[21.21079] - Transect-rapport 3597 Eersel - Een inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven, karterende en waarderende fase
Tekst van het document
Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl
Transect-rapport 3597 Eersel, Postelseweg 60 Gemeente Eersel (NB)
Een inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven, karterende en waarderende fase
Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl
Colofon Titel
Rapportnummer
Eersel, Postelseweg 60. Gemeente Eersel (NB). Een inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven, karterende en waarderende fase Transect-rapport 3597
Auteur
D. L. Scheeringa
Versie
Definitief
Datum
29-09-2021
Projectnummer Onderzoeksmelding
20090067 5092724100
Opdrachtgever
Van Santvoort Makelaars
Uitvoerder
Transect b.v. Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
Bevoegde overheid Gemeente Eersel Adviseur namens bevoegde overheid Gemeente Eersel Dhr. N. Groot Toetsing door bevoegde overheid
Goedgekeurd
Beheer en plaats documentatie
Transect b.v., Nieuwegein
Omslagafbeelding
Sfeerfoto tijdens het veldwerk.
Autorisatie Naam
Datum
Drs. A.A. Kerkhoven Senior KNA Archeoloog
29-09-2021
Paraaf
ISSN: 2211-7067 © Transect b.v., Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl
Samenvatting In opdracht van Van Santvoort Makelaars heeft Transect b.v. 1 op 14 en 15 juli 2021 een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in het plangebied rondom de woning met adres Postelseweg 60 te Eersel (gemeente Eersel; figuur 1). De aanleiding voor het onderzoek is het voornemen om de bestaande bebouwing te slopen, waarna nieuwe woningen met bijgebouwen gerealiseerd zullen worden in het plangebied. Deze nieuwbouw zal een oppervlakte hebben van circa 900 m 2. Tussen de nieuwbouw zullen over een oppervlakte van circa 1.000 m2 wegen en nutsvoorzieningen aangelegd worden. De precieze verstoringsdieptes van deze plannen waren tijdens het schrijven van dit rapport nog niet bekend, aangezien de plannen zich nog in de ontwerpfase bevinden. Uit het vooronderzoek (Rap 2020) bleek dat het plangebied waarschijnlijk op de flank van een terrasafzettingswelving ligt, die aan de oostzijde van het plangebied is afgedekt met dekzand. In de top van de terrasafzettingen is in boringen 1 en 6 sprake van een intacte bodemopbouw in de top van de terrasafzettingen vanaf een diepte van 25-35 cm -Mv (30,6-30,9 m +NAP). In de top van het dekzand zijn dergelijke sporen van bodemvorming weliswaar niet aangetroffen, maar gezien de verwachte veldpodzolbodem hoeft dit geen aantasting van het archeologisch relevante niveau te betekenen.
Op basis van deze resultaten en de landschappelijke ligging is sprake van een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten daterend vanaf het Laat-Paleolithicum B tot en met de Romeinse Tijd, en vanaf de Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd. Het doel van dit onderzoek is het toetsen van de archeologische verwachting uit het bureauonderzoek. Dit wordt gedaan door het opsporen (karteren) en waarderen van eventueel aanwezige archeologische resten. Het onderzoek moet voor zover mogelijk inzicht geven in de aard, datering, omvang, gaafheid, conservering en waardering (fysieke en inhoudelijke kwaliteit) van archeologische waarden. In het plangebied zijn tien proefsleuven van 25 x 4 m aangelegd (1000 m2, circa 10% van het plangebied). Conclusie Verspreid over het plangebied zijn negen sporen aangetroffen, maar deze liggen dusdanig verspreid over het plangebied en hebben een dusdanige wisselende datering dat geen sprake is van een vindplaats. Wel valt uit de profielen af te leiden dat het plangebied in het verleden geëgaliseerd is. Het oorspronkelijk reliëf zal niet aanzienlijk geweest zijn, maar gezien het reliëf in de terrasafzettingen was het toch enigszins geaccidenteerd.
Bij de egalisatie(s) zijn grote delen van de oorspronkelijke top van de natuurlijke ondergrond verwijderd om daarmee lager gelegen delen op te vullen en verder uit te spreiden over het plangebied. Aanwijzingen hiervoor zijn de verspreide aanwezigheid van (restanten) van dekzand, (restanten) B-horizont in de top van de terrasafzettingen en de laag S1100 met daarin verrommelde resten van de voormalige bodemopbouw. Advies Wij adviseren om het plangebied archeologisch vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkelingen. Bovenstaande vormt een advies. Op basis van dit advies neemt de bevoegde overheid (gemeente Eersel) een selectiebesluit.
1
Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.1, en is gecertificeerd door middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’, ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’, en staat geregistreerd bij de RCE en SIKB.
Dit proefsleuvenonderzoek betreft een steekproef. Ongeacht het besluit van de bevoegde overheid, attenderen wij op de wettelijke verplichting om archeologische vondsten tijdens de civieltechnische werkzaamheden te melden (conform Erfgoedwet artikel 5.10). Dit kan via de gemeente Eersel of via de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Selectiebesluit (door dhr. N. Groot op 06-09-2021) Met betrekking tot de archeologische waarde van het plangebied, is door het voorliggende archeologisch onderzoek in voldoende mate vastgesteld dat zich naar alle waarschijnlijkheid geen behoudenswaardige archeologische resten bevinden in de bodem van de hier geplande woningen. Derhalve is archeologisch vervolgonderzoek niet noodzakelijk en kan het gebied worden vrijgegeven voor het aspect archeologie. Omdat de aanwezigheid van archeologische resten nooit geheel kunnen worden uitgesloten op basis van het uitgevoerde onderzoek, blijft de meldingsplicht ten aanzien van archeologische vondsten conform de Erfgoedwet gelden. Dit betekent dat, indien er tijdens toekomstige grondwerkzaamheden toch onverwacht archeologische vondsten en structuren worden aangetroffen, men dit zo spoedig mogelijk bij de gemeente Eersel dient te melden (Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11).
Inhoud 1.
Aanleiding.............................................................................................................................. 7
2.
Vooronderzoek ...................................................................................................................... 9
3.
Doel en Methodiek .............................................................................................................. 11
4.
Resultaten ........................................................................................................................... 14
5.
Waardestelling .................................................................................................................... 19
6.
Conclusie en Advies ............................................................................................................. 20
7.
Geraadpleegde bronnen ..................................................................................................... 21
Bijlage 1.
Archeologische periode-indeling voor Nederland .............................................................. 22
Bijlage 2.
Allesporenkaart ................................................................................................................... 23
Bijlage 3.
Vlaktekeningen .................................................................................................................... 24
Bijlage 4.
Sporen- en lagenlijst ............................................................................................................ 34
Bijlage 5.
Vondstenlijst........................................................................................................................ 36
Bijlage 6.
Monsterlijst ......................................................................................................................... 37
Bijlage 7.
Beantwoording onderzoeksvragen ..................................................................................... 38
1. Aanleiding Provincie
Noord-Brabant
Gemeente
Eersel
Plaats
Eersel
Toponiem
Postelseweg
Kaartblad
57A
Perceelnummer(s)
ESL00- M - 761
Centrumcoördinaat
149.029 / 373.150
Oppervlakte plangebied
ca. 1.0 ha
Oppervlakte onderzoeksgebied
ca. 1.0 ha
Huidig grondgebruik
Bebouwing, tuin en weiland
In opdracht van Van Santvoort Makelaars heeft Transect b.v. 2 in juli 2021 een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in het plangebied rondom de woning met adres Postelseweg 60 te Eersel (gemeente Eersel; figuur 1). De aanleiding voor het onderzoek is het voornemen om de bestaande bebouwing te slopen, waarna nieuwe woningen met bijgebouwen gerealiseerd zullen worden in het plangebied. Deze nieuwbouw zal een oppervlakte hebben van circa 900 m 2. Tussen de nieuwbouw zullen over een oppervlakte van circa 1.000 m2 wegen en nutsvoorzieningen aangelegd worden. De precieze verstoringsdieptes van deze plannen waren tijdens het schrijven van dit rapport nog niet bekend, aangezien de plannen zich nog in de ontwerpfase bevinden. Op de Erfgoedkaart van de Kempen- en A2 gemeenten heeft het plangebied een hoge verwachting. In het bestemmingsplan heeft het plangebied een dubbelbestemming Waarde – Archeologie 4.1 (Kom Eersel 2013). Hierbij geldt dat archeologisch onderzoek verplicht is bij bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 30 cm -Mv. In augustus 2020 is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in het plangebied (Rap 2020; Transect-rapport 2929). Hieruit bleek dat het plangebied een hoge verwachting heeft op archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum – Romeinse tijd en uit de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd.
Aan de noordwest- en zuidwestzijde van het plangebied is in de top van de terrasafzettingen sprake van intacte B-horizonten, waarmee sprake is van een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten vanaf het Laat-Paleolithicum B tot en met het Neolithicum. Ter plaatse van boringen 2-5 is op de terrasafzettingen sprake van dekzand. In het dekzand zijn weliswaar geen B-horizonten aangetroffen, maar deze afzettingen zijn evenmin als verstoord te beschouwen. Daarmee heeft het hele plangebied vanaf de onderzijde van de bouwvoor (circa 25-35 cm -Mv (30,6-30,9 m +NAP) een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit het Neolithicum – Nieuwe tijd. Op basis hiervan heeft de bevoegde overheid besloten dat in het plangebied een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven is vereist. Dit onderzoek is uitgevoerd conform het Programma van Eisen (PvE; Magdelijns 2021) en de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA-protocol 4004; SIKB 2018).
2
Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.1, en is gecertificeerd door middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’, ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’, en staat geregistreerd bij de RCE en SIKB.
7
Figuur 1. Ligging van het plangebied op een topografische kaart. Bron: pdok.nl
8
2. Vooronderzoek3 2.1 Resultaten vooronderzoeken Het plangebied ligt in het Zuid-Nederlandse zandgebied en maakt deel uit van de Gordel van Sterksel (Berendsen 2005). De Gordel van Sterksel is een gebied dat ten oosten wordt begrensd door de Roerdalslenk en ten westen door de rug van Alphen-Gilze-Rijen. In dit gebied zijn matig tot grof zand, grind en kleilagen van de Formatie van Sterksel afgezet. Volgens de geomorfologische kaart komen in het plangebied terrasafzettingswelvingen bedekt met dekzand voor (kaartcode 3L41d). Op 350 m en oosten en zuidoosten van het plangebied ligt een terrasafzettingsvlakte afgedekt met dekzand (kaartcode 2M41d). Op ongeveer 300 m ten westen zijn laagtes zonder randwallen gekarteerd (kaartcode 3N51), dit betreffen mogelijk opgedroogde vennen. Uit het vooronderzoek bleek dat het plangebied waarschijnlijk op de flank van een terrasafzettingswelving ligt, die aan de oostzijde van het plangebied is afgedekt met dekzand. In de top van de terrasafzettingen is in boringen 1 en 6 sprake van een intacte bodemopbouw in de top van de terrasafzettingen vanaf een diepte van 25-35 cm -Mv (30,6-30,9 m +NAP). In de top van het dekzand zijn dergelijke sporen van bodemvorming weliswaar niet aangetroffen, maar gezien de verwachte veldpodzolbodem hoeft dit geen aantasting van het archeologisch relevante niveau te betekenen.
Op basis van de landschappelijke ligging en een archeologisch intacte bodemopbouw is sprake van een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum B – Romeinse tijd en uit de Late Middeleeuwen - Nieuwe tijd in het plangebied. Deze resten zijn aan te treffen vanaf de onderzijde van de bouwvoor (circa 25-35 cm -Mv; 30,6-30,9 m +NAP). In het gehele plangebied moet rekening worden gehouden met het aantreffen van grondsporen te relateren aan nederzettingsterreinen, sporen van landgebruik en terreininrichting. Ter plaatse van boringen 1 en 6 moet tevens rekening worden gehouden met vindplaatsen bestaand uit vondstconcentraties van hoofdzakelijk vuursteen uit het Laat-Paleolithicum B tot en met het Neolithicum. 2.2 Archeologische waarden In de omgeving van het plangebied zijn nog maar weinig archeologische resten aangetroffen, maar dit is ook het gevolg van de beperkte hoeveelheid veldonderzoek dat is uitgevoerd rondom het plangebied. De aangetroffen resten zijn vooral te relateren aan landgebruik uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. Bij een booronderzoek op een terrein aan de straat de Rosheuvel, gelegen op circa 70 m ten noordoosten van het plangebied, is in de C-horizont een vuursteenafslag aangetroffen. 2.3 Historische achtergronden Het plangebied ligt ongeveer 1 km ten zuidwesten van de historische kern van Eersel.
Op basis van de cultuurhistorische landschapsanalyses van De Bont (1993) zijn de huidige Postelseweg en straat Rosheuvel wegen die zijn ontstaan in de periode 1840-1900, maar is het landbouwgebied rondom het plangebied reeds ingericht in periode 1500-1840. De zojuist genoemde wegen vinden hun ouderdom vrijwel zeker ook in die laatste periode, aangezien deze al op het Kadastraal Minuutplan uit 1811-1832 zichtbaar zijn. Hierbij moet opgemerkt worden dat het plangebied in een regio gelegen is die wegens natte omstandigheden in de Vroege Middeleeuwen ongeschikt is geweest voor bewoning. Het landgebruik in het plangebied heeft dan ook hoofdzakelijk bestaan uit akker- en grasland (De Bont 1993).
3
De informatie in hoofdstuk is (deels) afkomstig uit het Programma van Eisen (Magdelijns 2021 en het vooronderzoek van Rap uit 2020).
9
Op het Kadastrale Minuutplan uit 1811-1832 is te zien dat het plangebied onbebouwd is en in gebruik als bouwland. Deze situatie houdt stand tot in de vroege 20e eeuw. Tot circa 1970 zijn delen van het plangebied wisselend in gebruik als bosperceel, akker- of weiland en is een pad aanwezig. Rond circa 1970 wordt de huidige bebouwing gerealiseerd (bagviewer.kadaster.nl). De funderingen van deze bebouwing zijn volgens de opdrachtgever tot circa 80 cm -Mv (circa 31,2 m + NAP). Verder is de verwachting dat landbouwwerkzaamheden en het bosperceel uit de vroege 20 e eeuw tot bodemverstoringen hebben geleid, de dieptes hiervan zijn echter niet bekend. 2.4 Gespecificeerde archeologische verwachting Uit het vooronderzoek bleek dat het plangebied waarschijnlijk op de flank van een terrasafzettingswelving ligt, die aan de oostzijde van het plangebied is afgedekt met dekzand. In de top van de terrasafzettingen is in boringen 1 en 6 sprake van een intacte bodemopbouw in de top van de terrasafzettingen. In de top van het dekzand zijn dergelijke sporen van bodemvorming weliswaar niet aangetroffen, maar gezien de verwachte veldpodzolbodem hoeft dit geen aantasting van het archeologisch relevante niveau te betekenen. Daarom heeft het hele plangebied een hoge verwachting op archeologische resten uit de perioden Neolithicum – Romeinse tijd en Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd.
Uit de periode Laat-Paleolithicum – Neolithicum kunnen basiskampen en zogenaamde extractiekampen, seizoensgebonden plekken waar jagers/verzamelaars gedurende een korte tijd verbleven, worden verwacht. Dergelijke plekken kenmerken zich door een strooiing van bewerkt vuursteen en (eventueel) haardkuilen. Uit de periode Neolithicum – Romeinse tijd en Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd moet rekening worden gehouden met sporen van landgebruik en nederzettingsterreinen, die voor een belangrijk deel uit grondsporen bestaan. Deze kunnen, zeker voor wat betreft de Late Bronstijd tot en met Middeleeuwen, vondstarm zijn. Nederzettingsterreinen kunnen zich onder andere kenmerken door erfstructuren, bestaande uit huisplattegronden, bijgebouwen (zoals spiekers), erfgreppels, omheiningen (staken- en palenrijen), waterputten en kuilen. Uit de periode Bronstijd – Romeinse tijd kunnen bovendien er grafvelden in de vorm van urnenvelden en inhumatiegraven worden verwacht. Uit de Nieuwe Tijd worden voornamelijk sporen van landgebruik verwacht, zoals greppels en verkavelingsstructuren.
10
3. Doel en Methodiek Doel Het doel van dit onderzoek is het toetsen van de archeologische verwachting uit het bureauonderzoek. Dit wordt gedaan door het opsporen (karteren) en waarderen van eventueel aanwezige archeologische resten. Het onderzoek moet voor zover mogelijk inzicht geven in de aard, datering, omvang, gaafheid, conservering en waardering (fysieke en inhoudelijke kwaliteit) van archeologische waarden. Als zodanig dient de vraagstelling te worden beantwoord of binnen de grenzen van de voorgenomen bodemingrepen in het onderzoeksgebied archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, of deze behoudenswaardig zijn en onder welke randvoorwaarden behoud mogelijk is. Voor de onderzoeksvragen en de beantwoording hiervan, zie bijlage 7. Methodiek Het onderzoek betreft een archeologisch proefsleuvenonderzoek dat is uitgevoerd conform het PvE (Magdelijns, 2021). In totaal zijn tien werkputten aangelegd van 25 bij 4 meter (circa 1.000 m2). Vanwege de aanwezigheid van een hek is werkput 7 in tweeën opgedeeld. De proefsleuven zijn aangelegd in de top van de C-horizont (wisselend dekzand en terrasafzettingen) op circa 30,3 – 30,9 m + NAP (circa 30-50 cm – Mv). Waarbij in de meeste werkputten ook kijkgaten zijn gemaakt om inzichtelijk te krijgen in hoeverre meerdere archeologische niveaus aanwezig zijn in het plangebied en hoe de bodem dieper in het plangebied is opgebouwd.
De werkputten zijn gegraven met een graafmachine voorzien van een ‘gladde’ en gesloten bak. Met het machinaal verdiepen zijn het vlak en de putwanden visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van (ophogings)lagen, sporen, vondsten, vondstconcentraties en structuren. Hierbij is tevens gebruik gemaakt van een metaaldetector. Circa de helft van de sporen zijn gecoupeerd om inzicht te krijgen in de aard, datering en conservering van de sporen. Per werkput zijn in de meest representatieve wand twee profielen gedocumenteerd in de werkput aan zowel de noord als zuidzijde tot een diepte van circa 1,2-1,40 m -Mv. Tijdens het onderzoek zijn geen grondmonster genomen, hiervoor was geen aanleiding. De werkputten, het vlak en de profielen en de hierin aangetroffen sporen en vondsten zijn ingemeten met een dGPS en gedocumenteerd door middel van foto’s, tekeningen en beschrijvingen in een database (Archeolink).
11
Figuur 2: Overzichtsfoto werkput 1, vlak 1.
Figuur 3: Overzichtsfoto werkput 6, vlak 1.
12
Figuur 4: Overzichtsfoto werkput 10, vlak 1.
13
4. Resultaten 5.1 Bodemopbouw4 De bodemopbouw is vrij uniform te noemen. Onder een moderne bouwvoor (S1000; vulling 1 'regulier' bouwvoor, vulling 2 ploeglaag) is over het algemeen de natuurlijke ondergrond (C-horizont) aanwezig. In het grootste deel van het plangebied bestaat deze uit terrasafzettingen van de Formatie van Sterksel (S4000; 3 vullingen die zijn onderverdeeld op basis van lemigheid en grindigheid). Plaatselijk is op S4000 nog een restant van het dekzand aanwezig (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden; S3000). Tussen deze beide lagen zijn met name in het zuidwesten van het plangebied in de top van de terrasafzettingen nog restanten van een B-horizont aanwezig (S3500). Daarnaast is plaatselijk nog een menglaag aanwezig onder de bouwvoor waarin verrommelde resten van de voormalige bodemopbouw in te herkennen zijn (S1100; A- en B-horizonten). Uit de profielen ontstaat het beeld dat het plangebied in het verleden geëgaliseerd is. Het oorspronkelijk reliëf zal niet aanzienlijk geweest zijn, maar gezien het reliëf in de terrasafzettingen was het toch enigszins geaccidenteerd. Bij de egalisatie(s) zijn grote delen van de oorspronkelijke top van de natuurlijke ondergrond verwijderd om daarmee lager gelegen delen op te vullen en verder uit te spreiden over het plangebied.
Aanwijzingen hiervoor zijn de verspreide aanwezigheid van (restanten) van dekzand, (restanten) B-horizont in de top van de terrasafzettingen en de laag S1100 met daarin verrommelde resten van de voormalige bodemopbouw.
Figuur 5: Profiel 102 in de zuidwand van werkput 1 (fotograaf: D. Scheeringa).
4
Voor een uitvoerige (lithologische) beschrijving van iedere afzonderlijke laag, wordt verwezen naar de sporen- en lagenlijst (bijlage 5).
14
Figuur 6: Profiel 302 in de zuidwand van werkput 3 (fotograaf: D. Scheeringa).
Figuur 7: Profiel 702 in de noordwand van werkput 7 (Fotograaf: D. Scheeringa).
15
5.2 Sporen In totaal zijn 14 sporen aangetroffen bestaande uit zes paalkuilen, één greppel, een kuil, een karrenspoor en vier natuurlijke sporen. De sporen bevinden zich in de top van de natuurlijke ondergrond. Gezien de egalisatie van het terrein is het niet onwaarschijnlijk dat plaatselijk de bovenkanten van sporen verdwenen. Paalkuilen In werkput 1 is een clustertje van vijf paalkuilen aanwezig (S1 t/m S5; figuur 8) waarvan enkel de onderkant resteert. Tezamen vormen deze sporen een opening in de voorganger van het huidige hekwerk dat net ten noorden van de werkput aanwezig is en de perceelsgrens vormt. Gezien de kleur en vulling dateren deze waarschijnlijk in de tweede helft van de 20e eeuw. In werkput 6 is een los paalspoor (S13; figuur 13) aangetroffen met een paalkern. Gezien de vulling zou deze prehistorisch kunnen zijn, maar een Romeinse datering is ook niet uitgesloten. Greppel In werkput 2 is een greppel aangetroffen (S8; figuur 10). Deze ligt in het verlengde van een verstoring in werkput 1, maar gezien de vulling is een oudere datering ook niet uitgesloten. Gezien het feit dat deze greppel niet op de Kadastrale Minuut uit 1811-1832 staat, is de meest waarschijnlijke optie het hier een 19e of 20e-eeuwse greppel betreft. Kuil Centraal in werkput 2 is een spoor aangetroffen die in het veld als een vermoedelijke kuil geïnterpreteerd is (S9).
Als het een kuil betreft is deze gezien de vulling prehistorisch of Romeins. Een tweede, waarschijnlijkere optie is dat hier toch om een natuurlijk spoor gaat. Het gehele spoor is echter niet aangetroffen omdat de rest van het spoor buiten de werkput doorloopt. Karrenspoor Aan de noordoostzijde van werkput 9 zijn enkele karrensporen aangetroffen (S14; figuur 11). De meeste karrensporen hebben een noordoost-zuidwest oriëntatie. Twee karrensporen hebben een noordwest-zuidoost oriëntatie. De ligging van de karrensporen komt op historisch kaartmateriaal zoals het Kadastraal Minuutplan uit 1811-1832 niet overeen met de weg die in de eerste helft van de 20e eeuw in het plangebied aanwezig is. Gezien de vulling betreft het hier zeer waarschijnlijk wel karrensporen uit de 19e en/of 20e eeuw. 5.3 Vondsten en monsters Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn geen vondsten en monsters verzameld (zie bijlagen 6 en 7).
16
Figuur 8: Het clustertje paalkuilen in het vlak van werkput 1 (fotograaf: D. Scheeringa).
Figuur 9: Coupe van paalspoor S13 (fotograaf D. Scheeringa).
17
Figuur 10: Greppel S8 in profiel 202 in de zuidwand van werkput 2 (fotograaf D. Scheeringa).
Figuur 11: Karrensporen (S14) in het vlak van werkput 9 (fotograaf: D. Scheeringa).
18
5. Waardestelling Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn negen sporen aangetroffen (paalkuilen, een greppel, een kuil, en karrensporen). Vondsten zijn niet aangetroffen. De sporen zijn echter dusdanig verspreidt aangetroffen en uit wisselende perioden dat van een vindplaats niet gesproken kan worden. Aangezien geen sprake is van een vindplaats, kan deze ook niet gewaardeerd worden conform de BRL 4000 / KNA protocol 4003, specificatie VS06 Waarderen.
19
6. Conclusie en Advies Conclusie Verspreid over het plangebied zijn negen sporen aangetroffen, maar deze liggen dusdanig verspreid over het plangebied en hebben een dusdanige wisselende datering dat geen sprake is van een vindplaats. Wel valt uit de profielen af te leiden dat het plangebied in het verleden geëgaliseerd is. Het oorspronkelijk reliëf zal niet aanzienlijk geweest zijn, maar gezien het reliëf in de terrasafzettingen was het toch enigszins geaccidenteerd. Bij de egalisatie(s) zijn grote delen van de oorspronkelijke top van de natuurlijke ondergrond verwijderd om daarmee lager gelegen delen op te vullen en verder uit te spreiden over het plangebied. Aanwijzingen hiervoor zijn de verspreide aanwezigheid van (restanten) van dekzand, (restanten) B-horizont in de top van de terrasafzettingen en de laag S1100 met daarin verrommelde resten van de voormalige bodemopbouw. Advies Wij adviseren om het plangebied archeologisch vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkelingen. Bovenstaande vormt een advies. Op basis van dit advies neemt de bevoegde overheid (gemeente Eersel) een selectiebesluit. Dit proefsleuvenonderzoek betreft een steekproef. Ongeacht het besluit van de bevoegde overheid, attenderen wij op de wettelijke verplichting om archeologische vondsten tijdens de civieltechnische werkzaamheden te melden (conform Erfgoedwet artikel 5.10).
Dit kan via de gemeente Eersel of via de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Selectiebesluit (door dhr. N. Groot op 06-09-2021) Met betrekking tot de archeologische waarde van het plangebied, is door het voorliggende archeologisch onderzoek in voldoende mate vastgesteld dat zich naar alle waarschijnlijkheid geen behoudenswaardige archeologische resten bevinden in de bodem van de hier geplande woningen. Derhalve is archeologisch vervolgonderzoek niet noodzakelijk en kan het gebied worden vrijgegeven voor het aspect archeologie. Omdat de aanwezigheid van archeologische resten nooit geheel kunnen worden uitgesloten op basis van het uitgevoerde onderzoek, blijft de meldingsplicht ten aanzien van archeologische vondsten conform de Erfgoedwet gelden. Dit betekent dat, indien er tijdens toekomstige grondwerkzaamheden toch onverwacht archeologische vondsten en structuren worden aangetroffen, men dit zo spoedig mogelijk bij de gemeente Eersel dient te melden (Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11).
20
7. Geraadpleegde bronnen Archeologische kaarten en databestanden • • • • • •
Archeologisch Informatie Systeem (Archis3), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2015. Archeologische Monumenten Kaart (AMK), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2007. www.bagviewer.kadaster.nl www.pdok.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.topotijdreis.nl
Literatuur • • • • • • • • •
•
SIKB, 2018: Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1). Bakker, H. de & J. Schelling, 1989. Systeem van bodemclassificatie voor Nederland. De hogere niveaus, Wageningen. Berendsen, H.J.A., 2005. Landschappelijk Nederland, Assen. Bont, C.H.M. de, 1993, Al het merkwaardige in bonte afwisseling, Waalre. Borsboom, A.J./J.W.H.P., Verhagen 2009: KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek. Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P), versie 1.02, Gouda (CCvD). Carmiggelt, A./P.J.W.M. Schulten, 2002: Veldhandleiding Archeologie, Archeologie Leidraad 1, Zoetermeer (College voor de Archeologische Kwaliteit). Kooistra, L.I./O., Brinkkemper, 2016: KNA Leidraad Archeobotanie, versie definitief 1.01, Gouda (CCvD). Lauwerier, R.C.G.M., 2011: KNA Leidraad Archeozoölogie, versie definitief 1.01, Gouda (CCvD). Magdelijns, N., 2021. Eersel, Posteldeweg 60. Gemeente Eersel (NB). Een inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven, karterende en waarderende fase. Nieuwegein (Transect-PvE 20210415 / NM1.2). Rap, J., 2020. Een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Eersel, Postelseweg 60, gemeente Eersel (NB), Nieuwegein (Transect-rapport 2929).
21
Bijlage 1. Archeologische periode-indeling voor Nederland Periode
Deel-/subperiode
Recent
Van
Tot
1945 na Chr.
2050 na Chr.
Nieuwe tijd
Late-Nieuwe tijd Midden-Nieuwe tijd Vroege-Nieuwe tijd
1850 na Chr. 1650 na Chr. 1500 na Chr.
1945 na Chr. 1850 na Chr. 1650 na Chr.
Middeleeuwen
Late-Middeleeuwen B Late-Middeleeuwen A Vroege-Middeleeuwen D Vroege-Middeleeuwen C Vroege-Middeleeuwen B Vroege-Middeleeuwen A
1250 na Chr. 1050 na Chr. 900 na Chr. 725 na Chr. 525 na Chr. 450 na Chr.
1500 na Chr. 1250 na Chr. 1050 na Chr. 900 na Chr. 725 na Chr. 525 na Chr.
Romeinse Tijd
Laat-Romeinse tijd B Laat-Romeinse tijd A Midden-Romeinse tijd B Midden-Romeinse tijd A Vroeg-Romeinse tijd B Vroeg-Romeinse tijd A
350 na Chr. 270 na Chr. 150 na Chr. 70 na Chr. 25 na Chr. 12 voor Chr.
450 na Chr. 350 na Chr. 270 na Chr. 150 na Chr. 70 na Chr. 25 na Chr.
IJzertijd
Late-IJzertijd Midden-IJzertijd Vroege-IJzertijd
250 voor Chr. 500 voor Chr. 800 voor Chr.
12 voor Chr. 250 voor Chr. 500 voor Chr.
Bronstijd
Late-Bronstijd Midden-Bronstijd B Midden-Bronstijd A Vroege-Bronstijd
1100 voor Chr. 1500 voor Chr. 1800 voor Chr. 2000 voor Chr.
800 voor Chr. 1100 voor Chr. 1500 voor Chr. 1800 voor Chr.
Neolithicum
Laat-Neolithicum B Laat-Neolithicum A Midden-Neolithicum B Midden-Neolithicum A Vroeg-Neolithicum B Vroeg-Neolithicum A
2450 voor Chr. 2850 voor Chr. 3400 voor Chr. 4200 voor Chr. 4900 voor Chr. 5300 voor Chr.
2000 voor Chr. 2450 voor Chr. 2850 voor Chr. 3400 voor Chr. 4200 voor Chr. 4900 voor Chr.
Mesolithicum
Laat-Mesolithicum Midden-Mesolithicum Vroeg-Mesolithicum
6450 voor Chr. 7100 voor Chr. 8800 voor Chr.
4900 voor Chr. 6450 voor Chr. 7100 voor Chr.
Paleolithicum
Laat-Paleolithicum B Laat-Paleolithicum A Midden-Paleolithicum Vroeg-Paleolithicum
18.000 BP 35.000 BP 300.000 BP -
8.800 voor Chr. 18.000 BP 35.000 BP 300.000 BP
22
Bijlage 2. Allesporenkaart
23
Bijlage 3. Vlaktekeningen
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
Bijlage 4. Sporen- en lagenlijst Put
Spoor
Spooraard
Spoordiepte
Vulling
Kleur
Kleurstruc
Textuur
Org_stof
1
1
PK
4
1
BRGR
Het.
Zs1
H2
(Sub)recent, g2, matig fijn, matig gesorteerd
1
2
PK
6
1
DBRGR
Het.
Zs1
H2
(Sub)recent, g2, matig fijn, matig gesorteerd
1
3
PK
6
1
BRGR
Het.
Zs1
H2
(Sub)recent, g2, matig fijn, matig gesorteerd
1
4
PK
1
BRGR
Het.
Zs1
H2
(Sub)recent, g2, matig fijn, matig gesorteerd
1
5
PK
1
BRGR
Het.
Zs1
H2
(Sub)recent, g2, matig fijn, matig gesorteerd
2
6
NAT
6
1
LGRGE
Het.
Zs2
H1
Matig fijn, matig gesorteerd
2
7
NAT
12
1
GR
Hom.
Zs3
H2
Matig fijn, matig gesorteerd
2
8
GR
15
1
DBR
Het.
Zs1
H2
Matig grof, matig gesorteerd
2
9
KL
16
1
BRGR
Het.
Zs1
H1
Matig grof, matig gesorteerd
3
10
NAT
1
BRGR
Het.
Zs1
H1
Matig fijn, matig gesorteerd
4
11
NAT
1
BRGR
Het.
Zs2
H1
G1, matig fijn, matig gesorteerd
4
12
NAT
1
BRGR
Het.
Zs2
H1
G3, matig grof, matig gesorteerd
6
13
PGK
12
1
DBRGR
Hom.
Zs1
H2
KRN
Matig fijn, matig gesorteerd
6
13
PGK
12
2
BRGR
Hom.
Zs1
H1
INS
Matig fijn, matig gesorteerd
9
14
KS
17
1
BRGR
Het.
Zs2
H2
Matig fijn, matig gesorteerd
1
1000
BV
1
BRZW
Hom.
Zs1
H2
G2, matig fijn, matig gesorteerd
1
1000
BV
2
DBR
Het.
Zs1
H2
4
1100
GVB
1
BRGR
Het.
Zs3
H1
4
1100
GVB
2
ZWBR
Het.
Zs2
H2
4
1100
ML
3
WIZW
Zs3
H2
Zandbrokken, ploeglaag, matig fijn, matig gesorteerd G1, zand- + leembrokken, matig fijn, matig gesorteerd Zandbrokken (omgewerkte A- en B-horizonten, matig fijn, matig gesorteerd G2, zandbrokken, matig fijn, matig gesorteerd
8
2500
B
1
BR
Zs2
H1
Gelaagd, matig fijn, matig gesorteerd, dekzand
3
3000
C
1
GE
Zs2
2
3500
B
1
BR
Zs2
15
Vullingaard
Opmerking
Fe2, matig fijn, matig gesorteerd, dekzand H1
G2, matig fijn, matig gesorteerd, terrasafzettingen 34
1
4000
C
1
GEWI
Zs2
1
4000
C
2
GEWI
Lz3
Gelaagd, g3, matig fijn tot matig grof, g2-3, terrasafzettingen Fe2, terrasafzettingen
1
4000
C
3
LOR
Gz3
Fe2, slecht gesorteerd, terrasafzettingen
35
Bijlage 5. Vondstenlijst Put
Vlak
Spoor
Spooraard
Vulling
Segment
Vak
Veldvondst
Categorie
Aantal
Verz.wijze
Opmerking
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
36
Bijlage 6. Monsterlijst Put
Vlak
Spoor
Spooraard
Vulling
Segment
Vak
Veldvondst
Categorie
Aantal
Verz.wijze
Opmerking
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
37
Bijlage 7. Beantwoording onderzoeksvragen 1.
Zijn er in het plangebied archeologische resten aanwezig in de vorm van grondsporen, en/of vondsten? Verspreidt over het plangebied zijn negen sporen aangetroffen, zes paalkuilen, een kuil, een greppel en karrensporen. Vondsten zijn niet aangetroffen.
2.
Hoe ziet de bodemopbouw in het plangebied eruit en in hoeverre is deze intact? De bodemopbouw is vrij uniform te noemen. Onder een moderne bouwvoor (S1000; vulling 1 'regulier' bouwvoor, vulling 2 ploeglaag) is over het algemeen de natuurlijke ondergrond (C-horizont) aanwezig. In het grootste deel van het plangebied bestaat deze uit terrasafzettingen van de Formatie van Sterksel (S4000; 3 vullingen die zijn onderverdeeld op basis van lemigheid en grindigheid). Plaatselijk is op S4000 nog een restant van het dekzand aanwezig (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden; S3000). Tussen deze beide lagen zijn met name in het zuidwesten van het plangebied in de top van de terrasafzettingen nog restanten van een B-horizont aanwezig (S3500). Deze is aanwezig in de top van de terrasafzettingen. Daarnaast is plaatselijk nog een menglaag aanwezig onder de bouwvoor waarin verrommelde resten van de voormalige bodemopbouw in te herkennen zijn (S1100; A- en B-horizonten). Uit de profielen ontstaat het beeld dat het plangebied in het verleden geëgaliseerd is. Het oorspronkelijk reliëf zal niet aanzienlijk geweest zijn, maar gezien het reliëf in de terrasafzettingen was het toch enigszins geaccidenteerd.
Bij de egalisatie(s) zijn grote delen van de oorspronkelijke top van de natuurlijke ondergrond verwijderd om daarmee lager gelegen delen op te vullen en verder uit te spreiden over het plangebied. Aanwijzingen hiervoor zijn de verspreide aanwezigheid van (restanten) van dekzand, (restanten) B-horizont in de top van de terrasafzettingen en de laag S1100 met daarin verrommelde resten van de voormalige bodemopbouw.
3.
Wat is de aard, diepteligging, samenhang en spreiding van de aanwezige archeologische resten, grondsporen en structuren (horizontaal en verticaal)? De sporen zijn verspreid over het plangebied aangetroffen. Vijf paalkuilen in wp1 vormen waarschijnlijk een opening in de voorganger van het huidige hekwerk. Centraal in het plangebied is een oudere paalkuil aanwezig. In het zuiden zijn een greppel en een vermoedelijke kuil aangetroffen. De greppel heeft waarschijnlijk een 19e- of 20e-eeuwse datering. De datering van de kuil is onduidelijk. In het noordoosten zijn karrensporen aanwezig. Deze dateren waarschijnlijk in de Late Nieuwe Tijd. Alle sporen tekenen zich af in de top van de natuurlijke ondergrond.
4.
Wat is de datering van de archeologische resten op basis van (chrono-)stratigrafie en typochronologie? En in hoeverre is er sprake van (dis-)continuïteit in gebruik/bewoning? Zie beantwoording vraag 3.
5.
Welke categorieën vondstmateriaal zijn aanwezig en in welke mate (ook in relatie tot elkaar)? Wat zegt de aard en mate van voorkomen van het vondstmateriaal over het gebruik van het plangebied in het verleden? Er is geen vondstmateriaal aangetroffen.
6.
Welke depositionele en post-depositionele processen zijn te onderscheiden en in hoeverre hebben deze invloed gehad op de bewoningsgeschiedenis en vondstcontexten? Zie beantwoording vraag 2.
7.
Hoe verhouden de onderzoeksresultaten zich tot de resultaten uit het vooronderzoek? In het vooronderzoek is een hoge verwachting opgesteld. Deze kan naar laag worden bijgesteld. De resultaten uit het proefsleuvenonderzoek wijken dus deels af van die uit het vooronderzoek. De bodemopbouw komt wel min of meer overeen. 38
8.
Wat is de relatie met omliggende historische/archeologische resten? N.v.t.
9.
Wat is de fysieke en inhoudelijke kwaliteit van de aangetroffen archeologische resten (gaafheid en conserveringsgraad)? Is sprake van (een) behoudenswaardige archeologische vindplaats(en)? (Maak voor het beantwoorden van deze vraag gebruik van de KNA-waarderingssystematiek). N.v.t. van een vindplaats is namelijk geen sprake.
10. Kan op basis van de resultaten een advies geformuleerd worden t.a.v. het vervolg in de archeologische monumentenzorg (vrijgeven/behoud in situ/opgraven). Zo ja, hoe luidt deze? Vrijgeven. 11. Zijn er vanuit de toestand van de archeologische resten, bodemcondities en toekomstig gebruik mogelijkheden voor behoud in situ? Niet van toepassing. 12. Bij afwezigheid van een vindplaats; wat is hier de verklaring voor (verstoord, ander landschap dan verwacht, e.d.)? Zie beantwoording vraag 2.
39