk". Antwoord: Het sociaal team is voortdurend bezig met het verbeteren van de communicatie met de klant. Binnen het proces zijn hiervoor verschillende controlepunten ingericht, waarbij specifiek wordt gelet op het taalniveau. Dit is een doorlopend traject. Indien noodzakelijk kan bij een gesprek altijd een tolk worden geraadpleegd.

Vraag 5: Medewerkers ervaren onzekerheid over de AVG bij het uitwisselen van informatie met Wmo en Jeugd, wat integrale ondersteuning van kwetsbare huishoudens belemmert. Wanneer kan de raad voorstellen voor concrete, praktische privacy-richtlijnen verwachten — en wie is verantwoordelijk voor de implementatie? Grondslag rapport: §2.1 en aanbeveling 6 — AVG-onzekerheid wordt meerdere malen als belemmering voor integrale aanpak genoemd. Antwoord: Op dit moment wordt intern gewerkt aan goede privacyrichtlijnen voor het uitwisselen van gegevens. Dit wordt opgepakt tussen de functionaris gegevensbescherming, beleid en de teamregisseur van het sociaal team. Dit betreft intern beleid voor de organisatie en zal daarom niet ter besluitvorming aan de raad worden voorgelegd.

Vraag 6: Het rapport stelt vast dat integrale ondersteuning met Jeugd en Wmo in slechts 4 van 21 relevante dossiers duidelijk zichtbaar was. In hoeverre acht het college dit acceptabel voor huishoudens met meervoudige problematiek, en wat is het streefdoel voor de komende twee jaar? Grondslag rapport: §3.2 — integraliteit in ~19% van relevante dossiers aangetroffen; ook CBS-data bevestigt dat combinaties van voorzieningen structureel laag blijven. Transparantie & sturing, Democratische controle Antwoord: Het sociaal team voert bij iedere melding een brede uitvraag uit, waarbij aandacht is voor eventuele multiproblematiek, zodat deze integraal binnen het team kan worden opgepakt. Specifieke registratie hiervan vindt in de praktijk alleen plaats wanneer daadwerkelijk sprake is van multiproblematiek

Pagina 2 van 12

waarbij meerdere onderdelen van het sociaal team betrokken zijn. Indien hiervan geen sprake is, wordt dit ook niet afzo nderlijk vastgelegd. Het sociaal team heeft diverse processen en integrale overlegmomenten ingericht om de samenwerking tussen de verschillende disciplines te bevorderen. Hierdoor kunnen medewerkers elkaar snel vinden en kan multiproblematiek effectief en integraal worden aangepakt. Vraag 7: De beoogde interne evaluatie van SEM — door het college zélf toegezegd voor 2023 — is niet uitgevoerd. Hoe beoordeelt het college deze gemiste zelfevaluatie, en welke mechanismen worden ingevoerd om toezeggingen aan de raad voortaan aantoonbaar na te komen? Grondslag rapport: §onderzoeksverantwoording — college voorzag evaluatie in 2023; niet uitgevoerd; aanleiding voor rekenkameronderzoek. Antwoord: Door organisatorische omstandigheden heeft de interne evaluatie niet kunnen plaatsvinden. Wij betreuren dat de toegezegde evaluatie niet heeft plaatsgevonden. Via de lijst van moties en toezeggingen monitoren wij het nakomen hiervan. Vraag 8: Het bestuurlijk dashboard over SEM is handmatig samengesteld en ten tijde van het onderzoek nog niet besproken in de stuurgroep.

Wanneer verwacht het college dit dashboard operationeel en geautomatiseerd te hebben, en met welke vaste frequentie wordt de raad hierover geïnformeerd? Grondslag rapport: §1.3 — dashboard beschikbaar over jan–nov 2025 maar handmatig; bespreking december vervallen; aanbeveling 1. Antwoord: Wij merken op dat de opzet en inrichting van de planning- en controldocumenten zijn vastgelegd in de Financiële verordening die door de raad is vastgesteld. Wijzigingen in de structurele informatievoorziening binnen de begroting, bestuursrapportages en jaarrekening vragen daarom om aanpassing van deze verordening en zijn niet eenzijdig door het college te bepalen.

Vraag 9: De raad ontvangt financiële informatie via de P&C-cyclus in de vorm van saldoposten die zonder nadere toelichting niet eenduidig interpreteerbaar zijn. Is het college bereid bij iedere Burap een beknopte, begrijpelijke narratieve duiding van de SEM-cijfers te voegen — inclusief wat deze betekenen voor de dienstverlening aan inwoners? Grondslag rapport: §1.4 en aanbeveling 10 — P&C-informatie is verantwoordend maar vraagt interpretatie; raadsinformatiebrieven niet structureel. Antwoord: De huidige wijze van verantwoorden is vastgelegd in de door uw raad vastgestelde financiële verordening.

Vraag 10: Participatie & werkUitstroom & zelfredzaamheid Slechts 4% van de cliënten is als "volledig werkfit" geregistreerd, terwijl voor 72% uitstroom naar regulier werk niet realistisch of ver weg is. Welke concrete doelstellingen stelt het college voor maatschappelijke participatie — anders dan betaalde arbeid — als volwaardig re-integratiedoel, en hoe wordt dit gemonitord?

Pagina 3 van 12

Grondslag rapport: §2.2 en figuur 1 — 36% "niet werken", 36% "tijdelijk niet werken", slechts 4% groen. Antwoord: De wetswijziging Participatiewet in Balans verplicht elke gemeente om maatschappelijke participatie als volwaardig re-integratiedoel te beschouwen. Bij de implementatie van deze wetswijziging in Q4

van 2026 geven wij hier nader duiding aan. Vraag 11: Cliënten zonder uitstroommogelijkheden worden momenteel gemiddeld eens per twee jaar gezien, terwijl de ambitie jaarlijks contact is. Gezien de invoering van de Participatiewet in Balans per 1 januari 2026: wat is de concrete planning en het bijbehorende budget om dit contact daadwerkelijk te realiseren voor álle cliënten? Grondslag rapport: §2.2 — ambitie jaarlijks contact niet gerealiseerd; Participatiewet in Balans vereist nieuwe beschikkingen per 1-1-2026. Antwoord: Vanuit de wetswijziging Participatiewet in Balans dienen alle cliënten die momenteel niet in een reintegratietraject zitten een nieuwe beschikking te ontvangen per 1-1-27. Onze ambitie is om alle cliënten die een nieuwe beschikking nodig hebben in het kader van maatschappelijke participatie dit jaar nog gesproken te hebben.

Vraag 12: Regionale uitvoeringsorganisaties zoals Annex, MTB en Podium24 worden door SEM-medewerkers als "gestandaardiseerd en afstandelijk" omschreven, waarbij cliënten zich als "nummer" behandeld voelen. Welke minimale kwaliteitseisen en mensgericht-werkende criteria stelt het college bij de inkoop en contractverlenging van re-integratiediensten? Grondslag rapport: §2.2 — SEM zoekt alternatieve partners zoals Labor die meer mensgerichte benadering hanteren. Antwoord: De gemeente Eijsden-Margraten zit in het stichtingsbestuur van Annex en Podium24, en is verder

aandeelhouder bij MTB. Vanuit die hoedanigheid zijn wij in constant overleg met deze partijen om de dienstverlening zo goed mogelijk aan te laten sluiten bij onze doelstelling om inwoners zoveel mogelijk uit te laten stromen. Bij de totstandkoming van het nieuwe Sociaal Ontwikkelbedrijf Maastricht-Heuvelland richten wij ons op het verder optimaliseren van de dienstverlening voor onze inwoners. Vraag 13: Armoedebeleid, Niet-gebruik & schulden Het concept-addendum schuldhulpverlening noemt expliciet het tegengaan van niet-gebruik van regelingen en extra aandacht voor werkende armen en zzp'ers. Dit addendum is nog niet formeel door de raad vastgesteld. Wanneer agendeert het college dit voor vaststelling, en welke actieve bereikstrategie hoort daarbij? Grondslag rapport: §1.1 — addendum vastgesteld door college maar nog niet door gemeenteraad; focus op werkende armen, zzp'ers, vroegsignalering.

Pagina 4 van 12

Antwoord: Het addendum is vastgesteld door het college. De maatregelen in het addendum die betrekking hebben op de Integrale Verordening Sociaal Domein zijn in februari 2026 door uw Raad vastgesteld, en daarmee kunnen de maatregelen in het addendum worden geïmplementeerd.

Vraag 14: De rekenkamer schat dat circa 300 huishoudens mogelijk recht hebben op ondersteuning maar zich niet actief melden. Welke proactieve outreach-strategie hanteert het college om deze "stille armoede" op te sporen — en hoe verhoudt de overgang naar ambtshalve toekenning van minimaregeling per 2025 zich tot dit doel? Grondslag rapport: §2.1 — geschatte groep ~300 huishoudens die zich niet meldt; §1.4 — ambtshalve toekenning minima-regelingen per 2025 ingevoerd. Antwoord: Voor het inzichtelijk krijgen van stille armoede proberen wij samen met onze partners in het maatschappelijk veld zoveel mogelijk mensen te bereiken. Door hulpverlening zo dicht mogelijk en laagdrempelig bij de inwoners te organiseren beogen wij dat uiteindelijk meer inwoners zich melden bij de gemeente. Het ambtshalve toekennen van de minimaregelingen en het verhogen van de inkomensgrens zorgt er in ieder geval voor dat regelingen meer worden uitgeput aangezien inwoners niet opnieuw de regeling hoeven aan te vragen.

Vraag 15: Algemene vraag: Welke concrete vervolgstappen worden genomen naar aanleiding van de aanbevelingen in het rapport? Antwoord: Voor de concrete vervolgstappen verwijzen wij u naar pagina 11 t/m 13 van het rekenkamerrapport. Hier benoemt het college wat zij met elke aanbeveling gaat doen. Vraag 16: Pagina 7, kop 1, 2e alinea: De beleidsvrijheid binnen de wettelijke kaders wordt in de praktijk terughoudend benut. Volgens de interviews is dit een bewuste keuze om rechtsgelijkheid te waarborgen en verschillen tussen gemeenten te voorkomen. Wat is dan de meerwaarde geweest van het stoppen van de samenwerking met de gemeente Maastricht? De wettelijk toegestane beleidsvrijheid zorgt er juist voor dat de gemeente EijsdenMargraten meer grip heeft op hoe zij de wetgeving toepast (handelen in de geest van de wet, dichtbij de burger en de andere gestelde doelen). Dat als gevolg daardoor mogelijk enige vorm van rechtsongelijkheid tussen de gemeenten ontstaat is logisch en misschien wel een gewenst gevolg omdat dan juist maatwerk kan worden geleverd. Als we de wetgeving op dezelfde manier toepassen

Pagina 5 van 12

als andere gemeenten had het geld om een eigen afdeling op te zetten bespaard kunnen worden en met de gemeente Maastricht kunnen blijven samenwerken. Antwoord: De meerwaarde van het stoppen van de samenwerking met SZMH zit in de dienstverlening dicht bij de inwoner. Dit wordt ook onderschreven in het rapport van de Rekenkamer. Door beleidsmatig een breed kader mee te geven aan SEM, brengen wij onze klantmanagers in positie om zelf een professionele afweging te maken.

Vraag 17: Pagina 7, kop 2, 2e alinea: Samenwerking binnen het sociaal domein komt in individuele gevallen goed tot stand, mede door de integrale verordening, korte lijnen en de kleinschalige organisatie. Tegelijkertijd is deze werkwijze in de praktijk beperkt vastgelegd en geborgd. Uit het onderzoek blijkt dat de toepassing van maatwerk en integraliteit in belangrijke mate afhankelijk is van de professionele afwegingen van individuele medewerkers en niet altijd zichtbaar is vastgelegd in dossiers. Als medewerkers zelf mogen afwegen en de werkwijze, die bepaald of er een integrale benadering over meerdere hulpvragen nodig, beperkt is vastgelegd, hoe wordt willekeur dan voorkomen? Antwoord: Het sociaal team heeft een proces ingericht waarbij ieder besluit verschillende controlepunten en kwaliteitscontroles doorloopt. Besluiten die afwijken van de gebruikelijke werkwijze (waarbij sprake is van maatwerk) worden daarbij expliciet getoetst op mogelijke willekeur. Van de klantmanager wordt verwacht dat afwijkingen van de gebruikelijke werkwijze altijd zijn onderbouwd met weloverwogen argumenten en standpunten die aantonen dat maatwerk gerechtvaardigd is. Juist deze zorgvuldige onderbouwing waarborgt dat er geen sprake is van willekeur of precedentschepping.

Vraag 18: Pagina 7, kop 2, 2e alinea: Ook is integrale samenwerking niet structureel verankerd in processen zoals intake en monitoring en speelt onzekerheid over de toepassing van privacywetgeving een rol bij het delen van informatie. Waarom speelt onzekerheid omtrent privacywetgeving een rol bij het delen van informatie? De gemeente Eijsden-Margraten heeft als het goed is een privacy officer en een functionaris voor gegevensbescherming. En dezen zouden voldoende onderlegd moeten zijn om te helpen bij een goede uitvoering van de wettelijke verplichtingen die gelden onder de participatiewet en de beschermende bepalingen uit de AVG. Antwoord: Om dit te ondervangen wordt op dit moment intern gewerkt aan goede privacyrichtlijnen voor het uitwisselen van gegevens. Dit wordt opgepakt tussen de functionaris gegevensbescherming, beleid en de teamregisseur van het sociaal team. Vraag 19: Worden beide functionarissen, er vanuit gaande dat deze beschikbaar zijn, actief betrokken bij het opzetten van de werkprocessen, zodat onzekerheid omtrent de uitvoering van de Participatiewet en privacywetgeving komt te vervallen, zodat de Participatiewet naar behoren uitgevoerd kan worden?

Pagina 6 van 12

Antwoord: Zie vorige antwoord, de collega's worden betrokken bij de totstandkoming van dit proces.

Vraag 20: Pagina 8, 2e alinea: Het inzicht in uitstroomresultaten en zelfredzaamheid is echter nog beperkt. Hoewel gegevens over werkfitheid en uitstroom beschikbaar zijn, worden deze nog niet structureel benut voor monitoring en rapportage op hoofdlijnen. Daarnaast blijkt uit dossieronderzoek dat in een groot deel van de dossiers niet zichtbaar is wat de geboden ondersteuning heeft opgeleverd en dat nazorg en opvolging bij beëindiging slechts beperkt zijn vastgelegd. Hierdoor is het moeilijk om de effectiviteit van de inzet van SEM systematisch te beoordelen en om ontwikkelingen in het cliëntenbestand goed te duiden. Mag hieruit geconstateerd worden dat deze mensen weliswaar geen uitkering ontvangen, maar dat er (hoewel die gegevens wel beschikbaar zijn) geen opvolging meer plaatsvindt in hoeverre zij o.a. in staat zijn om te werken, of zij nog voldoen aan de inlichtingenplicht, opvolging na schuldhulpverleningstrajecten, al dan niet recht hebben op toeslagen en andere middelen vanuit bijvoorbeeld de WMO? Antwoord: Wij wijzen alle inwoners die uitstromen op eventuele ondersteuning, zoals de minimaregelingen of andere voorzieningen zoals bijvoorbeeld vanuit de WMO. Deze ondersteuning kunnen wij zelf aanbieden, maar wij kunnen hier ook het maatschappelijk voorliggend veld voor benaderen.

Vraag 21: Indien ja, om hoeveel mensen gaat het dan? En is er een inschatting gemaakt hoeveel maatschappelijke kosten gemoeid zijn met deze mensen die niet meer op het netvlies staan? Welke concrete stappen gaan er genomen om ervoor te zorgen dat er opvolging plaatsvindt ten aanzien van deze groep mensen? Antwoord: Indien nodig verzoeken wij het maatschappelijk voorliggend veld om de inwoner iets langer te ondersteunen en een vinger aan de pols te houden, met als uiteindelijk doel dat iemand zelfstandig en structureel zelfredzaam is.

Vraag 22: Pagina 21: Daarnaast wordt Engage gebruikt als naslagwerk waarin werkprocessen zijn beschreven. Zijn alle werkprocessen hierin opgenomen? Indien nee, in hoeverre vormt dat een belemmering in de uitvoering van de Participatiewet? Antwoord: Niet alle werkprocessen zijn momenteel opgenomen in Engage. Er wordt echter actief gewerkt aan het onderbrengen van zoveel mogelijk processen in dit systeem. Dit betreft een doorlopend traject dat de nodige tijd vergt. Daarbij wordt tevens gekeken naar mogelijke verbeteringen, zodat de processen die in Engage worden opgenomen direct geoptimaliseerd zijn. Dit vormt geen belemmering voor de uitvoering van de Participatiewet, aangezien alle processen reeds zijn vastgelegd in werkinstructies buiten Engage.

Pagina 7 van 12

Vraag 23: Pagina 24 1 Waarom is gekozen voor en verdeling Arabisch sprekend en Nederlands/Anders talig. Is een verdeling Nederlandssprekend en anderstalig sprekend niet veel voor de hand liggender. Vooral ook omdat taalbeheersing en inburgering gezien worden als substantiële hindernis richting participatie of werk. Antwoord: De Rekenkamer heeft ervoor gekozen Arabischsprekende cliënten afzonderlijk te benoemen, omdat dit binnen het cliëntenbestand de grootste niet-Nederlandstalige taalgroep betreft. Het doel van deze analyse was inzicht te bieden in factoren die van invloed kunnen zijn op participatie en uitstroom naar werk. Omdat taalbeheersing en inburgering voor een deel van de doelgroep een relevante belemmering kunnen vormen, is deze relatief grote groep afzonderlijk zichtbaar gemaakt. De overige taalgroepen zijn vanwege hun beperkte omvang samengenomen in de categorie 'Nederlands of anders sprekend'. In de daaropvolgende alinea wordt daarnaast nader ingegaan op de samenstelling van het cliëntenbestand naar nationaliteit. Vraag 24: Pagina 25 Voor cliënten zonder uitstroommogelijkheden wil men de contact momenten met de gemeente gaan verdubbelen van tweejaarlijks naar jaarlijks. Wat is het einddoel van deze gesprekken en hoe gaat men evalueren dat deze verdubbeling meer resultaat oplevert.

Antwoord: De Participatiewet in balans biedt inwoners meer mogelijkheden om deel te nemen aan de maatschappij en om deze deelname in toenemende mate zelf vorm te geven. Tegelijkertijd wordt ervaren dat inwoners zich minder gezien kunnen voelen wanneer er slechts sporadisch contact is met de gemeente. Om dit te voorkomen, streeft het sociaal team ernaar om vaker met deze doelgroep in gesprek te gaan. Het doel van deze gesprekken is dat de inwoner, zoveel mogelijk vanuit de eigen kracht, kan deelnemen aan de samenleving.

Vraag 25: Pagina 28 Er zijn bij de dossieranalyse 28 dossiers bekeken. Op een bestand van 311 personen gaat het over 9% van alle dossiers. Hoe kunnen hier statisch gezien conclusies aan verbonden worden. Antwoord: Er zijn bij de dossieranalyse 28 dossiers bekeken. Op een bestand van 311 personen gaat het over 9% van alle dossiers. Hoe kunnen hier statisch gezien conclusies aan verbonden worden.

Pagina 8 van 12

De dossieranalyse is gebaseerd op een aselecte steekproef van 28 dossiers uit een totaalbestand van 276 dossiers. Per dossier zijn gemiddeld vijf documenten bestudeerd, waaronder beschikkingen, gespreksverslagen en correspondentie. Daarmee zijn in totaal ruim honderd documenten beoordeeld. De dossieranalyse was niet bedoeld als een op zichzelf staand statistisch onderzoek, maar als één van de onderzoeksmethoden binnen een bredere evaluatie die daarnaast bestond uit documentanalyse, interviews, een data-analyse van het cliëntenbestand en een cliëntervaringsonderzoek. De Rekenkamer heeft daarom geen uitspraken gedaan over exacte percentages voor het gehele bestand, maar heeft de dossieranalyse gebruikt om patronen, aandachtspunten en voorbeelden uit de uitvoeringspraktijk zichtbaar te maken. Daarbij is in het rapport expliciet vermeld dat de beschikbare dossierinformatie sterk varieert en dat het ontbreken van informatie niet automatisch iets zegt over de uitvoering zelf. Binnen deze beperkingen levert de analyse wel relevante aandachtspunten op.

Vraag 26: Pagina 32 cliëntenonderzoek. Er zijn 11 cliënten bevraagd van de 311. Dit is 3,5%. Men geeft aan hier geen generaliserende uitspraken over de resultaten te kunnen geven. Toch trekt men conclusies met sterke punten/aandachtspunten. Hoe reëel is dit met name ook omdat de vragenlijsten als te moeilijk werden ervaren voor sommige bevraagden.

Antwoord: De Rekenkamer heeft in het rapport expliciet aangegeven dat de uitkomsten van het cliëntervaringsonderzoek, vanwege het beperkte aantal gesprekken (n=11), niet als representatief voor het totale cliëntenbestand kunnen worden beschouwd en daarom indicatief en verkennend van aard zijn. Op basis van het cliëntervaringsonderzoek alleen zijn dan ook geen conclusies getrokken. Dat sommige cliënten vragen lastig vonden, is niet onverwacht gezien de kenmerken van de doelgroep. Het gaat om inwoners die afhankelijk zijn van inkomensondersteuning en die regelmatig te maken hebben met factoren zoals beperkte taalvaardigheid, inburgeringsvraagstukken, gezondheidsproblemen, schuldenproblematiek of een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Het cliëntervaringsonderzoek is daarom gebruikt als aanvullende informatiebron naast de dossieranalyse, interviews en data-analyse.

Vraag 27: Pagina 2. Dit document is reeds 1 maand oud. Is er al een plan van aanpak om de beleidsmatige en informatie gestuurde sturing beter te borgen in de organisatie, B en W zodat wij als Raad beter inzicht krijgen. Antwoord: Wij merken op dat de opzet en inrichting van de planning- en control documenten zijn vastgelegd in de Financiële verordening (212) die door de raad is vastgesteld. Wijzigingen in de structurele informatievoorziening binnen de begroting, bestuursrapportages en jaarrekening vragen daarom om aanpassing van deze verordening en zijn niet eenzijdig door het college te bepalen.

Pagina 9 van 12

Vraag 28: 20260707 06b Rekenkamer Rapport SEM Pagina 5. In de periode van 8 tot en met 18 december 2025 zijn in totaal 25 cliënten benaderd. Twaalf cliënten gaven aan bereid te zijn mee te werken; uiteindelijk zijn elf interviews succesvol afgerond aan de hand van een vragenlijst. De vragenlijst is opgenomen in bijlage 4. Gezien de beperkte omvang van het aantal gesprekken (n = 11) kunnen de uitkomsten niet als representatief voor het totale cliëntenbestand worden beschouwd en dienen deze als indicatief en verkennend te worden geïnterpreteerd. Waarom zijn er niet meer cliënten benaderd om zodoende te zogen dat de uitkomsten wel representatief waren? Antwoord: De Rekenkamer heeft gekozen voor een beperkte steekproefomvang, passend bij de omvang van het onderzoek en de beschikbare capaciteit. Een representatief onderzoek zou aanzienlijk meer tijd en middelen hebben gevraagd. Daarnaast betreft het een doelgroep die relatief lastig te bereiken en te bevragen is. Van de 25 cliënten die via een aselecte steekproef zijn geselecteerd, zijn uiteindelijk 11 interviews succesvol afgerond. Gezien de kenmerken van de doelgroep is dat een redelijk responspercentage. Het is daarom niet vanzelfsprekend dat het benaderen van meer cliënten tot een evenredig grotere respons of wezenlijk andere inzichten zou hebben geleid.

Vraag 29: Pagina 17: Uit de interviews komt naar voren dat deze wijze van inbedding door een deel van de geïnterviewden als passend wordt beschouwd. Enkele geïnterviewden geven aan dat een meer samenhangende of expliciete visie op inburgering wenselijk zou kunnen zijn, met name om richting te geven aan de eerdere ontwikkeling van het beleid. Tegelijkertijd wordt aangegeven dat hiervoor op dit moment onvoldoende capaciteit beschikbaar is, waardoor inburgering beleidsmatig vooral pragmatisch wordt ingevuld binnen de bestaande kaders. Welke spanningen zijn zichtbaar tussen de wens voor een expliciete beleidsvisie en de beschikbare capaciteit binnen de organisatie? Antwoord: We zijn bezig met de beleidsmatige uitgangspunten rondom inburgering verder te expliciteren en daarmee meer richting te geven aan de doorontwikkeling van het beleid. Tegelijkertijd is de beschikbare capaciteit organisatie primair ingezet voor de uitvoering van wettelijke taken en de ondersteuning van inwoners. Hierdoor ligt de nadruk momenteel op uitvoering van de inburgeringsopgave binnen de bestaande beleidskaders. De spanning zit met name in de afweging tussen enerzijds het investeren in de ontwikkeling van een meer samenhangende en expliciete beleidsvisie en anderzijds het beschikbaar houden van voldoende capaciteit voor de dagelijkse uitvoering.

We achten het van belang dat de uitvoering van de wettelijke taken gewaarborgd blijft. Vraag 30: Waarom wordt er momenteel gekozen voor een pragmatische invulling van het inburgeringsbeleid binnen de bestaande kaders? Antwoord:

Pagina 10 van 12

In de uitvoering van sociale zaken beogen wij zo min mogelijk onderscheid te maken tussen inburgeraars en niet-inburgeraars. Daarbij wordt wel rekening gehouden met de verplichtingen die verbonden zijn aan de Wet Inburgering, die niet van toepassing zijn op bijvoorbeeld de Participatiewet. Vraag 31: Pagina 18: Meerdere geïnterviewden geven aan dat de formatie slechts beperkt is meegegroeid met de uitbreiding van taken sinds de uittreding uit SMZH. Daarnaast is een deel van de kennis en uitvoering nog persoonsafhankelijk, doordat niet alle werkprocessen en werkinstructies volledig zijn vastgelegd. In hoeverre vormen de beperkte groei van de formatie en de persoonsafhankelijkheid van kennis en uitvoering een risico voor de continuïteit en kwaliteit van de dienstverlening? Antwoord: Wij onderschrijven de gemaakte conclusie door de Rekenkamer. Daarom wordt ingezet op het verder vastleggen van werkprocessen en werkinstructies, het borgen van kennis binnen teams en het verminderen van afhankelijkheid van individuele medewerkers.

Vraag 32: Pagina 46. Bij de vraag 7. Hoe vond u de manier waarop de medewerkers met u omgingen? Als antwoordopties gegeven: ‫ ﬦ‬respectvol ‫ ﬦ‬neutraal ‫ ﬦ‬onpersoonlijk / streng. Wie heeft deze antwoordopties geformuleerd? Een onpersoonlijk/strenge manier van omgang kan toch ook respectvol zijn? Antwoord: Deze antwoordcategorieën zijn door de Rekenkamer gebruikt voor de verwerking en analyse van de antwoorden en zijn niet als zodanig aan de cliënten voorgelegd tijdens de gesprekken. De interviews zijn telefonisch afgenomen, waarbij cliënten in hun eigen woorden konden aangeven hoe zij de bejegening door medewerkers hebben ervaren. De Rekenkamer kan de opmerking volgen dat begrippen als respectvol, neutraal, onpersoonlijk of streng elkaar niet volledig uitsluiten. De indeling is uitsluitend gebruikt om de gegeven antwoorden te rubriceren. Daarbij is van belang dat persoonlijk contact en maatwerk expliciete uitgangspunten van SEM zijn, waardoor ook de mate waarin cliënten het contact als persoonlijk ervaren relevant is voor de beoordeling van de dienstverlening.

Vraag 33: Het raadsvoorstel spreekt op p2 bovenaan over een ‘verschil dat zichtbaar wordt’. Kunt u uitleggen op welk verschil u doelt? Antwoord:

Pagina 11 van 12

De Rekenkamer constateert dat SEM erin is geslaagd de dienstverlening dichter bij inwoners te organiseren. Cliënten worden persoonlijk benaderd, maatwerk staat centraal en medewerkers handelen waar mogelijk in de geest van de wet. Deze mensgerichte uitvoeringspraktijk wordt door medewerkers, bestuurders en cliënten als betrokken en zorgvuldig ervaren. Tegelijkertijd constateert de Rekenkamer dat de ondersteuning van deze uitvoeringspraktijk door beleid, processen, managementinformatie en sturing nog niet op hetzelfde ontwikkelingsniveau zit. Daardoor bestaat er volgens de Rekenkamer een verschil tussen de sterke dagelijkse uitvoering enerzijds en de mate waarin deze uitvoering structureel is vastgelegd, gemonitord en bestuurlijk kan worden gevolgd anderzijds. Vraag 34: Vervolgens noemt u dat de sturing achterblijft bij de ambities. Kunt u dit met voorbeelden verduidelijken? Antwoord: De Rekenkamer verwijst hierbij naar de oorspronkelijke doelstelling bij de oprichting van SEM om meer lokale sturing, meer grip op de uitvoering en beter inzicht in resultaten en kosten te realiseren. Als voorbeelden noemt de Rekenkamer onder meer: • Beperkte benutting van beleidsvrijheid. • Ontwikkeling van sturingsinformatie. • Borging van processen en kennis. • Beperkt inzicht in resultaten en effecten. • Informatiepositie van de raad.

Vraag 35: Kunt u een voorbeeld geven waar beleidsvrijheid bewust terughoudend wordt ingezet? Antwoord: Een voorbeeld waar wij als gemeente Eijsden-Margraten doelbewust geen eigen koers varen is de uitvoering van social return. Dit wordt uitgevoerd door de gemeente Maastricht. Reden hiervoor is dat social return een intensieve begeleiding vraagt van werkgevers wat qua capaciteit niet op te vangen is binnen SEM, we maken hierbij gebruik van schaalvoordelen. Een bijkomend voordeel is dat inwoners van de gemeente Eijsden-Margraten ook een werkplek kunnen vinden bij aanbestede opdrachten van de andere gemeenten in Maastricht-Heuvelland.

Geen vragen

Pagina 12 van 12

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EijsdenMargraten&id=943fd2a0-ea9a-45f1-a7f2-c419429637db