06 Document 2 bij vraag 9 - Bijlage 1 RIB Actualisatie armoedebeleid en afhandeling motie Vroegsignalering
Tekst van het document
Minima-effectrapportage gemeente EijsdenMargraten 2025 De invloed van landelijke en gemeentelijke maatregelen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens Corinne van Gaalen, Marcel Warnaar
14 mei 2025
Minima-effectrapportage gemeente Eijsden-Margraten 2025
De invloed van landelijke en gemeentelijke maatregelen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens
Auteurs Corinne van Gaalen Marcel Warnaar
Nibud, 14 mei 2025 In opdracht van de gemeente Eijsden-Margraten
Voorwoord Het Nibud (Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting) is een onafhankelijke stichting zonder winstoogmerk. Ons doel is het voorkomen van geldproblemen. Naast het verzamelen, berekenen en bijhouden van basiscijfers, doet of initieert het Nibud ook onderzoek naar andere aspecten over omgaan met geld. Daarbij spelen gedragsaspecten een belangrijke rol. Daarmee kunnen we snel inspelen op maatschappelijke ontwikkelingen. Het Nibud is gespecialiseerd in het maken van de vertaalslag van de verzamelde data en kennis over de huishoudfinanciën in methodes, materialen en tools. Daarbij wordt voortdurend voeling gehouden met de actualiteit en de praktijk van alledag. We gaan uit van drie niveaus van voorlichting en financiële educatie: direct voor het publiek (via onze websites, (sociale) media, interactieve tools, voorlichtingsmaterialen, hulpmiddelen en de helpdesk), via onderwijs/educatie door derden en door deskundigheidsbevordering van professionals. Als kenniscentrum vervult het Nibud ook een adviesrol naar derden. Bij dit alles gaat het Nibud uit van een standaardmethode van begroten. Dit resulteert in een reeks voorbeeldbegrotingen met referentiecijfers die zijn gebaseerd op empirisch wetenschappelijk onderzoek. Het Nibud stelt de keuzevrijheid en de eigen verantwoordelijkheid van de huishoudens voorop.
Het Nibud geeft gemeenten meer inzicht in het effect van hun minimabeleid. Door middel van een minima-effectrapportage (MER) helpt het Nibud gemeenten het geld bestemd voor minimabeleid, optimaal te besteden. Deze rapportage is uitgevoerd door het Nibud, in opdracht van de gemeente EijsdenMargraten. Met dit onderzoek wil de gemeente Eijsden-Margraten inzicht krijgen in de effecten van haar minimabeleid. Utrecht, mei 2025
Inhoud 1 Inleiding 1.1 Centrale vraag 1.2 Kern minima-effectrapportage 1.2.1 Huishoudtypen 1.2.2 Inkomensniveaus 1.2.3 Armoedeval 1.2.4 Voorbeeldhuur 1.3 Leeswijzer 2 Onderzoeksmethode: begrotingen 2.1 Inleiding 2.2 Inkomsten 2.3 Uitgaven: Basispakket & Sociale participatie 2.4 Uitgavensoorten 2.5 Voorwaarden aan de begrotingen 2.6 De begrotingen 3 Minimabeleid 3.1 Landelijk beleid 3.2 Lokaal minimabeleid 3.2.1 Lokaal kwijtscheldingsbeleid 3.2.2 Tegemoetkoming premie aanvullende zorgverzekering 3.2.3 Tegemoetkoming maatschappelijke participatie 3.2.4 Tegemoetkoming in de kosten van schoolgaande kinderen 3.2.5 Particuliere fondsen 3.2.6 Individuele Inkomenstoeslag 3.2.7 Bijzondere bijstand 3.2.8 Kinderopvang en peuterspeelzaal 3.3 Huishoudens met een zorgvraag 3.3.1 Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 3.3.2 Belastingaftrek specifieke zorgkosten 3.3.3 Tegemoetkoming premie aanvullende zorgverzekering 3.3.4 Meerkosten huishoudens met zorgvraag 4 Resultaten 4.1 Bestedingsruimte per huishoudtype 4.2 Armoedeval 4.3 Huishoudens met langdurig een laag inkomen 5 Conclusies en aanbevelingen 5.1 Bestedingsruimte en armoedeval 5.2 Aannames en aanbevelingen Bijlage 1 | Verantwoording uitgaven Bijlage 2 | Begrotingen
1 Inleiding 1.1
Centrale vraag
Iedere gemeente beschikt over mogelijkheden om invloed uit te oefenen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens. Dat kan bijvoorbeeld door het kwijtschelden van gemeentelijke heffingen en/ of door bijzondere bijstand. Het is echter niet direct zichtbaar wat in de praktijk de effecten van die maatregelen zijn op het budget van verschillende groepen huishoudens. De centrale vraag van dit onderzoek luidt: Wat is het effect van landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen in de gemeente Eijsden-Margraten? Bekeken wordt welke groepen huishoudens in de gemeente het best ondersteund worden door middel van het gemeentelijke minimabeleid en welke groepen minder goed. Ook maakt deze rapportage eventuele armoedevallen inzichtelijk. In de begrotingen worden alle minimaal onvermijdbare uitgaven afgezet tegen verschillende inkomensniveaus.
1.2
Kern minima-effectrapportage
Om tot een antwoord te komen op de centrale vraag, worden voor een aantal voorbeeldsituaties alle inkomsten geïnventariseerd. Hierbij wordt rekening gehouden met alle landelijke en gemeentelijke inkomensondersteunende maatregelen. Dit inkomen zal in een begroting worden afgezet tegen de minimale uitgaven waarmee huishoudens met een laag inkomen worden geconfronteerd. De minimale uitgaven zijn gebaseerd op de Nibud methode van budgetteren, aangevuld met lokale tarieven en tegemoetkomingen. 1.2.1 Huishoudtypen In deze minima-effectrapportage wordt voor een aantal huishoudtypen de bestedingsruimte inzichtelijk gemaakt. In overleg met de gemeente Eijsden-Margraten is een keuze gemaakt voor de volgende voorbeeldsituaties: 1. Een alleenstaande onder de AOW-gerechtigde leeftijd; 2. Een alleenstaande vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd; 3. Een paar zonder kinderen onder de AOW-gerechtigde leeftijd; 4. Een paar vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd; 5. Een eenoudergezin met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar); 6. Een eenoudergezin met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar); 7. Een paar met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar); 8. Een paar met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar); 9. Een paar met vier kinderen (3, 5, 14 en 16 jaar); 10. Een alleenstaande onder de AOW-leeftijd met een licht verstandelijke beperking; 11. Een alleenstaande oudere (AOW-gerechtigd) met een motorische beperking.
Het Nibud heeft na de zomer van 2024 een landelijk onderzoek gedaan naar de gemiddelde kosten waarmee huishoudens die te maken hebben met een zorgvraag worden geconfronteerd.1 De resultaten van dit rapport zijn, in overleg met de gemeente Eijsden-Margraten ook doorgerekend, voor de twee zorghuishoudens. Bij de huishoudens met een zorgvraag worden in de begroting extra kosten meegenomen die gemiddeld gezien vaak voorkomen wanneer een persoon binnen het huishouden een chronische ziekte of beperking heeft. 1.2.2 Inkomensniveaus De rapportage laat zien welke effecten de landelijke en gemeentelijke maatregelen hebben op de financiële positie van de huishoudtypen bij verschillende inkomensniveaus. In overleg met de gemeente Eijsden-Margraten is in dit rapport gekozen om begrotingen op te stellen met de volgende inkomensniveaus: bijstands-/AOW-niveau en voor 110, 120 en 130 procent van de bijstandsnorm. 1.2.3 Armoedeval Het kan voorkomen dat een huishouden met een hoger inkomen minder overhoudt dan met een lager inkomen, nadat rekening is gehouden met alle noodzakelijke uitgaven. Bijvoorbeeld doordat er geen recht meer is op inkomensondersteunende regelingen. Als een dergelijke armoedeval zich voordoet binnen de gestelde kaders, dan blijkt dat uit de resultaten van dit onderzoek.
Hierbij onderscheiden we twee soorten armoedevallen, namelijk een armoedeval bij uitstroom uit een bijstandsuitkering naar betaald werk (werkloosheidsval/uitstroomval) en een armoedeval bij het meer gaan verdienen (doorstroomval). Bij huishoudens boven de AOW-gerechtigde leeftijd wordt officieel niet gesproken van een armoedeval, omdat deze gewoonlijk geen inkomensstijging meemaken. Toch kan er bij hen ook sprake zijn van een geringere vrije bestedingsmogelijkheid bij een hoger inkomen. 1.2.4 Voorbeeldhuur Uit het Woononderzoek Nederland (WoON) van het CBS blijkt dat 96 procent van de huishoudens die de bijstandsuitkering als belangrijkste inkomstenbron hebben, in een huurwoning woont. Op basis hiervan gaan we er van uit dat huishoudens met een laag inkomen in een huurwoning wonen. Woningcorporaties moeten bij het toewijzen van sociale huurwoningen voldoen aan de passendheidsnorm. Dat betekent dat de woningcorporaties hun sociale huurwoningen moeten verhuren aan woningzoekenden met een inkomen dat volgens de wet 'past' bij de huurprijs. Zo wordt voorkomen dat mensen met de laagste inkomens in te dure huurwoningen gaan wonen, en andersom. De huren volgens het passend toewijzen zijn in 2025 € 682 voor één- of tweepersoonshuishoudens en € 731 voor huishoudens met drie of meer personen.
In de gemeente Eijsden-Margraten woont slechts 15 procent van de inwoners in een huurwoning en 10 procent daarvan in een sociale huurwoning. De gemeente kent relatief veel koopwoningen.
____________________
Het is niet mogelijk een gemiddeld bedrag te geven dat inwoners kwijt zijn aan hun hypotheek. Daarom gaan we in deze rapportage wel uit van een huurwoning, maar met een huur boven de grens van het passend toewijzen. In overleg met de gemeente sluiten we aan bij de huurtoeslaggrens van 2023 en rekenen we met een huur van € 808,06.
1.3
Leeswijzer
Het rapport is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de onderzoeksmethode. Hoofdstuk 3 geeft een toelichting op de landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen. In hoofdstuk 4 worden de resultaten weergegeven: Wat is de bestedingsruimte van de onderzochte huishoudtypen? En wat zijn de effecten van het minimabeleid op de financiële positie van deze huishoudens? Ten slotte staan in hoofdstuk 5 de conclusies en aanbevelingen van het rapport. In de bijlagen wordt meer informatie gegeven over bronnen van de referentiecijfers en staan de begrotingen per huishoudtype naar inkomen.
2 Onderzoeksmethode: begrotingen 2.1
Inleiding
Om het effect van inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens te berekenen, maakt het Nibud gebruik van begrotingen. Uit deze begrotingen zijn de inkomsten en uitgaven van de huishoudens af te lezen. De begrotingen in deze rapportage zijn gemaakt voor verschillende huishoudtypen op verschillende inkomensniveaus. Hierbij gaan we ervan uit dat huishoudens in een huurwoning wonen. De begrotingen zijn voor groepen van huishoudens. De bedragen in de begrotingen zijn gemiddelden; in werkelijkheid zal de financiële situatie van de individuele huishoudens er anders uitzien. De begroting laat dus niet zien in hoeverre een individueel huishouden een sluitende begroting heeft. Wel wordt duidelijk in hoeverre een groep huishoudens een sluitende begroting heeft. Bij het opstellen van de begrotingen wordt geen rekening gehouden met schulden, omdat daarover niets algemeens te zeggen valt. Schulden komen echter vaak voor onder huishoudens met lage inkomens.2
2.2
Inkomsten
In deze rapportage worden op vier inkomensniveaus begrotingen opgesteld voor de betreffende voorbeeldhuishoudens: het minimuminkomen (bijstands-/AOW-/AIO-niveau), 110 procent, 120 procent en 130 procent van de geldende bijstandsnorm. Met bijstandsniveau wordt in deze rapportage bedoeld de norm op grond van de Participatiewet, artikel 5 sub c. Gemiddelde maandbegrotingen De begrotingen die gepresenteerd worden in dit rapport zijn gemiddelde maandbegrotingen. In die begrotingen wordt het totaal besteedbaar maandinkomen weergegeven. Dat inkomen bestaat uit alle inkomsten van het huishouden, zoals netto salarissen, uitkeringen, kortingen op de belasting, zorgtoeslag, huurtoeslag, kinderbijslag, kinderopvangtoeslag, kindgebonden budget en vakantietoeslag. De vakantietoeslag wordt meestal niet maandelijks uitgekeerd en de kinderbijslag wordt een keer per kwartaal uitbetaald. In de begrotingen zijn die bedragen opgenomen als gemiddelde maandbedragen. De toeslagen die worden getoond in de begrotingen zijn afhankelijk van het bruto belastbare inkomen. Bij elk inkomensniveau hebben we het belastbare inkomen berekend dat bij het netto inkomen hoort. Hierbij hebben we rekening gehouden met de heffingskortingen, waaronder de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
____________________
Voor paren wordt er uitgegaan van een situatie waarin slechts een van beide partners werkt. Deze eenverdienerssituatie is de minst gunstige situatie. Als beide partners werken, dan hebben zij bij hetzelfde bruto inkomen een hoger netto inkomen dan eenverdieners. Dat komt doordat beide partners dan recht hebben op heffingskortingen. Dat betekent ook dat we in dit rapport voor paren met kinderen tot 12 jaar geen rekening hebben gehouden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als beide ouders werken, dan hebben zij daar wel recht op en ziet de inkomenssituatie er iets beter uit dan in de begrotingen in dit rapport. In de begrotingen is geen rekening gehouden met eigen vermogen of eventuele inkomsten daaruit. Ook is er geen rekening gehouden met inkomsten of betalingen vanwege alimentatie. Op welke manier de regelingen doorwerken in de begrotingen en wat de invloed is op het inkomen van de verschillende huishoudens is te zien in bijlage 2. In de rapportage wordt verondersteld dat de huishoudens maximaal gebruik maken van alle inkomensondersteunende regelingen die op hen van toepassing zijn, zowel de landelijke als de gemeentelijke regelingen.
2.3
Uitgaven: Basispakket & Sociale participatie
De noodzakelijke uitgaven vullen we in via een basispakket waarvan een pakket voor sociale participatie een onderdeel vormt. Het basispakket bestaat uit uitgaven die voor elk huishouden niet of moeilijk vermijdbaar zijn. In bijlage 1 staan de uitgangspunten en de samenstelling van de pakketten beschreven. Het basispakket inclusief het pakket voor sociale participatie zijn op bepaalde punten verschillend voor de diverse huishoudtypen. Een alleenstaande staat immers voor andere kosten dan bijvoorbeeld een gezin met kinderen. De pakketten bestaan uit relatief goedkope artikelen (niet de allergoedkoopste) die algemeen verkrijgbaar zijn. We houden geen rekening met tweedehands artikelen. De pakketten zijn vastgesteld in samenwerking met andere deskundigen. Zo bestaat het voedingspakket uit gezonde voeding zoals vastgesteld door het Voedingscentrum. Sociale participatie Als voorbeeld heeft het Nibud een pakket aan uitgaven voor sociale participatie opgesteld. Dit pakket is opgesteld in samenwerking met het Sociaal Cultureel Planbureau. Het gaat om uitgaven aan contributies en abonnementen, bezoek ontvangen en op bezoek gaan, vakantie/uitgaan en recreatief vervoer. Sociale participatie wordt door velen als noodzakelijk beschouwd en is in veel gemeenten op de een of andere manier onderdeel van het minimabeleid. De uitgaven voor sociale participatie staan beschreven in bijlage 1.
Persoonlijk onvermijdbare uitgaven Naast de noodzakelijke uitgaven van de pakketten zijn er in individuele gevallen persoonlijk moeilijk of niet-vermijdbare uitgaven. Dit zijn uitgaven die voor een bepaald persoon onontkoombaar zijn. Bijvoorbeeld wanneer iemand een speciaal dieet moet volgen. Voor dit soort uitgaven is vaak een tegemoetkoming mogelijk via gemeentelijk beleid. Deze uitgaven worden in dit rapport niet meegenomen.
In de begrotingen is ook geen rekening gehouden met kosten voor een huisdier of voor roken. Deze uitgaven worden niet gezien als onvermijdbaar. Indien een huishouden hiervoor toch kosten heeft, wordt het saldo op de begroting lager dan in deze rapportage is weergegeven.
2.4
Uitgavensoorten
In alle begrotingen onderscheidt het Nibud vier soorten uitgaven: • Vaste lasten. Dit zijn periodiek terugkerende uitgaven, waarbij het bedrag veelal elke periode hetzelfde is. Vaak is er een contract afgesloten voor deze uitgaven. Bijvoorbeeld de huur, energie of verzekeringen. • Reserveringsuitgaven. Dit zijn uitgaven die niet iedere maand terugkomen. De bedragen voor de verschillende reserveringsuitgaven zou een huishouden in principe maandelijks opzij moeten zetten om deze onregelmatige uitgaven direct te kunnen betalen. Het gaat bijvoorbeeld om witgoed, kleding of de reservering voor het eigen risico. • Huishoudelijke uitgaven. Dit zijn regelmatig terugkerende uitgaven, waarvan het bedrag per keer (per aankoopbeurt) verschilt. Bijvoorbeeld de dagelijkse boodschappen. • Sociale Participatie. Dit zijn uitgaven die een huishouden wat vrijer kan invullen. In deze rapportage vallen daaronder: contributies en abonnementen, bezoek ontvangen en op bezoek gaan, vakantie/uitgaan en recreatief vervoer. Lokale tarieven In deze rapportage wordt gerekend met minimale bedragen die huishoudens nodig hebben om deze uitgaven te kunnen betalen. Voor de uitgaven is waar mogelijk uitgegaan van lokale tarieven. Voorbeelden hiervan zijn de tarieven voor heffingen, de premie van de collectieve zorgverzekering en de kosten van de peuterspeelzaal.
Minimabeleid Als er inkomensondersteunende maatregelen zijn die een vergoeding vormen voor bepaalde uitgavenposten, dan is hier rekening mee gehouden in de begrotingen. De regelingen staan beschreven in het volgende hoofdstuk.
2.5
Voorwaarden aan de begrotingen
In de begrotingen wordt gerekend met minimale bedragen. Naast de cijfermatige kant moet daarom rekening worden gehouden met drie belangrijke voorwaarden. 1. Zeer goed met geld kunnen omgaan Een goed overzicht van alle inkomsten en uitgaven is noodzakelijk. Alleen dan kan er voldoende geld opzij worden gezet om onregelmatige uitgaven te kunnen doen. Een gebrek aan goed overzicht kan vaak confronterend zijn en moeilijk te doorbreken. 2. Alle inkomensondersteuning aanvragen Toeslagen en tegemoetkomingen beslaan vaak een groot deel van het totale inkomstenplaatje. Het is daarom voor huishoudens belangrijk om te weten op welke inkomensondersteuning men recht heeft en hoe en waar deze moet worden aangevraagd.
Tegelijkertijd zien we dat huishoudens soms bewust afzien van het gebruik van inkomensondersteuning, omdat zij angst hebben dat zij het gekregen geld weer terug moeten betalen, zeker sinds het toeslagenschandaal. Ook hier moet aandacht voor zijn. 3. Geen grote persoonlijk onvermijdbare uitgaven hebben Hoge persoonlijk onvermijdbare uitgaven zoals afbetalingen, zorgkosten of een hoge huur, kunnen het moeilijk of onmogelijk maken om een sluitende begroting op te stellen. Als de uitgaven niet omlaag gebracht kunnen worden, dan resteert er niks anders dan om te bezuinigen op overige uitgaven. In het geval van de begrotingen met minimale uitgaven, zoals ze in dit rapport zijn opgesteld, ontstaat het gevaar dat er ook bezuinigd wordt op noodzakelijke uitgaven. Dit kan er toe leiden dat er totaal geen reserves meer zijn om tegenslagen op te kunnen vangen, dat rekeningen niet meer betaald worden waardoor schulden ontstaan of dat gezondheidsbedreigende omstandigheden ontstaan. Deze voorwaarden zijn voor een deel te vangen in competenties voor goed financieel beheer. Het gaat hierbij niet alleen om vaardigheden, maar ook om gedragsaspecten. Daarom is inkomensondersteuning alleen niet voldoende. Het is ook belangrijk om ondersteuning op het gebied van het aanleren van vaardigheden te bieden, aangevuld met ondersteuning die rekening houdt met min of meer individuele gedragsaspecten.
2.6
De begrotingen
Volgens de methodiek die hierboven staat beschreven, worden de begrotingen opgesteld. Deze begrotingen staan in bijlage 2.
3 Minimabeleid In dit hoofdstuk worden diverse landelijke en gemeentelijke regelingen voor inkomensondersteuning van minima beschreven. Alleen de regelingen die in de berekeningen zijn meegenomen komen in dit hoofdstuk aan bod. Paragraaf 3.1 beschrijft de landelijke regelingen; in paragraaf 3.2 komen de lokale inkomensondersteunende regelingen aan bod.
3.1
Landelijk beleid
Bij het opstellen van de begrotingen worden de landelijke uitkeringen, de landelijke heffingskortingen, de landelijke toeslagen en de kinderbijslag in de berekeningen opgenomen. In 2025 zijn er op dit terrein een aantal onderdelen aangepast die van invloed zijn op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen. Het minimumloon en de daaraan gekoppelde uitkeringen zijn met ruim 5 procent verhoogd naar aanleiding van de hoge inflatie van de afgelopen jaren. Ook de toeslagen zijn aangepast: • Het kindgebondenbudget is iets omhoog gegaan, het maximale bedrag per kind gaat € 6 per maand omhoog voor ieder kind. Het extra bedrag voor alleenstaande ouders gaat € 7 per maand omlaag; • De huurtoeslag verandert zodat alle meerpersoonshuishoudens ook een deel van de huur boven de aftoppingsgrens vergoed krijgen (40 procent) net als al voor alleenstaanden en ouderen het geval is; • De maximale zorgtoeslag stijgt met ongeveer € 8 per maand per persoon. Daar staat tegenover dat de premie basiszorgverzekering gemiddeld met € 10 per maand zal stijgen. Landelijke heffingskortingen Heffingskortingen zijn kortingen op de belasting. Hiermee wil de overheid bepaalde groepen ondersteunen. Denk aan ouders, ouderen en gehandicapten. Door de heffingskorting betalen zij minder belasting.
Er zijn verschillende heffingskortingen: • Algemene heffingskorting: voor iedereen vanaf 18 jaar die inkomstenbelasting betaalt, ook als men niet werkt. • Arbeidskorting: voor iedereen die betaald werk doet, ook als men daarnaast nog gedeeltelijk een uitkering ontvangt. • Inkomensafhankelijke combinatiekorting: voor werkende ouders met kinderen jonger dan 12 jaar. Deze wordt toegekend aan de alleenstaande ouders of aan de minstverdienende fiscale partner. • Ouderenkorting en alleenstaande ouderenkorting: voor AOW-gerechtigden. Tabel 1: Landelijke heffingskortingen in bedragen per jaar 2025
2024
Landelijke toeslagen Toeslagen zijn bijdragen van de overheid om tegemoet te komen in de kosten voor de zorgverzekering, huur of kind(eren). Of een huishouden recht heeft op bepaalde toeslagen, is afhankelijk van een aantal factoren, bijvoorbeeld inkomen of vermogen. Bij het inkomen wordt verwezen naar het toetsingsinkomen, ook wel verzamelinkomen genoemd. Dit bestaat uit: inkomen uit werk en woning (box 1), inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) en inkomen uit sparen en beleggen (box 3). De volgende toeslagen (2025) zijn van belang voor de voorbeeldhuishoudens: Zorgtoeslag Zorgtoeslag is een bijdrage van de overheid voor de kosten van de zorgverzekering. Iemand kan aanspraak maken op zorgtoeslag vanaf 18 jaar. Dit geldt voor zowel alleenstaanden als stellen. Naast de inkomensgrens is er ook een vermogensgrens voor de zorgtoeslag. Hoe lager het toetsingsinkomen, hoe meer toeslag iemand ontvangt. Tabel 2: Zorgtoeslag bedragen
Huurtoeslag Huurtoeslag is een bijdrage van de overheid in de huurkosten. Huurders van een zelfstandige huurwoning kunnen in aanmerking komen voor huurtoeslag. De hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van het toetsingsinkomen, het vermogen, de huishoudsamenstelling en de huur. Vanaf 1 januari 2020 kent de huurtoeslag geen inkomensgrenzen meer, maar wordt de huurtoeslag inkomensafhankelijk afgebouwd. De vermogensgrens voor de huurtoeslag is per persoon. Huishoudens krijgen boven de minimale basishuur3 volledige huurtoeslag tot aan de kwaliteitskortingsgrens. Vanaf deze huur wordt 65 procent vergoed, tot aan de aftoppingsgrens. Daarboven ontvangen huishoudens nog 40 procent huurtoeslag tot aan de maximale huurgrens. De verschillende huurgrenzen zijn in tabel 3 opgenomen. Tabel 3: Huurtoeslag bedragen
____________________ 3
Kinderopvangtoeslag Kinderopvangtoeslag is een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. De kinderopvangtoeslag is geregeld in de Wet Kinderopvang. De wet geldt voor dagopvang voor kinderen van 0 tot 4 jaar en buitenschoolse opvang voor basisschoolkinderen. Maar ook voor opvang door ouderparticipatiecrèches of gastouders via een gastouderbureau en voor de peuterspeelzaal. Informele opvang door familie of kennissen valt hier niet onder. Om voor kinderopvangtoeslag in aanmerking te komen moet de instelling zijn aangemeld bij het Landelijk Register Kinderopvang. Ook moeten, in het geval van paren, beide ouders werken, tenzij er een re-integratietraject wordt gevolgd. Tabel 4: Kinderopvangtoeslag bedragen per uur
Kindgebonden budget Huishoudens met kinderen jonger dan 18 jaar kunnen in aanmerking komen voor het kindgebonden budget. Dit is een maandelijkse, inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van kinderen. Voorwaarde is dat iemand zijn of haar kind ‘in belangrijke mate onderhoudt’. Er geldt een inkomensgrens (waarbij gekeken wordt naar het toetsingsinkomen). Na de inkomensgrens wordt de hoogte van het bedrag geleidelijk afgebouwd. Het maximale bedrag per kind bedraagt € 209,25 per maand. Huishoudens met kinderen van 12 jaar of ouder, krijgen een extra bedrag per jaar. De maximale bedragen zijn: • tussen de 12 en 16 jaar: maximaal € 58,58 extra per kind per maand; • tussen de 16 en 17 jaar: maximaal € 78,00 extra per kind per maand. Alleenstaande ouders krijgen nog een extra bedrag: maximaal € 282,42 per maand per huishouden. Tabel 5: Kindgebonden budget
Kinderbijslag Een ouder heeft recht op kinderbijslag voor eigen kinderen en stiefkinderen tot 18 jaar en soms voor pleegkinderen tot 16 jaar. Kinderbijslag wordt eenmaal per kwartaal uitgekeerd. De bedragen worden in het geval van meerdere kinderen bij elkaar opgeteld. De bedragen voor kinderbijslag zijn afhankelijk van de leeftijd van het kind en onafhankelijk van het inkomen. Tabel 6: Kinderbijslag per kwartaal
3.2
Lokaal minimabeleid
Naast de landelijke inkomensondersteunende maatregelen heeft de gemeente EijsdenMargraten voor huishoudens met een laag inkomen ook een lokaal minimabeleid. Deze regelingen komen in de volgende paragrafen aan bod. Ook wordt aangegeven hoe het lokale minimabeleid is verwerkt in de begrotingen. 3.2.1 Lokaal kwijtscheldingsbeleid In de gemeente Eijsden-Margraten kan voor alle lokale lasten die voor huurders gelden, kwijtschelding worden aangevraagd. De afvalstoffenheffing bestaat uit een vast deel en een variabel deel. Het variabele deel wordt bepaald door het aantal ledigingen van het restafval (€ 1,15 voor 40 liter, € 3,05 voor 140 liter en € 4,10 voor 240 liter) en een prijs per kilo (€ 0,38). Voor het variabele deel wordt geen kwijtschelding verleend. In deze rapportage gaan we uit van 12 ledigingen van 40 liter voor de alleenstaande, 6 ledigingen van 140 liter voor een tweepersoonshuishouden en 12 ledigingen van 140 liter voor grotere huishoudens. Verder gaan we uit van 105 kilo restafval per persoon per jaar 4. Tabel 7: Gemeentelijke- en waterschapsheffingen (tarieven 2025)
Bedrag
De gemeente toetst bij het vaststellen van de kwijtschelding aan 100 procent van de norm op grond van de Participatiewet. Dat wil zeggen dat afhankelijk van het vermogen, huishoudens met een inkomen op bijstandsniveau in principe geen gemeentelijke heffingen hoeven te betalen. Bij een inkomen hierboven wordt de betalingscapaciteit berekend door het inkomen te verminderen met het norminkomen. Er vindt een correctie plaats voor eigen uitgaven aan huur en voor nominale ziektekostenpremies. De beleidsvrijheid ten aanzien van het kwijtscheldingsbeleid wordt bepaald door landelijke regelgeving. Hierbij wordt aan gemeenten de mogelijkheid geboden om rekening te houden met de kosten voor kinderopvang en om voor AOW’ers uit te gaan van de netto AOW in plaats van de bijstandsbedragen. De gemeente Eijsden-Margraten maakt gebruik van de mogelijkheid om uit te gaan van de verhoogde norm voor AOW’ers en houdt rekening met de kosten voor kinderopvang bij de bepaling van de betalingscapaciteit. Bij waterschap Limburg is kwijtschelding mogelijk voor de zuiveringsheffing en de watersysteemheffing ingezetenen. Bij de berekening van de kwijtschelding hanteert het waterschap, net zoals de gemeente, de norm van 100 procent van de toepasselijke norm. De betalingscapaciteit (en daarmee de kwijtschelding) van de gemeentelijke heffingen en het waterschap wordt gezamenlijk berekend.
____________________
3.2.2 Tegemoetkoming premie aanvullende zorgverzekering Het verzekeren tegen ziektekosten is voor iedereen wettelijk verplicht. Daarom bieden veel gemeenten inwoners met een laag inkomen een collectieve zorgverzekering aan. De gemeente Eijsden-Margraten biedt een collectieve zorgverzekering aan bij VGZ. Daarnaast biedt de gemeente een vergoeding aan voor zorgkosten (bijvoorbeeld voor het eigen risico of andere zorgkosten) van € 100 per jaar aan huishoudens die aanvullend verzekerd zijn. Hiervoor is het niet verplicht om aangesloten te zijn bij de collectieve verzekering van de gemeente. De regeling is bedoeld voor huishoudens met een inkomen dat niet hoger is dan 110 procent van de geldende bijstandsnorm. Omdat we in de begrotingen veronderstellen dat huishoudens aanvullend zijn verzekerd, brengen we de vergoeding van de gemeente van € 100 hierop in mindering voor huishoudens met een inkomen tot 110 procent. In de begrotingen rekenen we met de premie van een gemiddelde zorgverzekering. Dit betreft de nominale premie van de basis- en aanvullende verzekering inclusief een tandartsverzekering. Bij de huishoudens met een zorgvraag gaan we uit van een uitgebreidere verzekering.
Daarnaast gaan we ervan uit dat huishoudens maandelijks moeten reserveren voor het eigen risico van € 385 per jaar, omdat zij dit geld waarschijnlijk niet op de plank hebben liggen, als zij dit (onverwacht) nodig hebben. Dit bedrag is opgenomen onder de post “eigen risico zorgverzekering”. De kosten van de premie zijn in de begrotingen opgenomen onder de uitgavepost “zorgverzekering”. De zorgtoeslag die huishoudens ontvangen is in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten. 3.2.3 Tegemoetkoming maatschappelijke participatie Met de Tegemoetkoming maatschappelijke participatie kunnen inwoners van de gemeente Eijsden-Margraten met een laag inkomen deelnemen aan diverse sociale activiteiten. Inwoners van de gemeente kunnen de tegemoetkoming aanvragen als het huishoudinkomen niet meer bedraagt dan 110 procent van de bijstandsnorm. Daarnaast wordt rekening gehouden met de vermogensgrens uit de Participatiewet. De hoogte van de tegemoetkoming bedraagt € 150 per persoon en is bedoeld voor personen vanaf vier jaar. Dit bedrag is in de begrotingen verrekend met de post “sociale participatie”. 3.2.4 Tegemoetkoming in de kosten van schoolgaande kinderen Voor kinderen in de leeftijd van 12 tot en met 17 jaar die voortgezet onderwijs volgen, kent de gemeente Eijsden-Margraten een tegemoetkoming schoolkosten.
Bijvoorbeeld voor schrijfspullen, schriften, atlas, woordenboek, agenda, rekenmachine, rugzak, enzovoort. De tegemoetkoming is € 110 per kind. Om voor de tegemoetkoming in aanmerking te komen mag het inkomen niet hoger zijn dan 110 procent van de geldende bijstandsnorm en het vermogen niet hoger dan het wettelijk vrij te laten vermogen. In de begrotingen is de tegemoetkoming verrekend met de post “onderwijs”.
3.2.5 Particuliere fondsen Naast het minimabeleid van de gemeente kunnen inwoners van Eijsden-Margraten met een laag inkomen ook gebruikmaken van vergoedingen via particuliere stichtingen en fondsen, te weten het Jeugdfonds Sport & Cultuur en Stichting Leergeld. Beide fondsen kennen een inkomensgrens van 120 procent van de geldende bijstandsnorm. Jeugdfonds Sport & Cultuur Het Jeugdfonds Sport en Cultuur vergoedt de contributie voor sport- of cultuurverenigingen voor kinderen tot 18 jaar. De vergoeding bedraagt maximaal € 350,(voor sport en zwemdiploma A) of € 550 (voor cultuur) per kind per jaar. In de begrotingen is onder de post “sociale participatie” een bedrag opgenomen voor contributies en abonnementen voor sportieve en culturele activiteiten (zie bijlage 1). Het Nibud gaat uit van een contributie van € 12,50 per maand voor kinderen van 4 tot 8 jaar, € 16,00 voor kinderen van 8 tot 16 jaar en € 21,50 voor kinderen vanaf 16 jaar. Deze bedragen zijn op de post “sociale participatie” in mindering gebracht. Stichting Leergeld Via de Stichting Leergeld kunnen kinderen van 4 tot 18 jaar schoolgerelateerde kosten vergoed krijgen, waaronder een fiets. Voor kinderen op het basisonderwijs is de vergoeding maximaal € 250 per jaar en voor kinderen op het voortgezet onderwijs gaat het om een bedrag van maximaal € 350.
De vergoedingen zijn in de begrotingen verrekend met de post “onderwijs”. Voor kinderen op het basisonderwijs is deze post lager dan € 250 per jaar, daarom verrekenen we het resterende deel met de post “vervoer”, als vergoeding voor een fiets. 3.2.6 Individuele Inkomenstoeslag De individuele Inkomenstoeslag (IIT) is bedoeld voor huishoudens vanaf 21 jaar tot aan de AOW-gerechtigde leeftijd, die 36 maanden of langer een inkomen hebben dat niet hoger is dan de geldende bijstandsnorm. De hoogte van de IIT bedraagt per twaalf maanden: • € 538 voor alleenstaanden; • € 673 voor alleenstaande ouders ; • € 750 voor gehuwden/samenwonenden; Bij de resultaten van deze rapportage worden de saldi van huishoudens die in aanmerking komen voor de individuele inkomenstoeslag apart gepresenteerd. 3.2.7 Bijzondere bijstand De gemeente Eijsden-Margraten verstrekt voor bijzondere en noodzakelijke kosten individuele bijzondere bijstand. Hierbij wordt rekening gehouden met draagkracht. Bij een inkomen tot en met 110 procent van de geldende bijstandsnorm wordt geen draagkracht verondersteld.
Bij een inkomen boven 110 procent wordt een systeem gehanteerd waarbij drie draagkrachtpercentages worden toegepast: • 15 procent wanneer het kosten betreft die bijdragen aan het zelfstandig kunnen blijven wonen; • 50 procent bij reguliere bijzondere kosten; • 35 procent wanneer de aanvraag een combinatie van beide kostensoorten betreft.
De individuele bijzondere bijstand wordt in dit onderzoek niet meegenomen omdat deze sterk afhankelijk is van de persoonlijke situatie. Uitzondering zijn de huishoudens met een zorgvraag. Bij deze huishoudtypen gaan we uit van een aantal veronderstellingen die worden beschreven in paragraaf 3.3. Indien voor een of meer van deze voorzieningen individuele bijzondere bijstand kan worden aangevraagd, wordt dit meegenomen in de begroting. We gaan hierbij uit van een combinatie van kostensoorten en hanteren dus een draagkrachtpercentage van 35 procent. 3.2.8 Kinderopvang en peuterspeelzaal Op grond van de Wet kinderopvang kunnen ouders van kinderen tot 12 jaar een tegemoetkoming toegekend krijgen voor de kosten van kinderopvang, de kinderopvangtoeslag. Vervolgens resteert een eigen bijdrage voor deze kosten. Voor deze eigen bijdrage is in de gemeente Eijsden-Margraten een tegemoetkoming mogelijk in geval van een sociaal-medische indicatie. Hiervan wordt in deze rapportage niet uitgegaan. Kinderopvang Alleenstaande ouders met een inkomen boven bijstandsniveau zullen enkele dagen per week werken en gebruik maken van de kinderopvang voor het kind van drie jaar. Bij 110 procent van het minimuminkomen wordt gerekend met 20 uur kinderopvang per week, bij 120 en 130 procent rekenen we met 30 uur opvang per week. Bij ieder inkomensniveau gaan we uit van 45 weken kinderopvang per jaar.
Peuterspeelzaal Een alleenstaande ouder met een bijstandsuitkering hoeft geen gebruik van de kinderopvang te maken; daarom zijn in de begrotingen op 100 procent geen kosten voor kinderopvang opgenomen. Wel wordt ervan uitgegaan dat peuters twee dagdelen per week naar de peuteropvang gaan om zo alle peuters een laagdrempelige en goed toegankelijke voorbereiding op de basisschool te bieden. Ook paren zonder werk (met een bijstandsuitkering) of paren waarvan één van beide partners werkt (met een inkomen boven bijstandsniveau), zullen geen gebruik maken van de kinderopvang maar van de peuteropvang, omdat de niet-werkende partner op de kinderen kan passen. Als een of beide ouders niet werken, is er geen recht op kinderopvangtoeslag. In de gemeente Eijsden-Margraten betalen deze ouders een inkomensafhankelijke bijdrage die gelijk is aan de eigen bijdrage van de kinderopvangtoeslag. Als er sprake is van een VVEindicatie worden twee dagen volledig gesubsidieerd, de overige dagen zijn conform de reguliere regelingen van de kinderopvangtoeslag. We gaan uit van twee dagdelen peuteropvang, waarbij de ouders de eigen bijdrage van de kinderopvangtoeslag betalen. De kosten voor kinderopvang en de peuterspeelzaal zijn in de begrotingen opgenomen onder de post “kinderopvang”.
De kinderopvangtoeslag of de bijdrage van de gemeente die de betreffende huishoudens ontvangen is in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten.
3.3
Huishoudens met een zorgvraag
In dit onderzoek worden twee huishoudens met extra zorgkosten onderzocht: Een alleenstaande onder de AOW-leeftijd met een licht verstandelijke beperking; Een alleenstaande oudere (AOW-gerechtigd) met een motorische beperking. Hieronder wordt eerst dieper ingegaan op de voorzieningen voor huishoudens met een zorgvraag. Daarna worden de profielen van deze huishoudtypen nader omschreven en wordt aangegeven met welke meerkosten deze huishoudens geconfronteerd worden. Ten slotte wordt beschreven wat dit betekent voor maandbegroting van de huishoudens met een zorgvraag, waarbij we rekening houden met de tegemoetkomingen van de gemeente voor deze groep. 3.3.1 Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) zorgt ervoor dat mensen met een handicap, chronisch zieken en ouderen een zo normaal mogelijk dagelijks leven kunnen leiden. De gemeente bekijkt of hulp nodig is en waarmee iemand het beste is geholpen. Iedere gemeente regelt dit op zijn eigen manier.
Naast algemene taken, zoals het vergroten van de leefbaarheid in de gemeente, heeft de gemeente op basis van de Wmo de volgende taken: ondersteuning van mensen met een lichamelijke, psychische of verstandelijke beperking zodat zij mee kunnen doen aan de samenleving, bijvoorbeeld door begeleiding, zinvolle daginvulling, huishoudelijke verzorging, woningaanpassing, vervoer of een rolstoel; ondersteuning van mantelzorgers en vrijwilligers, bijvoorbeeld door trainingen, of ondersteuning in het geval dat de mantelzorger ziek is. 3.3.2 Belastingaftrek specifieke zorgkosten Bij de berekeningen gaan we ervan uit dat de huishoudens gebruik maken van de aftrek specifieke zorgkosten bij de belastingaangifte. Het gaat daarbij om de netto kosten, de zorgkosten die het huishouden nog maakt nadat gebruik is gemaakt van de landelijke en lokale regelingen. Voor de aftrek geldt een drempel. Niet in alle gevallen wordt de drempel gehaald. De hoogte van het bedrag is in de begrotingen opgenomen onder de inkomsten als “voorlopige aanslag”. 3.3.3 Tegemoetkoming premie aanvullende zorgverzekering In paragraaf 3.2.2 is beschreven dat de gemeente Eijsden-Margraten een vergoeding aanbiedt voor zorgkosten (bijvoorbeeld voor het eigen risico of andere zorgkosten) van € 100 per jaar.
Aan de tegemoetkoming zijn de volgende voorwaarden verbonden: Woonachtig in Eijsden-Margraten; Leeftijd van 18 jaar of ouder; Het inkomen in januari van kalenderjaar is niet hoger dan 110 procent van de geldende bijstandsnorm; Het vermogen in januari van het kalenderjaar is lager dan de vermogensgrens; Er is een aanvullende zorgverzekering afgesloten voor het huidige verzekeringsjaar. Deze vergoeding is in de begrotingen verrekend met de post “zorgverzekering”.
3.3.4 Meerkosten huishoudens met zorgvraag Om de begrotingen voor huishoudens met een zorgvraag op te maken, hebben we zogenoemde zorgprofielen opgesteld. Vervolgens kan bepaald worden welke extra kosten dit huishouden heeft, en welke vergoedingen daar tegenover staan. De profielen zijn opgesteld door het Nibud, in opdracht van Ministerie van VWS en in samenspraak met Ieder(In)5. Alleenstaande met een licht verstandelijke beperking In deze situatie bespreken we een alleenstaande met een licht verstandelijke beperking. De persoon woont zelfstandig in een woongroep en heeft dagbesteding. De meerkosten bestaan voornamelijk uit een hogere premie voor een uitgebreidere zorgverzekering en bijdragen voor verschillende vormen van begeleiding: ambulante begeleiding, budgetbeheer en begeleiding voor activiteiten buitenshuis. Daarnaast zijn er beperkte meerkosten voor onder andere ziekenhuisbezoek en dieetadvies. De totale meerkosten zijn weergegeven in tabel 8. Tabel 8: Meerkosten alleenstaande met een licht verstandelijke beperking Meerkosten
Alleenstaande oudere met een motorische beperking Het profiel voor de AOW-gerechtigde met een motorische beperking ziet er als volgt uit: Het gaat om een alleenstaand persoon met een minimuminkomen die vanwege een motorische beperking rolstoelgebonden is. De beperking is niet ontstaan door een andere chronische aandoening. Deze persoon woont in een flatwoning met lift. Voor mobiliteit buitenshuis maakt hij/zij gebruik van een scootmobiel. Het opladen hiervan heeft een hogere energierekening tot gevolg. Voor ziekenhuisbezoek (gemiddeld één keer per maand) en verder weg gelegen bestemmingen wordt gebruik gemaakt van de regiotaxi en Valys. Overige meerkosten betreffen een uitgebreidere zorgverzekering, lidmaatschap van twee patiëntenverenigingen, begeleiding bij het sporten, kledingslijtage en extra waskosten, eigen bijdrage Wmo voor woningaanpassingen, eigen betalingen van medicijnen in verband met chronische ontstekingen en bloedsomloopproblemen, en vakantie in een aangepaste recreatiewoning (zie tabel 9). ____________________
Tabel 9: Meerkosten alleenstaande oudere met een motorische beperking Meerkosten
Aanpassingen in de begroting voor beide huishoudens met een zorgvraag Gezien het bovenstaande, zal de begroting van de huishoudens met een beperking op diverse punten afwijken van de standaardbegrotingen. De extra kosten van beide huishoudens met een zorgvraag zijn in de begrotingen als volgt verrekend: Hogere huur in verband met aanwezigheid lift De oudere woont in een flatwoning met een lift. Dit geeft een hogere huur van gemiddeld € 67 per maand. Dit wordt voor een deel (40 procent) gecompenseerd door een hogere huurtoeslag. Daarnaast zijn er servicekosten voor de lift van € 24 per maand. Ook deze kosten kunnen gedeeltelijk vanuit de huurtoeslag worden vergoed. De rest komt voor rekening van de oudere zelf. Hogere energierekening Vanwege het gebruik van hulpmiddelen waaronder een scootmobiel, die thuis opgeladen moet worden, heeft de oudere met een zorgvraag een hogere energierekening. Daarnaast heeft deze persoon hogere stookkosten omdat zij vaak thuis is en veel stilzit. De gemeente Eijsden-Margraten kent geen vergoeding voor de hogere energiekosten. De extra kosten van € 57 per maand zijn in de begrotingen verrekend met de post “energie”. Collectief vraagafhankelijk vervoer Beide huishoudens met een zorgvraag maken voor ziekenhuisbezoek (gemiddeld één keer per maand) en andere bestemmingen gebruik van de regiotaxi en Valys in plaats van het reguliere openbaar vervoer.
De extra kosten per maand komen uit op € 10 voor de oudere en € 16 voor de alleenstaande met een verstandelijke beperking. Daarnaast veronderstellen we dat de personen met een zorgvraag geen gebruik maken van de fiets; de kosten daarvan zijn daarom uit de begroting gehaald. De vervoerskosten die uiteindelijk resteren zijn opgenomen onder de post ”vervoer”.
Een uitgebreidere zorgverzekering Voor de huishoudens met een zorgvraag rekenen we met een uitgebreider aanvullend pakket dan voor de huishoudens zonder zorgvraag. De extra premie bedraagt € 16. Voor de alleenstaande met een verstandelijke beperking rekenen we ook met een hogere premie voor de tandartsverzekering; dit scheelt € 13. De gemeente Eijsden-Margraten kent voor deze kosten geen tegemoetkoming anders dan de tegemoetkoming van € 100, die geldt voor alle inwoners met een laag inkomen die aanvullend verzekerd zijn. De extra premie is in de begrotingen opgeteld bij de post “zorgverzekering”. Uitgebreidere inboedelverzekering Door de motorische beperking van de oudere gaan er eerder dingen kapot. Daarom is er een uitgebreidere inboedelverzekering afgesloten. Dit kost € 2 per maand extra. Dit is opgenomen bij de post “overige verzekeringen”. Lidmaatschap patiëntenvereniging Beide huishoudens met een zorgvraag zijn lid van een patiëntenvereniging. Hiervoor rekenen we € 3 euro per maand. Hiervoor is geen bijzondere bijstand mogelijk. De kosten zijn opgenomen bij de post “contributies en abonnementen”. Begeleiding bij het sporten De kosten van een sportabonnement zijn opgenomen bij de post “sociale participatie”. Voor inwoners met een inkomen tot 110 procent van de geldende bijstandsnorm kan dit grotendeels vergoed worden vanuit Tegemoetkoming maatschappelijke participatie.
De alleenstaanden met een zorgvraag zullen echter ook een begeleider nodig hebben. We gaan uit van een bezoek aan het zwembad. De extra kosten van € 25 per maand zijn opgeteld bij de post “sociale participatie”. Kledingslijtage en extra waskosten De oudere met een zorgvraag maakt extra kosten in verband met kledingslijtage en extra waskosten. Voor de extra waskosten gaan we uit van twee keer per week extra wassen, wat neerkomt op € 6 per maand. De slijtage van kleding die daar het gevolg van is geeft extra kosten van € 31 per maand. Voor de extra waskosten en de extra kosten vanwege kledingslijtage is bijzondere bijstand mogelijk, waarbij we rekening houden met de draagkracht. Kosten die eventueel zelf nog betaald moeten worden zijn in de begrotingen opgenomen onder de posten “was- en schoonmaakartikelen” en “kleding”. Eigen bijdrage Wmo Beide huishoudens met een zorgvraag betalen de eigen bijdrage Wmo. Deze eigen bijdrage bedraagt € 21 per maand. Hiervoor is in de gemeente Eijsden-Margraten geen vergoeding mogelijk, tenzij zeer dringende redenen hiertoe noodzaken. In deze rapportage gaan we daar niet van uit. In de begrotingen wordt de eigen bijdrage verrekend met de uitgavenpost “eigen betalingen zorg”. Medicijnen Voor de eigen betalingen voor medicijnen van de oudere met een zorgvraag rekenen we € 22 per maand.
Ook voor deze kosten is alleen bijzondere bijstand mogelijk in geval van zeer dringende redenen. Omdat we hier niet van uitgaan, worden deze kosten in de begrotingen opgeteld bij de uitgavenpost “eigen betalingen zorg”.
Eigen betaling dieetadvies De alleenstaande met een verstandelijke beperking maakt extra kosten vanwege een dieetadvies. Dit kan vergoed worden vanuit de bijzondere bijstand. In de begrotingen is de verrekend met de post “eigen betalingen zorg”, waarbij rekening is gehouden met de draagkracht. Vakantie in een aangepaste recreatiewoning Omdat de oudere rolstoelgebonden is, zal daar bij de vakantiewoning rekening mee gehouden moeten worden. Dit leidt tot extra kosten, die neerkomen op € 7 per maand. Dit is verrekend met de post “sociale participatie”. Attentiekosten Naast bovengenoemde zorgkosten rekenen we nog € 8 per maand voor attentiekosten voor hulp van buren, vrienden, etc. Deze kosten zijn opgenomen onder de post “eigen betalingen zorg”.
4 Resultaten Dit hoofdstuk bevat de resultaten van de berekeningen naar het effect van landelijke en lokale inkomensondersteuning op de begroting van huishoudens. De begrotingen zijn gepresenteerd in bijlage 2, hierbij zijn de inkomsten afgezet tegen de uitgaven. Het resultaat van deze begroting (inkomsten minus uitgaven) geeft het beeld weer wat het huishouden overhoudt of te kort komt als alle uitgaven zijn gedaan. Deze resultaten zijn in onderstaande tabel gepresenteerd en kunnen positieve of negatieve waarden opleveren, het huishouden houdt geld over of komt geld te kort. Als het huishouden te maken heeft met een tekort op de maandbegroting dan is dit in rood weergegeven. Wanneer het huishouden minder overhoudt bij een hoger inkomen in vergelijking tot één of meerdere lagere inkomens (armoedeval), dan is dit zichtbaar gemaakt via een oranje kleur. Uit de tabel valt af te lezen dat er voor een alleenstaande met een bijstandsuitkering € 34 per maand resteert nadat alle uitgaven zijn gedaan. Hierbij is rekening gehouden met alle landelijke en lokale inkomensondersteunende maatregelen. Tabel 10: Overzicht saldo inkomsten min uitgaven per maand, exclusief IIT Huishoudtype
4.1
100
110
120
130
01. alleenstaande tot AOW-leeftijd
34
138
253
387
02. alleenstaande vanaf AOW-leeftijd
300
356
453
553
03. paar tot AOW-leeftijd zonder kinderen
47
188
317
400
04. paar vanaf AOW-leeftijd zonder kinderen
359
427
497
626
05. eenoudergezin met 2 jonge kinderen
489
593
624
724
06. eenoudergezin met 2 oudere kinderen
276
360
430
469
07. paar met 2 jonge kinderen
309
450
566
617
08. paar met 2 oudere kinderen
122
263
348
337
09. paar met 4 kinderen
387
528
602
557
10. alleenstaande tot AOW-leeftijd met een licht verstandelijke beperking
-41
62
165
298
11. alleenstaande vanaf AOW-leeftijd met een motorische beperking
101
157
216
316
Bestedingsruimte per huishoudtype
1. Alleenstaande In de gemeente Eijsden-Margraten heeft een alleenstaande met een inkomen op bijstandsniveau een positief saldo van € 34 nadat alle noodzakelijke uitgaven inclusief die aan sociale participatie zijn voldaan. Bij 110 procent van de norm resteert € 138. Dit loopt op naar € 387 op 130 procent. 2. Alleenstaande oudere Ook een alleenstaande oudere heeft, nadat alle uitgaven uit zowel het basispakket als het pakket voor sociale participatie zijn gedaan, geen tekorten op de maandbegroting. Met alleen een AOW-uitkering zonder aanvullend pensioen is er een bestedingsruimte van € 300 per maand. Dit loopt op naar € 553 bij 130 procent. Het maandelijkse AOW-bedrag is hoger dan de bijstand waardoor dit huishouden meer bestedingsruimte heeft.
3. Paar zonder kinderen Het paar zonder kinderen heeft op bijstandsniveau een positief saldo van € 47 per maand. Bij een inkomen van 110 procent is de bestedingsruimte € 188 per maand, wat oploopt naar € 400 op 130 procent. 4. Ouder paar Een ouder paar met alleen een AOW-uitkering zonder aanvullend pensioen heeft een bestedingsruimte van € 359 per maand. Dit loopt op naar € 626 op 130 procent. Ook hier valt het relatief grote verschil tussen een bijstandsuitkering en een AOW-uitkering op. 5. Eenoudergezin met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar) Het eenoudergezin met twee jonge kinderen heeft de meeste bestedingsruimte van de onderzochte huishoudtypen in dit onderzoek. Op bijstandsniveau houdt dit gezin € 489 vrij te besteden over. Dit loopt op naar € 724 op 130 procent. 6. Eenoudergezin met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar) Het eenoudergezin met twee oudere kinderen houdt op bijstandsniveau minder over dan het eenoudergezin met jonge kinderen: € 276. Dit bedrag loopt op tot € 469 op 130 procent van de norm. Dat de bestedingsruimte lager is dan bij het eenoudergezin met jongere kinderen komt doordat oudere kinderen hogere kosten met zich meebrengen aan onderwijs, voeding en vervoer.
De hogere uitgaven voor oudere kinderen worden enigszins gecompenseerd door iets hogere landelijke toeslagen (kinderbijslag en kindgebonden budget) en de hogere tegemoetkoming voor oudere kinderen vanuit Stichting Leergeld. 7. Paar met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar) Het paar met twee jonge kinderen heeft op bijstandsniveau een saldo van € 309 per maand. Dit loopt op naar € 617 op 130 procent. Het paar met jonge kinderen heeft meer bestedingsruimte dan het paar zonder kinderen. Dit komt doordat de landelijke toeslagen (kinderbijslag en het kindgebonden budget) plus de gemeentelijke ondersteuning de extra kosten van de twee jonge kinderen meer dan compenseren. 8. Paar met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar) Het paar met twee oudere kinderen heeft op bijstandsniveau een bestedingsruimte van € 122. Dit loopt op naar € 348 op 120 procent. Bij 130 procent vallen er tegemoetkomingen vanuit het minimabeleid weg en daalt de bestedingsruimte naar € 337. In de volgende paragraaf gaan we dieper in op de oorzaak achter de lagere bestedingsruimte op 130 procent ten opzichte van de ruimte op 120 procent. Dat het paar met oudere kinderen een lagere bestedingsruimte heeft dan het eenoudergezin heeft te maken met het feit dat een paar de kosten van twee volwassenen moet dragen, zoals de kosten van de zorgverzekering, kleding en voeding.
Deze kosten worden niet gecompenseerd door de hogere bijstandsnorm voor een paar, ten opzichte van de norm voor een alleenstaande (ouder). 9. Paar met vier kinderen (3, 5, 14 en 16 jaar) Het paar met vier kinderen heeft op bijstandsniveau € 387 bestedingsruimte en op 130 procent € 557. Ook bij dit huishouden zien we dat de bestedingsruimte op 130 procent lager is dan op 120 procent.
Wat opvalt is dat de bestedingsruimte bij dit huishouden hoger is dan bij het huishouden met twee oudere kinderen. De reden is dat de kinderbijslag, het kindgebondenbudget en de gemeentelijke ondersteuning voldoende zijn om de variabele kosten van kinderen op bijstandsniveau te kunnen dekken. We gaan bij dit gezin wel uit van dezelfde huur als bij huishoudens met twee kinderen, terwijl dat in de praktijk wellicht niet zo is. 10. Alleenstaande onder de AOW-leeftijd met een licht verstandelijke beperking De alleenstaande met een licht verstandelijke beperking kan op bijstandsniveau de begroting niet rond krijgen; er is een tekort van € 41. Op 110 procent van de norm is het saldo wel positief met € 62. Dit loopt op naar € 298 op 130 procent. Het tekort op bijstandsniveau wordt veroorzaakt door de meerkosten in verband met zorg; een alleenstaande onder de AOW-leeftijd zonder extra zorgkosten heeft een (klein) positief saldo van € 34. Ook op de andere inkomensniveaus is de bestedingsruimte lager dan voor de alleenstaande zonder zorgkosten. Op 100 en 110 procent is het verschil € 75, wat voornamelijk veroorzaakt wordt door een duurdere (en uitgebreidere) zorgverzekering, de eigen bijdrage Wmo en kosten voor een begeleider bij het sporten. Daar staat tegenover dat de zorgkosten die niet vergoed worden, kunnen worden afgetrokken van de belasting.
Dit scheelt op bijstandsniveau € 15 per maand. Op 120 en 130 procent is het verschil met de alleenstaande zonder zorgkosten nog iets groter omdat bepaalde kosten, in dit geval de kosten van het dieetadvies, vergoed kunnen worden vanuit de bijzondere bijstand. Boven 110 procent wordt draagkracht berekend en moeten de alleenstaande deze kosten zelf betalen. 11. Alleenstaande oudere met een motorische beperking Ook de alleenstaande oudere met een zorgvraag heeft een lagere bestedingsruimte dan de oudere zonder extra zorgkosten. Op bijstandsniveau en op 110 procent van de norm ligt de bestedingsruimte bijna € 200 lager. De belangrijkste meerkosten zijn een hogere huur, extra energiekosten, de eigen bijdrage Wmo en eigen betalingen aan medicijnen. Op 120 en 130 procent komen hier nog extra waskosten en kosten in verband met kledingslijtage bij. Op de lagere inkomensniveaus kunnen deze kosten vanuit de bijzondere bijstand vergoed worden. Ook de oudere met een zorgvraag kan een teruggave vanuit de belasting krijgen. Dit scheelt € 14/ € 13 per maand. Uiteindelijk blijft de bestedingsruimte van de oudere met een motorische beperking positief: met alleen een AOW-uitkering is het saldo van alle inkomsten en uitgaven € 101, dit loopt op naar € 316 op 130 procent.
4.2
Armoedeval
Voor elk huishoudtype zijn verschillende inkomensniveaus doorgerekend. Naast het minimuminkomen zijn inkomens op 110, 120 en 130 procent van het netto minimuminkomen gespecificeerd. Soms leidt een hoger inkomen tot een beperktere bestedingsmogelijkheid. Dit komt doordat landelijke en gemeentelijke inkomensondersteunende maatregelen, zoals huurtoeslag en kindregelingen, er niet op voorhand toe leiden dat een huishouden meer te besteden heeft bij een hoger inkomen. Een armoedeval kan ontstaan door een stijging van het salaris, bijvoorbeeld als iemand meer uren gaat werken. Deze armoedeval wordt ook wel doorstroomval genoemd. Een andere situatie ontstaat wanneer huishoudens vanuit een uitkering uitstromen naar
betaald werk. Deze armoedeval wordt ook wel de uitstroomval genoemd. Op dat moment nemen de kosten door werk toe en komen rechten op diverse inkomensondersteunende regelingen (gedeeltelijk) te vervallen. In de volgende figuur is in één oogopslag te zien welke huishoudtypen te maken hebben met een uit- of doorstroomval. Idealiter zie je over de hele linie een stijgende lijn. Dat betekent dat een hoger inkomen ook leidt tot een hoger besteedbaar inkomen. Figuur 1: Ontwikkeling saldo naar inkomensniveaus
Uitstroomval Een uitstroomval ontstaat als een huishouden op een bepaald inkomensniveau minder overhoudt dan op bijstandsniveau. In de gemeente Eijsden-Margraten doet zich dit bij geen van de onderzochte huishoudtypen voor.
Doorstroomval Van een doorstroomval is sprake als een huishouden op een bepaald inkomensniveau minder overhoudt dan op het voorliggende, lagere inkomensniveau. In de gemeente Eijsden-Margraten is bij het paar met twee oudere kinderen en bij het paar met vier kinderen een doorstroomval zichtbaar bij een overgang van een inkomen van 120 naar 130 procent van het minimum. Deze doorstroomval wordt veroorzaakt door het wegvallen van de tegemoetkomingen vanuit de Stichting Leergeld en het Jeugdfonds Sport & Cultuur. Bovendien krijgen paren te maken met een afbouw van landelijke toeslagen. De huurtoeslag neemt af vanaf 130 procent en de zorgtoeslag wordt bij 120 procent al lager. Voor alleenstaanden blijven de toeslagen op alle onderzochte inkomensniveaus gelijk. Omdat de voorzieningen vanuit Stichting Leergeld hoger zijn voor oudere kinderen dan voor jonge kinderen wordt bij het paar met jonge kinderen geen doorstroomval zichtbaar. De bestedingsruimte neemt echter niet evenredig toe met het netto inkomen.
4.3
Huishoudens met langdurig een laag inkomen
Huishoudens in de gemeente Eijsden-Margraten, die gedurende 36 maanden of langer een inkomen tot de geldende bijstandsnorm hebben gehad, komen in aanmerking voor de Individuele inkomenstoeslag (IIT). De hoogte van de toeslag varieert per huishoudtype. In tabel 11 staan de saldi van de inkomsten min de uitgaven uitgewerkt waarbij ook rekening is gehouden met de IIT. Tabel 11: Overzicht saldo inkomsten min uitgaven per maand, inclusief IIT Huishoudtype
100
110
120
130
01. alleenstaande tot AOW-leeftijd
79
138
253
387
02. alleenstaande vanaf AOW-leeftijd
300
356
453
553
03. paar tot AOW-leeftijd zonder kinderen
109
188
317
400
04. paar vanaf AOW-leeftijd zonder kinderen
359
427
497
626
05. eenoudergezin met 2 jonge kinderen
545
593
624
724
06. eenoudergezin met 2 oudere kinderen
332
360
430
469
07. paar met 2 jonge kinderen
371
450
566
617
08. paar met 2 oudere kinderen
184
263
348
337
09. paar met 4 kinderen
449
528
602
557
4
62
165
298
101
157
216
316
10. alleenstaande tot AOW-leeftijd met een licht verstandelijke beperking 11. alleenstaande vanaf AOW-leeftijd met een motorische beperking
De IIT heeft een positief effect op de bestedingsruimte van huishoudens met een inkomen op bijstandsniveau. De alleenstaande met een licht verstandelijke beperking heeft inclusief IIT niet meer met een maandelijks tekort te maken. De bestedingsruimte van € 4 is echter nog steeds heel laag. De IIT kan een extra armoedeval veroorzaken: een huishouden met recht op IIT kan een hogere bestedingsruimte hebben dan een huishouden op een hoger inkomensniveau, zonder recht op IIT. In de gemeente Eijsden-Margraten is dit bij geen van de onderzochte huishoudtypen het geval.
Overigens kan erover gediscussieerd worden in hoeverre er gesproken kan worden van een armoedeval wanneer het saldo inclusief IIT vergeleken wordt met een hoger inkomensniveau waar geen recht op de IIT bestaat. De IIT is immers bedoeld voor huishoudens die langdurig op het minimum leven en zeer weinig kans hebben om hun inkomen te verhogen.
5 Conclusies en aanbevelingen Dit hoofdstuk beschrijft, naar aanleiding van de resultaten in de vorige hoofdstukken, de conclusies. Daarnaast worden er verschillende adviezen gegeven voor de aanpassing van regelingen in het kader van minimabeleid van de gemeente Eijsden-Margraten.
5.1
Bestedingsruimte en armoedeval
Bestedingsruimte In de gemeente Eijsden-Margraten kunnen bijna alle onderzochte huishoudtypen de maandbegroting rond krijgen. Alleen de alleenstaande onder de AOW-leeftijd met extra zorgkosten komt op bijstandsniveau elke maand € 41 te kort. Los van de zorgkosten zien we in zijn algemeenheid dat de bestedingsruimte van huishoudens onder de AOW-leeftijd zonder kinderen erg laag is. Deze huishoudens profiteren het minst van de koopkrachtreparaties van de afgelopen jaren. De bestedingsruimte van de alleenstaande met alleen een bijstandsuitkering is € 34 per maand. Het paar zonder kinderen heeft iets meer bestedingsruimte met € 47. Dit maakt deze huishoudens zeer kwetsbaar; als deze huishoudens met hogere kosten te maken hebben dan waar we in dit onderzoek rekening mee hebben gehouden (bijvoorbeeld een hogere huur, een energie-onzuinige woning of kosten in verband met zorg) dan zal het positieve saldo al snel omslaan in een tekort. Paren met oudere kinderen hebben veel baat van de maatregelen van het Rijk, zoals de verhoging van het kindgebonden budget. Hierdoor hebben paren met twee oudere kinderen niet met tekorten op de maandbegroting te maken. De bestedingsruimte van € 122 op bijstandsniveau is echter nog steeds niet heel ruim.