CConstaterende dateemnes
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing van der heijden2

Raadsessie 8 maart 2021, gemeente eemnesBij agendapunt: Uitbreiding Eemweg 31 A.7.420 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Ruimtelijke onderbouwing Gebr. van der Heiden Transport B.V.

Ruimtelijke onderbouwing Gebr. van der Heiden Transport B.V.

Adromi B.V. Reeweg 146 3343 AP Hendrik-Ido-Ambacht T 078 – 684 55 55 F 078 – 684 55 59 algemeen@adromi.nl www.adromi.nl K.v.K. 230.825.46 te Rotterdam BTW: 8050.63.286.B.01 IBAN: NL75RABO0385477481

Kenmerk: Status: Datum: Auteur:

V201713/2003 Definitief 10-6-2020 Dhr. J. Wildschut

Ruimtelijke onderbouwing

Inhoudsopgave 1.

2.

3.

4.

5.

6.

7.

8.

Inleiding .................................................................................................................................................. 5 1.1.

Algemeen ....................................................................................................................................... 5

1.2.

Ligging en omgeving ...................................................................................................................... 5

1.3.

Geldend bestemmingsplan ........................................................................................................... 6

1.4.

Toekomstige bestemmingsregeling .............................................................................................. 8

1.5.

Leeswijzer ....................................................................................................................................... 9

Beschrijving projectgebied .................................................................................................................. 10 2.1.

Inleiding ........................................................................................................................................ 10

2.2.

Bestaande situatie ....................................................................................................................... 10

2.3.

Beschrijving plan .......................................................................................................................... 11

Ruimtelijke beleidskader ..................................................................................................................... 12 3.1.

Rijksbeleid: Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte & AMvB Ruimte ..................................... 12

3.2.

Ladder van duurzame verstedelijking......................................................................................... 13

3.3.

Provinciaal beleid: Utrecht .......................................................................................................... 13

3.4.

Gemeentelijk beleid..................................................................................................................... 16

Archeologie .......................................................................................................................................... 18 4.1.

Archeologie .................................................................................................................................. 18

4.2.

Cultuurhistorie ............................................................................................................................. 18

Mobiliteit .............................................................................................................................................. 19 5.1.

Verkeer ......................................................................................................................................... 19

5.2.

Parkeren ....................................................................................................................................... 19

Natuur................................................................................................................................................... 21 6.1.

Wet natuurbescherming ............................................................................................................. 21

6.2.

Gebiedsbescherming ................................................................................................................... 21

6.3.

Soortenbescherming ................................................................................................................... 22

Water .................................................................................................................................................... 23 7.1.

Europees en nationaal beleid ..................................................................................................... 23

7.2.

Waterbeheerprogramma 2016-2021 ......................................................................................... 23

Milieu .................................................................................................................................................... 26 8.1.

Besluit milieurapportage ............................................................................................................. 26

8.2.

Geluid ........................................................................................................................................... 26

8.3.

Geur .............................................................................................................................................. 27

Adromi B.V.

V201713/2003

Pagina 3 van 30

Ruimtelijke onderbouwing

9.

8.4.

Bodem .......................................................................................................................................... 27

8.5.

Luchtkwaliteit............................................................................................................................... 27

8.6.

Externe veiligheid ........................................................................................................................ 28

Uitvoerbaarheid ................................................................................................................................... 30 9.1.

Economische uitvoerbaarheid .................................................................................................... 30

9.2.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ............................................................................................. 30

Adromi B.V.

V201713/2003

Pagina 4 van 30

Ruimtelijke onderbouwing

1.

Inleiding

1.1. Algemeen Aan de Eemweg 31A in Eemnes is het bedrijf Gebr. van der Heiden gevestigd. Met het oog op uitbreiding en verbreding van de werkzaamheden heeft Gebr. van der Heiden het perceel Eemweg 78A overgenomen, inclusief de op dit perceel rustende vergunningen welke betrekking hebben op de open overslag en bewerking van afvalstoffen. Onderhavige onderbouwing heeft betrekking op de uitbreiding in planologische zin van Gebr. van der Heiden met de Eemweg 78A. Als onderdeel van de beoogde uitbreiding zullen de Eemweg 31A en 78A één inrichting vormen in de zin van de Wet milieubeheer. In de beoogde situatie zal aan de Eemweg 31A en Eemweg 78A op- en overslag en handel in primaire en secundaire grond- en bouwstoffen, (bulk)goederen en producten plaatsvinden, alsook de acceptatie en op- en overslag van afvalstoffen van derden. Op grond van het huidige bestemmingsplan wordt hierin niet volledig voorzien. In reactie op een verzoek daartoe heeft de gemeente Eemnes aangegeven in principe medewerking te verlenen aan het afwijken van het gelende bestemmingsplan. Onderhavige onderbouwing maakt deel uit van een aanvraag voor een omgevingsvergunning om op dit vlak te mogen afwijken van het bestemmingsplan. 1.2. Ligging en omgeving Het gebied waar deze ruimtelijke onderbouwing betrekking op heeft, is kadastraal bekend als Eemnes 00, sectie I, nummers 546, 727, 738, 743 en 744.

Deze percelen hebben een gezamenlijke oppervlakte van circa 10.608 m2 en zijn gelegen aan de Eemweg 31A en 78A in de gemeente Eemnes. In figuur 1 is de begrenzing van het projectgebied globaal weergegeven. Het projectgebied is gelegen op bedrijventerrein Eembrugge. Tussen de Eemweg 31A en de Eemweg 78A bevindt zich de Eemweg, de perceelonsluitingsweg van het bedrijventerrein. Het bedrijventerrein is ontsloten via de Bisschopsweg (N414) en de Eem, een watergang in beheer bij het provinciale gezag. Het perceel Eemweg 78A is gelegen langs de Eem. Rondom bedrijventerrein Eembrugge is sprake van agrarisch gebied, agrarische bedrijven, recreatieve functies en woningen.

Adromi B.V.

V201713/2003

Pagina 5 van 30

Ruimtelijke onderbouwing

Figuur 1. Begrenzing projectgebied (Bron: Kadastrale Kaart, bewerkt)

1.3. Geldend bestemmingsplan Algemeen Voor de Eemweg 31A geldt het bestemmingsplan ‘Buitenrand 2012’, dat is vastgesteld op 24 februari 2014 en onherroepelijk is geworden op 13 mei 2015.

Figuur 2: Eemweg 31A - uitsnede Bestemmingsplan ‘Buitenrand 2012, partiële herziening bedrijventerrein Eembrugge’ (Bron: ruimtelijke plannen, bewerkt)

Voor de Eemweg 78A geldt als uitvloeisel van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 13 mei 2015 de ‘Beheersverordening Eembrugge’, vastgesteld op 24 juni 2013. Via deze beheersverordening is grotendeels het bestemmingsplan Eembrugge uit 1998 van toepassing verklaard.

Adromi B.V.

V201713/2003

Pagina 6 van 30

Ruimtelijke onderbouwing

Figuur 3: Eemweg 78A - uitsnede verbeelding Beheersverordening Eembrugge (Bron: ruimtelijkeplannen.nl, bewerkt)

Eemweg 31A Eemweg 31A is in zijn geheel aangeduid voor ‘Bedrijf’, met nadere aanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 3.1’ (zie figuur 2). Daarnaast is sprake van een bouwvlak, met maatvoering ‘maximum bouwhoogte 9 m, maximum goothoogte 5 m’. Verder is de noordwestelijke strook van het projectgebied aangeduid voor de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie lage verwachting’ en de rest van het perceel voor de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie hoge verwachting’. Tevens kent de zuidoostelijke strook van het perceel de aanduiding voor de dubbelstemming ‘Waterstaat – Waterkering’. Tot slot ligt het perceel in een gebiedsaanduiding ‘Geluidzone – Industrie’. Gelet op een en ander is sprake van een bedrijfsbestemming op grond waarvan bedrijfsactiviteiten uit maximaal milieucategorie 3.1 zijn toegelaten. Aangezien onderhavige aanvraag geen betrekking heeft op bouw- en aanlegactiviteiten, worden de daarvoor relevante bouwregels en de archeologische dubbelbestemmingen die op het perceel rusten verder niet beschreven. Eemweg 78A Het perceel Eemweg 78A is in de beheersverordening aangeduid voor ‘bedrijfsdoeleinden’ met de nadere aanduidingen ‘betonmortelbedrijf’ (BMB) en ‘aannemings- en wegenbouwbedrijf’ (AWB). Er is

Adromi B.V.

V201713/2003

Pagina 7 van 30

Ruimtelijke onderbouwing

een bebouwingsgrens ingetekend. Verder is in de beheersverordening sprake van een aanduiding voor waterkering. Aangezien enkel de bedrijfsbestemming van het bestemmingsplan ‘Buitenrand 2012’ vernietigd is, gelden de bestemmingen bij de overblijvende aanduidingen uit dit bestemmingsplan, te weten de bestemmingen bij de aanduidingen voor de dubbelstemming ‘Waterstaat – Waterkering’ en ‘Waarde – Archeologie hoge verwachting’. Ook ligt over het perceel de gebiedsaanduiding ‘Geluidzone – Industrie’. In het bestemmingsplan ‘Buitenrand 2012’ is daarnaast sprake van de volgende bouw- en functieaanduidingen: − 'bouwvlak’, − ‘draagconstructie’, − ‘maatvoering maximum toegelaten goot- en bouwhoogte’. Deze zijn als uitvloeisel van de vernietigde bedrijfsbestemming eveneens vervallen. Per slot van rekening is het op grond van de voorgeschreven en gehanteerde plansystematiek niet toegelaten om bouw- en functieaanduidingen te definiëren buiten (cq. zonder) een bestemmingsaanduiding.

Gelet op het voorgaande is blijkens de regels van de beheersverordening sprake van een bedrijfsbestemming waar bedrijfsactiviteiten zijn toegelaten uit de milieucategorieën 1, 2 en 3 van de tot de beheersverordening behorende staat van bedrijfsactiviteiten en daarnaast een betonmortelcentrale, een aannemings- en wegenbouwbedrijf en een asfaltcentrale als grote lawaaimakers in de zin van bijlage 1, onderdeel D, Besluit omgevingsrecht jo. artikel 41 Wet geluidhinder. Opnieuw worden de aanduidingen van de relevante bouwregels en de archeologische dubbelbestemmingen die op het perceel rusten verder niet beschreven nu geen sprake zal zijn van bouw- en aanlegactiviteiten. 1.4. Toekomstige bestemmingsregeling Voor de locatie is op 15 februari 2018 het ontwerpbestemmingsplan ‘Buitenrand 2012 eerste partiële herziening’ verschenen. Met deze herziening werd beoogd te voorzien in een nieuwe bestemmingsregeling voor het perceel Eemweg 78A. Het perceel Eemweg 78A werd blijkens dit ontwerp aangeduid voor ‘Bedrijf’, met daarin de functieaanduidingen voor ‘bedrijf tot en met categorie 3.1’, ‘specifieke vorm van bedrijf – groothandel in zand en grind’, en een strook langs de Eem voor ‘laad- en losplaats’.

Verder is voorzien in aanduidingen voor een bouwvlak, een ‘specifieke bouwaanduiding – draagconstructie’, een maximumbebouwingspercentage van 70% en een maatvoeringsaanduiding voor een goothoogte van 9 meter en een bouwhoogte van 9 meter. Gelet op voorgaande werd al beoogd om op het perceel een groothandel in zand en grind en mineralen toe te laten, ondanks de omstandigheid dat in de regels een met de beschreven aanduiding corresponderende bestemming voor groothandel in zand en grind ontbreekt.

Adromi B.V.

V201713/2003

Pagina 8 van 30

Ruimtelijke onderbouwing

1.5. Leeswijzer Hoofdstuk 2 van deze toelichting beschrijft het plan en de bestaande ruimtelijke en functionele structuur van het projectgebied. De voor het plan relevante beleidsdocumenten van rijk, provincie en regio en het gemeentelijke beleid zijn in hoofdstuk 3 beschreven. In hoofdstuk 4 is de waterparagraaf opgenomen waarin alle voor het projectgebied relevante wateraspecten worden behandeld. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten en relevante omgevingsaspecten. Hierbij vindt er een toets aan de diverse milieu- en omgevingsaspecten plaats. In hoofdstuk 6 wordt het onderwerp flora en fauna besproken en in hoofdstuk 7 wordt ingegaan op archeologie en cultuur. Hoofdstuk 8 geeft een toelichting op de juridische regeling en in hoofdstuk 9 wordt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid beschreven. De toelichting eindigt ter afronding met een conclusie in hoofdstuk 10.

Adromi B.V.

V201713/2003

Pagina 9 van 30

Ruimtelijke onderbouwing

2.

Beschrijving projectgebied

2.1. Inleiding De projectlocatie aan de Eemweg 31A en 78A ligt op het bedrijventerrein Eembrugge in de gemeente Eemnes. Dit bedrijventerrein wordt aan de noordwestkant begrensd door de N414 (Bisschopsweg) en aan de zuidoostkant door de rivier de Eem. Het gedeelte van de projectlocatie dat op het adres Eemweg 78A is gevestigd, ligt direct aan deze rivier. De projectlocatie bevindt zich een kleine 400 meter ten noorden van de rijksweg A1. De nabije omgeving van de inrichting wordt gekenmerkt door als zodanig bestemde bedrijvigheid. Op het bedrijventerrein zijn onder andere bouwbedrijven (Eemweg 29-B), autoreparatiebedrijven (o.a. Eemweg 29-K, Eemweg 31-08 en Eemweg 31-1) en een asfaltproductiebedrijf (Eemweg 82) aanwezig. 2.2. Bestaande situatie In de huidige situatie is sprake van een transport en op- en overslagbedrijf van grondstoffen en bouwstoffen aan de Eemweg 31A. Voor het transport hiervan zijn circa twintig eigen vrachtwagens beschikbaar. Aan de Eemweg 78A vindt op- en overslag en bewerking plaats van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen. Deze worden geladen en gelost binnen de inrichting. De percelen worden in de huidige opzet ontsloten via meerdere toegangen naar de Eemweg. Voor Eemweg 31A bevinden deze zich aan de zuidoost- en noordoostzijde. Voor de Eemweg 78A bevindt de toegang zich aan de noordwestzijde (figuur 4).

Figuur 4: Bestaande verkeerskundige situatie (Bron: Google Maps, bewerkt)

Adromi B.V.

V201713/2003

Pagina 10 van 30

Ruimtelijke onderbouwing

2.3. Beschrijving plan De aanvraag van Gebr. van der Heiden heeft voor de gehele inrichting betrekking op het verkrijgen van toestemming voor de op- en overslag van zand, grond, grind en vergelijkbare ophoog- en toeslagmaterialen (bulkgoederen en -producten) alsmede op- en overslag van bouw- en sloopafval, groenafval, grond, etc. in afwijking van het geldende bestemmingsplan. Verder zal voor deze aangevraagde overslagactiviteiten worden voorzien in aan- en afvoer van genoemde bulkstoffen (niet zijnde afvalstoffen) per binnenschip via de Eem. Voor een meer gedetailleerde beschrijving van de bedrijfsactiviteiten wordt verwezen naar de andere bijlagen bij deze aanvraag waaronder het aanvraagdocument 1 en het akoestisch onderzoek 2.

1 2

Aanvraagdocument, kenmerk: V201713/2001, d.d. 21 januari 2020 Akoestisch rapport, kenmerk: V201713/02vb, d.d. maart 2020

Adromi B.V.

V201713/2003

Pagina 11 van 30

Ruimtelijke onderbouwing

3.

Ruimtelijke beleidskader

3.1. Rijksbeleid: Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte & AMvB Ruimte In het algemeen wordt het landelijk ruimtelijk beleidskader vertegenwoordigd door: ̶ Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (hierna ook Structuurvisie Ruimte); ̶ Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (hierna ook Barro). In de Structuurvisie Ruimte zijn de drie hoofddoelen van het Rijk aangegeven: 1. Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk economische structuur van Nederland; 2. Het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; 3. Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden worden. Uit deze drie hoofddoelen komen onderwerpen voort die van nationaal belang zijn. Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de structuurvisie die juridische borging vragen, worden daarom geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (ook wel AMvB Ruimte of Barro). Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 vastgesteld.

Het Barro is op 22 augustus 2011 vastgesteld. In het Barro zijn bepalingen opgenomen ten aanzien van: 1. Rijksvaarwegen; 2. Project Mainportontwikkeling Rotterdam; 3. Kustfundament; 4. Grote rivieren; 5. Waddenzee en waddengebied; 6. Defensie; 7. Hoofdwegen en hoofdspoorwegen; 8. Elektriciteitsvoorziening; 9. Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen; 10. Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur); 11. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; 12. IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); 13. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde; 14. Ruimtereservering parallelle Kaagbaan. Geen van de in het Barro geregelde onderwerpen is voor het voorliggende plan van toepassing.

Adromi B.V.

V201713/2003

Pagina 12 van 30

Ruimtelijke onderbouwing

3.2. Ladder van duurzame verstedelijking Per 1 oktober 2012 is de ladder voor duurzame verstedelijking (ook wel duurzaamheidsladder) als motiveringseis opgenomen in artikel 3.6.1, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De duurzaamheidsladder gaat uit van een aantal stappen om te komen tot een zorgvuldige afweging van iedere stedelijke ontwikkeling. Zo moet de ontwikkeling voorzien in een actuele regionale behoefte. Als hiervan sprake is, moet worden bezien in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien vooraleer gekozen wordt om deze ontwikkeling buiten stedelijk gebied te laten plaatsvinden. De aanvraag heeft betrekking op een functiewijziging. Deze functiewijziging kan niet worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling. Overigens heeft de ontwikkeling hoe dan ook betrekking op een locatie in bestaand stedelijk gebied, waarbij de behoefte als een gegeven kan worden beschouwd vanwege de omstandigheid dat Gebr. van der Heiden reeds geïnvesteerd heeft in de aankoop van het perceel Eemweg 78A. 3.3. Provinciaal beleid: Utrecht 3.3.1. Structuurvisie 2013-2028 Op 4 februari 2013 is de structuurvisie van de provincie Utrecht vastgesteld. Nadien is de structuurvisie (gedeeltelijk) herzien op 10 maart en 3 november 2014. Thans is de derde herziening (herijking) vastgesteld op 12 december 2016.

De structuurvisie bevat het ruimtelijke beleid van de provincie voor het komende decennium. In het kader van onderhavige ontwikkeling is het van belang om het plan te bezien in het licht van deze structuurvisie en dan vooral vanuit de kwaliteiten en kansen voor onderhavig projectgebied. In het ruimtelijke beleid van de provincie Utrecht heeft ruimtelijke kwaliteit een centrale plek. Volgens de provincie Utrecht heeft ruimtelijke kwaliteit betrekking op zowel het behoud van het bestaande als het creëren van nieuwe kwaliteit. De afweging of een ruimtelijke ontwikkeling een bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit legt de provincie Utrecht bij de gemeenten. De provincie Utrecht heeft in haar beleid wel aangegeven welke aspecten vanuit provinciaal perspectief van belang worden geacht: − behouden van bestaande kwaliteiten en het versterken ervan; − samenhang en continuïteit herstellen, ontbrekende schakels toevoegen, versnipperde onderdelen samenvoegen; − diversiteit vergroten; − robuustheid vergroten; − beleefbaar en toegankelijk maken. Volgens ‘kaart 8 – wonen en werken’ van de structuurvisie, ligt de inrichting in een gebied aangewezen als ‘bedrijventerrein in stedelijk gebied’. De provincie zet zich in om bestaande bedrijventerreinen in stedelijk gebied te herstructureren, intensiveren en te transformeren. Het accent ligt hierbij op herstructurering.

De kwaliteit van Utrechtse bedrijventerreinen is redelijk. De provincie wil knelpunten op het gebied van infrastructuur en openbare ruimte aanpakken om deze

Adromi B.V.

V201713/2003

Pagina 13 van 30

Ruimtelijke onderbouwing

bedrijventerreinen weer aan de eisen van het bedrijfsleven te laten voldoen. De ‘rotte plekken’ zoals de provincie dit noemt, zijn structureel leegstaande bebouwing en restkavels. Door het aanpakken van deze plekken kan er een belangrijke kwaliteitsverbetering worden doorgevoerd voor de Utrechtse bedrijventerreinen. Het provinciaal belang dat centraal staat is het bevorderen van binnenstedelijke ontwikkeling en voldoende ruimte bieden voor functioneren en versterken van een vitale en innovatieve regionale economie. 3.3.2. Omgevingsvisie provincie Utrecht Met het oog op de Omgevingswet heeft de provincie Utrecht een omgevingsvisie ontworpen. Het ontwerp van ‘Omgevingsvisie provincie Utrecht’ is op 17 maart 2020 vastgesteld en ligt op moment van schrijven ter inzage. Qua planning zal de omgevingsvisie in het najaar van 2020 definitief worden vastgesteld. De provincie Utrecht streeft er naar het groene, gezonde en slimme middelpunt van Nederland te blijven. De provincie heeft als grote opgave om verschillende functies ruimtelijk met elkaar te combineren. Prioriteren en keuzes maken is hierbij nodig. In de omgevingsvisie wordt de gewenste visie aan de hand van zeven beleidsthema’s behandeld. Met de zeven beleidsthema’s wordt richting gegeven aan de ontwikkeling en bescherming van een gezonde en veilige leefomgeving.

De zeven beleidsthema’s luiden als volgt: − Een provincie waarin stad en land gezond zijn; − die klimaatbestendig en waterrobuust is; − waarin duurzame energie een plek heeft; − met vitale steden en dorpen; − die duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is; − met een levend landschap, erfgoed en cultuur; − die een toekomstbestendige natuur en landbouw heeft. De beoogde ontwikkeling is voor relevant voor het thema ‘vitale steden en dorpen’. Omtrent werken en winkelen heeft de provincie als ambitie om het goede economische vestigingsklimaat te behouden. Dit dient te gebeuren door een goed functionerende economie met goed functionerende bedrijven en een breed aanbod van werkgelegenheid. Een factor die bijdraagt hieraan is het vestigen van bedrijvigheid die zich niet kan mengen met andere stedelijke functies. Dit wil de provincie doen door in te zetten op het herstructureren, revitalisering en herprofilering van bestaande bedrijventerreinen in stedelijk gebied. Dit borduurt voort op de Structuurvisie 2013-2028, behandeld in de vorige paragraaf. Om het bovenstaande doel te bereiken en hiermee bij te dragen aan het economisch ecosysteem, wil de provincie behoefte vanuit het lokale, reeds gevestigde bedrijfsleven (uitbreiding of vervanging) waar mogelijk faciliteren.

Adromi B.V.

V201713/2003

Pagina 14 van 30

Ruimtelijke onderbouwing

Toetsing provinciale visie De beoogde ontwikkeling dient ter wijziging van de huidige activiteiten van een bestaande inrichting. Met de wijziging van de activiteiten kan Gebr. van der Heijden zijn capaciteit vergroten en financieel sterker worden. Door de groei van het bedrijf wordt direct bijgedragen aan de economie van de provincie. De projectlocatie is gevestigd in een bestaand stedelijk bedrijventerrein. De provincie ziet graag dat ontwikkelingen ten aanzien van bedrijven en industrie plaatsvinden binnen de grenzen van de bestaande bedrijventerreinen met als doel om deze bedrijventerreinen te herstructureren, te herprofileren en te revitaliseren. De wijziging van activiteiten zit dit doel van de provincie niet in de weg. Tevens passen de beoogde activiteiten goed op deze locatie omdat de locatie mogelijkheden biedt voor watergebonden bedrijven. Hier is in de beoogde situatie sprake van. Daarnaast zorgt de verandering van activiteiten niet voor stedenbouwkundige veranderingen in de structuur of het aanzicht van het bedrijventerrein. Tot slot kan het niet wijzigen van de activiteiten ertoe leiden dat de inrichting buiten gebruik zal raken, gezien de huidige vergunde situatie niet volledig aansluit op de bedrijfsactiviteiten van Gebr. van der Heijden. Dit zal zich vertalen in leegstand.

Het wijzigen van de activiteiten kan deze (gedeeltelijke) degradatie van het bedrijventerrein voorkomen. Kortom, bovenstaand toont aan dat de beoogde ontwikkeling bijdraagt aan en niet in strijd is met zowel de vigerende structuurvisie als het ontwerp omgevingsvisie. 3.3.3. Provinciale verordening Het college van Provinciale Staten van Utrecht heeft op 4 februari 2013 de Provinciale Ruimtelijke Verordening vastgesteld. Op 12 december 2016 heeft het college van Provinciale Staten de herijking van deze verordening vastgesteld. Op 11 december 2017 heeft nog een correctie plaatsgevonden om de ‘Thematische structuurvisie kantoren 2016-2027’ (TSK) uitvoerbaar te maken. De Ruimtelijke Verordening is gebaseerd op artikel 4.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening. Op basis van dit artikel kunnen Provinciale Staten regels stellen omtrent de inhoud, toelichting of onderbouwing van bestemmingsplannen, omgevingsvergunningen en beheersverordeningen. Doel van de verordening is om provinciale ruimtelijke belangen te laten doorwerken naar het gemeentelijk niveau. De inrichting van Gebr. van der Heijden is gelegen in stedelijk gebied. Bij ruimtelijke ontwikkelingen in stedelijk gebied dient rekening gehouden te worden met energiebesparing en het toepassen van duurzame energiebronnen.

Daarnaast stelt de provincie een aantal voorwaarden voor het uitbreiden of nieuw vestigen van bedrijventerreinen. Deze voorwaarden zijn alleen relevant bij uitbreiding of nieuwvestiging van bedrijventerreinen in stedelijk gebied. De beoogde ontwikkeling betreft een wijziging van de activiteiten van een bestaande inrichting. De voorwaarden zijn daarom niet van toepassing.

Adromi B.V.

V201713/2003

Pagina 15 van 30

Ruimtelijke onderbouwing

3.3.4. Omgevingsverordening Zoals in paragraaf 2.3.2. beschreven, heeft de provincie Utrecht met het oog op de toekomstige Omgevingswet, een omgevingsvisie en omgevingsverordening in ontwerp gebracht. Het ontwerp van de omgevingsvisie en omgevingsverordening zijn op 17 maart 2020 vastgesteld. De omgevingsverordening vertaalt het beleid uit de omgevingsvisie naar regelingen. Met als doel om net als de huidige provinciale verordening ruimtelijke belangen te laten doorwerken naar het gemeentelijk niveau. Uit de Omgevingsverordening is met name Afdeling 9.2 ‘Stedelijke functies in stedelijk gebied’ relevant. Hierin worden instructieregels gesteld voor verstedelijking. Bij ontwikkelingen die betrekking hebben op een bedrijventerrein binnen stedelijk gebied zijn de volgende voorwaarden gesteld: − de uitbreiding bedrijventerrein past in het door gedeputeerde staten vastgestelde programma werklocaties; − de revitalisering, herstructurering en efficiënter gebruik van bestaande bedrijventerreinen is verzekerd; − de uitbreiding bedrijventerreinen vindt plaats in aansluiting op bestaande bedrijventerreinen; − de uitbreiding bedrijventerreinen leidt niet tot extra bodemdaling. Deze voorwaarden hebben geen betrekking op de beoogde ontwikkeling. De ontwikkeling betreft namelijk een wijziging van de activiteiten.

In de activiteitenwijziging is geen sprake van uitbreiding van het bedrijventerrein of bouwwerkzaamheden die kunnen leiden tot bodemdaling. 3.4. Gemeentelijk beleid 3.4.1. Structuurplan Eemnes 2015 Het Structuurplan Eemnes 2015 wordt in afwachting van een nieuwe structuurvisie gehanteerd als het ruimtelijke beleid van de gemeente. Het Structuurplan legt de ruimtelijke ambities en doelstellingen van de gemeente Eemnes voor de toekomst vast en is aangevuld met een streefbeeld tot aan 2030. Een belangrijk uitgangspunt in het plan is behoud van het huidige dorpse karakter en de maatschappelijke en ruimtelijke kwaliteiten die daar bij horen. Voor Eembrugge wordt gestreefd naar een integrale ontwikkeling tot aantrekkelijke woon-werklocatie waarbij de ligging langs rivier de Eem wordt benut. Om deze visie te realiseren zijn er een aantal voorwaarden voor de ontwikkeling van Eembrugge opgesteld: − ontwikkeling in samenhang met groen en water; − verbeteren van de ontsluiting; − versterken van de recreatieve mogelijkheden, zowel in de vorm van voorzieningen als routes; − behoud van de jachthavens; − ruimte bieden voor de uitbreiding van watergebonden bedrijvigheid; − ontwikkelingen moeten passen binnen het historische karakter van Eembrugge; − de huidige bebouwingscontour, die ook is vastgelegd in het streekplan, is bepalend voor de bebouwingsmogelijkheden.

Door de reeds aanwezige bedrijvigheid en de ligging aan de Eem wordt Eembrugge gezien als zeer geschikte locatie voor het creëren van nieuwe werklocaties die gebonden zijn aan het water.

Adromi B.V.

V201713/2003

Pagina 16 van 30

Ruimtelijke onderbouwing

Toetsing gemeentelijke visie Het projectgebied is gelegen op het bestaande bedrijventerrein gelegen bij Eembrugge. Zoals de gemeente in haar structuurvisie aangeeft, is dit gebied uitermate geschikt voor watergebonden bedrijven. De beoogde activiteiten van Gebr. van der Heijden sluiten hierop aan. Met het wijzigen van de activiteiten zullen geen ruimtelijke uitbreidingen worden gedaan, hierdoor blijven de huidige bebouwingscontouren ongewijzigd. Daarnaast vermindert watergebonden bedrijvigheid de verkeersbelasting op wegen. Door de inzet van binnenvaart, worden er minder vrachtwagens ingezet voor de aanvoer van grondstoffen.

Adromi B.V.

V201713/2003

Pagina 17 van 30

Ruimtelijke onderbouwing

4.

Archeologie

4.1. Archeologie Op grond van de Wet op de archeologische monumentenzorg (2007) is het verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Volgens het bestemmingsplan ‘Buitenrand 2012’ van de gemeente Eemnes, geldt op beiden percelen een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie hoge verwachting’. Dit heeft als voorwaarde dat bij bouwwerken met een oppervlakte van groter of gelijk aan 200 m² en een bouwwerk dieper of gelijk aan 30 cm een onderzoeksplicht geldt. Gezien deze onderbouwing toe ziet op een functiewijziging en er dus geen grondroering of bouwwerkzaamheden plaatsvinden, is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. De functiewijziging heeft geen invloed op de mogelijke archeologische waarden in de bodem. Vanuit het aspect archeologie zijn er geen belemmeringen voor de functiewijziging. 4.2. Cultuurhistorie Als er gesproken wordt over cultuurhistorie in relatie tot ruimtelijke ordening, wordt vaak een onderscheid gemaakt in historische geografie en historische bouwkunst. Historische geografie gaat over landschappelijke en stedenbouwkundige elementen en structuren zoals dijken, slotenpatronen, stratenpatronen en verkavelingen. Historische bouwkunst heeft betrekking op bebouwing en architectuur.

Zoals in het bestemmingsplan ‘Buitenrand 2012’ wordt genoemd, is op het industrieterrein, waaronder de projectlocatie, geen sprake van monumenten of andere cultuurhistorische elementen. Tevens is ook de Cultuurhistorische kaart van provincie Utrecht geraadpleegd. Hier zijn desgelijks geen cultuurhistorische elementen aangewezen om en nabij de projectlocatie.

Adromi B.V.

V201713/2003

Pagina 18 van 30

Ruimtelijke onderbouwing

5.

Mobiliteit

5.1. Verkeer Eemweg 78A In de huidige situatie is sprake van een vergunde bedrijfssituatie voor de acceptatie en bewerking van afvalstoffen. Deze functie als afvalinzamelings- en afvalscheidingsdepot bracht in het verleden (voorafgaand aan overname van het terrein door Gebr. van der Heiden) een groot aantal en vooral een diversiteit aan verkeersbewegingen met zich mee. Vanwege de aard van de activiteiten was sprake van aanvoer van afvalstoffen met behulp van vrachtwagens al dan niet met (portaal)containers, bestelwagens en personenvoertuigen met aanhangers. Afvoer vond voornamelijk plaats door middel van vrachtwagens (containers). Op basis van waarneming van de oude situatie was sprake van het parkeren van voertuigen en stallen van containers langs de openbare weg tussen de toegang tot het terrein en de Bisschopsweg. In de nieuwe situatie zal sprake zijn van een andersoortige situatie. Het perceel aan de Eemweg 78a zal onder andere gebruikt worden voor de op- en overslag van bulkgoederen. Aanvoer vindt veelal plaats via het water, wat zorgt voor een afname in verkeerbewegingen, waarbij hoe dan ook sprake zal zijn van een afname van kleinere voertuigen. Afvoer vindt plaats per as in vrachtwagens. Deze vrachtwagens rijden via de Eemweg richting de Bisschopsweg.

Qua aard en omvang sluit deze verkeerssituatie in de toekomstige situatie één op één aan bij de andere al aan de Eemweg gevestigde bedrijven (asfaltcentrale, op- en overslagbedrijven, betonmortelcentrale, aannemingsbedrijf). Eemweg 31A Gebr. van der Heiden beschikt over een tweetal in-/uitritten aan de Eemweg 31A. Ten behoeve van intern transport wordt tussen Eemweg 31A en Eemweg 78A de openbare weg gekruist. Dit is thans al het geval en daarnaast biedt Van der Heiden ook de mogelijkheid eventueel wachtend verkeer voor Eemweg 78A op het terrein aan de Eemweg 31A te accommoderen. Aangezien gebruik wordt gemaakt van de weegbrug welke aanwezig is voor kantoor aan Eemweg 31A, zal vrachtverkeer vanaf de Eemweg 78A via de Eemweg 31A rijden (zie figuur 4). Gezien de verkeerskundige situatie in het verleden alsmede de inrichting van het gehele bedrijventerrein en de gronden van Gebr. van der Heiden, zorgt deze functionele samenvoeging in de toekomst voor een verbetering van de verkeerskundige situatie. 5.2. Parkeren In de huidige situatie is op de projectlocatie sprake van parkeergelegenheid op eigen terrein. De parkeergelegenheid is gelegen op het perceel aan de Eemweg 31A. Aangezien het kantoor en de andere voorzieningen, zoals sanitair en pauzeruimten op dit perceel aanwezig zijn, verzamelen werknemers zich hier bij aankomst voor een werkdag.

Vanuit de Eemweg 31A gaan werknemers te voet of met werkvoertuigen naar het perceel aan de Eemweg 78A. Parkeren van bezoekers en werknemers vindt dus plaats op het perceel aan de Eemweg 31A, dit blijft in de nieuwe situatie ongewijzigd. De aan de Eemweg 31A aanwezige parkeergelegenheid biedt voldoende capaciteit.

Adromi B.V.

V201713/2003

Pagina 19 van 30

Ruimtelijke onderbouwing

Op eigen terrein is eveneens voldoende ruimte voor het parkeren van vrachtwagens. Laden en lossen geschiedt op eigen terrein en niet op de openbare weg.

Adromi B.V.

V201713/2003

Pagina 20 van 30

Ruimtelijke onderbouwing

6.

Natuur

6.1. Wet natuurbescherming Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van toepassing. Deze wet beschermt de van nature in Nederland in het wild voorkomende planten en dieren. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming is onder andere de Nederlandse implementatie van de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn opgenomen. Onderdeel van de wet is dat er beschermde gebieden worden aangewezen (netwerk van de zogenaamde Natura 2000-gebieden en de Beschermde natuurmonumenten) gericht op de bescherming van ongeveer 500 soorten in het wild voorkomende planten en dieren. Op provinciaal niveau hebben bepaalde natuurgebieden eveneens een beschermingsniveau toegewezen gekregen, in de vorm van Natuurnetwerk Nederland (NNN). 6.2. Gebiedsbescherming Ten aanzien van Natura 2000-gebieden geldt een vergunningplicht voor activiteiten die belastend kunnen zijn voor de natuur. De projectlocatie is niet gelegen in of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natuur 2000-gebied is ‘Eemmeer & Gooimeer Zuidoever’ gelegen op circa 6 km afstand. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling is het in principe noodzakelijk om de stikstofemissie en de daarbij mogelijke stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in kaart te brengen. Dit als zekerheid dat de beoogde ontwikkeling ook realiseerbaar is.

Om die reden is middels een stikstofdepositieonderzoek de invloed van de beoogde activiteiten op daarvoor gevoelige natuurgebieden in de omgeving berekend. Het stikstofrapport is bij de aanvraag omgevingsvergunning gevoegd3. Uit het onderzoek blijkt dat er geen sprake is van een depositie > 0,00 mol hectare per jaar als gevolg van de beoogde bedrijfsvoering. De projectlocatie is wel gelegen in de directe nabijheid van een NNN-gebied (zie figuur 5). Het NNNgebied betreft rivier de Eem. De Eem vormt een ecologische verbindingszone voor bijvoorbeeld vissen. Het perceel aan de Eemweg 78A grenst aan rivier de Eem. In de beoogde situatie zal gebruik worden gemaakt van schepen voor de aanvoer van grondstoffen. Aangezien de rivier al in gebruik is als vaarroute voor binnenvaart, zal met de beoogde situatie op de projectlocatie geen sprake zijn van meer of andere aantasting van het NNN-gebied.

3

Adromi, Stikstofdepositieberekening, d.d. 06-03-2020, kenmerk: V201713/06/2003a

Adromi B.V.

V201713/2003

Pagina 21 van 30

Ruimtelijke onderbouwing

Figuur 5: NNN-kaart provincie Utrecht, Projectlocatie indicatief omcirkeld (Bron: Provincie Utrecht, bewerkt)

6.3. Soortenbescherming De bescherming van dier- en plantsoorten is tevens vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Naast een algemene zorgplicht is hier ook de specifieke bescherming van aangewezen zeldzame of bedreigde inheemse diersoorten in vastgelegd. Mits dergelijke soorten aanwezig zijn op een bepaalde locatie kan dit gevolgen hebben voor de uitvoering van activiteiten. Gezien de projectlocatie in de huidige situatie volledig verhard is en dagelijks wordt gebruikt voor de bedrijfsactiviteiten, hoeft geen rekening te worden gehouden met de aanwezigheid of verstoring van beschermde soorten.

Adromi B.V.

V201713/2003

Pagina 22 van 30

Ruimtelijke onderbouwing

7.

Water

7.1. Europees en nationaal beleid De Europese Kaderrichtlijn Water heeft als doel de chemische en ecologische kwaliteit van al het oppervlaktewater te verbeteren en grondwatervoorraden veilig te stellen. De doelstellingen worden uitgewerkt in (deel)stroomgebiedsbeheerplannen. Per 2016 zijn de tweede generatie stroomgebiedsbeheerplannen van kracht. Naast maatregelen om emissies terug te dringen en de inrichting van wateren aan te passen voor de doelsoorten is ook het stand-still beginsel een belangrijk voortvloeisel uit de richtlijn; ontwikkelingen –en dus ook ruimtelijke ontwikkelingen– mogen niet leiden tot verslechtering van de waterkwaliteit en ecologie. Nationaal beleid Het Nationaal waterbeleid is vastgelegd in het Nationaal Waterplan 2016-2021. In dit plan staan vijf ambities centraal: − Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven. Deze ambitie wordt vooral ingevuld door de veiligheidsnormen tegen overstroming te vernieuwen. − Een grotere inzet op verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics) zodat de Nederlandse wateren schoon en gezond zijn en er genoeg zoetwater is. − Nederland klimaatbestendig en waterrobuust inrichten. Bijvoorbeeld met verdiepte pleinen in een stad die bij veel regenval volstromen met water.

− Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement en –innovaties, ten behoeve van de economie en het verdienvermogen. − Nederlanders leven waterbewust. Schoon, veilig en voldoende water is niet vanzelfsprekend. In 2014 zijn de zogenaamde Deltabeslissingen genomen. Voor het projectgebied zijn vooral de Deltabeslissing Waterveiligheid en de Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie van belang. De Waterveiligheid wordt voortaan gebaseerd op risicobenadering (kans op overlijden door een overstroming). Daarbij gaat het niet alleen meer om sterke dijken en kaden om overstroming te voorkomen, maar om het samenspel met het beperken van gevolgen van overstromingen via ruimtelijke inrichting en via rampenbestrijding. Ruimtelijke adaptatie heeft veel met de ruimtelijke inrichting klimaatbestendig en waterrobuustheid te maken. In september 2017 heeft de Deltacommissaris het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie gepresenteerd en gemeenten worden verplicht klimaatstresstests uit te voeren (ook gevolgen van hitte / droogte). 7.2. Waterbeheerprogramma 2016-2021 Het gebied waar onderhavig plan is gelegen, valt onder het Waterschap Vallei en Veluwe. Waterschap Vallei en Veluwe heeft haar beleid vastgesteld in het Waterbeheerprogramma 2016-2021.

In haar visie heeft het waterschap aan de hand van toekomstbeelden de volgende ambities voor samenwerking opgesteld: − Het waterschap als kennispartner en betrouwbare partner. − Een proactieve open houding met adaptief vermogen. − Kansen die zich voordoen benutten. − Realiseren van meer met minder.

Adromi B.V.

V201713/2003

Pagina 23 van 30

Ruimtelijke onderbouwing

Naast de ambities in samenwerking heeft het waterschap ambities opgesteld die zich richten op de kerntaken van het waterschap. Deze ambities zijn cruciaal voor het behoud en verbetering van het huidige voorzieningenniveau, aangevuld met cruciale aanpassingen om de veranderingen in de toekomst te kunnen dragen. Hieronder volgen de ambities op inhoud van het waterschap. − We beschermen ons gebied tegen overstromingen Het waterschap zal zorgdragen voor de bescherming en instandhouding van de dijken. Daarnaast zal het waterschap proactief optreden als adviseur. − We zorgen voor de juiste hoeveelheid water Het waterschap wil zich inzetten op waterbesparing en niet op het aanvoeren van schoon water of accepteren van gebruikt water. Dit wordt gedaan aan de hand van maatwerk op lokaal niveau in het watersysteem. Dit vraagt om nauwe en lokale samenwerking. Voor wateroverlast houdt het waterschap het adagium vasthouden-bergen-afvoeren aan. − We zorgen voor de goede oppervlaktekwaliteit De waterkwaliteit stuurt het waterschap aan via kwaliteitsbeelden. Dit sturingsprincipe komt tot stand of is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met partners. Ze geven naast waterkwaliteit ook invulling aan wensen voor ecologie en landschappelijke inrichting.

− Schoon en vuil water worden zo veel mogelijk gescheiden Door in te zetten op het afvangen van regenwater, kan dit goed ingezet worden in stedelijk gebied en tegelijkertijd een deel van de negatieve effecten van klimaatverandering opvangen. Daarnaast blijft het waterschap voldoen aan de normen voor afvalwaterlozingen en voorkomen dat afvalwater een beperking gaat vormen voor het behalen van ecologische doelen. − We halen de hoogst mogelijke waarde uit water Door reststromen uit afvalwater en het watersysteem zo veel mogelijk terug te brengen in de circulaire economie wil het waterschap bijdragen aan haar ambitie om in 2025 energieneutraal te worden en overtollige energie in te zetten ten behoeve van partners. We beheren afvalwaterketen en watersysteem als één geheel samen met onze partners Om optimaal resultaat te behalen op het gebied van waterkwaliteit, waterkwantiteit en de maatschappelijke kosten van het waterbeheer, wil het waterschap de hele waterhuishouding (oppervlakte-, grond- en afvalwater) aansturen als één systeem vanuit een gezamenlijke en integrale benadering. Dit alles in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, Vitens en het bedrijfsleven. Toetsing water Voor de beoogde activiteiten zal er geen sprake zijn van lozing van afvalwater op het oppervlakte water.

Zo zijn de was- en tankplaats voorzien van een vloeistofdichte vloer en gecontroleerde hemelwater afvoer via een zuivering technische voorziening. Onderhoud aan vrachtwagens vindt inpandig plaats boven een vloeistofkerende vloer en indien nodig is er sprake van lekbakken. Deze activiteiten vinden plaats overeenkomstig het Activiteitenbesluit milieubeheer. Zo wordt verontreiniging van het water voorkomen.

Adromi B.V.

V201713/2003

Pagina 24 van 30

Ruimtelijke onderbouwing

Daarnaast is er geen sprake van toevoeging van verharding. De beoogde ontwikkeling betreft een functiewijziging op een reeds verhard perceel, er vinden voor deze functiewijziging geen bouwwerkzaamheden plaats. Hierdoor heeft de ontwikkeling geen invloed op het adagium vasthoudenbergen-afvoeren dat het waterschap aanhoudt. Het doorlopen van de watertoets is dan ook niet noodzakelijk. Tot slot kan er op nautisch vlak gekeken worden naar de beoogde aanvoer met schepen en het af en aanmeren van schepen. In de Waterverordening Vallei en Veluwe is de Eem aangewezen als beroepsvaart route en is het meren van een beroepsvaartschip toegestaan onder de regelgeving in Hoofdstuk 7 van het Binnenvaartpolitiereglement. In de beoogde situatie zal er sprake zijn van het afmeren van schepen voor de overslag van grondstoffen. Bij de overslag zal geen sprake zijn van het verhalen van schepen. Ter hoogte van de projectlocatie is de Eem zo’n 50 meter breed. Bij de overslag zal een gemeerd schip de doorvaart niet blokkeren. Gelet op het bovenstaande is het aspect water geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Adromi B.V.

V201713/2003

Pagina 25 van 30

Ruimtelijke onderbouwing

8.

Milieu

8.1. Besluit milieurapportage Voor stedelijke ontwikkelingsprojecten dient te worden beoordeeld of voor de betreffende ontwikkeling een milieueffectrapportage nodig is. De bijlage van het Besluit m.e.r. bevat diverse activiteiten / ontwikkelingen en drempelwaarden voor die activiteiten / ontwikkelingen welke dient als leidraad bij de beoordeling of een milieueffectrapportage benodigd is of niet. Een belangrijk onderscheid wordt gemaakt tussen activiteiten welke zijn opgenomen in onderdeel C en activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r.. Voor activiteiten die genoemd zijn in onderdeel C en waarvoor de drempelwaarde wordt overschreden geldt een m.e.r.plicht. In onderdeel D zijn activiteiten opgenomen waarvoor een zogenaamde aanmeldnotitie moet worden opgesteld op het moment dat de drempelwaarde wordt overschreden. In situaties waarin de drempelwaarden voor een wel in het Besluit m.e.r. genoemde activiteit niet wordt overschreden, dient een zogenaamde m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd om te bepalen of er voor de betreffende activiteiten een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Hierbij geldt evenwel dat als een bestemmingsplan meerdere m.e.r.-aanmeldplichtige activiteiten zal toelaten, er desalniettemin een verplichting bestaat om een milieueffectrapport op te stellen (planMER).

Als een bestemmingsplan slechts één m.e.r.-aanmeldplichtige activiteit zal toelaten, geldt hetgeen in de vorige paragraaf is beschreven en is het afhankelijk van beslissing omtrent de aanmeldnotitie of er een milieueffectrapport moet worden opgesteld of niet. Binnen de inrichting is sprake van activiteiten met betrekking tot afvalstoffen. Dit betreft een activiteit waarop categorie D 18.1 van het Besluit milieueffectrapportage van toepassing is, gelet op de uitleg die aan deze bepaling wordt gegeven (inrichting als installatie voor de verwijdering van afval). De aan te vragen situatie is daarmee m.e.r.-beoordelingsplichtig (artikel 7.16 t/m 7.20 Wet milieubeheer). In de Wet milieubeheer is aangegeven, dat degene die een activiteit wil ondernemen (aangewezen krachtens artikel 7.2 eerste lid, onder b van de Wet milieubeheer) en voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit (als bedoeld in artikel 7.2 vierde lid), dat verzoek schriftelijk moet mededelen aan het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag houdt bij de beslissing rekening met de in bijlage III van de EG-richtlijn milieu-effectbeoordeling aangegeven criteria. Gelet op het bovenstaande is er reeds een aanmeldnotitie ingediend bij de RUD Utrecht. Op 7 september 2018 is hierop een besluit genomen4.

Volgens het besluit zijn er vanwege de activiteiten geen nadelige gevolgen voor het milieu en hoeft er geen milieueffectrapport te worden opgesteld. 8.2. Geluid Bij ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met de geluidbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai en industrielawaai op de geluidgevoelige objecten in de zin van de Wet geluidhinder.

4

Besluit op aanmeldnotitie, zaaknummer: Z-VERG-2018-1507

Adromi B.V.

V201713/2003

Pagina 26 van 30

Ruimtelijke onderbouwing

De projectlocatie betreft geen geluidsgevoelig object. De beoogde activiteiten en verkeersaantrekkende werking kunnen daarentegen wel geluid produceren. Gezien de beoogde ontwikkeling toe ziet op een wijziging van de activiteiten, heeft er een geluidsonderzoek plaatsgevonden5. Uit het onderzoek blijkt dat er geen sprake zal zijn van een te hoge geluidsbelasting op de omliggende woningen en dat de nieuwe activiteiten inpasbaar zijn. 8.3. Geur Op het aspect geur is het relevant om te benoemen dat de beoogde activiteiten betrekking hebben op groenafval en baggerspecie. Deze afvalstromen kunnen mogelijk licht geur emitterend zijn. De geur bij groenafval komt vaak voort uit de verwerking van deze afvalstromen door te ontwateren of versnipperen. Op de projectlocatie zal geen sprake zijn van ontwateren en versnipperen. Er wordt daarom geen hinderlijke geuremissie verwacht. Om geur emissie te voorkomen bij de opslag van baggerspecie, wordt er gebruik gemaakt van een opslag met vloeistofdichte containers. Daarnaast kunnen de containers worden afgedekt. Ook voor de baggersspecie is uitsluitend sprake van een doorgangsdepot. Containers gevuld met baggerspecie zullen dan ook niet lang op de projectlocatie aanwezig zijn, niet ter plekke verwerkt worden en in zeer beperkte mate aanwezig zijn6.

Met de bovenstaande maatregelen en werkwijze zal het aspect geur deze ruimtelijke ontwikkeling niet in de weg staan. 8.4. Bodem Als er bij ruimtelijke ontwikkelingen sprake is van grondroering, dient de kwaliteit van de desbetreffende bodem beoordeeld te worden. In de beoogde ontwikkeling is geen sprake van grondroering noch bouwwerkzaamheden. Dit betekent dat er geen noodzaak is om de kwaliteit van de bodem te beoordelen ter realisatie van het plan. Gezien het beoogde gebruik goed aansluit op het huidige gebruik, en uitsluitend bestaat uit bedrijfsmatig gebruik, kan gesteld worden dat de kwaliteit van de ondergrond voldoende geschikt is voor de beoogde activiteiten. 8.5. Luchtkwaliteit De luchtkwaliteit is bepalend voor de gezondheid van mens en dier. Luchtverontreinigende stoffen kunnen bij het inademen leiden tot effecten op de lichamelijk gezondheid. Om deze reden dient bij een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit. Om de gevolgen van de beoogde ontwikkeling op de luchtkwaliteit te toetsen, heeft er een luchtkwaliteitsonderzoek plaatsgevonden7. 5 6 7

Adromi, Akoestisch onderzoek Gebr. van der Heiden Transport B.V., versie 022B d.d. maart 2020 Adromi, Aanvraagdocument, d.d. 21 januari 2020 Adromi, Luchtkwaliteitsonderzoek Gebr. Van der Heiden Transport B.V., d.d. 4 maart 2020

Adromi B.V.

V201713/2003

Pagina 27 van 30

Ruimtelijke onderbouwing

Uit het onderzoek blijkt dat het project met een bijdrage van ten hoogste 2,3 μg/m3 (jaargemiddeld) in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Hierop volgend is er getoetst op de grenswaarde zoals vastgesteld in bijlage 2 van de Wet milieubeheer en op de advieswaarden conform de WHO. Het luchtkwaliteitsonderzoek heeft aangetoond dat de te toetsen luchtkwaliteit ten gevolge van de beoogde activiteiten van Gebr. van der Heiden ruim onder de grenswaarden ligt en het aantal toegestane overschrijdingsdagen voor fijnstof niet wordt overschreden. Daarnaast wordt voldaan aan de WHO advieswaarden. Er kan geconcludeerd worden dat het aspect luchtkwaliteit niet in de weg staat voor de beoogde functiewijziging. 8.6. Externe veiligheid Doel van het externe veiligheidsbeleid is om de kans op overlijden van mensen in de omgeving bij een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen vrijkomen, binnen aanvaardbare grenzen te houden. Deze risicobenadering kent een tweetal begrippen om het risiconiveau weer te geven, het plaatsgebonden risico en groepsrisico.

Bij het plaatsgebonden risico gaat het om de kans per jaar dat een gemiddelde persoon op een bepaalde geografische plaats in de omgeving van een transportroute of industriële risicobron overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen op deze transportroute, ervan uitgaande dat die persoon onbeschermd en permanent op die plaats aanwezig is. Voor het plaatsgebonden risico is door de rijksoverheid voor nieuwe situaties een grenswaarde vastgesteld van 10 -6 per jaar. Het groepsrisico drukt de kans uit per jaar dat een groep mensen van minimale omvang overlijdt als direct gevolg van één ongeval op de transportroute of industriële risicobron waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Het groepsrisico is te beschouwen als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van een incident. Dit risico laat zich niet in de vorm van een risicocontour op een kaart weergeven, maar kan wel worden vertaald naar een curve van een dichtheid van personen per hectare. Risicobronnen, kabels en leidingen en transportroutes Middels de risicokaart zijn de nabije risicobronnen in kaart gebracht (zie figuur 6). Noemenswaardig zijn de twee aardgastransportleidingen die langs het industrieterrein liggen en de rijksweg A1, welke dient als transportroute voor gevaarlijke stoffen.

Deze risicobronnen vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling, aangezien de projectlocatie geen kwetsbaar object betreft. De beoogde activiteiten vormen daarnaast geen risico voor de omgeving en zorgt niet voor een toename van het groepsrisico. Hiermee is het aspect externe veiligheid geen beperkend aspect voor de beoogde ontwikkeling.

Adromi B.V.

V201713/2003

Pagina 28 van 30

Ruimtelijke onderbouwing

Figuur 6: uitsnede risicokaart.nl

Adromi B.V.

V201713/2003

Pagina 29 van 30

Ruimtelijke onderbouwing

9.

Uitvoerbaarheid

9.1. Economische uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling voorziet in de uitvoering van de gewenste activiteiten. Deze gewenste activiteiten zorgen voor economische groei in het bedrijf. Gebr. Van der Heijden heeft voldoende liquide middelen om het project tot succesvolle uitvoering te laten komen. 9.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid Onderhavige vergunningsaanvraag zal ter inzage liggen. Eventuele zienswijzen kunnen binnen deze inzageperiode worden ingediend.

Adromi B.V.

V201713/2003

Pagina 30 van 30

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9856546/1