[23.22032] - Erfgoedverordening gemeente Eersel 2024
Tekst van het document
Erfgoedverordening gemeente Eersel 2024 De raad van de gemeente Eersel; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 14 november 2023; gelet op de artikel 3.16 van de Erfgoedwet en artikel 38 van de Monumentenwet 1988; besluit vast te stellen de volgende verordening: ‘Erfgoedverordening gemeente Eersel 2024’
Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1. Definities In deze verordening en de daarop berustende voorschriften wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder: Archeologisch monument: terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen. Archeologische vondst: overblijfsel, voorwerp of ander spoor van menselijke aanwezigheid in het verleden afkomstig van een archeologisch monument. Beschermd cultuurgoed: cultuurgoed dat: a.
als zodanig is aangewezen op grond van artikel 3.7, eerste lid van de Erfgoedwet;
b.
voorkomt in een opsomming als bedoeld in artikel 3.7, derde lid van de Erfgoedwet; of
c.
in geval van de aanwijzing van een beschermde verzameling op grond van artikel 3.8, eerste lid van de Erfgoedwet, zolang nog geen opsomming voor die verzameling is vastgesteld, redelijkerwijs onder de algemene omschrijving van die beschermde verzameling valt;
Bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Bouwhistorisch onderzoek: onderzoek, in een schriftelijke rapportage vastgelegd, naar de bouwgeschiedenis, de bouwhistorische kwaliteit en de monumentale waarde van een monument. Certificaat: certificaat als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid van de Erfgoedwet. Cultureel erfgoed: uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden. Cultuurgoed: roerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed.
23.22032
Cultuurhistorisch onderzoek: In schriftelijke rapportage vastgelegd onderzoek naar de cultuurhistorische waarden van een monument, een complex van monumenten en/of een gebied, overeenkomstig de door het college te stellen eisen. Cultuurhistorische waarde: de waarden die aan een gebied of object worden toegekend in verband met het voorkomen van (stede-)bouwkundige waarden, historisch-geografische of historische landschapswaarden al dan niet in onderlinge samenhang of beïnvloeding. Deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg: een door het college van Burgemeester en Wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van de gemeentelijke archeologische monumentenzorg. Gebied met hoge archeologische verwachting (historische kern): gebied of terrein dat zich bevindt in de zone die op de archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente, welke als hoge verwachting historische kern is aangeduid. Op basis van historische informatie wordt een hoge dichtheid aan archeologische sporen/vindplaatsen wordt verwacht. Gebied met hoge archeologische verwachting: dat zich bevindt in de zone die op de archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente, welke als hoge archeologische verwachting is aangeduid. Op basis van historische, geologische en bodemkundige opbouw wordt hier een hoge dichtheid aan archeologische sporen/vindplaatsen verwacht.
Gebied met lage archeologische verwachting: gebied of terrein dat zich bevindt in de op de archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente, welke als lage archeologische verwachting is aangeduid. Op basis van geologische en bodemkundige opbouw wordt hier een lage dichtheid aan archeologische sporen/vindplaatsen verwacht. Gebied met middelhoge archeologische verwachting: gebied of terrein dat zich bevindt in de zone die op de archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente, welke als middelhoge archeologische verwachting is aangeduid. Op basis van geologische en bodemkundige opbouw wordt hier verwacht een middelhoge dichtheid aan archeologische sporen/vindplaatsen. gemeentelijk beschermd cultuurgoed: cultuurgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat als zodanig is aangewezen op grond van artikel 3, eerste lid; gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht: stads- of dorpsgezicht als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet dat als zodanig is aangewezen op grond van artikel 18; gemeentelijk beschermde verzameling: verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet die als zodanig is aangewezen op grond van artikel 3, tweede lid; Gemeentelijk erfgoedregister: de lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig de bepalingen in deze verordening als beschermd gemeentelijk monument aangewezen zaken en terreinen.
gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister; Gemeentelijke adviescommissie: zoals bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet en Verordening gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Eersel. Gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingenkaart: kaart met een ruimtelijke presentatie van de gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingsgebieden, vastgesteld door de bevoegde overheid. Gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart: kaart met een ruimtelijke presentatie van de gemeentelijke cultuurhistorische waarden, vastgesteld door de bevoegde overheid. Instelling: krachtens privaatrecht opgerichte rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid. Inventariserend veldonderzoek (IVO): vorm van onderzoek waarbij extra informatie wordt verworven om het gespecificeerde verwachtingsmodel dat op het archeologische bureauonderzoek is gebaseerd aan te vullen en te toetsen door middel van waarnemingen in het veld. Kerkelijk monument: monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging.
23.22032
minister: minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Monument: onroerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed. Normaal onderhoud: noodzakelijke reguliere werkzaamheden die gericht zijn op het behoud van monumentale waarde. omgevingsvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet voor een activiteit met betrekking tot een gemeentelijk monument of een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht. Opgraving: het onderzoeken van archeologische vindplaatsen, met als doel de gegevens van de vindplaats te documenteren en daarmee de informatie te behouden die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Opgravingen worden verricht door een partij met certificaat als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, Erfgoedwet en uitgevoerd volgens de desbetreffende specificatie in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA); Plan van aanpak: een door de opdrachtnemer op te stellen plan voor de uit te voeren werken waarmee beoogd wordt aan de vereisten zoals geformuleerd in het Programma van Eisen te voldoen. Ook wordt hierin een voorstel gedaan voor de werkwijze waarmee de in het Programma van Eisen geformuleerde resultaatsverwachtingen bereikt kunnen worden.
Programma van eisen: het Programma van Eisen (PvE) is een door een bevoegde overheid opgesteld of bekrachtigd document dat de probleem- en doelstelling van de te verrichten werkzaamheden van de vindplaats geeft en de daaruit af te leiden eisen formuleert met betrekking tot het uit te voeren werk. Rijksmonument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het rijksmonumentenregister. Rijksmonumentenregister: register als bedoeld in artikel 3.3 van de Erfgoedwet. Stads- en dorpsgezichten: groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of meer monumenten bevinden. Terrein van (hoge) archeologische waarde: gebied of terrein dat zich bevindt in de zone die op de archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente en waar archeologische waarden, door onderzoek en/of in combinatie met andere bronnen worden verwacht, die als behoudenswaardig kunnen worden gekarakteriseerd.
Terrein van zeer hoge archeologische waarde: gebied of terrein dat zich bevindt in de zone die op de archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente en waar archeologische waarden, door onderzoek en mogelijk in combinatie met andere bronnen zijn aangetoond, die als behoudenswaardig kunnen worden gekarakteriseerd. Verzameling: cultuurgoederen die uit cultuurhistorisch of wetenschappelijk oogpunt bij elkaar horen.
Artikel 2. Gemeentelijk erfgoedregister 1.
Burgemeester en wethouders houden een door eenieder te raadplegen gemeentelijk erfgoedregister bij van krachtens deze verordening aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed inclusief de locaties waaraan krachtens artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet in het omgevingsplan de functie cultureel erfgoed is toebedeeld.
2.
Het gemeentelijk erfgoedregister bevat: a.
gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed;
b.
gegevens over door burgemeester en wethouders van de minister ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet en instructies als bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet
23.22032
betreffende een locatie met de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht;
Paragraaf 2. Aanwijzing gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling Artikel 3. Aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling 1.
Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een cultuurgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of uitzonderlijke schoonheid is en dat als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en dat in eigendom is van de gemeente of dat aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als gemeentelijk beschermd cultuurgoed.
2.
Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een verzameling van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis, die als geheel of door een of meer van de cultuurgoederen die een wezenlijk onderdeel van de verzameling zijn, als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en die in eigendom van de gemeente is of die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als gemeentelijk beschermde verzameling.
3.
Voor de aanwijzing van een cultuurgoed dat of een verzameling die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd is toestemming van de eigenaar vereist.
4.
Over het voornemen van een aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid, alsmede over de vervreemding van een gemeentelijk beschermd cultuurgoed of een gemeentelijk beschermde verzameling of over het afstand doen van de zorg daarvoor vragen burgemeester en wethouders advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 van de Erfgoedwet.
5.
Dit artikel is niet van toepassing op: a.
door de minister beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, en
b.
cultureel erfgoed dat is aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.
6.
Burgemeester en wethouders verwerken de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.
Artikel 4. Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling 1.
Burgemeester en wethouders kunnen een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste of tweede lid, wijzigen of intrekken. Artikel 3, vierde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het gemeentelijk beschermd cultuurgoed of de gemeentelijk beschermde verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan.
2.
Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het gemeentelijk beschermd cultuurgoed of de gemeentelijk beschermde verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: a.
door de minister beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, of
23.22032
b.
beschermd cultureel erfgoed op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.
3.
Burgemeester en wethouders verwerken de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.
Paragraaf 3. Aanwijzing gemeentelijk monument Artikel 5. Aanwijzing als gemeentelijk monument 1.
Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument.
2.
De aanwijzing wordt gebaseerd op een redengevende beschrijving.
3.
Het college van Burgemeester en Wethouders kan bepalen, dat ten behoeve van de aanwijzing van een monument als gemeentelijk monument een bouwhistorisch, cultuurhistorisch en/of archeologisch onderzoek wordt verricht.
4.
Dit artikel is niet van toepassing op: a.
rijksmonumenten, en
b.
monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet.
Artikel 6. Voornemen tot aanwijzing 1.
Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 5, eerste lid, wordt door burgemeester en wethouders schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.
2.
Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voeren burgemeester en wethouders overleg over het voornemen met de eigenaar.
Artikel 7. Voorbescherming 1.
De bescherming van paragraaf 4 is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, is bekendgemaakt.
2.
De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister.
Artikel 8. Advies gemeentelijke adviescommissie 1.
Burgemeester en wethouders vragen over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 5, eerste lid, advies aan een gemeentelijke adviescommissie zoals bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet en Verordening gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Eersel.
2.
De gemeentelijke adviescommissie betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies.
23.22032
Artikel 9. Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit 1.
Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag.
2.
De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument.
Artikel 10. Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1.
De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.
2.
Burgemeester en wethouders verwerken de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.
3.
Het college stelt de raad in kennis van het besluit over de aanwijzing van een gemeentelijk monument.
Artikel 11. Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument 1.
In een spoedeisend geval kunnen burgemeester en wethouders een monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 8 wordt in dat geval aan de gemeentelijke adviescommissie advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument.
2.
Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt zodra burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 5, eerste lid.
3.
Paragraaf 4 is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat zakelijk gerechtigden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van burgemeester en wethouders tot aanwijzing van het monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk monument. Artikel 10 is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing.
Artikel 12. Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1.
Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister.
2.
Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is paragraaf 3 van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan.
3.
Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.
23.22032
Paragraaf 4. Bescherming gemeentelijk monument Artikel 13. Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.
Artikel 14. Omgevingsvergunning gemeentelijk monument 1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders een gemeentelijk monument: a.
te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of
b.
te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op: a.
de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt;
b.
alleen inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft;
c.
het binnen een monument dat als begraafplaats in gebruik is met inachtneming van de monumentale waarden: i.
plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift;
ii.
doen van begravingen of asbijzettingen, of
iii.
ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als gemeentelijk monument.
3.
Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Ook kan het nadere gegevens van de aanvrager verlangen, waaronder de resultaten van een bouwhistorisch onderzoek, een cultuurhistorische analyse of een werkomschrijving/bestek van de werkzaamheden.Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het tweede lid.
Artikel 15. (Vervallen)
Artikel 16. Weigeringsgronden 1.
De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet.
2.
Een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar.
Paragraaf 5. (Vervallen)
23.22032
Artikel 17. (Vervallen)
Paragraaf 6. Aanwijzing gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht Artikel 18. Aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 1.
De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, stads- of dorpsgezichten aanwijzen als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht.
2.
Burgemeester en wethouders zenden het voorstel voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 8, eerste lid. Artikel 8, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.
De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid.
4.
Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.
5.
De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht een omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet vast. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld.
6.
Bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre het tijdelijk omgevingsplan als beschermend in de zin van het vorige lid kan worden aangemerkt.
7.
Dit artikel is niet van toepassing op een beschermd stads- of dorpsgezicht dat via instructies de functie-aanduiding rijksbeschermd of provinciaal beschermd stads- of dorpsgezicht heeft, of dat is aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 19. Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 1.
De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 18, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 18, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan.
2.
Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht op grond van een instructie als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, of artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet.
3.
Burgemeester en wethouders verwerken de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.
Artikel 20. Verbodsbepaling en aanvraag omgevingsvergunning
23.22032
1.
Het is in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te slopen.
2.
De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.
3.
Artikel 16 is van overeenkomstige toepassing.
4.
Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet of ingevolge een verplichting zoals gesteld in een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 3.5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Paragraaf 7. Archeologische verwachtingswaarden Artikel 21. Instandhoudingbepaling 1.
Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten of waarden worden verwacht als in het daar vigerende omgevingsplan niet is voldaan aan artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, tenzij: a.
voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste of tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is verleend;
b.
het de verstoring betreft van een archeologisch monument, waarde of verwachting die is aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleids-, waarden- of verwachtingskaart, de provinciale archeologische monumentenkaart of de landelijke indicatieve kaart van archeologische waarden en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met door burgemeester en wethouders vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring. Dit betreffen: i.
bodemingrepen dieper dan 30 cm onder maaiveld met een omvang van minder dan 10 m2 in terreinen van zeer hoge archeologische waarde als aangegeven op de gemeentelijke archeologische waarden en verwachtingenkaart;
ii.
bij bodemingrepen dieper dan 30 cm onder maaiveld met een omvang van minder dan 100 m2 in terreinen van (hoge) archeologische waarde als aangegeven op de gemeentelijke archeologische waarden en verwachtingenkaart;
iii.
bij bodemingrepen dieper dan 30 cm onder maaiveld met een omvang van minder dan 250 m2 in gebieden met een hoge archeologische verwachting, historische kern als aangegeven op de gemeentelijke archeologische waarden en verwachtingenkaart;
iv.
bij bodemingrepen dieper dan 30 of 50 cm (bij esdek en agrarisch bestemde gronden) onder maaiveld met een omvang van minder dan 500 m2 in gebieden met een hoge archeologische verwachting als aangegeven op de gemeentelijke archeologische waarden en verwachtingenkaart;
v.
bij bodemingrepen dieper dan 30 of 50 cm (bij esdek en agrarisch bestemde gronden) onder maaiveld met een omvang van minder dan 2500 m2 in gebieden met een middelhoge archeologische verwachting als aangegeven op de gemeentelijke archeologische waarden en verwachtingenkaart;
vi.
bij bodemingrepen dieper dan 40 of 50 cm (bij agrarisch bestemde gronden) onder maaiveld met een omvang van minder dan 25000 m2 in gebieden met een
23.22032
lage archeologische verwachting als aangegeven op de gemeentelijke archeologische waarden en verwachtingenkaart; c.
de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden wordt voorkomen, of met een vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn.
Artikel 22 Wijzigen kwalificatie van een locatie Op grond van een melding ingevolge artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet en op grond van de resultaten van archeologisch onderzoek kan het college een terrein of locatie alsnog aanwijzen als gemeentelijk archeologisch monument, gebied van archeologische waarde, of gebied met hoge of middelhoge verwachting.
Artikel 23 Omgevingsvergunning Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over het verrichten van archeologisch onderzoek. 1.
Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: a.
het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate is geborgd; of
b.
de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad;
c.
in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.
of 2.
Het college kan nadere regels stellen over het verrichten van archeologisch onderzoek: a.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
b.
de verplichting tot het doen van inventariserend veldonderzoek en/of een
c.
de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door
opgraving; een gecertificeerde partij op het terrein van de archeologische monumentenzorg. 3.
De gevraagde omgevingsvergunning kan worden geweigerd, indien de archeologische waarden die in het geding zijn naar het oordeel van burgemeester en wethouders in situ behouden dienen te blijven.
4.
Het bepaalde in lid 1 geldt niet voor terreinen/gebieden die in overeenstemming met paragraaf 3.1 van de Erfgoedwet zijn aangewezen als beschermd archeologisch rijksmonument.
Artikel 24 Archeologisch (voor)onderzoek en opgravingen 1.
Indien binnen het grondgebied van de gemeente archeologisch (voor)onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van de archeologische monumentenzorg, in de zin van de Erfgoedwet, dient dit onderzoek te voldoen aan de gemeentelijke archeologische richtlijnen die in aanvulling op de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie.
2.
Indien binnen het grondgebied van de gemeente archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin van paragraaf 5.1 van de Erfgoedwet, dient onverminderd de overige bepalingen van deze wet:
23.22032
a.
burgemeester en wethouders een programma van eisen vast te stellen als bedoeld in artikel 1 van deze erfgoedverordening, waarbij nadere eisen worden gesteld aan het onderzoek;
b.
de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van aanpak als bedoel in artikel 1 van deze erfgoedverordening ter goedkeuring aan burgemeester en wethouders te overleggen;
3.
In de nadere regels kan burgemeester en wethouders bepalingen opnemen met betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan van aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van burgemeester en wethouders in acht te worden genomen.
4.
Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma van eisen en eventuele nadere eisen voldoet, vragen burgemeester en wethouders advies aan een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
Paragraaf 8. Cultuurhistorische waarden Artikel 25 Instandhoudingbepaling 1.
Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders objecten of gebieden met een zeer hoge cultuurhistorische waarde en cultuurhistorische ensembles zoals aangeduid op de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart, te wijzigen, te beschadigen of te verstoren als in het daar vigerende omgevingsplan niet is voldaan aan artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
2.
Het verbod in lid 1 is niet van toepassing: a.
voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste of tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is verleend;
b.
de uitvoering van normaal onderhoud is en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt.
3.
Burgemeester en wethouders vraagt advies aan een gemeentelijke adviescommissie, zoals bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet en Verordening gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Eersel, als een vergunning wordt gevraagd in objecten of gebieden met een zeer hoge cultuurhistorische waarde en cultuurhistorische ensembles zoals aangeduid op de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart.
4.
Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels aan de omgevingsvergunning stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden. Ook kan het nadere gegevens van de aanvrager verlangen, waaronder de resultaten van een bouwhistorisch onderzoek, een cultuurhistorische analyse of een werkomschrijving/bestek van de werkzaamheden. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid.
5.
De gevraagde omgevingsvergunning kan worden geweigerd, indien de cultuurhistorische waarden die in het geding zijn naar het oordeel van burgemeester en wethouders behouden dienen te blijven.
Paragraaf 9. Handhaving en toezicht
23.22032
Artikel 26. (Vervallen)
Artikel 27. Strafbepaling Degene die handelt in strijd met artikel 13 of met het bepaalde krachtens artikel 14, derde lid, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of hechtenis van ten hoogste drie maanden.
Artikel 28. Toezichthouders Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de door Burgemeester en wethouders aangewezen personen.
Paragraaf 10. Slotbepalingen Artikel 29. Intrekking oude verordening De verordening Erfgoedverordening gemeente Eersel 2017 wordt ingetrokken.
Artikel 30. Overgangsrecht 1. Een krachtens Erfgoedverordening gemeente Eersel 2017 aangewezen en geregistreerd gemeentelijke monument, worden geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening. 2. Aanvragen en bezwaren die zijn ingediend voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de Erfgoedverordening gemeente Eersel 2017.
Artikel 31. Inwerkingtreding en citeertitel 1.
Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2024
2.
Deze verordening wordt aangehaald als: Erfgoedverordening gemeente Eersel 2024.
Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van 19 december 2023 De raad van de gemeente Eersel
de griffier, J.W.G. van Bree
de voorzitter, drs. W.A.C.M. Wouters
23.22032
23.22032