[21.27803] - 2022-01-11 Commissieavond: Beantwoording vragen van fracties
Tekst van het document
Commissieavond 11 januari 2022: Vragen van fracties
Fractie 4. 1.
CDA
2.
CDA
3.
CDA
4. 5.
CDA CDA
6.
CDA
7.
CDA
8.
PvdA-GL
9.
PvdA-GL
10.
PvdA-GL
11.
PvdA-GL
Vraag Antwoord Bestemmingsplan Buitengebied, herziening Breemakkerweg 5 te Knegsel (antwoorden zijn kortgesloten met Emphasis) Waar is de uitspraak van de Raad van State in dit dossier? Zie bijlage hieronder, uitspraak Raad van State bestemmingsplan Buitengebied 2017. Wat is het advies van de dhr Bodden, de huisadvocaat van Zie bijgaand document (18.03040) en heeft de heer Bodden verteld de gemeente op dit voorstel? tijdens de raadsbijeenkomst op 21 september 2021. Waar is het overgangsrecht in essentie voor bedoeld? Respecteren van situaties die bij het vaststellen van het bestemmingsplan niet direct gesaneerd kunnen worden. Welk beleid ligt onder dit voorstel? Hiervoor is geen beleid vastgesteld. Is afhankelijk van de casus. Hoeveel recreatiewoningen met PGO hebben wij in onze Het gaat om, op basis van het bestemmingsplan Buitengebied 2017, gemeente? om 7 recreatiewoningen met een persoons gebonden overgangsrecht. Heeft deze woning straks een bestemming wonen of Bestemming recreatiewoning. recreatiewoning? BRO kent geen object gebonden overgangsrecht. Waarom In het Bro staat het overgangsrecht voor gebouwen/bouwwerken, het wordt daar wel over gesproken in het RV m.b.t woord object gebonden is overzichtelijker.
Dijkakkerweg 1? Wat zijn (nieuwe) feiten en omstandigheden die aanleiding Uitspraken van de Raad van State in het kader van het waren voor dit raadsvoorstel? overgangsrecht. In het advies staan de volgende uitspraken: https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2014:3390 https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2017:2101 Het college verwijst naar het advies van Emphasis Advies Dit is geen inhoudelijke vraag, maar een politieke. dat niet bij de stukken zat maar wel ter inzage lag. Wat is de eigen inhoudelijke, bestuurlijke argumentatie van het college zelf bij dit raadsvoorstel? Klopt het dat met dit raadsvoorstel onbeperkte (in tijd) Dat klopt, tenzij de bewoning langer dan een jaar gestaakt is of dat permanente bewoning voor de recreatiewoning aan het object gesloopt is. Breemakkerweg 5 feitelijk mogelijk wordt gemaakt? In het raadsvoorstel wordt gesproken dat met dit voorstel Het overgangsrecht is opgenomen in artikel 3.2.1 en 3.2.2 van het t.av. Breemakkerweg het “algemeen overgangsrecht” gaat Besluit ruimtelijke ordening, zie de bijlage hieronder. gelden. In het raadsvoorstel ontbreekt iedere uitleg van wat Het huidige persoonsgebonden overgangsrecht voor de Breemakkerweg 5 wordt omgezet gaat over in een algemeen (object) dit “algemeen overgangsrecht” juridisch en praktisch inhoudt.
Kan het college uitleggen wat de betekenis van het gebonden overgangsrecht. Het object kan hierdoor bewoond blijven, zie ook antwoord op 10. “algemeen overgangsrecht’ concreet inhoudt in relatie tot
1 21.27803
Fractie
12.
PvdA-GL
13.
PvdA-GL
14.
PvdA-GL
5. 15.
ESA
Vraag Breemakkerweg? B.v., welk bestaand recht gaat dan via overgangsrecht over in welk ander recht? Etc. Wat is het juridische en feitelijke resultaat dat het college hiermee beoogd? In de mail van de heer Engelvaart wordt gesproken over “het persoonsgebonden overgangsrecht te vervangen door een uitsterfbeleid”. Vraag: wat wordt bedoelt met dit “uitsterfbeleid”? Hoe ziet dat er juridisch uit? En wat is daarvan de feitelijke verschijningsvorm? Hoe dient dit “uitsterfbeleid” te worden gezien in relatie tot het “algemeen overgangsrecht” dat in het raadsvoorstel wordt genoemd? Bestaat er gemeentelijk beleid waarin het van gemeentewege toepassen van (vormen van) overgangsrecht wordt beschreven? Recent heeft de Raad van State een uitspraak gedaan over Breemakkerweg 5. Indachtig die uitspraak van de Raad van State: welke risico’s ziet het college in dit dossier?
Antwoord
Het uitsterfbeleid, het algemeen overgangsrecht of het object gebonden overgangsrecht zijn hetzelfde. Het is juridisch verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan dat ter vaststelling voorligt. Het uitsterfbeleid en het algemeen overgangsrecht zijn het zelfde.
Hiervoor is geen beleid.
De uitspraak van de Raad van State ziet toe op een andere juridische situatie. De risico’s zijn ook besproken met de raad op 21 september 2021. Het voorstel is een reëel alternatief. Raadsvoorstel AED's in het buitengebied van de gemeente Eersel RV Argumenten 1.2: Steensel wordt hier niet vernoemd Het buitengebied van Steensel wordt voorzien door de aanwezige AED’s in de kern en in het buitengebied van Steensel. Deze hangen Hoe is de stand van zaken in het buitengebied van op de volgende plaatsen: Steensel? - Sportpark De Elzenbroeke, Knegselseweg 24 (kern/buitengebied) - Korte Kerkstraat 7A (kern) - Lange Reen 16 (kern) Deze AED’s zijn alle drie in onderhoud bij de EHBO vereniging Eersel. De dekking wat betreft het buitengebied komt daarnaast door al aanwezige AED’s van de kern Eersel. Dit gaat dan over AED’s in het buurtschap Hees (Hees 28) en de manege PCK- Eersel ( Molenveld 5). Deze vallen niet onder het beheer van de EHBO vereniging Eersel.
2 21.27803
16.
17.
Fractie
Vraag
Antwoord
ESA
RV Risico’s particuliere AED’s: Hoeveel particuliere AED’s zijn er nu in het buitengebied van : Eersel, Knegsel, Wintelre, Vessem en Duizel? Wat gebeurt er als particuliere AED’s kapot gaan en deze particulier deze niet wil vervangen/repareren? Hoe wil men dan voorkomen dat er gaten vallen in de 6 minuten regel?
- Er zijn 3 particuliere AED’s in het buitengebied die wel aangemeld zijn bij HartslagNu maar niet onder het beheer van de EHBO verenigingen vallen.
Het raadsvoorstel beschrijft dat de dekking van het netwerk in samenwerking is opgesteld met HartSlagNu. Op de site Waar zijn nog AED’s nodig? - HartslagNu is niet goed terug te zien hoe de dekking nu in gemeente Eersel is of waar deze verbeterd moet worden. Is hier meer informatie over beschikbaar?
In het raadsvoorstel staat beschreven dat er is aangesloten bij het advies van de Hartstichting (via Stichting HartslagNu) voor het plaatsen van de AED’s in het buitengebied. In afstand betreft het een straal van maximaal 2.000 meter rondom een AED. Hierin is samengewerkt met de EHBO vereniging Eersel en de EHBO vereniging Vessem/Wintelre/Knegsel en Stichting AED Duizel. Op de gemeentesite is de lijst met aangemelde AED’s per kern terug te vinden: https://www.eersel.nl/aed.
VVD
6. 7.
- Er zal ieder jaar een evaluatie plaatsvinden van de huidige AED’s waarbij gekeken zal worden of de dekking nog voldoet. Gekeken is of de dekking nog gegarandeerd is als de 3 particuliere AED’s zoals hierboven beschreven kapot gaan. Dit is het geval. Er ontstaat dan geen probleem in de dekkingsgraad. In de jaarlijkse evaluatie zal worden bepaald of het van belang is de kapotte AED te vervangen en op welke wijze dit gefinancierd wordt.
Werkprogramma 2022 en Ambitiedocument Metropoolregio Eindhoven Geen vragen. Controleprotocol en normenkader accountant Geen vragen.
3 21.27803
Bijlage uitspraak Raad van State Buitengebied 2017 Beroep van [appellant sub 2] Inleiding 10. [appellant sub 2] woont aan de [locatie 7] in Knegsel. Volgens [appellant sub 2] is zijn woning ten onrechte als recreatiewoning bestemd met een persoonsgebonden overgangsrecht voor permanente bewoning. 10.1. De Afdeling stelt vast dat het beroep van [appellant sub 2] betrekking heeft op het besluit van 6 maart 2018 en dat het beroep op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege betrekking heeft op het besluit van 3 juli 2018. De Afdeling zal eerst het beroep tegen het besluit van 3 juli 2018 beoordelen en vervolgens bezien of er nog belang bestaat bij een beoordeling van het besluit van 6 maart 2018. Beroep tegen het besluit van 3 juli 2018 11. [appellant sub 2] wenst een woonbestemming in plaats van de bestemming "Recreatie - Recreatiewoning" die aan de woning op zijn perceel is toegekend. Hij voert daarover aan dat voor de woning in 1978 een vergunning is verleend en dat de woning sindsdien als burgerwoning wordt gebruikt en dus ook als zodanig moet worden bestemd. Omdat er in het gemeentelijk dossier naast de vergunning uit 1978 ook een vergunning voor een weekendhuisje van een ander adres zat, is de woning volgens [appellant sub 2] in voorgaande bestemmingsplannen ten onrechte als recreatiewoning aangemerkt en als zodanig bestemd.
Daarvoor wijst [appellant sub 2] op een door de raad aangenomen motie van 26 januari 2016 waarin is besloten dat het perceel bij de eerstvolgende herziening van het bestemmingsplan een woonbestemming moet krijgen. Volgens [appellant sub 2] is het toekennen van een woonbestemming niet in strijd met de Verordening omdat het gaat om gebruik van een bestaande legale burgerwoning waartegen niet handhavend kan worden opgetreden. 11.1. De raad stelt zich primair op het standpunt dat er destijds geen burgerwoning is vergund en dat er daarom geen woonbestemming kan worden toegekend. Naar aanleiding van de motie heeft de raad laten onderzoeken of het toekennen van een woonbestemming mogelijk was en toen bleek dat de Verordening zich daartegen verzet. Subsidiair stelt de raad daarom dat als er wel een burgerwoning zou zijn vergund, de Verordening alsnog aan het toekennen van een woonbestemming in de weg staat omdat het geen bestaande burgerwoning is in de zin van de Verordening. Bovendien vindt de raad het onwenselijk om een woonbestemming toe te kennen omdat de raad geen nieuwe planologische ruimtelijke ontwikkelingen wil toestaan in het buitengebied om zo onnodige versnippering en verstening tegen te gaan. 11.2.
De woning is net zoals in het vorige plan "Buitengebied" bestemd als "Recreatie - Recreatiewoning" met de aanduiding "specifieke vorm van wonen persoonsgebonden overgangsrecht". Op grond van artikel 18, lid 18.3.1, onder a, van de planregels is het niet toegestaan de woning permanent te bewonen. Echter mag op grond van artikel 51, lid 51.3.1, van de planregels het gebruik als burgerwoning worden voortgezet door diegene die het gebouw ten tijde van de vaststelling van het plan al als burgerwoning gebruikte. Zodra het gebruik door de bestaande gebruikers wordt beëindigd, vervalt het recht op gebruik van het gebouw als burgerwoning. 11.3. Artikel 7.7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening bepaalt dat alleen bestaande burgerwoningen, bedrijfswoningen of solitaire recreatiewoningen in het gemengd landelijk gebied zijn toegestaan.
4 21.27803
Artikel 2, derde lid, aanhef en onder b, van de Verordening bepaalt onder meer dat waar in de Verordening wordt gesproken over een bestaand bouwperceel, bestaande bebouwing, een bestaande planologische gebruiksactiviteit of een bestaande omvang, daaronder wordt verstaan datgene waarvan vaststaat dat handhaving wegens strijdigheid met het geldende bestemmingsplan niet meer mogelijk is. 11.4. Vaststaat dat de woning aan de [locatie 7] sinds 2 mei 1980 permanent bewoond wordt, door [appellant sub 2] vanaf 15 mei 1995 en dat dit gebruik nooit als zodanig is bestemd. Tot 2005 was aan het perceel een bosbestemming toegekend en in het plan "Buitengebied Vessem c.a., herziening details 2005" is voor het eerst een bestemming voor een recreatiewoning opgenomen. Deze bestemming is sindsdien gecontinueerd en daartegen is nooit in rechte opgekomen. In het bestemmingsplan "Buitengebied" van 3 april 2012 is voor het eerst een aanduiding voor een persoonsgebonden overgangsrecht opgenomen en dat is in het voorliggende plan gecontinueerd.
Op grond van artikel 42, lid 42.3.1, van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied" van 3 april 2012 mag ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - persoonsgebonden overgangsrecht" het gebruik als burgerwoning worden voortgezet door diegene die het gebouw ten tijde van het van kracht worden van het plan als burgerwoning gebruikt, en vervalt dat recht zodra het gebruik door de bestaande gebruikers wordt beëindigd. Als bestaande gebruiker wordt aangemerkt de persoon die in de basisregistratie personen als hoofdbewoner en diens partner staat ingeschreven op het adres. Dit betekent dat zodra [appellant sub 2] en zijn vrouw het gebruik van de woning voor permanente bewoning beëindigen, de woning gelet op de recreatieve bestemming niet meer als zodanig mag worden gebruikt en dat tegen dat gebruik handhavend kan worden opgetreden. Het overgangsrecht beschermt dus uitsluitend het gebruik van de woning voor permanente bewoning door [appellant sub 2] en zijn vrouw. Daarmee valt het gebruik van de woning voor permanente bewoning door ieder ander niet onder de bescherming van het gebruiksovergangsrecht en is het mogelijk daartegen handhavend op te treden.
Dit betekent naar het oordeel van de Afdeling dat er géén sprake is van een situatie waarvan vaststaat dat handhaving wegens strijdigheid met het geldende plan niet meer mogelijk is, als bedoeld in artikel 2, derde lid, aanhef en onder b, van de Verordening. Dat handhaving tegen het permanente gebruik van de woning door [appellant sub 2] en zijn vrouw nu niet mogelijk is, laat onverlet dat het blijkens de Verordening moet gaan om situaties waarvan vaststaat dat handhaving niet méér mogelijk is. Het betoog van [appellant sub 2] ter zitting dat het persoonsgebonden overgangsrecht nooit onder het vorige plan "Buitengebied" in werking is getreden omdat het toekennen daarvan een beschikking is die nooit volgens de in artikel 3:41, eerste lid, van de Awb voorgeschreven wijze aan [appellant sub 2] bekend gemaakt is, zodat het gebruik voor permanente bewoning nog altijd onder het algemeen gebruiksovergangsrecht viel, volgt de Afdeling niet. Op grond van artikel 3.8, derde lid, van de Wro zijn op een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, in afwijking van artikel 3:1, eerste lid en onder b, van de Awb, de artikelen 3:40, 3:42, 3:43, 3:44 en 3:45 en afdeling 3.7 van die wet van toepassing. Op grond van artikel 3.8, derde lid, van de Wro, is artikel 3:41, eerste lid van de Awb dus niet van toepassing op de bekendmaking van een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan.
De bekendmaking daarvan kon dus, in samenhang gelezen met artikel 3:42, tweede lid, van de Awb, geschieden door kennisgeving daarvan in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws-, of huis-aan-huisblad, dan wel op andere geschikte wijze. Het betoog slaagt niet. Naar aanleiding van het betoog van [appellant sub 2] dat hij aan de op 18 juli 1978 verleende vergunning voor het vernieuwen van een woning een gebruiksrecht voor permanente bewoning kan ontlenen en dat daarom niet handhavend kan worden opgetreden, overweegt de Afdeling het volgende. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4439, onder 3.1, komt aan een bouwvergunning, voor zover die al zou zijn verleend voor een bepaald gebruik, geen zelfstandige betekenis toe na inwerkingtreding van een nieuw planologisch regime waarin dat gebruik niet is opgenomen. Het is primair aan de raad van een gemeente om te bepalen welk gebruik op een perceel is toegestaan. Hiermee verdraagt zich niet dat aan door het college van burgemeester en wethouders verleende bouwvergunningen wat betreft gebruik zelfstandige betekenis toekomt na inwerkingtreding van een nieuw planologisch regime, aldus de uitspraak van 24 december 2019.
Omdat vaststaat dat de woning al verschillende malen na 1978 recreatief is bestemd en tegen die bestemming in het verleden niet is opgekomen, leidt de enkele omstandigheid dat [appellant sub 2] over een onherroepelijke bouwvergunning uit 1978 voor een woning beschikt, 5 21.27803
daargelaten de vraag of die bouwvergunning is verleend voor het vernieuwen van een vakantiewoning of een burgerwoning, dus niet tot het oordeel dat tegen het gebruik van de woning voor permanente bewoning niet handhavend kan worden opgetreden. Het betoog slaagt niet. 11.5. Gelet op het voorgaande stelt de Afdeling vast dat het gebruik van de woning aan de [locatie 7] in Knegsel, niet als bestaand is aan te merken in de zin van artikel 2, derde lid, aanhef en onder b, van de Verordening. De raad heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat het toekennen van een woonbestemming aan het perceel van [appellant sub 2] in strijd is met artikel 7.7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening en heeft dan ook in redelijkheid af kunnen zien van het toekennen van een woonbestemming. Ook als er met [appellant sub 2] van uit moet worden gegaan dat de woning destijds is vergund als burgerwoning en op grond van het gemeentelijk beleid, zoals neergelegd in de "Beslisboom buitengebied", een woonbestemming moet worden toegekend, kan dat, gelet op artikel 7.7, eerste lid, aanhef en onder b, gelezen in samenhang met artikel 2, derde lid, aanhef en onder b, van de Verordening, niet leiden tot een woonbestemming. De betogen slagen niet. Conclusie beroep tegen het besluit van 3 juli 2018 12.
Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 3 juli 2018 ongegrond.
Beroep tegen het besluit van 6 maart 2018 13. Zoals hiervoor is overwogen is het beroep tegen het besluit van 3 juli 2018 ongegrond. Omdat het door [appellant sub 2] bestreden plandeel daarmee in rechte onaantastbaar wordt, heeft [appellant sub 2] geen belang meer bij een inhoudelijke bespreking van het beroep tegen het besluit van 6 maart 2018. Het plan van 3 juli 2018 vervangt immers het plan van 6 maart 2018. Het beroep tegen het besluit van 6 maart 2018 is daarom niet-ontvankelijk. Proceskostenveroordeling 14.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
6 21.27803
Bijlage artikel 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening § 3.2. Standaardregels in bestemmingsplannen Artikel 3.2.1 In een bestemmingsplan worden de volgende regels van overgangsrecht ten aanzien van bouwwerken opgenomen, met dien verstande dat het percentage genoemd in het tweede lid van die regeling lager kan worden vastgesteld: Overgangsrecht bouwwerken 1) Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a) gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b) na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 2) Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. 3) Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
Artikel 3.2.2 Behoudens voor zover uit de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand onderscheidenlijk van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna beperkingen voortvloeien ten aanzien van ten tijde van de inwerkingtreding van een bestemmingsplan bestaand gebruik, worden in een bestemmingsplan de volgende regels van overgangsrecht ten aanzien van gebruik opgenomen: Overgangsrecht gebruik 1) Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 2) Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 3) Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 7 21.27803
4) Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
8 21.27803