[21.10938] - Vormvrije m.e.r. beoordeling fietspad en brink mr. de la courtstraat Vessem
Tekst van het document
Pouderoyen Tonnaer is een handelsnaam van Tonnaer Adviseurs in Omgevingsrecht B.V. Vestigingen te Nijmegen, Vught, Baexem en Voerendaal
AANMELDINGSNOTITIE M.E.R.-BEOORDELING Ontwikkeling fietspad en brink Mr. De La Courstraat / Maaskant te Vessem – Gemeente Eersel
Op onze dienstverlening zijn de DNR 2011 voorwaarden van toepassing die u vindt op pouderoyentonnaer.nl
J200666.006/AHE, pagina 2 van 30
AANMELDINGSNOTITIE M.E.R.-BEOORDELING ONTWIKKELING FIETSPAD EN BRINK MR. DE LA COURTSTRAAT / MAASKANT TE VESSEM – GEMEENTE EERSEL
AUTEUR: NUMMER: STATUS: DATUM:
L. J. M. Genefaas J200666 definitief 30 april 2021
J200666.006/AHE, pagina 3 van 30
INHOUD 1
2
Inleiding ........................................................................................................................................ 5 1.1
Achtergrond ......................................................................................................................... 5
1.2
Besluit milieueffectrapportage ............................................................................................ 7
1.3
Procedure............................................................................................................................. 8
Kenmerken van het project .......................................................................................................... 9 2.1
Inleiding ............................................................................................................................... 9
2.2
Omvang en aard van het project ......................................................................................... 9
2.2.1
3
4
Algemeen ......................................................................................................................... 9
2.3
Mogelijke cumulatie-effecten ............................................................................................ 10
2.4
Verontreinig en hinder....................................................................................................... 10
2.5
Risico op ongevallen .......................................................................................................... 10
Plaats van het project ................................................................................................................. 12 3.1
Inleiding ............................................................................................................................. 12
3.2
Locatie plangebied ............................................................................................................. 12
3.3
Kenmerken van de locatie en natuurwaarden .................................................................. 13
3.3.1
Kenmerken van de locatie ............................................................................................. 13
3.3.2
Natuurwaarden - gebiedsbescherming ......................................................................... 14
3.3.3
Natuurwaarden - soortenbescherming ......................................................................... 14
Kenmerken van de potentiele effecten ...................................................................................... 15 4.1
Bodem ................................................................................................................................ 15
4.2
Geluid ................................................................................................................................. 15
4.3
Geur ................................................................................................................................... 16
4.4
Bedrijven en milieuzonering .............................................................................................. 16
4.5
Gezondheid ........................................................................................................................ 17
4.6
Spuitzones .......................................................................................................................... 18
4.7
Externe veiligheid .............................................................................................................. 19
4.8
Luchtkwaliteit .................................................................................................................... 19
4.9
Water ................................................................................................................................. 20
4.9.1
Nationaal waterplan ...................................................................................................... 20
4.9.2
Waterbeheerplan 2016-2021 'Waardevol Water' ......................................................... 21
J200666.006/AHE, pagina 4 van 30
4.9.3
Brabant Keur .................................................................................................................. 22
4.9.4
Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2021 ....................................................... 22
4.9.5
Gevolg planvoornemen ................................................................................................. 23
4.10
Kabels en leidingen ............................................................................................................ 25
4.11
Archeologie en cultuurhistorie .......................................................................................... 25
4.11.1
Archeologie................................................................................................................ 25
4.11.2
Cultuurhistorie........................................................................................................... 27
5
Conclusie..................................................................................................................................... 29
6
Bijlagen ....................................................................................................................................... 30
J200666.006/AHE, pagina 5 van 30
1
INLEIDING
1.1
Achtergrond
Gemeente Eersel is voornemens om het vrijliggend fietspad aan de Mr. de la Courtstraat te verlengen in westelijke richting, in de richting van de bebouwde kom van Vessem. In dit kader wordt parallel aan de Mr. De la Courstraat, ter hoogte van het traject tussen de Maaskant en de grens van de bebouwde kom van Vessem, een vrijliggend fietspad gerealiseerd. De gronden gelegen ten noorden van het beoogde fietspad worden ingericht als brink. Binnen de brink worden bomen aangeplant (waaronder diverse fruitbomen, populieren en lindes), wordt een picknickplaats met schuilvoorziening opgericht en een aantal onverharde voetpaden gerealiseerd. Hiermee wordt de brink die vroeger op deze locatie aanwezig was hersteld.
Figuur 1 Ligging en uitstraling plangebied
Ter plaatse van het plangebied is het bestemmingsplan 'Buitengebied 2017' (vastgesteld 3 juli 2018) vigerend. Op basis van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2017' zijn de gronden waar het fietspad en de brink zijn voorzien bestemd als 'Agrarisch', deels met de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 6'. Ook geldt dat de gronden zijn gelegen binnen de gebiedsaanduidingen 'luchtvaartverkeerzone – obstakelbeheergebieden', 'milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied', 'milieuzone – vogelbeheersgebied' en 'overige zone – beperkingen veehouderij'. Daarnaast is het bestemmingsplan 'Buitengebied 2017, eerste herziening' (vastgesteld 29 januari 2019) van toepassing. Voor het plangebied heeft deze eerste herziening alleen betrekking op de regels. De verbeelding blijft voor het plangebied ongewijzigd van toepassing.
J200666.006/AHE, pagina 6 van 30
Figuur 2 Globale ligging plangebied
Om de realisatie van het fietspad en de brink (inclusief aanplant bomen en een schuilvoorziening ter hoogte van maximaal 3 meter) planologisch-juridisch gezien mogelijk te maken, dient van het geldend bestemmingsplan te worden afgeweken. Hiervoor wordt het geldend bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied herzien. Met de bestemmingsplanherziening wordt een passend planologisch kader geschapen waarbinnen het fietspad gerealiseerd en de oude brink (inclusief picknickplaats met schuilvoorziening) hersteld c.q. aangelegd kan worden. Deze aanmeldingsnotitie is een voorbereiding op de bestemmingsplanprocedure. Op basis van deze aanmeldingsnotitie dient het bevoegd gezag (het college) een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen het planvoornemen (eventueel) voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
J200666.006/AHE, pagina 7 van 30
1.2
Besluit milieueffectrapportage
In de Wet milieubeheer (Wm) en het bijbehorende Besluit m.e.r. zijn activiteiten genoemd waarvoor een milieueffectrapportage (MER) dient te worden opgesteld. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in activiteiten waarvoor een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen (m.e.r.-plicht) en activiteiten waarvoor het bevoegd gezag dient te beoordelen of een m.e.r.-procedure al dan niet nodig is (m.e.r.beoordelingsplicht). De voorgenomen activiteit (realisatie van een vrijliggend fietspad en de brink) is niet opgenomen in onderdeel C van het Besluit Milieueffectenrapportage en is daarom niet aan te merken als een activiteit waarvoor een directe m.e.r.-plicht geldt. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (9) van de bijlage van het Besluit Milieueffectenrapportage (Besluit m.e.r.) het volgende opgenomen: “Een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan”. De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een functiewijziging met een oppervlakte van 125 hectare of meer van water, natuur, recreatie of landbouw of vestiging van een glastuinbouwgebied of bloembollenteeltgebied van 50 hectare of meer. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Er dient wel een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd.
Figuur 3 Uitsnede van onderdeel D, categorie 9 van het besluit milieueffectrapportage
Voor een m.e.r.-beoordeling gelden geen vereisten voor de diepgang van het onderzoek. Veelal
J200666.006/AHE, pagina 8 van 30
wordt bij aanvragen van na 7 juli 2017, waarbij sprake is van een vormvrije m.e.r.-beoordeling, een aanmeldingsnotitie opgesteld. Doel hiervan is om objectief informatie over de mogelijk relevante milieugevolgen van de beoogde ontwikkeling te verzamelen. Bij een m.e.r.-beoordeling gaat het vooral om het verkrijgen van inzicht in de milieuthema’s die mogelijk de grootste impact hebben op de omgeving en om na te gaan of er mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De wettelijke regeling voor de m.e.r.-beoordeling gaat uit van het principe 'nee, tenzij': een m.e.r.procedure is alleen nodig als er sprake is van 'belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu'. Op grond van de Wm houdt het bevoegd gezag bij haar besluit rekening met de omstandigheden zoals aangegeven in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, te weten: Kenmerken van het project; Locatie van het project; Kenmerken van de potentiële effecten (in samenhang met de eerste twee criteria). In het volgende hoofdstuk (2) komen de kenmerken van het project aan bod. In hoofdstuk 3 wordt de locatie van het project beschreven. Tot slot worden in hoofdstuk 4 de kenmerken van de potentiële effecten weergegeven.
1.3
Procedure
Paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer (Wm) schrijft voor dat de degene die een activiteit wil ondernemen die is opgenomen in artikel 7.2, eerste lid, onder b en verzoekt tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid, dit schriftelijk mededeelt aan bevoegd gezag. De aanmeldingsnotitie is hiervoor een veelgebruikt document. Na de ontvangst van de betreffende informatie (aanmeldingsnotitie), dient het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen. Hierin dient zij af te wegen of bij de voorbereiding van het besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die deze voor het milieu kan hebben, een MER (milieueffectrapport) is vereist. Het besluit van het bevoegd gezag dient binnen de 6 weken termijn te worden medegedeeld aan de aanvrager. Publicatie van het besluit is niet nodig. Wel dient het beoordelingsbesluit uiteindelijk bijgevoegd te worden bij de vergunningaanvraag/stukken ten behoeve van de bestemmingsplanprocedure. Tegen het besluit op de aanmeldingsnotitie staat individueel geen bezwaar/ beroep open. Dit wordt betrokken in het overkoepelend besluit, in dit geval van het bestemmingsplan.
J200666.006/AHE, pagina 9 van 30
2
KENMERKEN VAN HET PROJECT
2.1
Inleiding
Als eerste hoofdcriterium wordt genoemd: de kenmerken van het project. Hierbij komen naast algemene gegevens van het project, zoals de omvang en de aard van de voorgenomen activiteit ook mogelijke cumulatie-effecten met andere nabijgelegen projecten aan de orde.
2.2
Omvang en aard van het project
2.2.1 Algemeen Onderhavig plangebied wordt gevormd door een agrarisch perceel gelegen ten zuidoosten van de kern Vessem, in de nabijheid van de buurtschappen Veneind en Maaskant. Het plangebied wordt aan de zuidzijde begrensd door de Mr. de la Courtstraat. De Mr. de la Courtstraat vormt de verbindingsweg tussen de kernen Vessem en Knegsel. Gezien het feit dat voor het traject tussen de kruising met de Maaskant en de grens van de bebouwde kom van Vessem geen sprake is van een vrijliggend fietspad en hier een snelheidslimiet van 60 km/u geldt, wordt de verkeerssituatie hier als onveilig ervaren. Dit vanwege het smalle wegprofiel en de bestaande laanbeplanting kort op de weg. Het voornemen bestaat om aan de Mr. De la Courtstraat een vrijliggend fietspad en brink te realiseren. Onderstaand figuur geeft een impressie van de beoogde situatie weer.
Figuur 4 Beoogde situatie
Realisatie fietspad Het fietspad wordt gerealiseerd aan de noordzijde van de Mr. de la Courstraat. Het fietspad is 3 meter breed en ca. 150 meter lang. Het fietspad voorziet, net als het bestaande gedeelte, in twee fietsrichtingen. Globaal gezien is het fietspad gelegen tussen de kruising van de Mr. de la Courtstraat met de Maaskant en de grens van de bebouwde kom van Vessem. Het fietspad sluit aan op het reeds bestaande fietspad aan de Mr. de la Courtstraat, dat ten oosten van de kruising met de Maaskant is
J200666.006/AHE, pagina 10 van 30
gelegen. De fietsverbinding tussen Vessem en Knegsel wordt hiermee geoptimaliseerd. Tussen het aan te leggen fietspad en de bestaande weg c.q. bestaande laanbeplanting wordt een bermsloot ten behoeve van de afwatering aangelegd. Realisatie / herstel brink Ten noorden van het aan te leggen fietspad wordt een brink gerealiseerd. De brink wordt gerealiseerd op een locatie waar in het verleden reeds een brink aanwezig is geweest. Om die reden kan ook gesproken worden over het herstel van de brink. De brink wordt uitgevoerd met gebiedseigen beplanting zoals een meidoornhaag, populieren, lindes en fruitbomen. Door de aanplant van bepaalde soort bomen in een rij worden 'lijnen' binnen de brink geaccentueerd. Binnen de brink worden onverharde voetpaden aangelegd en er wordt een aansluiting met het oostelijk gelegen bospad aan de Maaskant gemaakt. Aan de zuidoostelijke zijde van de brink wordt een picknickplaats met schuilvoorziening gerealiseerd. De schuilvoorziening is maximaal 3 meter hoog en ongeveer 10 m2 groot.
2.3
Mogelijke cumulatie-effecten
Dit voornemen voorziet enkel in de realisatie van een vrijliggend fietspad en de aanleg van een brink (incl. picknickplaats met schuilvoorziening). Het vrijliggend fietspad dient ter verbetering van de verkeersveiligheid voor fietsers en voetgangers tussen de kernen Vessem en Knegsel. Hiermee wordt aangesloten op een bestaande stedelijke ontwikkeling en vindt middels een beperkt nieuw ruimtebeslag een verbetering van de bestaande infrastructuur plaats. Gezien de aard en kleinschaligheid van het voornemen, zijn er geen cumulatie-effecten te verwachten.
2.4
Verontreinig en hinder
Ten gevolge van de aanleg en het gebruik van het fietspad en de brink zijn geen (significante) verontreinigingen van de bodem, het grondwater, de lucht of andere natuurlijke elementen te verwachten. De gronden worden in de toekomstige situatie immers gebruikt voor natuurontwikkeling en extensieve recreatieve doeleinden. Het huidig agrarisch grondgebruik en de eventueel hinderlijke effecten hiervan worden hiermee beëindigd. Ook het doen ontstaan van (onevenredige) hinder voor omliggende functies is wegens de aard en kleinschaligheid van het planvoornemen uitgesloten. Met het oog op het planvoornemen zijn de diverse relevante milieuaspecten tevens getoetst. Voor de resultaten wordt verwezen naar hoofdstuk 4 van deze aanmeldingsnotitie.
2.5
Risico op ongevallen
Dit planvoornemen voorziet niet in de oprichting van een (beperkt) kwetsbaar object. Daarnaast is er geen sprake van een ontwikkeling van een locatie waar men langdurig verblijft. Ook voorziet het
J200666.006/AHE, pagina 11 van 30
planvoornemen niet in de oprichting van een risicobron. Het risico op ongevallen neemt daarom ten gevolge van het planvoornemen niet toe. Tot slot geldt dat het planvoornemen bijdraagt aan het verbeteren van de verkeersveiligheid voor fietsers en voetgangers tussen de kernen Vessem en Knegsel. Zodoende wordt er met dit planvoornemen zelfs naar gestreefd het risico op (verkeers)ongevallen te beperken.
J200666.006/AHE, pagina 12 van 30
3
PLAATS VAN HET PROJECT
3.1
Inleiding
Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop een project van invloed kan zijn, dient te worden betrokken het bestaande grondgebruik, de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied, het opnamevermogen van het natuurlijke milieu met in het bijzonder aandacht voor de beschermde gebieden.
3.2
Locatie plangebied
Het plangebied wordt gevormd door het zuidelijk deel van het perceel kadastraal bekend als gemeente Vessem, sectie L, nummer 505. Aan de noordzijde wordt het plangebied begrensd door agrarische gronden. De oostzijde van het plangebied wordt begrensd door de weg Maaskant en enkele bospercelen in combinatie met agrarische gronden. De weg Mr. de la Courtstraat begrenst het plangebied aan de zuidzijde met aan de overzijde enkele woonpercelen. Tot slot, de westzijde van het plangebied wordt begrensd door de watergang Hazenloop met aangrenzend een woonperceel.
Figuur 5 Indicatie ligging en begrenzing plangebied
J200666.006/AHE, pagina 13 van 30
3.3
Kenmerken van de locatie en natuurwaarden
3.3.1 Kenmerken van de locatie Onderhavig plangebied is ten zuidoosten van de kern Vessem gelegen, in de nabijheid van de buurtschappen Veneind en Maaskant. Rondom de kern Vessem zijn nog restanten van oude akkercomplexen met bolle akkers, oude buurtschappen en linten en kleine boscomplexen in het landschap te onderscheiden. Dit leidt tot een afwisseling in het landschap van lange en korte zichtlijnen, coulisselandschappen met laanbeplantingen, houtwallen en singelbeplantingen. De ruimtelijke verscheidenheid van houtopstanden, bosperceeltjes en open natuur- en landbouwgebieden maken het gebied rondom de kern Vessem (en de overige woonkernen binnen de gemeente Eersel) tot een aantrekkelijk leefgebied voor struweelvogels. Ten noordwesten c.q. westen van het plangebied zijn de straten 'Postels Huufke' en 'Katerstraat' gelegen. Deze straten vormden de grens van het landelijke en het verstedelijkte gebied van de kern Vessem. Inmiddels bestaat het voornemen om het gebied ten zuiden van de straat te herontwikkelen naar woonlocatie (gelegen binnen buurtschap Veneind, geel aangeduid op onderstaand figuur). Het bestemmingsplan hiertoe ligt momenteel als ontwerp ter inzage. De Mr. de la Courtstraat is de toegangsweg naar de kern Vessem en komt uit op de straat Postels Huufke. De Mr. de la Courtstraat is hiermee één van de hoofdtoegangswegen van Vessem.
Deze hoofdtoegangsweg is ter hoogte van het plangebied ingericht als een weg in het buitengebied. De aangrenzende bebouwing is variabel, met voornamelijk (voormalige) agrarische bebouwing. Op korte afstand ten noorden van het plangebied is het buurtschap Maaskant gelegen (aan de gelijknamige straat).
Figuur 6 Kenmerken gebied
J200666.006/AHE, pagina 14 van 30
3.3.2 Natuurwaarden - gebiedsbescherming In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen natuurgebieden gelegen die als Natura 2000gebied zijn aangewezen. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is op ca. 1,2 km afstand gelegen. Dit betreft een deelgebied van Natura 2000-gebied Kemperland West (natuurlijke zone langs de Kleine Beerze). Gelet op de kleinschaligheid van de beoogde activiteit en de afstand tot Natura 2000-gebieden, zijn negatieve effecten voor licht, geluid en trillingen ten gevolge van de realisatie en in gebruik name van het fietspad en de brink uit te sluiten. Tevens maakt het plangebied geen onderdeel uit van het NNN dan wel is niet in de directe nabijheid van het NNN gelegen. Negatieve effecten ten aanzien van stikstof zijn op voorhand niet uit te sluiten. Om deze reden is door Pouderoyen Tonnaer een onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd. In de gebruiksfase is geen sprake van stikstofdepositie omdat het enkel de aanleg van fietspad en brink met bijbehorende voorzieningen ten behoeve van langzaam verkeer betreft. Uit de Aeriusberekening volgen geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j (zie ook Bijlage 1). Negatieve effecten ten gevolge van stikstof op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden kunnen op basis van het voorgaande worden uitgesloten, waardoor een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming niet is vereist.
Conclusie Geconcludeerd wordt dat het plan geen negatieve gevolgen instandhoudingsdoelstellingen van natuurlijke habitats en soorten.
heeft
voor
de
3.3.3 Natuurwaarden - soortenbescherming Om in te schatten of er op de plangebied planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep, is door Archimil BV een quickscan ecologie uitgevoerd (rapportnr. 3276R006.4, d.d. 14 oktober 2020). In de conclusie van de quickscan is in onderstaande overgenomen. De quickscan is tevens toegevoegd als Bijlage 2 bij deze aanmeldingsnotitie. Binnen het plangebied zijn geen beschermde flora en fauna waargenomen die een belemmering kunnen vormen voor het voorgenomen plan. Ook worden, op basis van het gebruik van de locatie en de directe omgeving, geen beschermde flora en fauna verwacht. Conclusie Op basis van de quickscan wordt een aanvullend of nader onderzoek naar de aanwezige flora en fauna, voor de geplande activiteiten, niet noodzakelijk geacht. Voor de geplande activiteiten is op basis van de bekende gegevens geen ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk.
J200666.006/AHE, pagina 15 van 30
4
KENMERKEN VAN DE POTENTIELE EFFECTEN
4.1
Bodem
Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden bezien of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Met voorgenomen ontwikkeling wordt voorzien in de ontwikkeling van een vrijliggend fietspad en een brink met kleinschalige schuilvoorziening. Door Aelmans Eco B.V. is middels een historisch bodemonderzoek conform NEN-5725:2017 onderzocht of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een indicatie van een bodemverontreiniging. De resultaten en conclusie van het onderzoek (d.d. 27 november 2020, rapportnr. E204158.001/TRE) zijn in deze paragraaf overgenomen. Het onderzoeksrapport is tevens als Bijlage 3 bij deze aanmeldingsnotitie opgenomen. Resultaten Het plangebied is uitsluitend gebruikt als akker- c.q. weiland. Uit de voorhanden zijnde historische informatie zijn geen aanwijzingen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van mogelijke bodemverontreinigingen en/of bodembedreigende activiteiten. Daarnaast zijn tijdens de terreininspectie geen aanwijzingen geweest, welke zouden kunnen wijzen op enige vorm van bodemverontreiniging.
Daar er geen specifieke bronnen (behoudens het diffuus karakter van het gehele grondgebied van Nederland) voorhanden zijn, waardoor onderhavig plangebied als verdacht met betrekking tot PFAS dient te worden bestempeld, is het niet doelmatig om de grond aanvullend op PFAS te onderzoeken. Indien echter grond dient te worden afgevoerd, dient men wel rekening te houden met eventuele aanvullende onderzoeken. In deze onderzoeken dient dan tevens PFASonderzoek te worden meegenomen. Conclusie Omdat verder geen aanleidingen of wijzigingen zijn waargenomen omtrent een wijziging van destijds aangetroffen bodemkwaliteit, kan onderhavige perceel als "onverdacht" worden bestempeld. Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.2
Geluid
Wettelijke kader Het wettelijk kader bij ruimtelijke procedures is de Wet geluidhinder (Wgh). Deze wet biedt geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen, bescherming tegen geluidhinder van geluidsbronnen: wegverkeer, spoorwegen, industrie en luchtvaart. De bescherming vindt primair plaats door middel van zonering. De zonering betreft een afstand, uitgaande van een geluidsbron, waarbinnen het normenstelsel uit de Wgh van toepassing is. Deze normen mogen niet verward worden met de normen die gelden in geval van een milieuvergunning. Hiervoor gelden andere normen en procedures, welke niet
J200666.006/AHE, pagina 16 van 30
vergelijkbaar zijn met het normenstelsel uit de Wgh. Op grond van de Wgh gelden grenswaarden op basis waarvan de bouw van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de geluidszone wordt beperkt of wordt verboden. Wegverkeerslawaai, spoorweglawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai kennen ieder afzonderlijke normen. Het planvoornemen voorziet niet in het toevoegen van een geluidsgevoelig object. Ook is geen sprake van een functie die geluidhinder veroorzaakt. De geluidseffecten veroorzaakt door het gebruik van het aan te leggen fietspad (alleen langzaam verkeer) en de brink met bijbehorende voorzieningen zijn te verwaarlozen, zeker wanneer deze in verband met de reeds bestaande fietspaden en wegen langs de Mr. de la Courtstraat en Maaskant worden beschouwd. Het aspect 'Geluid' vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
4.3
Geur
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader bij vergunningverlening voor geur veroorzaakt door dierenverblijven van veehouderijen. Indirect heeft de Wgv consequenties voor de ruimtelijke ordening, dit wordt wel de omgekeerde werking genoemd. Voor het beoordelen van ruimtelijke plannen moet een toets op de 'omgekeerde werking' van de Wgv worden uitgevoerd. Met het voorgenomen plan worden geen geurgevoelige of -veroorzakende functies toegevoegd. Het betreft enkel de aanleg van een fietspad en brink met bijbehorende voorzieningen. Het aspect geur vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig voornemen.
4.4
Bedrijven en milieuzonering
Wettelijk kader In de publicatie “Bedrijven en Milieuzonering” van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) is een lijst met indicatieve richtafstanden opgenomen voor milieubelastende bedrijfsactiviteiten ten opzichte van gevoelige bestemmingen. De bedrijfsactiviteiten worden aan de hand van een milieucategorie verbonden met een maximale (indicatieve) hinderafstand. Deze afstand (zonering) wordt bepaald door enerzijds de aard van het bedrijf en anderzijds door het karakter van zijn omgeving. De richtafstanden zijn niet wettelijk voorgeschreven en gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven en zijn geschreven voor nieuwe situaties. Indien bekend is welke activiteiten concreet beoogd worden, dan kan gemotiveerd worden afgeweken van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van richtafstanden). Voor bestaande bedrijven geldt allereerst de geldende omgevingsvergunning of de richtlijnen uit de geldende AMvB.
Conclusie Met het voorgenomen plan worden een fietspad en een brink met bijbehorende voorzieningen
J200666.006/AHE, pagina 17 van 30
gerealiseerd. Dit betreft geen hindergevoelige of -veroorzakende functie. Het aspect 'Bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.
4.5
Gezondheid
Geitenhouderijen Uit het VGO onderzoek blijkt een verhoogde kans op longontsteking voor mensen die rondom een individuele geitenhouderij wonen, tot een afstand van 1,5 – 2 km. Door het toevoegen van gevoelige functies binnen een straal van 2 km rond een geitenhouderij neemt deze kans niet toe, maar worden meer mensen blootgesteld aan stoffen uit de geitenhouderij die mogelijk longontsteking veroorzaken. Q-koorts besmetting vanuit een geitenbedrijf is door verplicht vaccineren en andere wettelijke verplichtingen onwaarschijnlijk geworden. Geconcludeerd wordt dat Q-koorts geen belemmering vormt voor het beoogde planvoornemen en dat er geen sprake is van een (verhoogd) gezondheidsrisico. Conclusie Gelet op de aard van het planvoornemen (aanleg van een fietspad en brink met schuilvoorziening) wordt geconcludeerd dat het planvoornemen niet voorziet in het oprichten van een gevoelige functie. Daarnaast geldt dat met het planvoornemen geen functies voor grote groepen extra kwetsbare mensen mogelijk worden gemaakt. Het planvoornemen leidt niet tot een bijdrage in een verhoogde kans op longontstekingen / het aantal longontstekingen. Het planvoornemen kan op basis van voorgaande als aanvaardbaar worden beschouwd voor wat betreft het aspect gezondheid geitenhouderijen.
Endotoxinen toetsingskader 2.0 Endotoxine-belasting in veedichte gebieden kan worden toegerekend aan de uitstoot van veehouderijen. Voor endotoxinen is nog geen wettelijke norm vastgesteld. Wel is er een advieswaarde voor omwonenden door de Gezondheidsraad voorgesteld (30 EU/m3), welke door het ondersteuningsteam en de GGD is overgenomen (Endotoxinen toetsingskader 1.0). Afstanden waarbinnen deze advieswaarde wordt overschreden, zijn te berekenen door middel van het Endotoxine-toetsingskader. Factoren welke de grootste mate van invloed hebben op endotoxine-concentraties in de lucht zijn de afstand van een object tot een veehouderij en het aantal dieren. Naast de diersoorten die een hoge stofemissiefactor hebben, dragen diersoorten met een lage stofemissiefactor ook bij aan de opeenstapeling van de endotoxine-concentraties in de lucht. Kortdurende (enkele uren) uitstoot van grote hoeveelheden endotoxinen hebben waarschijnlijk meer effect op de gezondheid van omwonenden dan de jaargemiddelden.
J200666.006/AHE, pagina 18 van 30
Op 30 april 2018 is er een update van het toetsingskader toegepast in de versie Endotoxinen toetsingskader 2.0. Hierbij wordt het volgende stappenplan voorgesteld om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is: 1. voor varkens en pluimveebedrijven: endotoxine richtafstand (= afstand waarbinnen naar alle waarschijnlijkheid de gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine wordt overschreden); 2. Toename in emissies van geur en/of fijnstof en/of ammoniak; 3. de wijze waarop met geurbelasting wordt omgegaan voor een aanvaardbaar woon/leefklimaat; 4. bij meerdere bedrijfsmatig gehouden diersoorten, de aanwezige diersoort(en) binnen een veehouderij; 5. geitenhouderij binnen een straal van 2 kilometer van een gevoelige bestemming; of pluimveebedrijven binnen een straal van 1 kilometer van een gevoelige bestemming; of overige veehouderijen binnen een straal van 250 meter liggen woon- of verblijfsruimten van derden 6. de aanwezigheid van mestbe- en verwerking; 7. ongerustheid bij omwonenden.
Conclusie Gelet op de aard van het planvoornemen (aanleg van een fietspad en brink metschuilvoorziening) wordt geconcludeerd dat het planvoornemen niet voorziet in het oprichten van een gevoelige functie c.q. kwetsbaar object. Daarnaast geldt dat er geen sprake is van een ontwikkeling van een locatie waar men langdurig verblijft. Tot slot is het zo dat het planvoornemen niet bijdraagt aan de concentraties endotoxinen in de lucht. Het planvoornemen kan op basis van voorgaande als aanvaardbaar worden beschouwd voor wat betreft het aspect gezondheid - endotoxinen.
4.6
Spuitzones
In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om de drift te voorkomen of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. Conclusie Dit planvoornemen voorziet niet in het oprichten van een gevoelige functie. Daarnaast geldt dat geen locatie wordt ontwikkeld waar men langdurig verblijft. Aangezien het voorgenomen plan geen
J200666.006/AHE, pagina 19 van 30
gevoelig object betreft, worden geen belemmeringen bij het aspect ‘spuitzones’ verwacht.
4.7
Externe veiligheid
Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een gebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of de locatie is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden.
Conclusie Een fietspad en een brink met bijbehorende voorzieningen worden niet aangemerkt als (beperkt) kwetsbaar object: de kans dat op een fietspad of bij een brink een dodelijk ongeval plaatsvindt door de opslag of transport van gevaarlijke stoffen, overige risicobronnen of risicovolle inrichtingen is verwaarloosbaar klein. Ook zullen er binnen het plangebied geen mensen langdurig verblijven. Het aspect 'Externe veiligheid' vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig plan.
4.8
Luchtkwaliteit
De Wet luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden en opgenomen in de Wet milieubeheer en vervangt het 'Besluit luchtkwaliteit 2005'. De wet is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken; mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De wet voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met
J200666.006/AHE, pagina 20 van 30
getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe wet geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3%) ten opzichte van de grenswaarde (een grenswaarde van 3% staat gelijk aan de bouw van circa 1500 woningen met één ontsluitingsweg); een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL. Conclusie Voornemens het plan worden een fietspad en brink met bijbehorende voorzieningen gerealiseerd die tot doel hebben het utilitair en recreatief fiets- en voetverkeer binnen de gemeente Eersel te stimuleren en faciliteren. Hiermee is geen sprake van een toename in auto- of vrachtverkeer (het betreft enkel langzaam verkeer) en er vindt geen overschrijding van een grenswaarde of verslechtering van de luchtkwaliteit plaats. Het plan draagt niet in betekende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit en het aspect 'Luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
4.9
Water
Water vormt een steeds belangrijker aspect bij ontwikkelingen. Belangrijke thema’s zijn: het vasthouden in plaats van direct afvoeren van hemelwater, het hergebruik van water, het zuinig omgaan met drinkwater en het beperken van de onttrekking van grondwater. Het is dan ook verplicht om bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de toelichting aan te geven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Deze verantwoording wordt ook wel de waterparagraaf genoemd. Deze paragraaf kan als waterparagraaf worden beschouwd. 4.9.1 Nationaal waterplan Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan (Wind op Zee buiten 12 nautische mijl en verankering rijksbeleid Deltabeslissingen). Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast.
Vanuit de verantwoordelijkheid voor het watersysteem verankert het Rijk de volgende principes: Integraal waterbeheer: Het kabinet houdt vast aan een integrale aanpak van de wateropgaven, door opgaven op het gebied van waterkwantiteit (waterveiligheid en wateroverlast), waterkwaliteit en gebruik van (zoet) water in natte en droge situaties in
J200666.006/AHE, pagina 21 van 30
samenhang te beschouwen. Afwenteling voorkomen: Het kabinet wil voorkomen dat waterkwantiteits- en waterkwaliteitsproblemen worden afgewenteld in de ruimte en de tijd, zoals het afwentelen van bovenstrooms veroorzaakte waterkwaliteitsproblemen op benedenstrooms gelegen wateren. Om afwenteling te voorkomen, maken beheerders onderling afspraken over acceptabele hoeveelheden en de kwaliteit van het te ontvangen water. Om afwenteling te voorkomen gelden ook de volgende tritsen: 1. vasthouden-bergen-afvoeren 2. schoonhouden-scheiden-schoonmaken Ruimte en water verbinden: Bij de aanpak van wateropgaven en de uitvoering van maatregelen vindt vooraf afstemming plaats met de andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied. Het doel is dat de scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of elkaar versterken. Met deze aanpak is het vaak mogelijk het waterbeheer te verbeteren en tegelijk de economie en de leefomgeving te versterken tegen lagere kosten.
4.9.2 Waterbeheerplan 2016-2021 'Waardevol Water' Het waterbeheerplan 'Waardevol Water' beschrijft de doelen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016-2021. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu en Waterplan en het Stroomgebieds-beheerplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied. Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema's.
Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen); Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater; Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren; Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen; Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik.
Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In dit Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met al de partners in het gebied wil uitbouwen en 'grenzeloos' organiseren vanuit de kracht van ieders rol en
J200666.006/AHE, pagina 22 van 30
verantwoordelijkheid. De belangrijkste relevantie uitdagingen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen betreffen: voldoende water voor landbouw en natuur; wateroverlast en hittestress; vergroten waterbewustzijn. 4.9.3 Brabant Keur Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de Keur van toepassing. Deze keur is in samenwerking tussen de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel tot stand gekomen, waardoor nu sprake is van een uniforme Keur. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. Daarnaast zijn in de Keur tevens regels opgenomen ten aanzien van de versnelde afvoer van neerslag van verhard oppervlak middels een verbodsbepaling, algemene en beleidsregels. 4.9.4 Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2021 Sinds 1 januari 2008 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het hemelwater, het afvalwater en het grondwater.
In het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2021 (vGRP) beschrijft de gemeente Eersel de beleidsvoornemens en maatregelen voor inzameling, transport en (lokale) verwerking van afval-, hemel- en grondwater in Eersel voor de periode 2016-2021. De algemene doelen van dit vGRP ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater zijn hieronder beschreven: 1. Zorgen voor inzameling stedelijk afvalwater Vanuit de Wet Milieubeheer heeft de gemeente de verplichting om een voorziening aan te bieden voor het inzamelen van afvalwater. Ook bij nieuwbouwlocaties zal de gemeente zorgdragen voor de inzameling van het afvalwater. 2. Zorgen voor transport van stedelijk afvalwater: Het transport van het stedelijk afvalwater binnen de gemeente Eersel vindt hoofdzakelijk plaats via een gemengd rioolstelsel. Om wateroverlast te voorkomen dient de riolering over voldoende afvoercapaciteit te beschikken. De gemeente Eersel heeft reeds in de voorgaande planperiode ingezet op het afkoppelen van verhard oppervlak van de riolering boven het vergroten van de diameters. De gemeente continueert dit beleid voor de komende planperiode. 3. Zorgen voor inzameling van hemelwater (voor zover niet verzorgd door particulieren): Belangrijk vertrekpunt in de wetgeving is dat de zorgplicht in eerste instantie bij de burger ligt.
De burger draagt in eerste instantie zorg voor het verwerken van hemelwater op het eigen perceel. Dit kan door hergebruik, infiltreren in de bodem of bergen in bijvoorbeeld een vijver. Wanneer dit redelijkerwijs niet mogelijk is, moet de gemeente de zorgplicht overnemen mits dit doelmatig is. 4. Zorgen voor de verwerking van ingezameld hemelwater: Bij uitbreidingssituaties (nieuwbouw) zet de gemeente Eersel in op het centraal verwerken van hemelwater. Bekostiging (eerste aanleg) hiervan vindt plaats vanuit de exploitatie van het bouwplan. De
J200666.006/AHE, pagina 23 van 30
particulier is hierbij zelf verantwoordelijk voor de inzameling en afvoer van het hemelwater tot aan de perceelgrens. Bij het ontwerpen van infrastructuur in nieuwbouwplannen wordt rekening gehouden met de aanleg van deze regenwatervoorzieningen, in de vorm van een hemelwaterriool, een wadi of een watergang. 5. Zorgen dat (voor zover mogelijk) het grondwater de bestemming van een gebied niet structureel belemmert: Tijdens de watertoets wordt gekeken of een nieuw te ontwikkelen gebied geschikt is om te bebouwen. Bij de locatiekeuze van deze ontwikkelingen is de grondwaterstand een belangrijk aandachtspunt. Hierbij wordt bepaald of grondwater belemmerend kan zijn voor de bestemming van het gebied en zo ja, welke maatregelen in de inrichtings- en bestemmingsfase noodzakelijk zijn. 6. Doelmatig beheer en een goed gebruik van de riolering: Het beheer van de riolering is gericht op een duurzame instandhouding van het totale rioleringsstelsel tegen de laagst mogelijke kosten en zo min mogelijk overlast voor de burger en gebruiker. 4.9.5 Gevolg planvoornemen Op basis van de Legger oppervlaktewateren wordt geconcludeerd dat zich binnen het plangebied geen beschermde watergangen bevinden. Direct ten westen van het plangebied is een A-watergang met beschermingszone gelegen. Het planvoornemen leidt echter niet tot ingrepen in de watergang of de beschermingszone van de watergang.
Figuur 7 Uitsnede Legger oppervlaktewateren met plangebied bij rode contour
Het te realiseren fietspad en de kleinschalige schuilvoorziening leiden ter plaatse tot een beperkte toename in het verhard oppervlak, namelijk ca. 450 m2 ten gevolge van het fietspad en ca. 16 m2 ten gevolge van de schuilvoorziening. Conform het beleid van het Waterschap en de gemeente, wordt ter compensatie van deze beperkte toename in het verhard oppervlak in de benodigde hemelwaterberging voorzien. In de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater,
J200666.006/AHE, pagina 24 van 30
Brabantse waterschappen’ is een rekenregel opgenomen om de benodigde bergingsvoorziening te berekenen. De vereiste compensatie kan berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m²) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,06 m). Daarnaast geeft de kaart ‘Algemene regel afvoer regenwater door verhard oppervlak’ vervolgens aan of voor een specifieke situatie met minder compensatie volstaan kan worden. Navolgend is een uitsnede van deze kaart weergegeven.
Figuur 8 Uitsnede kaart waterschap De Dommel 'Algemene regels verhard oppervlak'
Ter plaatse van de beoogde uitbreidingslocatie is gevoeligheidsfactor 1 van toepassing. De benodigde compensatie bedraagt derhalve ca. 28 m³ (466 m² * 0,06 * 1). Ten aanzien van de verharding van het fietspad geldt dat deze uit een strook met een lengte van ca. 150 meter en een breedte van 3 meter bestaat. Aan weerszijden van het fietspad is voldoende ruimte (in de vorm van bermen) voor hemelwater om af te stromen en te infiltreren in de naastgelegen gronden. Dit is op dezelfde wijze als het bestaande fietspad ten oosten van de Maaskant. Tevens wordt tussen de rijbaan en het aan te leggen fietspad een greppel aangelegd waarin het hemelwater verder kan afstromen. Hiermee wordt tevens in de benodigde hemelwaterberging voorzien. Ook voor wat betreft de schuilvoorziening geldt dat hemelwater vanaf het verhard dakoppervlak op de bodem valt en dat het hier probleemloos kan infiltreren. De voetpaden worden uitgevoerd met een semiverharding (split). Het water kan hierdoor gedeeltelijk afstromen en infiltreren in de naastgelegen gronden of direct in de bodem zelf. Conclusie Het aspect 'Water' vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
J200666.006/AHE, pagina 25 van 30
4.10 Kabels en leidingen Ten zuiden van het plangebied liggen een persleiding en laagspanningsleiding van de gemeente t.b.v de drukriolering (zie ook onderstaand figuur). Verder geldt dat in het straatprofiel van de Mr. de la Courtstraat reguliere leidingen c.q. nutsvoorzieningen aanwezig zijn zoals (afval)water, gas, electra en telefonie.
Figuur 9 Aanduiding leidingen (geel) in straatprofiel Mr. de la Courtstraat en Maaskant (bron: GeoWeb)
Om te voorkomen dat leidingen ten gevolge van de aanleg van het fietspad en een brink met bijhorende voorzieningen (bomen, voetpaden en schuilvoorziening) worden geschaad, wordt voor aanvang van de graafwerkzaamheden een KLIC-melding gedaan. Na de melding wordt kabel- en leidinginformatie van de plek waar wordt gegraven ontvangen. Deze informatie wordt gebruikt om graafschade en gevaarlijke situaties te voorkomen. De informatie moet tijdens het graven op de locatie van het graafwerk aanwezig zijn. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect 'Kabels en leidingen' geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
4.11 Archeologie en cultuurhistorie 4.11.1 Archeologie Als wettelijk toetsingskader in Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Deze wet is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta uit 1992. De Wamz is in zijn geheel opgenomen in de Monumentenwet 1988 (Mw art. 38 t/m 60). In de Wamz is vastgelegd dat Rijk, provincies en gemeenten in ruimtelijke plannen rekening houden met het aspect 'archeologie'. De wet beoogt het archeologische erfgoed in hoofdzaak in situ te beschermen.
J200666.006/AHE, pagina 26 van 30
Gemeentelijk beleid De vijf Kempengemeenten Bladel, Eersel, Bergeijk, Oirschot en Reusel-De Mierden en anderzijds de vier A2 gemeenten Waalre, Heeze-Leende, Valkenswaard en Cranendonck hebben in het kader van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg en de Wet ruimtelijke ordening SRE Milieudienst opdracht gegeven een regionale erfgoedkaart op te stellen. De erfgoedkaart bestaat uit drie delen: de inventarisatiekaarten, de verwachtingen- en waardenkaarten voor archeologie en cultuurhistorie en de beleidskaarten voor archeologie en cultuurhistorie. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de archeologische beleidskaart.
Figuur 10 Uitsnede archeologische beleidskaart met plangebied bij rode contour
Op basis van de archeologische beleidskaart is het plangebied gelegen binnen de categorieën 6 en 7: Categorie 6: Het gaat hierbij om gebieden waar op archeologische en landschappelijke gronden de kans op behoudenswaardige archeologische relicten klein wordt geacht. Om die reden is een archeologisch onderzoek alleen vereist bij bestemmingsplanwijzigingen en projectbesluiten van projectgebieden die groter zijn dan 25.000 m² en dieper gaan dan 0,4 m onder maaiveld of 0,5 m onder maaiveld bij agrarisch bestemde gronden. Ook zal bij m.e.r. plicht nader onderzoek worden verlangd. Categorie 7: Het gaat hierbij om gebieden waar het bodemprofiel als gevolg van archeologisch onderzoek, aangetoonde ontgrondingen, recente bebouwing en funderingen zodanig verstoord is, dat eventuele archeologische resten als verloren beschouwd mogen worden, of in ieder geval zodanig zijn aangetast dat zij niet meer voor onderzoek of bescherming in aanmerking komen. Op deze terreinen rusten geen beperkingen ten aanzien van archeologie. Gevolg planvoornemen Onderhavig planvoornemen ziet toe op de realisatie van een fietspad en een brink met bijbehorende voorzieningen. Een deel van het fietspad is voorzien ter plaatse van gronden waaraan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 6' is toegekend.
Ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 6' (gelegen binnen de bestemming 'Agrarisch') zijn bodemverstorende
J200666.006/AHE, pagina 27 van 30
ingrepen toegestaan indien deze niet dieper zijn dan 50 cm onder het bestaande maaiveld én de omvang van de bodemingreep niet groter is dan 25.000 m². Het plangebied is ca. 10.500 m2 groot. Het te verstoren oppervlak ten behoeve van de realisatie van het fietspad bedraagt ca. 450 m2 en het te verstoren oppervlak ten behoeve van de realisatie van de schuilvoorziening 10 m2. Er vinden geen bodemverstorende ingrepen plaats dieper dan 50 cm beneden het bestaande maaiveld. Hiermee wordt ruimschoots onder de archeologische grenswaarden gebleven en is archeologisch onderzoek niet aan de orde. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 4.11.2 Cultuurhistorie Vanaf 1 januari 2012 dient in ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met cultuurhistorie. Dit is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. Cultuurhistorische waardenkaart Noord-Brabant Op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie zijn de cultuurhistorische (landschaps)waarden van bovenlokaal belang aangegeven. Het plangebied is op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant gelegen in cultuurhistorische regio ‘De Kempen’ en archeologisch landschap ‘Kempenland’. De Kempen is een zwak golvend dekzandlandschap dat bestaat uit dekzandvlakten en -ruggen.
Het gebied wordt doorsneden door de bovenlopen van de Grote en Kleine Dommel, Beerze en Reusel. De ruimtelijke identiteit van het ontginningslandschap van de Kempen wordt gevormd door de contrasten tussen de verschillende agrarische gebruikseenheden: de akkers, graslanden en woeste gronden. De akkercomplexen, dorpen en gehuchten liggen vanouds op de rand van de beekdalen. Langs de beken lagen de graslanden, vaak verdeeld in lange smalle percelen die omzoomd waren door elzensingels. Op de hogere delen van het landschap bevonden zich vroeger uitgestrekte heidevelden, bossen en stuifzanden. Door overbeweiding en het steken van heideplaggen ontstonden plaatselijk zandverstuivingen. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. Vooral de beekdalen zijn hier en daar buitengewoon goed bewaard gebleven. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Archeologisch landschap ‘Kempenland’ omvat een groot deel van het relatief hoog gelegen zandlandschap ten zuidwesten van Eindhoven. Het landschap wordt doorsneden door verschillende beken en zijbeken.
Tussen de beekdalen liggen verschillende licht glooiende dekzandruggen die (vooral) langs de beekdalen bedekt zijn met uitgebreide complexen van oude bouwlanden. Verder komen reliëfrijkere zones voor met stuifduinen uit de late middeleeuwen. Cultuurhistorische beleidskaart Eersel Op basis van de cultuurhistorische beleidskaart van gemeente Eersel (onderdeel van de regionale
J200666.006/AHE, pagina 28 van 30
Erfgoedkaart) wordt geconcludeerd dat binnen het plangebied diverse belangrijke elementen van de lokale identiteit aanwezig zijn. Het gaat om een oude akker en lokale wegen Mr. de la Courtstraat en Postels Huufke. De cultuurhistorische waarden verdienen het om behouden te worden, maar vooral ook om als inspiratiebron te worden gebruikt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
Figuur 11 Uitsnede cultuurhistorische beleidskaart
Conclusie Het plangebied is onbebouwd en er is dus geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing binnen het plangebied aanwezig. Wel bevinden zich binnen het plangebied diverse belangrijke elementen van de lokale identiteit. De oude akker heeft gediend als inspiratie voor de ontwikkeling van de brink. Verder geldt dat de bestaande wegstructuren van de Mr. de la Courtstraat en de Maaskant behouden blijven. De ontwikkeling van het fietspad als onderdeel van een recreatief fietsnetwerk draagt tevens bij aan de beleving van het cultuurhistorisch landschap. De cultuurhistorische elementen van de lokale identiteit hebben als inspiratiebron gediend voor het ontwerp van de brink. De aanleg van het fietspad en de ontwikkeling van de brink (inclusief gebiedseigen beplanting, voetpaden en een kleinschalige schuilvoorziening) leiden niet tot aantasting van cultuurhistorische waarden. Geconcludeerd wordt dat het aspect 'cultuurhistorie' geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling.
J200666.006/AHE, pagina 29 van 30
5
CONCLUSIE
Zoals weergegeven in hoofdstuk 1 en 2 dient in de m.e.r. aanmeldingsnotitie aandacht te worden besteed aan de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten'. De criteria luiden als volgt: kenmerk van de activiteit; plaats van de activiteit; kenmerken van het potentiële effect (in samenhang met bovenstaande omstandigheden). Deze aspecten zijn in voorgaande hoofdstukken aan bod gekomen en hieruit blijkt dat: het planvoornemen enkel betrekking heeft op een ontwikkeling van een vrijliggend fietspad en brink. Met dit planvoornemen wordt aangesloten op een bestaande stedelijke ontwikkeling en vindt middels een beperkt nieuw ruimtebeslag een verbetering van de bestaande infrastructuur en verkeersveiligheid plaats. de beoogde ontwikkeling niet van negatieve invloed is op Natura 2000-gebieden, dan wel andere natuurgebieden zoals het Natuurnetwerk Nederland; het planvoornemen niet leidt tot belangrijke negatieve milieugevolgen. Op basis van voorgaande beoordeling wordt geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling van het vrijliggend fietspad en de brink aan de Mr.
De La Courstraat / Maaskant te Vessem (gemeente Eersel), gezien de kenmerken, plaats en potentiële effecten geen belangrijke negatieve milieueffecten kan veroorzaken die een volwaardige m.e.r.-procedure wenselijk of noodzakelijk maken.
J200666.006/AHE, pagina 30 van 30
6
BIJLAGEN
Bijlage 1: Aeriusberekening Bijlage 2: Quickscan flora en fauna Bijlage 3: Historisch bodemonderzoek