CConstaterende datEijsden-Margraten
Koppel je AI →
Document · PDF

06 Schriftelijke vragen en antwoorden Wijziging Integrale verordening Sociaal Domein 2025

* Raadsvergaderingen 10 februari 2026, gemeente Eijsden-MargratenBij agendapunt: Schriftelijke vragenronde2.058 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Raadsvergadering 10 februari 2026 Schriftelijke vragen Agendapunt 06: Wijziging Integrale verordening Sociaal Domein 2025

Vraag 1: U geeft aan dat het college de bevoegdheid heeft om de vrijstelling Wmo eigen bijdrage door te voeren voor mensen onder de AOW-leeftijd met een inkomen op bijstandsniveau. Mag de gemeente louter op basis van een leeftijd mensen hiervoor uitsluiten? Antwoord: Het college kan deze bevoegdheid van uw raad krijgen en de vrijstelling van de Wmo-eigen bijdrage verlenen. Dat wordt aan uw raad voorgesteld. De gemeente mag niet uitsluitend op basis van leeftijd mensen uitsluiten van een vrijstelling van de Wmo-eigen bijdrage. Een dergelijk onderscheid moet objectief gerechtvaardigd zijn en voldoen aan het gelijkheidsbeginsel. In dit geval is de leeftijdsgrens niet het doorslaggevende criterium, maar de financiële kwetsbaarheid van alleenstaanden onder de AOW-leeftijd met een inkomen op bijstandsniveau. Uit het NIBUD-rapport blijkt dat deze groep, ondanks gebruik van bestaande voorzieningen, structureel circa €40 per maand tekortkomt. De vrijstelling van de Wmo-eigen bijdrage is daarmee een proportionele maatregel ter voorkoming van (verborgen) armoede en kan op deze gronden gerechtvaardigd worden. Vraag 2: U spreekt over het feit dat de verruiming van de minimaregelingen wordt gedekt binnen de bestaande budgettaire kaders voor 2026 en daarna. Daarnaast houdt u ook de mogelijkheid open het beleid indien nodig aan te passen.

Betekent dit ‘aanpassen’ feitelijk het versoberen van de regeling? Antwoord: Nee, ‘aanpassen’ betekent niet per definitie het versoberen van de regeling. Op dit moment is de verwachting dat het beschikbare budget voor 2026 en de jaren daarna toereikend is. Tegelijkertijd kunnen toekomstige ontwikkelingen in de kosten niet met volledige zekerheid worden voorspeld. Indien zich in de toekomst budgettaire knelpunten voordoen, kan de raad besluiten het beleid te heroverwegen. Een dergelijke heroverweging leidt niet automatisch tot versobering; het budget kan ook worden verruimd. Omgekeerd kan de raad, wanneer het budgettaire kader daar ruimte voor biedt, besluiten de regeling verder uit te breiden. Vraag 3: Er wordt veelvuldig verwezen naar termen die anders geformuleerd worden, maar hetzelfde lijken. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de termen: - Een inkomensgrens van 130% van de bijstandsnorm; - Een inkomensgrens van 130% van de toepasselijke bijstandsnorm; - Een inkomen op bijstandsniveau Is het mogelijk om gebruik te maken van één correcte formulering om verwarring te voorkomen? Antwoord: De meest correcte term is “de toepasselijke bijstandsnorm”. Deze formulering houdt expliciet rekening met de persoonlijke en huishoudelijke situatie van de betrokkene. In verdere communicatie zullen wij consequent de formulering “130% van de toepasselijke bijstandsnorm” hanteren. Pagina 1 van 6

Vraag 4: Bij artikel 7.2.2 (draagkracht bijzondere bijstand) wordt alleen melding gemaakt van ‘een inkomen boven 110% van de bijstandsnorm’ en niet van een vermogensgrens. Geldt bij de berekening van de draagkracht géén vermogensgrens? Antwoord: Het feit dat in artikel 7.2.2 alleen wordt gesproken over inkomen boven 110% van de bijstandsnorm betekent niet dat vermogen geen rol speelt. De vermogensgrens wordt betrokken bij de beoordeling of iemand in aanmerking komt voor bijzondere bijstand. Artikel 7.2.2 ziet uitsluitend op de berekening van de draagkracht uit inkomen. Voor zover het vermogen de wettelijk toegestane grens overschrijdt, bestaat er geen recht op bijzondere bijstand. Indien het vermogen binnen de vermogensgrens blijft, wordt bij de draagkrachtberekening uitsluitend gekeken naar het inkomen boven 110% van de toepasselijke bijstandsnorm. Vraag 5: Wat is de definitie van ‘inkomen’ bij de berekening van de eigen bijdrage en welke componenten vallen daar wel of niet onder? Antwoord: Bij de berekening van de eigen bijdrage voor Wmo-voorzieningen wordt geen onderscheid gemaakt naar inkomen of vermogen. De hoogte van de eigen bijdrage is vastgelegd als een vast abonnementstarief en bedraagt in 2026 maximaal € 21,80 per maand, ongeacht de hoogte of samenstelling van het inkomen of het vermogen.

Om die reden wordt bij de vaststelling van de eigen bijdrage geen definitie van ‘inkomen’ gehanteerd en worden inkomens- of vermogenscomponenten niet betrokken bij de berekening. Indien de vraag betrekking heeft op de afzonderlijke beleidsmaatregel om alleenstaanden onder de AOW-leeftijd met een inkomen op bijstandsniveau vrij te stellen van de eigen bijdrage, geldt dat hierbij wordt aangesloten bij een inkomen ter hoogte van 100% van de toepasselijke bijstandsnorm. Deze inkomensafbakening ziet uitsluitend toe op de toepassing van de vrijstellingsregeling en niet op de berekening van de eigen bijdrage zelf.

Geen vragen.

Vraag 6: Pagina 2 RV: Bevoegdheid college vrijstelling WMO eigen bijdrage Heeft dit in de voorgaande jaren tot ongewenst situaties geleid door het ontbreken hiervan? Zo ja is hier een herstelmoment voor mogelijk? Antwoord In individuele gevallen hebben wij maatwerk toegepast en incidenteel vrijstelling verleend. Met het expliciet vastleggen van deze bevoegdheid wordt beoogd voor de hele groep vrijstelling preventief te kunnen toepassen. Pagina 2 van 6

Een generiek herstelmoment voor het verleden is daarbij niet aan de orde; eventuele ondersteuning heeft steeds plaatsgevonden binnen de geldende wettelijke en beleidsmatige kaders. Wel is uit analyses, waaronder het Nibud-onderzoek, gebleken dat bepaalde doelgroepen financieel kwetsbaar zijn en een verhoogd risico lopen op problematische schulden, mede door stapeling van kosten. De hoogte van de Wmo-eigen bijdrage (het abonnementstarief) wordt landelijk vastgesteld. Gemeenten hebben echter de bevoegdheid om in specifieke situaties of voor specifieke doelgroepen een vrijstelling te verlenen. Vraag 7: Pagina 3 RV: Intrekken oude verordeningen. Heeft het niet intrekken de voorgaande jaren geleid tot aanvragen welke niet geweigerd konden worden? Antwoord: De inhoud van de oude verordeningen (Individuele inkomenstoeslag Participatiewet 2015 en Individuele studietoeslag Participatiewet 2015) is volledig overgenomen in de nieuwe integrale verordening. Het feit dat deze oude verordeningen formeel niet waren genoemd onder artikel 12.6 vierde lid van de integrale verordening, betreft een administratieve omissie. De nieuwe integrale verordening was echter vanaf het begin van kracht en aanvragen konden op basis daarvan worden behandeld. Het ontbreken van de formele vermelding had daarom geen effect op de mogelijkheid van de gemeente om aanvragen te weigeren of toe te kennen.

Met de huidige wijziging wordt deze omissie formeel gecorrigeerd, zodat de oude verordeningen expliciet buiten werking worden gesteld. Vraag 8: Pagina 3 RV: Correctie PGB bedragen. Wordt met terugwerkende kracht toegepast. Welke financiële impact heeft dit en voor wie? Antwoord: De juiste PGB-bedragen zijn vastgesteld bij de vaststelling van de Integrale verordening en correct toegepast. Door een verschuiving in de tabel van de bijlage in het gepubliceerde document zijn de bedragen in één tabel echter niet correct weergegeven. Dit heeft geen financiële gevolgen gehad voor betrokkenen; het betreft een redactionele fout. De redactionele fout wordt nu hersteld met terugwerkende kracht, zodat de bijlage overeenkomt met de daadwerkelijk toegepaste bedragen. Vraag 9: Pagina 2 RV: hier verwijst u naar een RIB van 11 juni 2025. Kunt u deze nogmaals bij de antwoorden bijvoegen? Antwoord: Ja.

Geen vragen

Pagina 3 van 6

Vraag 06a RV pagina 2 Punt 1 Verruiming van de inkomensgrens voor gemeentelijke minimaregelingen: Zijn dit eigen keuzes van het College of zijn dit landelijke wettelijke richtlijnen? Antwoord: De inkomensgrens voor gemeentelijke minimaregelingen is onderdeel van het gemeentelijk beleid. Hiervoor bestaan geen landelijke wettelijke verplichtingen of vastgestelde normen. Landelijk wordt een grote variatie gehanteerd, doorgaans tussen 100% en 130% van de toepasselijke bijstandsnorm. Ook binnen onze regio verschillen deze grenzen en liggen zij veelal tussen 110% en 120% van de toepasselijke bijstandsnorm. De voorgestelde verruiming van de inkomensgrens betreft een raadsbesluit dat wordt genomen via de voorliggende wijziging van de integrale verordening en vervolgens door het college wordt uitgevoerd. Vraag 11 In hoeverre leiden deze verruimingen tot voldoende compensatie van geconstateerde problemen bij de specifieke doelgroepen zoals genoemd in de Motivering erboven? Het lijken namelijk alleen maar verruimingen op basis van inkomen, niet op woonsituatie. Antwoord: De gemeente kan de inkomens- en uitgavensituatie van inwoners slechts gedeeltelijk beïnvloeden. Een belangrijk deel hiervan valt onder landelijke kaders, die het hoofdinkomen en uniforme basisvoorzieningen reguleren.

Factoren zoals woonlasten zijn daarbij grotendeels afhankelijk van de individuele woonsituatie en landelijke regelgeving en kunnen door de gemeente niet rechtstreeks worden aangepast. Het Nibud-rapport heeft alle relevante componenten van de bestaanszekerheid betrokken, waaronder ook de woonlasten, en heeft daarbij specifieke doelgroepen geïdentificeerd waarvoor gemeentelijk beleid effect kan hebben. De aanbevelingen uit het rapport schrijven niet voor welke specifieke verruiming van de minimaregelingen de gemeente moet toepassen, maar concluderen dat een verruiming van de inkomensgrens bijdraagt aan het gedeeltelijk compenseren van de geconstateerde problemen binnen de gemeentelijke beleidsruimte. Door de verruiming van de inkomensgrenzen kunnen meer inwoners met financiële knelpunten gebruikmaken van gemeentelijke voorzieningen. Daarmee biedt de gemeente gerichte ondersteuning binnen haar bevoegdheden, ook al richt die ondersteuning zich primair op inkomenscriteria en niet op de woonsituatie zelf. Vraag 12: We wachten nog op de aanstelling van de interne WMO coach? Antwoord: Deze welzijnsconsulent is aangesteld per 1 september 2025 met als aandachtsgebieden: participatie, preventie armoede en schulden.

Pagina 4 van 6

Vraag 13: Rv pag.1 Deze regeling bevat geen zelfstandige normen, maar wijzigt uitsluitend de artikelen in de bestaande verordening conform het raadsbesluit. Wat wordt heir mee concreet bedoeld? Antwoord: Deze regeling bevat geen zelfstandige normen, maar wijzigt uitsluitend de artikelen in de bestaande verordening conform het raadsbesluit” wordt bedoeld dat deze regeling (de wijzigingsverordening) kan niet zelfstandig worden toegepast of gelezen. Je moet altijd terug naar de oorspronkelijke verordening (de Integrale Verordening Sociaal Domein 2025) om te zien welke rechten en plichten gelden. Een zelfstandige norm is een regel die op zichzelf staat en bindende rechten en plichten creëert, zonder dat daarvoor andere bepalingen nodig zijn. Een wijzigingsverordening is een verordening die zelf geen nieuwe regels bevat. Een wijzigingsverordening is juridisch nodig om bestaande verordeningen aan te kunnen passen. Alle regels waar rechten en/of plichten uit voortvloeien blijven onderdeel van de oorspronkelijke verordening. Voorbeeld De Integrale Verordening Sociaal Domein 2025 bepaalt dat voor minimaregelingen een inkomensgrens geldt. Deze bepaling vormt een zelfstandige norm. De inkomensgrens is daarbij vastgesteld op 110% van de toepasselijke bijstandsnorm. Een wijziging van deze inkomensgrens leidt niet tot een nieuwe zelfstandige norm.

De zelfstandige norm dat voor minimaregelingen een inkomensgrens geldt, blijft ongewijzigd; uitsluitend de waarde van de inkomensgrens wordt via een wijzigingsverordening aangepast. Vraag 14: Het beleid is geactualiseerd in de periode april–mei 2025. In deze periode is het bestaande armoedebeleid (vastgelegd in het Beleidsplan Schuldhulpverlening 2022–2025, het Uitvoeringsplan Armoede en Schuldhulpverlening 2022–2025 en de Integrale Verordening Sociaal Domein 2025), geactualiseerd op basis van de Minima-effectrapportage (MER) 2025 van het Nibud. Deze actualisatie heeft geleid tot het vaststellen van het Addendum armoedebeleid 2026–2027. Uw raad is hierover geïnformeerd via een raadsinformatiebrief, met als bijlagen de MER 2025 en het Addendum armoedebeleid 2026–2027. Vraag 15: Om welk addendum gaat het hier? Antwoord: Het Addendum armoedebeleid 2026–2027 op basis van de Minima-effectrapportage (MER) 2025 van het Nibud. Vraag 16: Wat is het verschil tussen een wijzigingsverordening en de Integrale Verordening Sociaal Domein?

Pagina 5 van 6

Antwoord: De Integrale Verordening Sociaal Domein 2025 is een overkoepelende verordening waarin alle regels en kaders voor het sociaal domein van de gemeente zijn vastgelegd, zoals de Participatiewet, schuldhulpverlening, inburgering, jeugdhulp en Wmo. Het vormt een gemeenschappelijk kader waarin de rechten, plichten en procedures voor inwoners in samenhang zijn beschreven. Een wijzigingsverordening is een verordening die zelf geen regels bevat, het rechtsgevolg van de wijzigingsverordening is het wijzigen van de oorspronkelijke verordening. Een wijzigingsverordening is juridisch nodig om bestaande verordeningen aan te kunnen passen. Alle regels waar rechten en/of plichten uit voortvloeien blijven onderdeel van de oorspronkelijke verordening. Met een wijzigingsverordening kunnen technische omissies worden hersteld en/of beleidsinhoud op onderdelen worden geactualiseerd, zonder dat een volledig nieuwe verordening wordt vastgesteld. Vraag 17: Pag.2 Graag RIB als bijlage (via link?) toevoegen. Antwoord: De RIB wordt toegevoegd. Vraag 18: Waarom wordt dit via een/deze aparte verordening aangepast? Waarom niet meteen in de Integrale Verordening toegepast? Antwoord: Met het vaststellen van de wijzigingsverordening worden de veranderingen doorgevoerd in de oorspronkelijke verordening.

De Integrale Verordening Sociaal Domein 2025 wordt niet vervangen door een nieuwe integrale verordening, maar slechts op specifieke punten aangepast, waardoor de overige onderdelen en de samenhang van het regelkader behouden blijven. De wijzigingsverordening is het instrument dat juridisch nodig is om de wijzigingen in de bestaande verordening rechtsgeldig vast te stellen. Vraag 19: Pag.3 Overeenkomst met de bij het college- en raadsbesluit vastgestelde PGB-tarieven: in het belang van de controlerende taak van de raad graag betreffend Collegebesluit vermelden en als bijlage toevoegen. Antwoord: Het collegebesluit wordt toegevoegd.

Pagina 6 van 6

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EijsdenMargraten&id=0098db70-452d-48d3-b24a-58007c54b145