[25.09075] Uitgangspuntennotitie Warmteprogramma
Tekst van het document
*25.09075*
Raadsinformatiebrief Onderwerp:
Uitgangspuntennotitie Warmteprogramma
Van:
College van burgemeester en wethouders
Portefeuillehouder:
S.J. Kraaijeveld
Datum:
13 mei 2025
Zaaknummer:
Z24001163
Met deze raadsinformatiebrief informeert het college uw raad over de uitgangspuntennotitie van het Warmteprogramma die op 6 mei door het college is vastgesteld. De uitgangspuntennotitie bevat de kaders voor het Warmteprogramma dat de komende maanden verder wordt uitgewerkt. Met deze raadsinformatiebrief informeert het college uw raad over de ambitie, randvoorwaarden en uitgangspunten die met deze notitie zijn vastgesteld. Aanleiding Elke gemeente in Nederland moet eind 2026 beschikken over een vastgesteld Warmteprogramma. Het Warmteprogramma herijkt de bestaande Transitievisie Warmte en beschrijft de route naar een aardgasvrij Eersel in 2050. Het Warmteprogramma wordt naast een herijking ook een verdieping op de Transitievisie Warmte, waarbij onderwerpen als energiearmoede, netcongestie en soortenbescherming uitgebreider aan bod komen. Met deze uitgangspuntennotitie bepaalt het college de kaders voor de verdere uitwerking van het Warmteprogramma. Met deze uitgangspunten worden er keuzes gemaakt van procedurele en inhoudelijke aard om uiteindelijk te komen tot een vastgesteld Warmteprogramma dat gebouweigenaren de nodige ondersteuning biedt om te gaan verduurzamen en een bijdrage levert aan de verduurzamingsopgave waar we als gemeente Eersel de komende jaren voor aan de lat staan.
Ambitie In de uitgangspuntennotitie wordt een methode beschreven hoe we tot een SMART-geformuleerde ambitie willen komen. Hierbij sluiten we aan bij de landelijke doelstelling om in 2030 2,5 miljoen woningen verregaand te verduurzamen.1 Dit komt voor de gemeente Eersel uit op 2759 woningen. Vervolgens kunnen we er de aardgasvrije woningen met een bouwjaar van 2018 of eerder en energielabels A vanaf worden getrokken. Dit leidt tot een resterende opgave van 599 tot 1410 woningen waar voor 2030 nog één of meer verduurzamingsmaatregelen moeten worden genomen.2 Het college heeft er nu mee ingestemd om deze methode te gebruiken om de komende maanden tot een ambitieuze maar realistische ambitie te komen. Randvoorwaarden en uitgangspunten In de uitgangspuntennotitie onderscheiden we randvoorwaarden van uitgangspunten. Uitgangspunten zien we als vertrekpunt van het beleidsproces, waarna nieuwe inzichten of input van belanghebbenden hier een ander licht op kunnen werpen. Randvoorwaarden zijn hardere 1 Een woning is verregaand verduurzaamd als de verschillende gebouwdelen van de woning (vloer,
dak, spouwmuur en ramen) voldoende zijn geïsoleerd om de stap te maken naar een aardgasvrije oplossing. 2 Hier is nog sprake van een redelijk grote marge. Dit komt doordat niet elke woning een vastgesteld energielabel heeft. Daarom is voor die woningen uitgegaan van een berekend energielabel, maar dit blijkt niet altijd helemaal te kloppen. Dit wordt de komende maanden uitgewerkt 25.09075
kaders en dit moet in elk scenario in orde zijn. Binnen het Warmteprogramma voorzien wij drie randvoorwaarden die nodig zijn om woningeigenaren mee te krijgen en de kosten van de transitie beheersbaar te houden voor de maatschappij als geheel: A. Nationale kosten: De totale directe, financiële kosten van de maatregelen die nodig zijn om een aantal woningen een transitie te laten doormaken naar een duurzame warmtevoorziening, afgezet tegen de kosten van de huidige warmtevoorziening. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om alle investeringskosten, maar niet om subsidies en BTW. B. Eindgebruikerskosten: De kosten die een gebruiker op jaarbasis maakt bij verduurzaming van de warmtevoorziening van een woning ten opzichte van de startsituatie, minus de jaarlijkse baten die hier tegenover staan. C. Toekomstbestendigheid: In het geval van een warmtenet is de warmtebron voor de langere termijn beschikbaar, waardoor gebouweigenaren de zekerheid hebben dat ze ook in de toekomst met die warmtebron over warmte kunnen blijven beschikken. Tevens zijn er acht uitgangspunten opgesteld. Met deze raadsinformatiebrief informeert het college u op hoofdlijnen over de uitgangspunten. In de bijlage vindt u de verdere onderbouwing van deze uitgangspunten, met daarbij ook de kanttekeningen en alternatieven. 1. In het Warmteprogramma maken we nog geen gebruik van de aanwijsbevoegdheid.
De aanwijsbevoegdheid is een wettelijke bevoegdheid van gemeenten waarmee zij gebieden kunnen aanwijzen die binnen een bepaalde periode aardgasvrij moeten worden. Dit uitgangspunt houdt dus in dat er in dit Warmteprogramma nog geen gebruik wordt gemaakt van deze wettelijke bevoegdheid. 2. In het Warmteprogramma kijken we voor de alternatieve warmtevoorziening naar collectieve oplossingen waar mogelijk en individuele oplossingen waar nodig. Om het elektriciteitsnet te ontlasten, willen we voor het Warmteprogramma niet automatisch naar de elektrische warmtepomp gaan kijken. Om de negatieve impact van de warmtetransitie op de congestie van het elektriciteitsnet zo klein mogelijk te houden, onderzoeken we de mogelijkheid van collectieve oplossingen (warmtenet). Als dit niet haalbaar blijkt, wordt de elektrische warmtepomp het voorkeursalternatief. 3. In het Warmteprogramma maken we gebruik van de gebiedsgerichte aanpak. Tot nu toe hebben we binnen de gemeente Eersel vooral ingezet op maatregelen die voor de hele gemeente gelden. Denk daarbij aan de aanpak energiearmoede, gemeentelijke subsidies en energiecoaches. Door in het nieuwe Warmteprogramma de gebiedsgerichte aanpak toe te passen, hopen we meer gebouweigenaren in de actiestand te krijgen en te ontzorgen bij het zetten van nieuwe verduurzamingsstappen. 4.
In het Warmteprogramma focussen we op de ‘natuurlijke momenten’ om de volgende stap in het verduurzamingsproces te zetten. Bij logische momenten wordt er verwezen naar bijvoorbeeld verhuizingen en verbouwingen. Dit zijn logische momenten voor gebouweigenaren om stappen te zetten op het gebied van verduurzaming. Door bij verschillende acties en binnen de communicatie specifiek in te zetten op deze momenten, verwachten we dat inwoners en eigenaren eerder geneigd zijn om verduurzamingsstappen te zetten. 5. In het Warmteprogramma zien we klimaatneutrale gassen niet als reëel en haalbaar alternatief. Op basis van nationale analyses blijkt dat er een grote potentie is voor klimaatneutrale gassen als voorkeursalternatief voor aardgas. Klimaatneutrale gas is een verzamelnaam voor groene gassen (bijvoorbeeld uit vergisting) en groene waterstof. De beschikbaarheid van deze klimaatneutrale gassen blijft achter bij de eerdere doelstellingen. Daarnaast is het de verwachting dat andere sectoren prioriteit krijgen bij de toedeling van groene waterstof. Daarom is als uitgangspunt opgenomen om klimaatneutrale gassen in dit
2 25.09075
Warmteprogramma nog niet mee te nemen als reëel en haalbaar alternatief. 6. In het Warmteprogramma houden we ook rekening met circulariteit. De verduurzaming van de woningen en andere gebouwen heeft tot doel om energiekosten te besparen en CO2-uitstoot terug te brengen. In een poging zoveel mogelijk woningen te verduurzamen, wordt er nu bij het isoleren voor opties gekozen die in de bouwsector voor meer CO2-uitstoot zorgen. We willen onderzoeken of we hiervoor in het Warmteprogramma ook maatregelen kunnen opnemen, zodat de CO2-uitstoot niet wordt verplaatst, maar zoveel als mogelijk wordt teruggedrongen. Dit uitgangspunt biedt mogelijk op lokaal niveau kansen voor economische ontwikkeling, bijvoorbeeld voor agrariërs bij de productie van biobased-isolatiematerialen. 7. In het Warmteprogramma leggen we de focus op het stedelijk gebied. Het college heeft het uitgangspunt vastgesteld om in het eerste Warmteprogramma de focus te leggen op het stedelijk gebied. Hier kan de meeste impact worden gemaakt (het betreft ongeveer 88% van de woningen in de gemeente) en in het buitengebied verwachten we enkele complicerende factoren voor het verduurzamingsproces. 8. Voor de participatie voor het Warmteprogramma maken we gebruik van de consultieve participatiestijl. Het Warmteprogramma is bovenal een technische exercitie op een hoog abstractieniveau.
Het college vraagt zich af of dit de juiste plek is om in te zetten op een hoog participatieniveau. Op een later moment worden er op gebiedsniveau nog uitvoeringsplannen opgesteld. Dat is het moment dat het voorkeursalternatief uit het Warmteprogramma wordt getoetst en dat er input wordt verzameld vanuit inwoners en andere belanghebbenden om de plannen verder te verbeteren. Daarom wordt ervoor gekozen om voor het Warmteprogramma de consultieve participatiestijl te hanteren.3 Vervolg Met het vaststellen van de uitgangspuntennotitie is er een belangrijke stap gezet richting het Warmteprogramma. Het beleidsproces om te komen tot een Warmteprogramma bestaat uit vijf stappen die in de figuur hiernaast staan opgenomen. Met het vaststellen van de uitgangspuntennotitie is stap 2 afgerond. Op dinsdag 20 mei is er een raadswerkbijeenkomst waar de raads- en commissieleden om input wordt gevraagd. De komende tijd wordt het Warmteprogramma verder uitgewerkt. Dit gebeurt mede op basis van deze uitgangspuntennotitie. Daarbij wordt er een afwegingskader gemaakt om voor de verschillende kernen en buurten tot een voorkeursalternatief te komen. Ook wordt in het Warmteprogramma aandacht besteed aan onderwerpen als energiearmoede, netcongestie en soortenbescherming. Vervolgens wordt een ontwerpWarmteprogramma ter inzage gelegd en voor wensen en bedenkingen aan uw raad aangeboden.
3 De consultieve participatiestijl wordt in de burgerparticipatienota (2015) omschreven als:
College/raad stelt in hoge mate zelf de agenda samen, maar zien actoren als gesprekspartners bij de ontwikkeling van beleid. De politiek verbindt zich echter niet aan de resultaten die uit de gesprekken voortkomen. De gemeente raadpleegt participanten. 3 25.09075