CConstaterende dateemnes
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Toelichting verschillen

Commissie BSM 15 september 2025, gemeente eemnesBij agendapunt: Financiële verordening 20254.014 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Huidige verordening

Financiële Verordening 2025 Gemeente Eemnes

Uitvoeringsinformatie Artikel 4. Relatie Programma’s, taakvelden, en kostenplaatsen

-

1. Bij iedere programmabegroting en jaarstukken wordt een overzicht gegeven van de toedeling van de taakvelden aan de programma’s. Dit overzicht wordt aangeduid als uitvoeringsinformatie. 2. Bij de uitvoeringsinformatie wordt een overzicht gegeven van de toedeling van kostenplaatsen aan de taakvelden. Artikel 7. Uitvoering begroting 2. Het college draagt ten aanzien van de uitvoeringsinformatie er zorg voor dat: a. de lasten en baten, door middel van kostentoerekening, eenduidig zijn toegewezen aan taakvelden; b. de budgetten uit de uitvoeringsinformatie en kredieten voor investeringen passen binnen de kaders zoals geautoriseerd bij de vaststelling van de uiteenzetting van de financiële positie; c. de lasten van de taakvelden niet dusdanig worden overschreden dat de realisatie van andere taakvelden binnen hetzelfde programma onder druk komt. Incidentele baten en lasten vanaf € 10.000 (artikel 3, lid 2) -

Post onvoorziene uitgaven (artikel 4, lid 2) -

Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken 2. In de begroting en de jaarstukken worden in het overzicht van de (geraamde) incidentele baten en lasten de posten vanaf € 10.000 per programma afzonderlijk gespecificeerd.

Artikel 4. Kaders begroting 2. In de begroting wordt een post onvoorziene uitgaven opgenomen.

Autorisatie van investeringskredieten (artikel 5, lid 5) Artikel 6. Autorisatie begroting en investeringskredieten 1.De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en de lasten per programma. Indien de raad prioriteiten heeft vastgesteld worden de baten en lasten per prioriteit vastgesteld. 2. Bij de begrotingsbehandeling geeft de raad aan van welke nieuwe investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. De overige nieuwe investeringen worden bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen van de financiële positie geautoriseerd. 3. Het college informeert de raad vooraf als ze verwacht dat de lasten de geautoriseerde lasten of de investeringsuitgaven de geautoriseerde investeringskredieten dreigen te overschrijden of de baten de geautoriseerde baten dreigen te onderschrijden. De raad geeft vervolgens aan of hij hiervoor een voorstel wil voor wijziging van het budget of een voorstel voor bijstelling van het beleid. 4. In afwijking van het derde lid geldt voor investeringskredieten tot € 500.000 het volgende: a. Het college informeert de raad vooraf als ze verwacht dat de investeringsuitgaven de geautoriseerde investeringskredieten dreigen te overschrijden met 10% of meer.

De raad geeft vervolgens aan of hij hiervoor een voorstel wil voor wijziging van het budget of een voorstel voor bijstelling van het beleid. b. Verantwoording van overschrijdingen op investeringskredieten die kleiner zijn dan 10% van de investeringskredieten worden in de jaarstukken verantwoord.

Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten 1. De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en de lasten per programma. 2. Bij de begrotingsbehandeling geeft de raad aan van welke nieuwe investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. De overige nieuwe investeringskredieten worden bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen van de financiële positie geautoriseerd. 3. In geval van investeringen met een meerjarig karakter doet het college indien nodig ook bij iedere begroting op grond van geactualiseerde ramingen voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten. 4. Het college informeert de raad als zij verwacht, dat de lasten van een programma de geautoriseerde lasten met meer dan € 25.000 dreigen te overschrijden of de baten van een programma de geautoriseerde baten met meer dan € 25.000 dreigen te onderschrijden. De raad geeft vervolgens aan of zij een voorstel wil voor het wijzigen van de geautoriseerde lasten van het programma of voor het bijstellen van het beleid. 5. Het college informeert de raad als zij verwacht dat de investeringsuitgaven van een investeringskrediet het geautoriseerde investeringskrediet met meer dan 10% dreigen te overschrijden met een minimum van € 25.000.

De raad geeft vervolgens aan of zij een voorstel wil voor het wijzigen van het geautoriseerde investeringskrediet of zij een voorstel wil voor het wijzigen van het investeringsvoorstel. 6. Bij de behandeling van de tussentijdse rapportage(s) in de raad bedoeld in artikel 6, eerste lid, doet het college voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde baten en lasten, het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten en het bijstellen van het beleid. 7. Voor een investering waarvan het investeringskrediet niet met het vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt het college voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een voorstel voor het vaststellen van een investeringskrediet aan de raad voor.

5. Bij de behandeling van de tussenrapportages in de raad doet het college voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde budgetten en de investeringskredieten en het bijstellen van het beleid. 6. Voor een investering waarvan het investeringskrediet niet met het vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt het college vooraf aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel met een voorstel voor het vaststellen van een investeringskrediet aan de raad voor. Verstrekken van leningen, waarborgen en garanties (artikel 8) Artikel 9. Informatieplicht Het college besluit in ieder geval niet over: a. Het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties groter dan €100.000,- en b. Het verstrekken van kapitaal aan instellingen en ondernemingen, voor zover niet al is opgenomen in de gemeentebegroting, dan nadat de raad is geïnformeerd over het voornemen en hiertoe in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen. c. De aan- en verkoop van gronden, voor zover niet al is opgenomen in de gemeentebegroting, dan nadat de raad is geïnformeerd over het voornemen en hiertoe in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen.

Specificatie begroting en jaarstukken (artikel 3/artikel 7, lid 2) Artikel 2. Programma-indeling 1. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode de programmaindeling voor die raadsperiode vast.

Artikel 8. Wensen en bedenkingen over grote onderwerpen Het college besluit niet over: a. het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties, tenzij in het kader van een gezond liquiditeitenbeheer een geldlening risicovrij wordt verstrekt aan een overheidsinstelling waarmee de gemeente geen directe toezichtsrelatie heeft; en b. het verstrekken van kapitaal aan instellingen en ondernemingen als deze niet inhoudelijk en budgettair binnen de begroting vallen; dan nadat de raad is geïnformeerd over het voornemen en hiertoe in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen.

Artikel 2. Programma-indeling 1. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode een programmaindeling voor die raadsperiode vast. 2. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode op voorstel van het college de taakvelden per programma vast.

2. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode de taakvelden per programma voor die raadsperiode vast. 3. De raad stelt per programma vast: 4. de beoogde maatschappelijke effecten (wat willen wij bereiken);

3.

4.

De raad stelt op voorstel van het college de beleidsindicatoren vast. Het voorstel van het college bevat ten minste de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a, van het BBV. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode vast over welke onderwerpen zij in extra paragrafen naast de verplichte paragrafen van de begroting en de jaarstukken kaders wil worden geïnformeerd.

5. de te leveren goederen en diensten (wat doen wij daarvoor); 6. de baten en lasten (wat mag het kosten). 7. Het college maakt in ieder geval gebruik van wettelijk verplichte indicatoren met betrekking tot de beoogde maatschappelijke effecten en de te leveren goederen en diensten. De raad kan op voorstel van het college aanvullende indicatoren vaststellen. 8. De raad stelt bij de aanvang van iedere raadsperiode vast over welke onderwerpen hij in extra paragrafen naast de verplichte paragrafen in de begroting en rekening kaders wil stellen wil worden geïnformeerd. 9. Het college draagt zorg voor het verzamelen en vastleggen van gegevens over de geleverde goederen en diensten en de maatschappelijke effecten, opdat de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid zoals vastgesteld door de raad, kunnen worden getoetst. Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken 1. Bij de begroting worden onder elk van de programma’s de lasten en baten per programma weergegeven en bij de jaarstukken worden onder elk van de programma’s de gerealiseerde lasten en baten per programma weergegeven. 2. Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt van de nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringskrediet weergegeven en wordt van de lopende investeringen het geautoriseerde

Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken 1. In de begroting en de jaarstukken wordt het overzicht van de baten en lasten per programma weergegeven. 2. In de begroting en de jaarstukken worden in het overzicht van de (geraamde) incidentele baten en lasten de posten vanaf € 10.000 per programma afzonderlijk gespecificeerd. 3. Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt van de nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringskrediet weergegeven. 4. Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt in aanvulling op het bepaalde in artikel 20 en artikel 21 van het BBV inzicht gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de begroting, de meerjarenraming, de investeringen en de grondexploitatie.

Artikel 7. Jaarstukken 1. Gelijktijdig met het aanbieden van de jaarstukken biedt het college de raad een voorstel aan over de bestemming van het jaarrekeningresultaat. 2. In de jaarrekening presenteert het college aan de raad de niet uit de balans blijkende verplichtingen (NUBBV) groter dan € 50.000. 3. Vooruitlopend op het bestemmingsvoorstel over het jaarrekeningresultaat kan het college de raad voorstellen om restantmiddelen op onderdelen van het rekeningresultaat over te hevelen naar het volgende begrotingsjaar.

investeringskrediet en de raming van de uitputting van het krediet in het lopende boekjaar weergegeven. 3. Bij de uiteenzetting van de financiële positie in begroting wordt in aanvulling op het bepaalde in artikel 20 en artikel 21 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten inzicht gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de begroting, de meerjarenraming en de investeringen en de grondexploitatie. 4. In de jaarrekening wordt van de investeringen en meerjarige projecten de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten en de actuele raming van de totale uitgaven weergegeven. Artikel 11. Jaarstukken 1. Het college draagt zorg voor een adequate vertaling van de verantwoording van de diensten naar de uitvoeringsinformatie en naar de programmaverantwoording. 2. Het college legt verantwoording af over de uitvoering van de programma’s. In de verantwoording geeft het college aan: a. wat is bereikt; b. welke goederen en diensten zijn geleverd; c. wat de kosten zijn.

Voorziening voor oninbare debiteuren (artikel 15) Artikel 13. Voorziening voor oninbare vorderingen 1. Vorderingen en schulden worden gewaardeerd tegen de nominale waarde.

Artikel 15. Voorziening voor oninbare debiteuren 1. Vorderingen worden gewaardeerd tegen de nominale waarde onder aftrek van een voorziening voor oninbaarheid. 2. Voor de vorderingen op verbonden partijen en derden wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van een individuele beoordeling op inbaarheid van de openstaande vorderingen.

2. Voor openstaande vorderingen wordt een voorziening dubieuze debiteuren getroffen volgens de methodiek zoals vermeld in de bijlage waardering dubieuze debiteuren bij deze verordening. 3. In afwijking van het eerste en tweede lid worden vorderingen en schulden bij andere publieke lichamen niet betrokken in de berekening van de voorziening voor oninbare vorderingen.

Rentetoerekening aan reserves (artikel 16) Artikel 14. Reserves en voorzieningen 1. In de begroting en de jaarrekening vindt toerekening van bespaarde rente aan de taakvelden plaats.

Kostprijsberekening (artikel 17) Artikel 16. Kostprijsberekening 1. Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening worden naast de directe kosten, de overheadkosten, de rente van de inzet van vreemd vermogen en de bespaarde rente voor de financiering van de in gebruik zijnde activa betrokken. 2. Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen van reserves en voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de kapitaallasten van de in gebruik zijnde activa. Voor rioolheffing en afvalstoffenheffing worden ook de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW) en de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid betrokken.

3.

4.

Voor Soza-debiteuren wordt een voorziening getroffen in overeenstemming met de ontvangen verantwoordingsinformatie van de uitvoeringsorganisatie, tenzij de interne beoordeling hiervan afwijkt. Voor belastingdebiteuren wordt een voorziening getroffen in overeenstemming met de ontvangen verantwoordingsinformatie van de uitvoeringsorganisatie, tenzij de interne beoordeling hiervan afwijkt.

Artikel 16. Reserves en voorzieningen 1. In de begroting en jaarstukken vindt geen toerekening van rente over de reserves en voorzieningen aan de taakvelden plaats.

Artikel 17. Kostprijsberekening 1. Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van goederen, werken en diensten van de gemeenten, die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening worden naast de directe kosten, de overheadkosten en de rente van de inzet van vreemd vermogen voor de dekking van de in gebruik zijnde activa betrokken. 2. Bij de directe kosten worden betrokken de dotaties aan en onttrekkingen van voorzieningen en reserves. Voor de rioolheffing en de afvalstoffenheffing, worden daarbij ook de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW) en de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid betrokken. 3. Voor de toerekening van overheadkosten aan de kostprijs van rechten en heffingen en diensten voor derden en grondexploitaties, wordt op basis van de begrotingscijfers een opslagtarief per toe te rekenen werkuur bepaald. Dit wordt berekend door de overheadkosten te delen door het begrote totale aantal direct toe te rekenen uren. Bij de realisatie van kosten wordt dit opslagtarief vermenigvuldigd met het aantal daadwerkelijk ingezette uren. Het opslagtarief wordt in de

3. Voor de inzet van materiele activa worden naast directe kosten, indirecte kosten en afschrijvingskosten de rente voor de financiering van het actief toegerekend. Deze rente is een vergoeding voor de inzet van vreemd vermogen en van eigen vermogen. De rentepercentages voor deze vergoeding worden bij de behandeling van de begroting vastgesteld. 4. Het percentage van de omslagrente voor de toerekening van rente voor de financiering van de in gebruik zijn de activa, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld. De omslagrente wordt bepaald door het rentetotaal van de opgenomen langlopende en kortlopende geldleningen én de bespaarde rente te delen door de boekwaarde per begin begrotingsjaar van de vaste activa. Zowel de rente als de vaste activa vallend onder projectfinanciering worden niet meegenomen in de omslagrente. 5. Voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van rechten en heffingen en diensten voor derden, wordt op basis van de begrotingscijfers een gemiddeld opslagtarief per toe te rekenen werkuur bepaald. Dit wordt berekend door alle begrote overheadkosten van de uitvoeringsorganisatie te delen door het begrote totale aantal direct toe te rekenen uren. Bij de realisatie van kosten wordt dit opslagtarief vermenigvuldigd met het aantal daadwerkelijk ingezette uren.

Het opslagtarief wordt in de begroting dan wel begrotingswijziging van de BEL Combinatie opgenomen. 6. In afwijking van het vierde lid wordt bij een verstrekte lening voor de bepaling van de rentekosten van de inzet van vreemd vermogen in de kostprijs uitgegaan van de rente van de lening die voor de financiering van de verstrekte lening is aangetrokken. Deze rente wordt verhoogd met een opslag voor het debiteurenrisico. 7. In afwijking van het eerste lid worden bij vennootschapsbelastingplichtige activiteiten en grondexploitaties alleen de rentekosten voor de inzet van vreemd vermogen aan de kostprijs

4.

5.

begroting dan wel begrotingswijziging van de BEL Combinatie opgenomen. Via een raadsbesluit kan van deze berekeningswijze worden afgeweken. Het percentage van de omslagrente voor de toerekening van rente voor de financiering van de in gebruik zijnde activa, zoals bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld in de paragraaf financiering. Het percentage van deze omslagrente wordt bepaald uit het gewogen gemiddelde van het bij de begroting geraamde rentepercentage van de rentekosten op de opgenomen langlopende en kortlopende leningen en kredieten, dan wel de rentebaten. De uitkomst van dit percentage van de omslagrente wordt op een half procent afgerond. In afwijking van het vorige wordt bij een verstrekte lening voor de bepaling van de rentekosten van de inzet van vreemd vermogen in de kostprijs uitgegaan van de rente van de lening die voor de financiering van de verstrekte lening is aangetrokken. Deze rente kan worden verhoogd met een opslag voor kosten en het debiteurenrisico.

toegerekend. Bij projectfinanciering worden dan de werkelijke rentekosten toegerekend.

Prijzen economische activiteiten (artikel 18) Artikel 17. Prijzen economische activiteiten 1. Voor de levering van goederen, diensten of werken aan overheidsbedrijven en derden en met welke bijbehorende activiteiten de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt tenminste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht. Bij afwijking doet het college vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de activiteit wordt gemotiveerd. 2. Bij het verstrekken van leningen of garanties aan overheidsbedrijven en derden brengt de gemeente de geraamde integrale kosten in rekening. Bij afwijking doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de lening of garantie wordt gemotiveerd 3. Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden gaat het college uit van een vergoeding van tenminste de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen. Bij afwijking doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de kapitaalverstrekking wordt gemotiveerd. 4. Raadsbesluiten met de motivering van het publiekbelang als bedoeld in de vorige leden zijn niet nodig als er sprake is van: a.

leveringen van goederen, diensten of werken en het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal aan andere overheden voor zover deze leveringen en verstrekkingen zijn bedoeld voor de uitoefening van de publieke taak door die andere overheid; b. een bevoordeling van activiteiten in het kader van een bij wet opgedragen publiekrechtelijke taak;

Artikel 18. Prijzen economische activiteiten 1. Voor de levering van goederen, diensten en werken door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt ten minste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht. 2. Bij het verstrekken van leningen of garanties door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden ten minste de geraamde integrale kosten in rekening gebracht. Hier kan via een raadsbesluit van worden afgeweken. 3. Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden gaat het college uit van een vergoeding van ten minste de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen.

c. een bevoordeling van activiteiten in het kader van een toegekend bijzonder of uitsluitend recht waarvoor prijsvoorschriften gelden; d. een bevoordeling van sociale werkplaatsen; e. een bevoordeling van onderwijsinstellingen; f. een bevoordeling van publieke media-instellingen; en g. een bevoordeling die valt onder de reikwijdte van de staatssteunregels van het Werkingsverdrag van de Europese Unie en daarmee verenigbaar is.

Nota weerstandsvermogen en risicomanagement (artikel 22) -

Artikel 22. Weerstandsvermogen en risicobeheersing 1. Bij de begroting en jaarstukken neemt het college in de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing de verplichte onderdelen op grond van artikel 11 van het BBV op. 2. Het college biedt ten minste eenmaal in de vier jaar een (bijgestelde) nota ‘Weerstandsvermogen en risicomanagement’ aan. De raad stelt deze nota vast.

Paragrafen bij de begroting en jaarstukken (paragraaf 5, artikel 25/artikel 28) Artikel 25. Bedrijfsvoering Artikel 23. Bedrijfsvoering Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf bedrijfsvoering de verplichte onderdelen op grond van artikel 14 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op.

Bij de begroting en jaarstukken neemt het college in de paragraaf bedrijfsvoering naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 14 van het BBV in ieder geval het volgende op: a. organisatieontwikkelingen, zowel van de gemeente als geheel als van de BEL Combinatie; b. ontwikkelingen op het gebied van personeel; c. een toelichting op alle afwijkingen in rechtmatigheid, die in de rechtmatigheidsverantwoording zijn opgenomen, voor zover deze de rapportagegrens, zoals bedoeld in artikel 10 lid 3, overschrijden en eventueel welke maatregelen worden genomen om deze afwijkingen in de toekomst te voorkomen; d. integriteitsbeleid en frauderisicobeheersing.

Artikel 28. Wet open overheid Bij de begroting en jaarstukken geeft het college in de paragraaf Wet open overheid ten minste inzicht in de voortgang van het Programma Wet open overheid.

Afschrijvingen (lineair) (bijlage afschrijvingsbeleid bij artikel 14)

Afschrijvingsbeleid materiele vaste activa met economisch of maatschappelijk nut Activa met een verkrijgingsprijs van minder dan € 10.000 worden niet geactiveerd, uitgezonderd gronden en terreinen. Deze laatst genoemden worden altijd geactiveerd. Het activeren en afschrijven van gemeentelijk vastgoed vindt plaats op basis van de componentenbenadering, waarbij de afschrijvingstermijn van de verschillende componenten worden vastgesteld bij raadsbesluit.

Afschrijvingsbeleid materiële vaste activa met economisch of maatschappelijk nut Activa met een verkrijgingsprijs van minder dan € 10.000,- worden niet geactiveerd, uitgezonderd gronden en terreinen. Deze laatst genoemden worden altijd geactiveerd. Op gronden en terreinen wordt niet afgeschreven. Op afschrijving van het bedrijfsgebouw brandweerkazerne en afschrijving van tankautospuiten wordt afgeschreven conform het afschrijvingsbeleid van de Veiligheidsregio Utrecht. De volgende materiële vaste activa worden lineair afgeschreven:

Op gronden en terreinen wordt niet afgeschreven met uitzondering van grondkosten voor onderwijsgebouwen van voor 2000. De volgende materiële vaste activa worden op basis van annuïteiten afgeschreven in:

Huidige verordening

Financiële Verordening 2025 Gemeente Eemnes

-

Paragraaf 3. Rechtmatigheidsverantwoording Artikel 10. Verantwoordings- en rapportagegrens rechtmatigheidsverantwoording 1. In de rechtmatigheidsverantwoording bij de jaarrekening rapporteert het college aan de raad over afwijkingen met een verantwoordingsgrens, zoals jaarlijks wordt bepaald bij de vaststelling van het controleprotocol en deze bedraagt maximaal 2 procent.. 2. In de paragraaf bedrijfsvoering worden de geconstateerde afwijkingen (fouten of onduidelijkheden) groter dan € 25.000 nader toegelicht. Inzake ‘Single information, single audit’ worden bij de rapporteringstoleranties de besluiten van het ministerie van BZK gevolgd.

-

Artikel 11. Voorwaardencriterium 1. Het voorwaardencriterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op de eisen die worden gesteld bij de uitvoering van de financiële beheershandelingen. De eisen/voorwaarden zijn afkomstig uit diverse wet- en regelgeving en hebben betrekking op aspecten als doelgroep, termijn, grondslag, administratieve bepalingen, normbedragen, bevoegdheden, bewijsstukken, recht, hoogte en duur. 2. Het college biedt de raad jaarlijks voor 1 juli ter vaststelling een controleprotocol en een normenkader rechtmatigheid aan. Deze kaders bestaan uit alle relevante (interne) wet- en regelgeving waaruit financiële beheershandelingen kunnen voortvloeien.

-

Artikel 12. Begrotingscriterium 1. Het begrotingscriterium is een criterium van rechtmatigheid dat betrekking heeft op de grenzen van de baten en lasten in de door de raad geautoriseerde begroting van exploitatie en investeringskredieten en de hiermee samenhangende programma’s, waarbinnen de financiële beheershandelingen tot stand moeten zijn gekomen.

2.

3.

4.

5.

Afwijkingen worden acceptabel onrechtmatig aangemerkt wanneer zij bij het opmaken van de jaarrekening worden gepresenteerd en er sprake is van ten minste een van de situaties zoals toegelicht in bijlage II toelichting rechtmatige overschrijdingen bij deze verordening.

6.

Acceptabele begrotingsonrechtmatigheden die passen binnen het bestaande beleid van de raad, worden opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording (voor zover de verantwoordingsgrens voor afzonderlijke fouten of onduidelijkheden is overschreden), maar worden niet nader toegelicht in de paragraaf bedrijfsvoering. Afwijkingen die als onacceptabel onrechtmatig worden beschouwd, kunnen door de raad bij de jaarrekening alsnog worden geautoriseerd. Indien de afwijking niet binnen het bestaande beleid valt, kan de raad ervoor kiezen het college te vragen om een indemniteitsbesluit voor te bereiden.

7.

-

De begrotingsrechtmatigheid wordt beoordeeld op het niveau waarop de begroting door de raad is geautoriseerd, zoals is opgenomen in artikel 5. Bij investeringsprojecten wordt de begrotingsrechtmatigheid beoordeeld op het niveau van het totaal gevoteerde kredietbedrag. Een overschrijding van het jaarbudget, passend binnen het totaalbedrag van het krediet, wordt daarmee als rechtmatig beschouwd. Uitgangspunt is dat iedere afwijking van de begroting als onrechtmatig wordt beschouwd, behalve kostenonderschrijdingen die passen binnen het bestaande beleid en behalve over- en onderschrijdingen van baten, onderschrijdingen van lasten en onderschrijdingen van investeringskredieten wanneer geldt dat deze t/m het moment bij de jaarrekening tijdig zijn gemeld.

Artikel 13. Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium 1. Het misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op het voorkomen, detecteren en corrigeren van misbruik en oneigenlijk gebruik van

overheidsgelden en gemeentelijke eigendommen bij financiële beheershandelingen. 2.

Het college legt de regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen vast en draagt zorg voor de controle hierop.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15971433/1