[25.28723] 2025-12-02 Commissieavond: Beantwoording vragen van fracties - versie 02-12-2025
Tekst van het document
Commissieavond 2 december 2025: Technische vragen van fracties Fractie
Vraag Antwoord 4. Wijziging omgevingsplan woningbouw De Heydael (Akkerstraat-Meerstraat) Duizel
1.
ESA
Bij nieuwbouw komt er ook een spuitvrijezone te liggen. a) Is de mogelijkheid onderzocht welke mogelijkheden er zijn om een smallere zone te hanteren dan 50 meter (zie art. 11.3.2 v/d regels)? Zo niet, graag motivatie. b) In hoeverre is hier met grondeigenaar/gebruiker over gesproken en wat zijn de uitkomsten van dat gesprek? c) Welke afspraken zijn met de grondeigenaar/gebruiker gemaakt?
2.
ESA
Een archeologische onderzoek wordt aanbevolen door Archeologisch Adviesbureau De Tijd vanwege mogelijke aanwezigheid van archeologische resten in plangebied. Wordt dit ook uitgevoerd voor aanvang van de werkzaamheden?
3.
ESA
Waarom is een geluidsscherm/schermen stedenbouwkundig niet wenselijk?
a. Voor deze ontwikkeling is een onderzoek gedaan naar het gezondheidsrisico bij blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen (zie bijlage 5 bij de wijziging van het omgevingsplan). Hieruit kwam naar voren dat er geen kortere afstand van 50 meter aangehouden kan worden. b. en c. De initiatiefnemer heeft met de grondeigenaren overeenkomsten gesloten waarin de beperking voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen binnen de spuitzone is vastgelegd. Wij hebben inzage gehad in deze afspraken. Ja, dit archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd voor de start van de werkzaamheden. De dubbelbestemming Waarde Archeologie 4.2 is daarom ook nog opgenomen op de verbeelding van de wijziging van het omgevingsplan Heydael. Op deze manier is geborgd dat voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning het archeologisch onderzoek wordt gedaan. Pas als uit de uitkomsten van dit onderzoek blijkt dat wij het gebied vrij kunnen geven, zal de vergunning voor de bouw van de woningen worden verleend.
Door het plaatsen van een geluidscherm van ca. 2 meter lang kan een reductie van 1 dB(A) plaatsvinden op de geluidluwe gevel van de hierboven aangegeven hoekwoning. De 1 dB(A) te hoge geluidbelasting ten opzichte van de voorkeurswaarde komt door weerkaatsing van geluid op de daarboven gelegen 1 25.28723
Fractie
Vraag
4.
ESA
Is het zo dat een geluidscherm kan zorgen dat hiermee alle woningen aan de standaard norm voldoen of verbeterd een scherm ook het leefklimaat van de overige woningen welke nu al wel voldoen?
5.
ESA
Graag in kaart brengen (het is nu niet duidelijk) wat de verschillen zijn met het eerdere ontwerp wat behandeld is in de raadsvergadering van 10 december 2024 en het nieuwe ontwerp mbt de aanleg van extra groen tussen de woonwijk en de A67.
Antwoord vrijstaande woning. Dit scherm heeft geen invloed op geluidreductie op de gevels van andere woningen. Uit het advies van de akoestische adviseur, getoetst en akkoord bevonden door de omgevingsdienst, kunnen, gelet op de zeer geringe overschrijding van de voorkeursgrenswaarde, bouwkundige maatregelen worden getroffen. Gelet op de locatie waar het potentiële scherm moest komen, doet dit visueel afbreuk aan het plan. Aanvullend op het antwoord op de vorige vraag: Alle andere woningen hebben een geluidluwe gevel zodat wordt voldaan aan regels voor rijks- en gemeentewegen. De gevel van de woning voldoet uiteraard aan de vereiste geluidisolatie zodat aan het vereiste binnenniveau wordt voldaan. Het potentiële geluidscherm heeft enkel effect op één woning en zorgt niet voor een beter woon/leefklimaat voor alle woningen. E.e.a. is geborgd in de planregels.
Uit gebiedsvisie 2024
2 25.28723
Fractie
Vraag
Antwoord
Uit wijziging omgevingsplan (beeldkwaliteitsplan) 2025 5. Tweede bestuursrapportage 2025 De vragen en antwoorden staan in een afzonderlijk document. 6. Normenkader 2025
6.
Geen vragen 7. Vaststellen belastingverordeningen 2026
7.
Geen vragen 8. Kempisch Meerjarenbeleidskader Jeugd 2026 – 2029
8.
ESA
9.
P-GL
10.
P-GL
Heeft het overnemen van de adviezen van de adviesraad sociaal domein Eersel nog gevolgen voor de budgettering of is deze al toegepast bij het bedrag wat in de financiële paragraaf staat van het raadsvoorstel? Ook in de Kempen stijgt het gebruik van jeugdhulp, die trend is later ingezet dan landelijk. Stijgt het gebruik nu net zo hard mee als landelijk of blijft het relatief achter? Kunt u inzicht geven in het totale gebruikte budget voor jeugdhulp in de afgelopen 5 jaar?
Nee, dit heeft geen gevolgen voor de budgettering. Daar waar in de beantwoording gerefereerd wordt aan projecten binnen het uitvoeringsplan zijn de projectkosten hiervan meegenomen in het bedrag genoemd in de financiële paragraaf van het raadsvoorstel. De Kempen blijft relatief gezien achter maar we zien de instroom en kosten wel stijgen in de Kempen. Het niveau van gebruik ligt nog steeds lager dan landelijk, maar het verschil wordt kleiner doordat de stijging hier later is ingezet. Een overzicht van de totale programmakosten voor jeugdhulp van de afgelopen 5 jaar ziet u terug op pagina 34, figuur 5 van het Kempisch Meerjarenbeleidskader Jeugd 2026-2029.
3 25.28723
Fractie
Vraag
Antwoord Naast de programmakosten zijn er ook uitvoeringskosten gemaakt voor de jeugd(hulp). Deze uitvoeringskosten bestaan onder andere uit loonkosten, inhuur van externen, uitbesteed werk, organisatiekosten en overige personeelskosten. In de afgelopen jaren hebben zich hierin verschillende ontwikkelingen voorgedaan. Zo zijn bijvoorbeeld de inkoopkosten voor DVO aan de begroting toegevoegd en is er een forse inflatiecorrectie toegepast op prijzen en lonen. Daarnaast bevatten de gemeentelijke bijdragen voor jeugdhulp een toerekening van SSC- en stafkosten. Sinds 2023 worden hiervoor nieuwe verdeelsleutels gebruikt, wat heeft geleid tot verschuivingen in de kostentoerekening. Ook is in de afgelopen jaren de inzet van beleids- en kwaliteitsmedewerkers per team gewijzigd. Dit heeft eveneens invloed op de toerekening van de kosten. Door al deze veranderingen zijn cijfers uit het verleden niet één-op-één vergelijkbaar met de huidige gemeentelijke bijdragen. Helaas zijn er voor 2020 geen gegevens beschikbaar vanwege een wisseling van systeem.
Uitvoeringskosten Programmakosten Totale kosten
11.
P-GL
Wie zitten in de Stevige Lokale Teams? Wat is het verschil met de huidige Lokale OndersteuningsTeams?
12.
P-GL
Wat is er gedaan met de conclusies van het rapport groeipijn van de commissie v. Ark? Wat wordt er gedaan om te zorgen voor meer voldoende gekwalificeerde zorgprofessionals?
2021 2.367.252 2.909.016 5.276.268
2022 2.461.550 2.352.521 4.814.071
2023 2.856.760 3.233.864 6.090.624
2024 3.153.282 3.258.548 6.411.830
Het huidige lokale team bestaat uit jeugd- en gezinswerkers en een gedragswetenschapper. SLT’s zijn de doorontwikkelde, beter toegeruste en steviger bemenste versie van het huidige lokale team, met meer expertise (bijv. vanuit jongerenwerk of vanuit een specialistische aanbieder), meer mandaat en sterkere verbinding met onderwijs en specialistische zorg. In het MJBK wordt benoemd dat de oorzaken die het rapport schetst ook in de Kempen herkenbaar zijn en dat deze inzichten mede richting geven aan onze aanpak. Concreet is dit vertaald naar: Versterking van Stevige Lokale Teams, als kern van de transformatie. Meer focus op preventie en normaliseren, om instroom te beperken.
4 25.28723
Fractie
Vraag
Antwoord Meer samenwerken met scholen en sociale basis, zoals de commissie adviseert. Bewuste aandacht voor de maatschappelijke druk en complexere hulpvragen, die ook in het rapport worden benoemd. Het MJBK onderkent dat het tekort aan gekwalificeerde jeugdprofessionals een landelijke en regionale uitdaging is. De Kempengemeenten nemen daarom meerdere maatregelen die aansluiten bij de aanbevelingen uit de Hervormingsagenda en het rapport Groeipijn. Concreet zetten we in op: Versterking van de Stevige Lokale Teams (SLT’s): meer expertise en meer mandaat. Verminderen van werkdruk door minder versnippering, minder administratieve lasten en uniformere regionale werkwijzen. Meer samenwerking en consultatie met onderwijs, huisartsen en specialistische expertise, zodat professionals sterker staan in hun rol. Investeren in preventie en normaliseren, om de instroom in zwaardere zorg te beperken en professionals duurzaam inzetbaar te houden.
13.
P-GL
Hoe rijmt het ‘inzetten op preventie’ met het feit dat er één VE locatie voor de hele gemeente is en er in Knegsel helemaal geen peuterprogramma is?
14.
CDA
Raadsvoorstel onder punt 1.4: Wat wordt bedoeld met de zin… Hoewel we in de Kempen nog steeds achterblijven bij de landelijke trend….?
Daarnaast zet de regio zich in voor een toekomst gerichte arbeidsmarkt binnen zorg en welzijn middels Transvorm. Het MJBK benoemt dat preventie een brede opdracht is die verder gaat dan alleen vroeg- en voorschoolse educatie (VE). Specifiek voor VE is met één VE locatie voor de hele gemeente is op dit moment voldoende dekking ten aanzien van de vragen. Wanneer het aantal VE-indicaties in de kleine kernen zou groeien is dat reden om te overwegen een extra locatie te openen. Met deze zin wordt bedoeld dat de Kempen in vergelijking met het landelijk gemiddelde nog altijd minder jeugdigen heeft die gebruikmaken van jeugdhulp. In eerdere jaren lag het percentage jeugdhulpgebruik in de vier Kempengemeenten structureel onder het landelijk gemiddelde. Het MJBK geeft daarbij echter aan dat ook in de Kempen sinds 2024 een duidelijke stijging zichtbaar is in zowel het aantal jeugdigen dat jeugdhulp ontvangt als de kosten die daarmee gepaard gaan.
5 25.28723
15.
Fractie CDA
16.
CDA
17.
18.
CDA
CDA
Vraag Geen Oirschot meer bij dit beleid, wat zijn daarbij de extra kosten voor de gemeente Eersel geworden, nu zij niet meebetalen? Stevige Lokale Teams (SLT): hoe ziet er dat praktisch gezien uit voor de gemeente Eersel. Uit hoeveel mensen bestaat nu het team en wie zitten in dat team?
Welke vormen van begeleiding/opvang en locaties zijn er in Eersel, en hoe is dat in vergelijking met onze omliggende gemeenten?
Welke aandacht heeft veiligheid in Eersel? Ook in vergelijking met de andere gemeenten?
Antwoord Er zijn geen extra kosten. De gemeente Oirschot heeft altijd een eigen beleidsdocument op het Jeugd(hulp) domein gehad. Dit is geen verandering. SLT’s zijn doorontwikkelde, beter toegeruste en steviger bemenste versie van het huidige lokale team, met meer expertise (bijv. vanuit jongerenwerk of vanuit een specialistische aanbieder), meer mandaat en sterkere verbinding met onderwijs en specialistische zorg. Het huidige lokale team bestaat uit jeugd- en gezinswerkers en een gedragswetenschapper. Het CJG+ werkt op dit moment met drie teams. Team Toegang, Het Lokaal ondersteuningsteam (LOT) en het Kempenteam Jeugd. (KTJ) Team LOT is verdeeld over twee teams. Een team werkt voor gemeente Eersel en Bergeijk. Dit team bestaat uit ongeveer 10 medewerker. Team Toegang werkt Kempisch en bestaat uit ongeveer 13 medewerkers. Het Kempenteam Jeugd werkt ook Kempisch en bestaat uit ongeveer 15 medewerkers. CJG+ de Kempen biedt lichte ondersteuning bij opgroeien en opvoeden (Lokaal ondersteuningsteam). Wanneer er sprake is van complexere casussen, risico’s of onveiligheid wordt het Kempenteam Jeugdhulp ingezet. Dit zijn beide ambulante vormen van Jeugdhulp. Via het CJG+ wordt doorverwezen naar (zwaardere of specifieke) specialistische jeugdhulp als dat nodig is. Specialistische jeugdhulp wordt in de regio gezamenlijke ingekocht vanuit de samenwerking Samen voor Jeugd.
Specifiek in de gemeente Eersel zijn oa de volgende zorgvormen gevestigd: - Psychologenpraktijken - Gezinshuis - Ambulante begeleiding - 24 uurs zorg en logeeropvang voor kinderen met een verstandelijke beperking Wanneer er binnen jeugd sprake is van complexere casussen, risico’s of onveiligheid wordt het Kempenteam Jeugdhulp ingezet. CJG+ werkt samen met ketenpartners zoals Veilig Thuis en gecertificeerde instellingen als het gaat om veiligheid. Bij acute crisissituaties is er een Crisis Interventie Team (CIT) bereikbaar voor jeugdzaken. Deze zijn ook buiten kantoortijden en in de
6 25.28723
Fractie
Vraag
19.
CDA
Welke ondersteuning is er nu voor de jeugd tussen 15-18 aanwezig binnen de gemeente, zoiets als een jeugdhonk en andere vormen van sociale samenkomst plekken?
20.
CDA
Wordt er nu een Kempenbreed loket ingericht? We nemen de suggestie mee…. Is namelijk vrij vaag, en geen toezegging?
Antwoord weekenden bereikbaar. CJG+ verwijst naar dit team op de website en informeert de inwoners hier actief over. Dit is voor de gemeente Eersel hetzelfde georganiseerd als voor de andere Kempengemeenten. In de basis zijn er jongerenwerkers aanwezig binnen de gemeente welke er ook zijn voor jongeren tussen de 15 en 18 jaar. De gemeente Eersel maakt gebruik van de mobile-spot als verplaatsbaar jongerenhonk waar jongeren gebruik van kunnen maken met een professioneel jongerenwerker als beschermende factor. Vanaf begin dit jaar is hier locatie de Kraanvogel in Eersel bijgekomen als vaste jongerenplek/ jeugdhonk. Jongeren kunnen hier samenkomen met de jongerenwerker en in afstemming met jongeren worden er voor en door jongeren activiteiten georganiseerd. De vorm van preventieve inzet is onderdeel van het MJBK en wordt uitgevoerd binnen programma Kempenbranie. Vanuit de Adviesraad Sociaal Domein is deze suggestie gedaan. Er moet eerst een verdere uitwerking/ advies plaatsvinden over hoe het stevige lokale team met toegangsfunctie er precies uit gaat zien in de Kempen. De komende beleidsperiode heeft dit een prominente plaats binnen het uitvoeringsplan.
9. Verordening leerlingenvervoer gemeente Eersel 2026 21.
ESA
Heeft het college inzicht in hoeveel aanvragen worden afgewezen en wat de meest voorkomende redenen zijn?
22.
ESA
Hoe wordt beoordeelt wanneer begeleiding door ouders redelijkerwijs wél of niet verwacht mag worden?
23.
ESA
De verordening vermeld dat het college mogelijkheden heeft om opstapplaatsen aan te wijzen. a) Is dat een wijziging ten opzichte van de huidige verordening? b) Zo ja, welke criteria gebruikt het college bij het aanwijzen van opstapplaatsen en hoe worden ouders hierover geïnformeerd?
Een afwijzing van een aanvraag is een uitzondering en het betreft een enkel geval per schooljaar. Een aanvraag kan bijv. worden afgewezen omdat de leerling (voortgezet (speciaal) onderwijs) in staat is om zelfstandig naar school te reizen met fiets of OV en er daarom geen aanspraak gemaakt kan worden op het leerlingenvervoer. Hiervoor worden beleidsregels opgesteld, zodat aanvragen voor leerlingenvervoer op een eenduidige manier beoordeeld worden. Deze beleidsregels worden ter vaststelling aangeboden aan het college zodra de nieuwe verordening is vastgesteld. a) nee
7 25.28723
24.
Fractie ESA
Vraag Rechtmatigheid: Hoe wordt voorkomen dat kwetsbare leerlingen de dupe worden van onduidelijkheid, administratieve fouten of veranderende omstandigheden?
25.
ESA
26.
P-GL
27.
P-GL
28.
P-GL
29.
P-GL
30.
P-GL
31.
P-GL
32.
P-GL
Zijn er trends zichtbaar (zoals stijging van aantal aanvragen of kosten) en welke beleidsmatige keuzes overweegt het college voor de komende jaren? Gaan deze nieuwe regels in per 1 januari of het nieuwe schooljaar? Zijn ouders vooraf betrokken bij de totstandkoming van deze verordening? Wordt de tevredenheid over het huidige vervoer getoetst? Wat zijn de uitkomsten? Hoeveel meer tijd gaat het besluitvormingsproces van een aanvraag kosten? Is drie maanden voldoende om alle aanvragen voor het nieuwe schooljaar te kunnen beoordelen en evt. onderzoeken? Hoe rijmt art. 3 waarin wordt beoordeeld op basis van de dichtstbijzijnde toegankelijke school met de wettelijke vrijheid van onderwijs en schoolkeuze? Art. 7 en 25.1.g Wanneer gedrag van een leerling belemmerend of onveilig is, is er dan geen verantwoordelijkheid van de gemeente om alternatief (individueel) vervoer te organiseren? Art. 8.1 Wat is een gehandicapte leerling?
33.
CDA
In de reactie op het ASD Advies: Bij het laatste advies over het instellen van de klankbordgroep. Het lijkt nu alsof er voor niets aanwezig was over het informeren naar ouders/mentors? Wat waren de middelen die voorheen gebruikt werden om veranderingen in de regeling te communiceren naar de ouders/mentors?
Antwoord De nieuwe verordening is gebaseerd op de modelverordening en daarin zijn onduidelijkheden uit de vorige verordening aangepakt. Daarnaast kan er, met gebruikmaking van art. 27 (hardheidsclausule), in bijzondere gevallen door het college ten gunste van ouders gemotiveerd afgeweken worden van de bepalingen in de verordening. Het aantal leerlingen is de afgelopen jaren ongeveer gelijk gebleven. De nieuwe verordening met bijbehorende toelichting beschrijft het beleid voor de komende jaren. De nieuwe regeling gaat na vaststelling door uw raad in per 1-1-2026 Alleen de ASD is betrokken bij de totstandkoming van deze verordening. In de afgelopen periode is de oudertevredenheid niet getoetst. Dit wordt door middel van de Klankbordgroep bij de nieuwe verordening opgepakt. Door bij de aanvraagprocedure al de juiste vragen te stellen, kost de besluitvorming per aanvraag niet veel meer tijd dan de huidige aanvraagprocedure. De inschatting is dat alle aanvragen op tijd beoordeeld kunnen worden. Ouders zijn vrij in de schoolkeuze voor hun kind. Indien zij voor een school kiezen die niet dichtstbijzijnd en toegankelijk is, worden alleen de kosten vergoed voor of tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school en zijn de meerkosten voor de ouders. Het college bepaalt eerst het recht op een vervoersvoorziening, waarna onderzocht wordt welke voorziening wordt verstrekt.
Dit kan ook een fietsvergoeding, een OV vergoeding of een vergoeding voor eigen vervoer zijn. In de lijst met definities is het volgende opgenomen: gehandicapte leerling: een leerling die door een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet, of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken. Er is in het verleden gebruik gemaakt van brieven en ouderavonden om over veranderingen in het leerlingenvervoer te communiceren. Dat gaat, indien de Verordening 2026 wordt vastgesteld, nu ook weer gebeuren (brieven worden nu digitaal verstuurd). De Klankbordgroep staat hier los van. Deze is bedoeld om laagdrempelig met ouders in gesprek te blijven over het leerlingenvervoer.
8 25.28723
A.
Fractie VVD
Vraag Wat bepaald of de ouder zelf in staat is om het kind weg te brengen met OV/fiets/auto?
B.
VVD
Zijn (of kunnen) er uitzonderingen (gemaakt worden) voor niet-gehandicapte leerlingen die wél binnen 6km van een school wonen, maar toch een vervoersverzoek aanvragen?
Antwoord Dit wordt onderzocht bij de aanvraag (ouders vullen hierover een aantal vragen in) en daarna kan nog een gesprek volgen om de mogelijkheden van ouders te onderzoeken. Nee, dan valt de aanvraag buiten het leerlingenvervoer.
In ernstige pestgevallen waar de ouder écht niet in staat is om te vervoeren bijvoorbeeld? 10. Voorstellen Beleidsbeheerplan wegen 2025 – 2030 34.
ESA
Wat is de verwachting t.a.v. dat het klein onderhoud binnen de vermelde budgetten kan worden gerealiseerd?
35.
ESA
Vanuit vermelde in bijlage bij raadsvoorstel wordt aangegeven dat de komende jaren diverse wegen aan het einde van de levensduur zullen komen (p. 20). Op p. 6 en p. 34 wordt aangegeven dat voor de periode na 2030 rekening gehouden dient te worden met een mogelijke toename van de kapitaalsbehoefte (zoals bij groot onderhoud) o.b.v. de cyclusbedragen. Ook worden na 2030 worden hogere onderhoudskosten verwacht dan de jaarlijkse storting in de voorziening (met verdere uitputting na 2023). a) Wat betekent het dat diverse wegen aan het einde van de levensduur zullen komen voor het MIP en in hoeverre biedt het MIP daar al inzicht in? b) Aan welk bedrag van toename kapitaallasten moet dan worden gedacht? c) Hoeveel meer is dat dan t.o.v. van € 493.000 die nu als gemiddelde kapitaalsbehoefte is voorzien voor 20262030? d) Hoe wordt bewaakt dat verdere uitputting van de onderhoudsvoorziening wegen wordt voorkomen?
Met het risicogestuurd beleid is het aannemelijk dat het klein onderhoud zal toenemen. Hiervoor is een lichte stijging van het budget in het wegenbeleidsplan opgenomen (2026-2030). Naar verwachting zal dit voldoende budget zijn om het klein onderhoud te kunnen herstellen. a.) In de MIP zijn voor de komende 4 jaar de wegen opgenomen voor rehabilitatie (einde technische levensduur). b.) De kapitaallasten voor rehabilitaties zal naar verwachting ook na 2030 blijven stijgen. Bij een gemiddelde investering van €2.500.000 zal de kapitaallasten met ca. €90.000 stijgen. c.) Het bedrag van €493.000 betreft de gemiddelde jaarlijkse kapitaalbehoefte (investering) voor de deklaagvervanging (toplagen). Er kan geen vergelijking gemaakt worden tussen de kapitaallasten (zie b.) van de rehabilitaties en de kapitaalbehoefte van de toplagen. d.) Om de twee jaar wordt een weginspectie gehouden om de kwaliteit van het wegareaal te beoordelen. Op basis van deze resultaten wordt beoordeeld of de budgetten nog toereikend zijn om het gewenste kwaliteit te behalen. In dit wegenbeleidsplan is gekeken naar de komende 4 jaar. Hieruit blijkt dat er voldoende saldo in de voorziening is opgenomen. Jaarlijks monitoren we de stand van de voorziening en stellen bij indien nodig. e.) Zie antwoord D. f.) Dit is naar verwachting niet nodig.
Wanneer een bijstelling nodig is zal dit in de P&C cyclus worden verwerkt en aan de gemeenteraad tijdig worden voorgelegd.
9 25.28723
36.
Fractie
Vraag Antwoord e) Wat is nodig om deze onderhoudsvoorziening op peil te houden? f) In vervolg op vraag e heeft u van de Raad hiervoor iets nodig om dit eventuele probleem te verhelpen? 11. Wensen en bedenkingen inrichting Fondsmanagement MRE
ESA
Ter versnelling van realisatie van genoemde aantallen (studenten)woning wordt dit fondsenbeheer structuur opgezet. a) Als deze aantallen zijn gerealiseerd, wat is of wordt dan de status van deze structuur / dit fonds? b) Blijft fonds na realisatie van genoemde aantallen bestaan en zo ja met welk doel? c) De genoemde woonaantallen is een deel van de totale opgaaf. Gaat de MRE meer van deze fondsen opzetten? d) Op welke wijze blijft het transparant voor deelnemers aan de MRE welke gelden in welk fonds zitten? e) Welke bedreigingen of kanttekeningen t.a.v. de inrichting van een fondsmanagement zijn er voor de deelnemende gemeenten binnen het MRE-verband (anders dan reeds genoemde in bijlage 2 in paragraaf 4)? f) Hoe worden deze mogelijke bedreigen en kanttekeningen gemitigeerd, ondervangen en inzichtelijk gemaakt voor deelnemende gemeenten? g) In het bestuurder van de bestuursstichting worden 4 bestuurders vanuit de MRE benoemd en één bestuurder door ASML. 1. Op basis van welke criteria is vastgesteld dat ASML het exclusieve benoemrecht krijgt voor één van de bestuurders van de stichting? 2. Welke inhoudelijke of procedurele argumenten ondersteunen dat het benoemrecht niet door een andere onderneming of een collectief van ondernemingen wordt uitgeoefend?
a) Als de aantallen zijn bereikt kan het Woonfonds worden opgeheven. Er zijn geen andere doelen geformuleerd en er is geen uitzicht op nieuwe middelen. Onder de bovenliggende structuur (Fondsenbeheer BV) kunnen nog andere fondsen hangen of in de toekomst worden toegevoegd, dus deze blijft bestaan. b) Na realisatie van de aantallen kan het Woonfonds worden opgeheven. Er is op dit moment geen uitzicht op verstrekking van nieuwe middelen waardoor het Woonfonds voortgezet kan worden. c) Daar is op dit moment geen sprake van, maar wordt niet uitgesloten mochten er in de toekomst middelen beschikbaar komen en op vergelijkbare manier moeten worden ingezet. d) Inzage in de gelden in het fonds loopt via de standaard rapportagelijn. Fondsbeheer rapporteert via de jaarrekening aan het AB MRE. In de stukken van Fondsenbeheer BV worden ook de jaarstukken opgenomen van alle fondsen die er op dat moment onder hangen. e) Er worden geen andere bedreigingen of kanttekeningen gezien dan de al benoemde. Deze structuur is juist bedoeld om risico’s te beperken/vermijden. f) Deze structuur is juist bedoeld om risico’s te mitigeren. Doordat er sprake is van een apart fonds staat dit los van de structuur van de MRE en werken de risico’s niet door in de MRE en de onderliggende gemeenten. g) 1) ASML is de enige financierder van private kant. In het Woonfonds komen alleen middelen vanuit ASML.
2) Een collectief van ondernemingen is niet logisch wanneer het alleen om een investering van ASML gaat. 3) Als alternatieve route is Brainport Development onderzocht. Hier is niet voor gekozen omdat via Brainport Development de kans bestaat dat vermenging ontstaat, omdat Brainport Development breder is dan alleen woningbouwversnelling. Daarnaast is het Woonfonds een meer directe en transparante route voor het ophalen van gelden bij ASML.
10 25.28723
Fractie
A.
VVD
B.
VVD
C.
VVD
D.
VVD
E.
P-GL
Vraag 3. Zijn alternatieven onderzocht waarbij het benoemrecht wordt belegd bij een collectief van ondernemingen, een ondernemersplatform of brancheorganisatie binnen de MRE? - Zo ja, welke opties zijn overwogen, en waarom zijn deze uiteindelijk niet gekozen? - Zo niet, waarom is dit niet onderzocht en ziet het college aanleiding dit alsnog in kaart te brengen? 4. Hoe wordt geborgd dat de benoemstructuur leidt tot een evenwichtige vertegenwoordiging van de belangen van het gehele regionale bedrijfsleven, en niet slechts van één onderneming? Waarom staat er in de bijlage 5 van de brief dat ASML de partner is, maar blijkt dit niet uit de brief van de Raad aan de gemeente Eersel die slechts spreekt van een bedrijf en een private partner? Op welke manier is er gekozen voor BDO als fiscaal adviseur en AKD als juridisch adviseur en waarom is de keuze gevallen op deze adviseurs? Waarom is er in de akte van oprichting van Fondsbeheer B.V.
gekozen als doel van de vennootschap voor de ruime omschrijving ‘het verkrijgen, vervreemden, beheren en exploiteren van roerende en onroerende zaken en andere goederen, daaronder begrepen patenten, merkrechten, licenties, vergunningen en andere industriële eigendomsrechten’? Waarom is er in de oprichtingsakte niet gekozen voor een change of control clause waar de MRE gebruik van kan maken als ASML wordt overgenomen door een grote buitenlandse partij die misschien niet het beste voor heeft met onze regio? Voorgesteld wordt om 1 bestuurszetel toe te wijzen aan ASML met het doel inzicht te geven. Wat is de afweging en onderbouwing om een specifiek bedrijf inzicht te geven? Waarin wordt inzicht gegeven?
Antwoord 4) dit is tweeledig: enerzijds betreft het enkel ASML geld dus het regionale bedrijfsleven heeft hier minder mee van doen. Anderzijds worden besluiten over het Woonfonds altijd genomen met een meerderheid, en statutenwijzigingen zelfs met 2/3 meerderheid. ASML heeft daarom nooit een doorslaggevende stem in de besluiten, waarmee ook vertegenwoordiging van de regio in het Woonfonds geborgd is via de MRE leden.
Op het moment van opstellen van de bijlage kon de naam van ASML nog niet gedeeld worden.
BDO is gekozen als fiscaal adviseur naar aanleiding van een meervoudig onderhandse aanbesteding. AKD is als juridisch adviseur aangetrokken vanwege hun specifieke expertise op dit vlak. De reden van de ruime omschrijving is dat de MRE op voorhand niet al allerlei zaken wilde uitsluiten.
Volgens de MRE zou deze clausule geen toegevoegde waarde hebben. Indien de buitenlandse partij niet langer wil investeren komen er geen middelen meer in de BV, waarna deze opgeheven zal worden.
Het Woonfonds gaat over de middelen die vanuit ASML in het Woonfonds komen. Het bestuur (waarin ASML met 1 zetel zitting krijgt) krijgt inzicht in hetgeen er in de BV gebeurt, vanuit de verantwoordelijkheid voor het dagelijks bestuur van het fonds. Er is hiernaast gekeken naar werken met een raad van
11 25.28723
Fractie
Vraag Welke andere weg is onderzocht om inzicht te geven aan belanghebbenden en betrokkenen?
Antwoord commissarissen maar dit werd niet passend geacht bij de beperkte omvang van het Woonfonds.
12 25.28723