Bijlage 2 - OntwerpBP HSS - Bijlagen Toelichting
Tekst van het document
RESULTAAT INVENTARISATIE EN BEOORDELING AARTSVEEN ............................................................. 11 4.1 FLORA .................................................................................................................................................... 11 4.2 VLEERMUIZEN ......................................................................................................................................... 11 4.3 OVERIGE ZOOGDIEREN............................................................................................................................ 11 4.4 BROEDVOGELS ....................................................................................................................................... 12 4.5 AMFIBIEËN .............................................................................................................................................. 13 4.6 VISSEN ................................................................................................................................................... 13 4.7 REPTIELEN ............................................................................................................................................. 13 4.8 OVERIGE ................................................................................................................................................ 13 5.
RESULTAAT INVENTARISATIE EN BEOORDELING HASSELAARLAAN ................................................... 14 5.1 FLORA .................................................................................................................................................... 14 5.2 VLEERMUIZEN ......................................................................................................................................... 14 5.3 OVERIGE ZOOGDIEREN............................................................................................................................ 15 5.4 BROEDVOGELS ....................................................................................................................................... 15 5.5 AMFIBIEËN .............................................................................................................................................. 16 5.6 VISSEN ................................................................................................................................................... 16 5.7 REPTIELEN ............................................................................................................................................. 16 5.8 OVERIGE ................................................................................................................................................ 16 6.
SAMENVATTENDE CONCLUSIE .................................................................................................................... 17 GERAADPLEEGDE LITERATUUR ...................................................................................................................... 18 BIJLAGEN ............................................................................................................................................................ 19 1. PLANGEBIED AARTSVEEN 96 TE EEMNES........................................................................................ 20 2. PLANGEBIED HASSELAARLAAN 1C TE EEMNES .............................................................................. 22 3. BEGRIPPEN ........................................................................................................................................... 23
Adviesbureau Mertens
1
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes. Eindrapport maart 2020
1. INLEIDING 1.1 Inleiding Er is het voornemen voor het realiseren en gebruiken van woonbebouwing in de gebieden Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes. De aanwezigheid van beschermde planten- en diersoorten vormt een te onderzoeken aspect omdat met de plannen effecten kunnen ontstaan op soorten die beschermd zijn via de Wet natuurbescherming. Op grond hiervan is aan Adviesbureau Mertens B.V. uit Wageningen gevraagd om een verkennend veldonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van wettelijk beschermde soorten en indien aanwezig, aan te geven hoe hiermee dient te worden omgegaan. In dit rapport worden de resultaten van deze verkenning gepresenteerd.
N▲
Legenda = Aartsveen 96 (De 7-sprong) = Hasselaarlaan 1c (De Hilt) Figuur 1. Globale ligging van de plangebieden aan de Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes.
1.2 Het plangebied en de plannen Aan de Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes zijn respectievelijk voormalige basisschool De 7sprong en een sport- en ontmoettingscomplex De Hilt gelegen met rondom verhardingen en cultuurgroen. In bijlage 1 en 2 een detailsituatie gegeven van het plangebied Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes. In figuur 2 en 3 wordt respectievelijk een beeld gegeven van het plangebied van Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c op vrijdag 25 oktober 2019. De huidige plannen voorzien in de sloop van de opstallen, het gedeeltelijk rooien van groen, bouwrijp maken en het realiseren van woonbebouwing met bijbehorende infrastructuur. In figuur 4 en 5 wordt achtereenvolgens een beeld gegeven van de plannen van Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c. In het gebied Aartsveen 96 zijn de plannen voor het water ten westen van de Vosseveen conserverend en in het gebied Hasselaarlaan 1c valt theater De Hesselbak buiten het plangebied en derhalve zijn de plannen voor dit theater tevens conserverend. Met de realisatie van de plannen worden bomen zo veel mogelijk behouden en er worden bomen aangeplant.
Adviesbureau Mertens
2
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes. Eindrapport maart 2020
Figuur 2. Foto-impressie van het plangebied en directe omgeving aan de Aartsveen 96 te Eemnes.
Adviesbureau Mertens
3
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes. Eindrapport maart 2020
Figuur 3. Foto-impressie van het plangebied en directe omgeving aan de Hasselaarlaan 1c te Eemnes.
Adviesbureau Mertens
4
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes. Eindrapport maart 2020
N ->
Figuur 4. Impressie van de plannen aan de Hasselaarlaan 1c te Eemnes.
Adviesbureau Mertens
5
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes. Eindrapport maart 2020
N▲
Figuur 5. Impressie van de plannen aan de Aartsveen 96 te Eemnes.
Adviesbureau Mertens
6
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes. Eindrapport maart 2020
1.3 Doelstelling van het onderzoek De doelstelling van het onderzoek is tweeledig. Enerzijds wordt inzichtelijk gemaakt welke wettelijk beschermde natuurwaarden in het kader van de soortbescherming van planten- en diersoorten te verwachten zijn. Anderzijds worden de consequenties van deze aanwezigheid voor de planontwikkeling weergegeven. Gelet op de opdracht genoemd in de inleiding en de doelstelling, is het van belang dat de volgende vragen worden beantwoord: 1. Welke wettelijk beschermde planten- en diersoorten komen mogelijk voor ter plaatse van en in de directe omgeving van het plangebieden Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes? 2. Welke verwachte wettelijk beschermde planten- en diersoorten ondervinden nadelen van de plansituatie?
1.4 Opbouw rapport Na een korte uitleg over de soortbescherming van de Wet natuurbescherming (hoofdstuk 2) komen achtereenvolgens aan de orde: - De onderzoeksmethode (hoofdstuk 3). - Een beschrijving van de aanwezigheid van beschermde soorten en effecten van de plannen (hoofdstuk 4 en 5 voor respectievelijk Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c). - Een samenvattende conclusie. In bijlage 3 wordt een overzicht gegeven van de gebruikte definities en afkortingen.
Adviesbureau Mertens
7
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes. Eindrapport maart 2020
2. BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN 2.1 Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht geworden. Deze wet implementeert de Vogelen Habitatrichtlijn en andere verdragen in het nationaal natuurbeschermingsrecht. Het bevoegd gezag is Gedeputeerde Staten van de Provincie(s) waar een project wordt gerealiseerd. Gedeputeerde Staten kunnen deze bevoegdheid ook overdragen conform lid 7 van deze wet. Doorgaans zijn dit Omgevingsdiensten. De soortbescherming richt zich dan ook primair op de bescherming van plant- en diersoorten die genoemd zijn in deze richtlijnen. Daarnaast is een deel van de soorten van de Rode Lijst (zie paragraaf 2.2) beschermd via de Wet natuurbescherming. Voor alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten is de algemene zorgplicht van toepassing; handelen of nalaten die gevolgen kunnen hebben dienen achterwege gelaten te worden of er dienen maatregelen getroffen te worden om effecten te voorkomen, of zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Indien een plan resulteert in negatieve beïnvloeding van een soort of soorten kan ontheffing worden verleend conform artikel 3.3 van de Wet natuurbescherming voor soorten van artikel 3.1 en 3.2 (Vogelrichtlijnsoorten). Ontheffing kan worden verleend conform artikel 3.8 van de Wet natuurbescherming voor soorten van artikel 3.4 en 3.6 (Habitatrichtlijnsoorten).
De criteria voor ontheffingsverlening voor deze soorten zijn identiek aan die Vogel- en Habitatrichtlijn omdat deze richtlijnen zijn geïmplementeerd in het nationaal recht. Het nationaal recht staat het niet toe om hiervan af te wijken. De criteria zijn: in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren; ter bescherming van flora en fauna. Om in aanmerking te komen voor een ontheffing dienen mitigerende en eventueel compenserende maatregelen genomen te worden die tot gevolg hebben dat soorten niet nadelig worden beïnvloed in het voorkomen en gedurende de uitvoering van een project. Provincies kunnen voor de nationaal beschermde soorten een algemene vrijstelling verlenen. In de Provincie Noord-Holland wordt voor een aantal soorten generieke vrijstelling verleend in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Het betreft o.a. aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos en woelrat. 2.2 Rode lijst De Rode lijst met bedreigde soorten is eind 2004 gepubliceerd in de Staatscourant en voor een deel in 2009 en 2017 herzien.
Aan de op deze lijst genoemde soorten komt bescherming toe voor zover zij vallen onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming. Tussen de Wet natuurbescherming en de Rode lijsten bestaat geen formele relatie. Alleen op basis van “gunstige staat van instandhouding” kunnen bij beschermde Rode lijstsoorten "zwaardere" randvoorwaarden gelden ten aanzien van mitigerende en compenserende maatregelen dan voor algemene soorten. Zo zal het bij zeer algemeen voorkomende soorten die gering afnemen in aantal (Rode lijstsoort met het criterium gevoelig) relatief eenvoudig zijn om aan te tonen dat de "gunstige staat van instandhouding" niet in het geding komt. Voor soorten met een beperkt verspreidingsbeeld en die afnemen in aantal (soorten van de Rode lijst met het criterium bedreigd of ernstig bedreigd) is een uitgebreide effectenstudie wenselijk. Voor deze soorten geldt namelijk de zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat Adviesbureau Mertens
8
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes. Eindrapport maart 2020 iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende dieren, inclusief hun leefomgeving en voor alle planten en hun groeiplaats. Dit artikel is derhalve ook gericht op het voorkomen van doden en verwonden van algemene soorten. Op deze manier wordt nader invulling gegeven aan de bescherming van soorten die in aantal en/of verspreiding afnemen.
Adviesbureau Mertens
9
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes. Eindrapport maart 2020
3. METHODE
Op vrijdag 25 oktober 2019 is een bezoek gebracht aan het plangebied Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes en de directe omgeving. Gedurende dit bezoek is dit gebied en de directe omgeving beoordeeld op het mogelijk voorkomen van beschermde planten- en diersoorten. Dit vond plaats aan de hand van aanwezige ecotopen en sporen. Er is daarnaast gebruik gemaakt van bestaande verspreidingsgegevens om het (potentieel) voorkomen van beschermde soorten te bepalen (o.a. via Waarneming.nl). Overige waarnemingen zijn tevens geraadpleegd zoals weergegeven in verspreidingsatlassen. Daarnaast is gebruik gemaakt van een tweetal onderzoek naar het voorkomen van vleermuizen in de gebieden Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes (Adviesbureau Mertens, 2019a,b).
Adviesbureau Mertens
10
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes. Eindrapport maart 2020
4. RESULTAAT INVENTARISATIE EN BEOORDELING AARTSVEEN
4.1 Flora Het plangebied is volledig in cultuur gebracht. De houtwallen zijn natuurlijker maar hier ontbreekt een kruidachtige vegetatie bijna geheel. De aanwezigheid van beschermde planten wordt derhalve uitgesloten. Planten die beschermd zijn in het kader van de Wet natuurbescherming komen alleen voor in specifieke ecotopen zoals vennen en zandverstuivingen. Gedurende het verkennend veldonderzoek op vrijdag 25 oktober 2019 zijn geen beschermde plantensoorten of resten van beschermde plantensoorten vastgesteld. Op grond hiervan wordt de aanwezigheid van beschermde plantensoorten uitgesloten. 4.2 Vleermuizen Getoetst is op de verschillende functies die het plangebied kan hebben voor vleermuizen. Dit betreft plaatsen waar vleermuizen kunnen verblijven (verblijfplaatsen zoals kolonie-, paar- en winterverblijfplaatsen), vaste routen tussen verblijfplaatsen in de zomer en winter; respectievelijk vlieg- en migratierouten en plaatsen en gebieden waar vleermuizen foerageren. De aanwezigheid van verblijfplaatsen zoals kolonie-, paar- en overwinteringsplaatsen van vleermuizen kan worden uitgesloten. In 2019 is gericht veldonderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van vleermuizen in de te slopen voormalige school (Adviesbureau Mertens, 2019a). Verblijfplaatsen werden bij dit gerichte onderzoek niet vastgesteld.
In de bomen ontbreekt het aan gaten en openingen waarin vleermuizen zich kunnen ophouden. Negatieve effecten op verblijfplaatsen worden derhalve uitgesloten. Gedurende het gericht veldonderzoek in 2019 naar het voorkomen van vleermuizen zijn geen vliegroutes aangetroffen (Adviesbureau Mertens, 2019a). Opgaande lijnvormige landschapselementen kunnen een route vormen tussen een verblijfplaats en een foerageergebied. Met de realisatie van de plannen komt er bebouwing en er worden bomen gepland. In de omgeving zijn daarnaast voldoende alternatieve landschapselementen aanwezig. Negatieve effecten op vliegroutes van vleermuizen van de plannen worden derhalve uitgesloten. De aanwezigheid van migratieroutes wordt uitgesloten omdat grootschalige landschapselementen zoals dijken en rivieren niet voorkomen in of aansluiten op het plangebied. Met de realisatie van de plannen zal het gebied niet wezenlijk van vorm veranderen, gelet op de foerageermogelijkheden van vleermuizen. Mogelijk foerageert er laatvlieger, gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis als gevolg van de aanwezige ecotopen (cultuurgroen en bebouwing e.d.). Het plangebied en directe omgeving is als gevolg van de aanwezige ecotopen niet van waarde als essentieel foerageergebied en in de toekomst zal deze functie niet negatief verminderen doordat er geen essentiële zaken veranderen.
In de omgeving zijn daarnaast voldoende alternatieve foerageergebieden aanwezig. Negatieve effecten op de foerageermogelijkheden van vleermuizen worden derhalve uitgesloten. 4.3 Overige zoogdieren Er zijn tijdens het veldbezoek geen sporen als uitwerpselen, holen of graafsporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde grondgebonden zoogdieren. Bovendien ontbreken in het plangebied elementen als ruigten, struweel en takkenhopen die geschikt kunnen zijn als verblijfplaats voor deze soorten. Voor marters is het gebied te veel in cultuur gebracht. In het plangebied zijn geen aanwijzingen Adviesbureau Mertens
11
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes. Eindrapport maart 2020 gevonden van het voorkomen van marters zoals de wezel, hermelijn of bunzing. Het plangebied is ook ongeschikt voor deze soorten door het ontbreken van een dekkende vegetatie en prooidieren in ruime mate. Molshopen, rattenholen, drainagepijpen, houtstapels, takkenhopen, opgestapeld puin, holle bomen, schuurtjes, stapels hooi- en strobalen en alle andere mogelijke schuilplaatsen voor kleine marters ontbreken in en direct rond het plangebied. Voor marters is het gebied te veel in cultuur gebracht en de bebouwing wordt gebruikt. In het plangebied zijn dan ook geen aanwijzingen gevonden van het voorkomen van marters zoals de steenmarter. Mogelijk komen in het plangebied en haar omgeving, wel de soorten bosmuis en huisspitsmuis voor. Voor deze grondgebonden zoogdieren geldt in de provincie Noord-Holland een algemene provinciale vrijstelling. Met uitzondering van de soorten waar een algemene vrijstelling voor geldt worden in het plangebied en binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden, gelet op de terreingesteldheid en de bestaande verspreidingsgegevens (zie Broekhuizen e.a., 2016), geen beschermde grondgebonden zoogdieren verwacht.
4.4 Broedvogels Gedurende het verkennend veldonderzoek op vrijdag 25 oktober 2019 zijn geen geschikte (potentiële) nestlocaties aangetroffen voor vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen. Nesten van vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen zijn ook niet vastgesteld gedurende het verkennend veldonderzoek. Er zijn geen (oude) nesten van bijvoorbeeld buizerd, sperwer en havik vastgesteld. Gedurende het verkennend veldonderzoek op vrijdag 25 oktober 2019 zijn geen roestplaatsen van ransuilen aangetroffen. Negatieve effecten op vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen kunnen derhalve worden uitgesloten. Op grond hiervan wordt het voorkomen van broedvogels met vaste rust- en verblijfplaatsen uitgesloten.
Figuur 6. Nesten van ekster in het plangebied Aartsveen 96 te Eemnes.
Adviesbureau Mertens
12
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes. Eindrapport maart 2020
In het plangebied kunnen algemene broedvogels broeden zoals merel, zanglijster en houtduif. Nesten van ekster zijn vastgesteld (zie figuur 6). In verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels is het noodzakelijk om groen te rooien buiten het broedseizoen. Op deze manier kan worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. 4.5 Amfibieën Gelet op de aanwezige ecotopen van het plangebied en de geografische ligging (zie Ravon.nl, Creemers & Delft, 2009) wordt de aanwezigheid van internationaal beschermde amfibieën uitgesloten. Mogelijk komen in het plangebied wel gewone pad, bruine kikker en grote groene kikker voor. Voor deze algemeen voorkomende soorten is het plangebied geen essentieel leefgebied omdat in en direct rond het plangebied geen oppervlaktewater aanwezig is. Voor de algemene soorten amfibieën bestaat een algemene provinciale vrijstelling. 4.6 Vissen Door het ontbreken van oppervlaktewater in en direct rond het plangebied Aartsveen 96 te Eemnes, wordt de aanwezigheid van vissen uitgesloten. 4.7 Reptielen Gezien de huidige aanwezige ecotopen van de opstallen en directe omgeving ten opzichte van de verspreiding van reptielen (zie Ravon.nl, Creemers & Delft, 2009), kan de aanwezigheid van reptielen worden uitgesloten. 4.8 Overige Gezien de huidige aanwezige ecotopen kan de aanwezigheid van beschermde ongewervelden (o.a.
diverse soorten dagvlinders en libellen) worden uitgesloten. Nationaal beschermde dagvlinders en libellen komen alleen voor in specifieke ecotopen.
Adviesbureau Mertens
13
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes. Eindrapport maart 2020
5. RESULTAAT INVENTARISATIE EN BEOORDELING HASSELAARLAAN 5.1 Flora Het plangebied is volledig in cultuur gebracht. De houtwallen zijn natuurlijker maar hier ontbreekt een kruidachtige vegetatie bijna geheel. De aanwezigheid van beschermde planten wordt derhalve uitgesloten. Planten die beschermd zijn in het kader van de Wet natuurbescherming komen alleen voor in specifieke ecotopen zoals vennen en zandverstuivingen. Gedurende het verkennend veldonderzoek op vrijdag 25 oktober 2019 zijn geen beschermde plantensoorten of resten van beschermde plantensoorten vastgesteld. Op grond hiervan wordt de aanwezigheid van beschermde plantensoorten uitgesloten. 5.2 Vleermuizen Getoetst is op de verschillende functies die het plangebied kan hebben voor vleermuizen. Dit betreft plaatsen waar vleermuizen kunnen verblijven (verblijfplaatsen zoals kolonie-, paar- en winterverblijfplaatsen), vaste routen tussen verblijfplaatsen in de zomer en winter; respectievelijk vlieg- en migratierouten en plaatsen en gebieden waar vleermuizen foerageren. De aanwezigheid van verblijfplaatsen zoals kolonie-, paar- en overwinteringsplaatsen van vleermuizen kan worden uitgesloten. In 2019 is gericht veldonderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van vleermuizen in de te slopen sport- en ontmoettingscomplex De Hilt (Adviesbureau Mertens, 2019b). Verblijfplaatsen werden bij dit gerichte onderzoek niet vastgesteld.
Grenzend aan De Hilt is één boom met enkele gaten. Gedurende het gericht vleermuisonderzoek zijn geen activiteiten van vleermuizen vastgesteld die duiden op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen. Negatieve effecten op verblijfplaatsen worden derhalve uitgesloten.
Figuur 5. Nesten van grote bonte specht in het plangebied Hasselaarlaan 1c te Eemnes Adviesbureau Mertens
14
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes. Eindrapport maart 2020
Gedurende het gericht veldonderzoek in 2019 naar het voorkomen van vleermuizen zijn geen vliegroutes aangetroffen (Adviesbureau Mertens, 2019b). Opgaande lijnvormige landschapselementen kunnen een route vormen tussen een verblijfplaats en een foerageergebied. Met de realisatie van de plannen komt er bebouwing en er worden bomen gepland. In de omgeving zijn daarnaast voldoende alternatieve landschapselementen aanwezig. Negatieve effecten op vliegroutes van vleermuizen van de plannen worden derhalve uitgesloten. De aanwezigheid van migratieroutes wordt uitgesloten omdat grootschalige landschapselementen zoals dijken en rivieren niet voorkomen in of aansluiten op het plangebied. Met de realisatie van de plannen zal het gebied niet wezenlijk van vorm veranderen, gelet op de foerageermogelijkheden van vleermuizen. Mogelijk foerageert er laatvlieger, gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis als gevolg van de aanwezige ecotopen (cultuurgroen en bebouwing e.d.). Het plangebied en directe omgeving is als gevolg van de aanwezige ecotopen niet van waarde als essentieel foerageergebied en in de toekomst zal deze functie niet negatief verminderen doordat er geen essentiële zaken veranderen. In de omgeving zijn daarnaast voldoende alternatieve foerageergebieden aanwezig. Negatieve effecten op de foerageermogelijkheden van vleermuizen worden derhalve uitgesloten. 5.3 Overige zoogdieren
Er zijn tijdens het veldbezoek geen sporen als uitwerpselen, holen of graafsporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde grondgebonden zoogdieren. Bovendien ontbreken in het plangebied elementen als ruigten, struweel en takkenhopen die geschikt kunnen zijn als verblijfplaats voor deze soorten. Voor marters is het gebied te veel in cultuur gebracht. In het plangebied zijn geen aanwijzingen gevonden van het voorkomen van marters zoals de wezel, hermelijn of bunzing. Het plangebied is ook ongeschikt voor deze soorten door het ontbreken van een dekkende vegetatie en prooidieren in ruime mate. Molshopen, rattenholen, drainagepijpen, houtstapels, takkenhopen, opgestapeld puin, holle bomen, schuurtjes, stapels hooi- en strobalen en alle andere mogelijke schuilplaatsen voor kleine marters ontbreken in en direct rond het plangebied. Voor marters is het gebied te veel in cultuur gebracht en de bebouwing wordt gebruikt. In het plangebied zijn dan ook geen aanwijzingen gevonden van het voorkomen van marters zoals de steenmarter. Mogelijk komen in het plangebied en haar omgeving, wel de soorten bosmuis en huisspitsmuis voor. Voor deze grondgebonden zoogdieren geldt in de provincie Noord-Holland een algemene provinciale vrijstelling.
Met uitzondering van de soorten waar een algemene vrijstelling voor geldt worden in het plangebied en binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden, gelet op de terreingesteldheid en de bestaande verspreidingsgegevens (zie Broekhuizen e.a., 2016), geen beschermde grondgebonden zoogdieren verwacht.
5.4 Broedvogels Gedurende het verkennend veldonderzoek op vrijdag 25 oktober 2019 zijn geen geschikte (potentiële) nestlocaties aangetroffen voor vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen. Nesten van vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen zijn ook niet vastgesteld gedurende het verkennend veldonderzoek. Er zijn geen (oude) nesten van bijvoorbeeld buizerd, sperwer en havik vastgesteld. Gedurende het verkennend veldonderzoek op vrijdag 25 oktober 2019 zijn geen roestplaatsen van ransuilen aangetroffen.
Adviesbureau Mertens
15
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes. Eindrapport maart 2020 Negatieve effecten op vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen kunnen derhalve worden uitgesloten. Op grond hiervan wordt het voorkomen van broedvogels met vaste rust- en verblijfplaatsen uitgesloten. In het plangebied kunnen algemene broedvogels broeden zoals merel, zanglijster en houtduif. Nesten van houtduif en merel zijn vastgesteld. In verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels is het noodzakelijk om groen te rooien buiten het broedseizoen. Op deze manier kan worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden.
5.5 Amfibieën Gelet op de aanwezige ecotopen van het plangebied en de geografische ligging (zie Ravon.nl, Creemers & Delft, 2009) wordt de aanwezigheid van internationaal beschermde amfibieën uitgesloten. Mogelijk komen in het plangebied wel gewone pad, bruine kikker en grote groene kikker voor. Voor deze algemeen voorkomende soorten is het feitelijk plangebied geen essentieel leefgebied omdat in dit gebied geen essentieel oppervlaktewater aanwezig is. Het water ten westen van de Vosseveen wordt in de huidige vorm behouden. Voor de algemene soorten amfibieën bestaat een algemene provinciale vrijstelling in de provincie Noord-Holland.
5.6 Vissen Met het van kracht worden van de Wet natuurbescherming zijn bijvoorbeeld kleine modderkruiper en bittervoorn niet meer beschermd. Voor de nog wel beschermde grote modderkruiper is het plangebied geen leefgebied doordat is het feitelijk plangebied geen oppervlaktewater aanwezig is. Het water ten westen van de Vosseveen wordt in de huidige vorm behouden. Geschikte ecotopen ontbreken voor de grote modderkruiper ontbreken in dit water (wateren met een goed ontwikkelde oever en watervegetatie). Negatieve effecten op (beschermde) vissen worden derhalve uitgesloten. 5.7 Reptielen Gezien de huidige aanwezige ecotopen van de opstallen en directe omgeving ten opzichte van de verspreiding van reptielen (zie Ravon.nl, Creemers & Delft, 2009), kan de aanwezigheid van reptielen worden uitgesloten. 5.8 Overige Gezien de huidige aanwezige ecotopen kan de aanwezigheid van beschermde ongewervelden (o.a. diverse soorten dagvlinders en libellen) worden uitgesloten. Nationaal beschermde dagvlinders en libellen komen alleen voor in specifieke ecotopen.
Adviesbureau Mertens
16
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes. Eindrapport maart 2020
6. SAMENVATTENDE CONCLUSIE
Er is het voornemen voor het realiseren en gebruiken van woonbebouwing in de gebieden Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes. Deze activiteit zou kunnen samen gaan met effecten op beschermde planten- en diersoorten. Op grond hiervan is een verkennend veldonderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde soorten. In verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels in beide gebieden is het noodzakelijk om groen te rooien buiten het broedseizoen. Op deze manier kan worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen en broedvogels met vaste rust- en verblijfplaatsen wordt uitgesloten. Mogelijk vliegen en foerageren er vleermuizen. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. Er zijn daarnaast mogelijk algemene nationaal beschermde zoogdieren en amfibieën aanwezig. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling in Provincie Noord-Holland. Het voorkomen van overige beschermde soorten wordt uitgesloten. Op grond van bovenstaande analyse worden effecten op beschermde planten- en diersoorten uitgesloten; het realiseren en gebruiken van woonbebouwing in de gebieden Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes is niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming.
De inventarisatie is een momentopname; na het onderzoek kunnen soorten zich vestigen. Het is daarom van belang om voor aanvang van de werkzaamheden de gebieden te controleren op vestiging van beschermde soorten.
Adviesbureau Mertens
17
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes. Eindrapport maart 2020
GERAADPLEEGDE LITERATUUR
Literatuur Adviesbureau Mertens, 2019a. Vleermuizen ter plaatse van en rond Aartseveen 96 te Eemnes. Renkum, 1-12. Adviesbureau Mertens, 2019a. Vleermuizen ter plaatse van en rond Hasselaarlaan 1c in Eemnes. Renkum, 1-11. Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J.B.M., 2016. Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Nationaal Natuurhistorisch Museum Leiden, VZZ, Nijmegen, 1-348. Creemers, C.M., Delft, J., 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nijmegen, 1-476. EEG, 1979. Richtlijn 79/43/EEG inzake het behoud van de Vogelstand. Publicatieblad den Europese Gemeenschap, nummer L. 103. EEG, 1992. Richtlijn 92/43/EEG inzake de instandhouding van wilde flora en fauna. Publicatieblad van den van de Europese Gemeenschap, nummer L. 206/7. Gerstmeier, R., Romig, T., 1997. Zoetwatervissen van Europa, Tirion, Baarn, 1-368. Hustings, F., Vergeer, J.W., Eekelder, P., 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nationaal Natuurhistorisch Museum Leiden, SOVON, Beek-Upbergen, 1-584. Limpens, H., Mostert, K., Bongers, W., 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. KNNV, NoordHolland, 1-260. Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Dienst Regelingen, 2009a. Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep. Ministerie van ELI (Dienst Regelingen), Den Haag.
Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Dienst Regelingen, 2009b. Uitleg aangepaste beoordeling ontheffing ruimtelijke ingrepen Flora- en faunawet. Ministerie van ELI (Dienst Regelingen), Den Haag. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, 2004. Rode lijsten diverse soortgroepen. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, 2009. Rode lijsten diverse soortgroepen. Ministerie van Economische Zaken, 2016. Wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming). Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden 34 (2016), 1-84. SOVON, 1987. Atlas van de Nederlandse broedvogels. Nie, H.W. de, 1996. Atlas van de Nederlandse Zoetwatervissen. Media Publishing, Doetinchem, 1-151. Spikmans, F, Jong, T. de, 2006. Het waarnemen van zoetwatervissen, Nijmegen, 1-55.
Website www.ravon.nl www.waarneming.nl www.sovon.nl www.telmee.nl www.zoogdiervereniging.nl www.netwerkecologischemonitoring.nl www.verspreidingsatlas.nl
Adviesbureau Mertens
18
Wageningen
BIJLAGEN
1. PLANGEBIED AARTSVEEN 96 TE EEMNES
2. PLANGEBIED HASSELAARLAAN 1C TE EEMNES
3. BEGRIPPEN
Baltsplaats
Plaats waar een vleermuis al roepend rondvliegt in de herfst en die doorgaans wordt verdedigd tegen andere mannetjes.
Foerageergebied
Een gebied waar een vleermuis of een groep van vleermuizen foerageert. Dat gebied wordt regelmatig bezocht door vleermuizen om in te foerageren en dat doorgaans meerdere foerageerplaatsen kent die langere tijd worden gebruikt.
Foerageerplaats
Plek (jachtplek) waar wordt gejaagd door vleermuizen. De plek kan in de directe omgeving van de kolonieplaats liggen maar ook kilometers verderop.
Kolonie
Groep vleermuizen (kleine groep mannetjes of meestal grotere groep vrouwtjes, soms gemengd (soorten, geslacht)) die in het voorjaar tot de herfst bijeen blijven. De groep kan zich vestigen in gebouwen (in spouwmuren of onder daklijsten e.d.) of bomen (spechtengaten, scheuren). Een groep vrouwelijke vleermuizen wordt ook wel aangeduid als een kraamkolonie. In zo'n groep worden jongen geboren en grootgebracht. Een kolonie maakt vaak gebruik van meerdere verblijfplaatsen die soms gelijktijdig worden gebruikt.
Migratieroute
Een vaste route van zomerverblijfplaats naar winterverblijfplaats en visa versa (zie ook vliegroute) of een route in een andere tijd; bijvoorbeeld tussen foerageerplaatsen.
Paarplaats
Territorium van territoriale mannetjes. Voor de ruige dwergvleermuis en de rosse vleermuis is dit doorgaans te vinden in boomholten. Voor de laatvlieger en de dwergvleermuis is dit te vinden in gebouwen. Voor de watervleermuis is dit te vinden in bomen en later, tegen de winter, zijn ze te vinden in overwinteringverblijven. Het mannetje vormt een harem met meerdere vrouwtjes. De paartijd valt in de herfst (uitgezonderd de grootoorvleermuis waarbij het in april valt (vroege voorjaar). De hier geschetste situatie van de paring wordt in dit rapport omschreven als “herfst situatie”.
Verblijfplaats
Een object (huis, boom, bunker, grot, kast en dergelijke) waarin een of meerdere vleermuizen verblijven (overdag of ’s winters permanent).
Vliegroute
Route die door vleermuizen elke avond wordt gebruikt om van de kolonieplaats naar foerageergebied te vliegen en visa vers (zie ook migratieroute). Vrouwtjes met jongen keren soms midden in de nacht terug om de jongen te zogen en gebruiken dan de route. Vliegroutes liggen over het algemeen langs lijnvormige (landschaps)elementen als bomenlanen, huizenrijen e.d. De functies zijn beschutting bij winderig en koud weer, oriëntatie in verband met de echolokatie-geluiden en het vinden van voedsel.
Voorbijvliegend
Vleermuizen die voorbijvliegen, niet via een vaste route. Het betreft meestal zwervers of trekkers.
Zwermen
Direct na het uitvliegen, naar vooral voor het invliegen bij een kolonie zwermt een deel van de kolonie rond de kolonieplaats. Zwermgedrag is derhalve een indicatie voor een eventuele kolonieplaats.
Winterverblijfplaats Een verblijfplaats waar in de winter een of meerdere vleermuizen in winterslaap (hybernation) gaan. Deze ruimte is doorgaans donker, heeft een hoge luchtvochtigheid en
temperatuurwisselingen zijn nihil. Zomerverblijfplaats Een verblijfplaats die gebruikt wordt door vleermuizen die niet in winterslaap zijn waarvan niet aangetoond is dat het een kraamverblijfplaats dan wel een paarverblijfplaats is. In sommige gevallen vormen bijvoorbeeld mannetjes kleine groepjes.
Bijlage 5
Onderzoek stikstofdepositie
(ontwerp) HSS NL.IMRO.0317.EMSBPHSS-On01
77 - 257
Memo - Stikstofdepositie Datum
:
26 maart 2021
Bestemd voor
:
Wissing B.V.
Van
:
ing. J. Sips
Projectnummer
:
20180654-048
Betreft
:
Bestemmingsplan ‘Hink Stap Sprong’ te Eemnes
1
Paraaf :
Inleiding
Het voornemen is om op locatie Hink Stap Sprong nieuwe woningen te realiseren, te weten 29 appartementen en een rijtje van 9 grondgebonden woningen. Dit bouwplan past niet in het vigerend bestemmingsplan ‘Kern Eemnes’. Om het bouwplan juridisch-planologisch mogelijk wordt een bestemmingsplanprocedure doorlopen. Wissing B.V. heeft de verbeelding voor het bestemmingsplan ‘Hink Stap Sprong’ opgesteld. Op afbeelding 1 is een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan Hink Stap Sprong weergegeven.
Afbeelding 1: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Hink Stap Sprong (d.d. 25 maart 2021)
AGEL adviseurs Hoevestein 20b 4903 SC Oosterhout
t. 0162-456481 e. info@ageladviseurs.nl i. www.ageladviseurs.nl
VCA* Systeemcertificaat EC-VCA-10362 heeft betrekking op het uitvoeren van veldwerk bodem, landmeten en direct toezicht op werken. Op alle door ons aanvaarde opdrachten en verrichte werkzaamheden zijn de Leveringsvoorwaarden Stantec B.V. van toepassing. Btw nr. NL800203823B01 - IBAN NL72ABNA0594482291 - BIC ABNANL2A - KvK Breda 20051141
Aan AGEL adviseurs is de opdracht verstrekt om het onderzoek naar stikstofdepositie uit te voeren voor de realisatie van het bouwplan Hink Stap Sprong te Eemnes. Verspreid in Nederland liggen 118 Natura 2000-gebieden met overbelaste stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van (dier)soorten (hierna: ‘habitattypen’). Voor activiteiten waarbij stikstof vrijkomt moet daarom worden onderzocht wat de effecten zijn op de beschermde Natura 2000-gebieden. Doel van dit onderzoek is bepalen wat de bijdrage van het plan aan stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden is. Vervolgens is bepaald of deze resultaten leiden tot mogelijk significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden en of een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is.
2
Wettelijk kader
De Wet natuurbescherming (Wnb) regelt de bescherming van natuurgebieden die uniek zijn voor Nederland en Europa, de bescherming van planten en dieren en van bossen en andere houtopstanden. De Wnb geeft uitvoering aan de verplichtingen van de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De gebiedsbescherming in de Wnb richt zich uitsluitend op Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen. In Nederland zijn ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Handelingen of activiteiten binnen en buiten beschermde natuurgebieden die schadelijk kunnen zijn voor de doelstellingen van het gebied zijn verboden, tenzij door het bevoegd gezag hier vergunning voor is verleend. Stikstof vormt een van de grootste belemmeringen voor het behalen van de Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen. In 118 van de Nederlandse Natura 2000-gebieden bevinden zich stikstofgevoelige habitattypen.
Op grond van artikel 2.7, tweede lid, Wnb is vastgelegd dat het verboden is zonder vergunning van gedeputeerde staten van de provincie een project te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Samengevat betekent dat wanneer een plan gevolgen heeft voor het gebied, maar de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied niet in gevaar brengt, significante gevolgen zijn uitgesloten. Indien op basis van objectieve gegevens blijkt dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie, kan in ieder geval worden geconcludeerd dat er geen significant negatieve effecten zijn te verwachten voor de instandhoudingsdoelen van het betrokken Natura 2000-gebied. Bij het berekenen van de stikstofdepositie mogen in beginsel de bestaande feitelijke en planologische legale activiteiten op de planlocatie en de daarmee samenhangende vermindering van de stikstofdepositie in mindering worden gebracht op de toename van de stikstofdepositie als gevolg van het plan (ABRvS 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4672).
Dat kan ertoe leiden dat per saldo de effecten op de stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000gebieden gelijk blijven (en soms zelfs verminderen als gevolg van het verdwijnen van bijvoorbeeld een agrarische functie). Er hoeft dan geen passende beoordeling te worden uitgevoerd. Indien uit onderzoek (de voortoets) blijkt dat significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden niet kunnen worden uitgesloten, dan moet een vervolgonderzoek worden uitgevoerd (de ‘passende beoordeling’) en dient een Wnb vergunning te worden aangevraagd.
20180654-048 | Bestemmingsplan ‘Hink Stap Sprong’ te Eemnes Memo - Stikstofdepositie
| 2 van 6 d01
3
Uitgangspunten berekening
In de omgeving van Eemnes zijn verschillende Natura 2000-gebieden aanwezig, waarvan het gebied ‘Eemmeer & Gooimeer Zuidoever’ het meest nabijgelegen is. In afbeelding 2 zijn de omliggende Natura 2000-gebieden weergegeven ten opzichte van de globale ligging van het plangebied Hink Stap Sprong te Eemnes (rode stip).
Afbeelding 2: Ligging Natura 2000-gebieden t.o.v. de globale ligging plangebied Hink Stap Sprong (Eemnes)
De sloop van de bestaande bebouwing en de realisatie van het bouwplan zorgt voor emissie van stikstof, doordat de sloop-/bouwactiviteiten verkeersbewegingen genereren en er (mobiele) werktuigen, voorzien van verbrandingsmotoren, op de bouwplaats in werking zijn. Sloop-/Bouwfase Aangenomen is dat de sloop- en bouwwerkzaamheden in totaal één jaar in beslag neemt en wordt in uitgevoerd in 2022. In de berekening voor de sloop-/bouwfase is het zichtjaar 2021 aangehouden (=worst-case). Op dit moment is geen aannemer bekend. Daarom is een inschatting gemaakt van de in te zetten mobiele werktuigen. Tevens is uitgegaan dat de mobiele werktuigen allen stage IV materieel (vanaf het bouwjaar 2014) betreft. Voor de mobiele werktuigen zijn de emissiefactoren voor NOx en NH3 alsmede een percentage belasting (inclusief TAF-factor) bepaald in overeenstemming met de best aansluitende omschrijving van de werktuigen (inclusief bouwjaar en vermogen) binnen AERIUS calculator bij de invoer via ‘eigen specificatie’. Daarnaast is voor het percentage stationair draaien van de mobiele werktuigen op de bouwplaats gemiddeld 30% aangehouden (conform opgave TNO). De emissiefactoren voor het onbelast (stationair) draaien zijn verkregen uit het bestand van ‘TNO getallen voor Aerius 2020 v3 mobiele werktuigen’. De cilinderinhoud is verkregen door het vermogen te delen door 20.
20180654-048 | Bestemmingsplan ‘Hink Stap Sprong’ te Eemnes Memo - Stikstofdepositie
| 3 van 6 d01
Daarnaast wordt de totale stikstofemissie ook bepaald door het bouwverkeer voor de sloop-/bouwfase op de openbare weg, te weten: - Verkeersbewegingen bouwvakkers/onderaannemers sloopfase: 2 personenauto’s/busjes (= 4 verkeersbewegingen lichte voertuigen) per werkdag voor de sloopfase. Uitgaande van 20 werkdagen komt dit neer op ongeveer 80 verkeersbewegingen lichte voertuigen. - Verkeersbewegingen ten behoeve van het afvoeren van sloopafval, grond en materialen zijn 75 transporten zware vrachtwagens voorzien (=150 vrachtbewegingen). - Verkeersbewegingen bouwvakkers/onderaannemers bouwfase: 5 personenauto’s/busjes (= 10 verkeersbewegingen lichte voertuigen) per werkdag voor de sloopfase. Uitgaande van 235 werkdagen komt dit neer op ongeveer 2.350 verkeersbewegingen lichte voertuigen. - Verkeersbewegingen ten behoeve van het afvoeren van sloopafval, grond en materialen zijn 500 transporten zware vrachtwagens voorzien (=1.000 vrachtbewegingen). Op de bouwplaats is rekening gehouden met het manoeuvreren en stationair draaien van het vrachtverkeer door dit te modelleren met 100% stagnatie. Voor wat betreft een totaaloverzicht van de inputparameters van de sloop-/bouwfase wordt verwezen naar bijlage 1.
Toekomstige gebruiksfase Alle woningen in het bouwplan Hink Stap Sprong worden ‘gasloos’ gerealiseerd, waardoor er geen stikstof uitstotende installaties aanwezig zijn in het toekomstige woningen. Dit betekent dat de stikstofemissie voor de toekomstige gebruiksfase wordt bepaald door de verkeersaantrekkende werking van gemotoriseerd verkeer. De verkeersgeneratie van de nieuwe woningen in het bouwplan is bepaald aan de hand van kentallen uit CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren, van parkeercijfers naar parkeernormen’. De verkeersaantrekkende werking voor zowel de grondgebonden woningen als voor de appartementen bedraagt 7 motorvoertuigbewegingen per etmaal (mvt/etm). Daarbij is aangenomen dat het bouwplan woning wordt gesitueerd in het gebiedstype ‘rest bebouwde kom’ en wordt uitgegaan van een stedelijkheidsgraad van ‘weinig stedelijk’. De realisatie van 9 grondgebonden woningen en 29 appartementen leidt tot een totale verkeersgeneratie van 266 mvt/etm. Omdat de realisatie van het bouwplan in 2022 is voorzien, is in de berekening voor de toekomstige gebruiksfase het zichtjaar 2023 aangehouden.
Verkeersafwikkeling Voor zowel het bouwverkeer tijdens de sloop-/bouwfase als het verkeer van en naar het nieuwe woningen tijdens de toekomstige gebruiksfase is in de berekening rekening gehouden met eenzelfde verkeersafwikkeling, te weten via de Aartseveen in westelijke richting via het Willemserf, het Reijerserf en de Jonneveen naar de Noordersingel. Bij de Abram van Noordersingel is aangenomen dat het verkeer qua rij- en stopgedrag niet meer onderscheidend is en zodoende is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. In afbeelding 3 is de aangehouden verkeersafwikkeling weergegeven.
20180654-048 | Bestemmingsplan ‘Hink Stap Sprong’ te Eemnes Memo - Stikstofdepositie
| 4 van 6 d01
Afbeelding 3: Aangehouden verkeersafwikkeling sloop-/bouwfase en toekomstige gebruiksfase
4
Berekening
De berekening van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitattype binnen de nabijgelegen Natura 2000-gebieden is uitgevoerd met behulp van de AERIUS calculator, versie 2020 (releasedatum 15 oktober 2020). De calculator rekent op basis van het Operationele Prioritaire Stoffen model (OPS) van het RIVM. Uit de berekeningen blijkt voor zowel de sloop-/bouwfase als voor de toekomstige gebruiksfase van de nieuwe woningen in het bouwplan Hink Stap Sprong het volgende: Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar Dit houdt in dat, met betrekking tot stikstofdepositie, negatieve effecten op stikstofgevoelige habitaten leefgebieden zijn uit te sluiten. De natuurlijke kenmerken van de stikstofgevoelige gebieden blijven onaangetast.
20180654-048 | Bestemmingsplan ‘Hink Stap Sprong’ te Eemnes Memo - Stikstofdepositie
| 5 van 6 d01
Voor de gedetailleerde ingevoerde emissiebronnen en rekenresultaten voor de bouwfase en de toekomstige gebruiksfase wordt verwezen naar het berekeningsjournaal van de AERIUS calculator die als respectievelijk bijlage 2 en 3 bij deze memo zijn gevoegd.
5
Conclusie
Het voornemen is om op binnen het plangebied Hink Stap Sprong te Eemnes nieuwe woningen te realiseren. Omdat deze ontwikkeling niet past in het vigerend bestemmingsplan wordt een bestemmingsplanprocedure doorlopen om het bouwplan juridisch-planologisch mogelijk te maken. Hiervoor dient wel de bestaande bebouwing te worden gesloopt. Uit de berekeningen blijkt dat de sloop van de bestaande bebouwing, de realisatie van de nieuwe woningen en het toekomstig gebruik ervan niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Op grond van de Wet Natuurbescherming geldt een vrijstelling van de vergunningplicht en is nader onderzoek niet noodzakelijk. De Wet natuurbescherming vormt daarom geen belemmering.
Bijlagen Bijlage 1
Uitgangspunten stikstofemissie sloop-/bouwfase
Bijlage 2
Berekeningsjournaal AERIUS calculator - sloop-/bouwfase (zichtjaar 2022)
Bijlage 3
Berekeningsjournaal AERIUS calculator - toekomstige gebruiksfase (zichtjaar 2023)
20180654-048 | Bestemmingsplan ‘Hink Stap Sprong’ te Eemnes Memo - Stikstofdepositie
| 6 van 6 d01
Bijlage 1
Uitgangspunten stikstofemissie sloop-/bouwfase
Project: Bestemmingsplan Hink Stap Sprong (Eemnes) Uitgangspunt berekeningen stikstofdepositie t.b.v. de bouwfase - sloop-/bouwperiode = in totaal 1 jaar (2022)
20180654-048
Percentage stationair: Inzet mobiele werktuigen
Aantal
Aantal
Aantal draai- Totaal aantal
werktuigen
werkdagen
uren per dag
Mobiele knijpkraan
1
20
Grote shovel
1
Hei-/boorstelling
30%
(Conform instructie gegevensinvoer voor Aerius Calculator 2020)
Bedrijfsuren
Bedrijfsuren
draaiuren
op toeren
stationair
8
160
112
48
20
8
160
112
48
1
10
8
80
56
24
Graafmachine
1
10
8
80
56
24
Grote shovel
1
10
4
40
28
12
Kleine shovel
1
25
4
100
70
30
Mobiele kraan
2
50
8
800
560
240
Verreiker
1
20
4
80
56
24
Betonstorter
1
15
8
120
84
36
Trilwals
1
5
8
40
28
12
Kleine machinale legmachine straatwerk
1
10
8
80
56
24
Sloopfase
Bouwfase
Inzet mobiele werktuigen
Stageklasse
Bedrijfsuren
op toeren
Maximaal
op toeren
Emissiefactor [gr/kWh]
vermogen [kW]
NOx
NH3
Belasting
Resulterend
incl. TAF factorvermogen [kW]
Emissie [kg/jaar] NOx
NH3
Sloopfase Mobiele knijpkraan
112
IV
130 - 300 kW
235
0,9
0,00236
61%
143,4
14,450
0,038
Grote shovel
112
IV
130 - 300 kW
135
0,9
0,00283
55%
74,3
7,484
0,024
Hei-/boorstelling
56
IV
130 - 300 kW
225
1,0
0,00276
69%
155,3
8,694
0,024
Graafmachine
56
IV
130 - 300 kW
140
0,8
0,00251
69%
96,6
4,328
0,014
Grote shovel
28
IV
130 - 300 kW
135
0,9
0,00283
55%
74,3
1,871
0,006
Kleine shovel
70
IV
37 - 56 kW
45
4
0,00293
55%
24,8
6,930
0,005
Mobiele kraan
560
IV
130 - 300 kW
290
0,9
0,00236
61%
176,9
89,158
0,234
Verreiker
56
IV
56 - 75 kW
56
0,9
0,00256
84%
47,0
2,371
0,007
Betonstorter
84
IV
300 - 560 kW
300
1
0,00276
69%
207,0
17,388
0,048
Trilwals
28
IV
< 18 kW
7
5,6
0,00287
55%
3,9
0,604
0,000
Kleine machinale legmachine straatwerk
56
IV
18 - 37 kW
20
3,3
0,00261
69%
13,8
2,550
0,002
Totaal
155,827
0,401
Bouwfase
Inzet mobiele werktuigen
Stageklasse
Bedrijfsuren
stationair Sloopfase
Maximaal
stationair
Emissiefactor [gr/liter/uur] Cilinderinhoud
Emissie [kg/jaar]
vermogen [kW]
NOx
NH3
[dm3]
NOx
NH3
Mobiele knijpkraan
48
IV
130 - 300 kW
235
10
0,003149
11,75
5,640
0,002
Grote shovel
48
IV
130 - 300 kW
135
10
0,003142
6,75
3,240
0,001
Hei-/boorstelling
24
IV
130 - 300 kW
225
10
0,003142
11,25
2,700
0,001
Graafmachine
24
IV
130 - 300 kW
140
10
0,003142
7
1,680
0,001
IV
130 - 300 kW
135
10
0,003142
6,75
0,810
0,000
45
10
0,003149
2,25
0,675
0,000
Bouwfase
Grote shovel
12
Kleine shovel
30
IV
37 - 56 kW
Mobiele kraan
240
IV
130 - 300 kW
290
10
0,003149
14,5
34,800
0,011
Verreiker
24
IV
56 - 75 kW
56
10
0,003149
2,8
0,672
0,000
300 - 560 kW
300
10
0,003142
15,0
5,400
0,002 0,000
Betonstorter
36
IV
Trilwals
12
IV
< 18 kW
7
10
0,003149
0,4
0,042
Kleine machinale legmachine straatwerk
24
IV
18 - 37 kW
20
10
0,003149
1,0
0,240
0,000
Totaal
55,899
0,018
Bouwverkeer op openbare weg
Gemiddeld
Totaal
Totaal
Totaal
aantal per
aantal
aantal
aantal
werkdag
werkdagen
transporten
bewegingen
Lichtverkeer bouwvakkers/onderaannemers
2
20
40
80
Zware vrachtwagens (afvoeren sloopafval)
-
-
75
150
Lichtverkeer bouwvakkers/onderaannemers
5
235
1.175
2.350
Zware vrachtwagens (aan-/afvoeren materiaal, beton e.d.)
-
-
500
1.000
Sloopfase
Bouwfase
Bijlage 2
Berekeningsjournaal AERIUS calculator sloop-/bouwfase (zichtjaar 2022)
Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.
Berekening Bouwfase Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens
Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. RgT8CVWHSsM3 (22 maart 2021) pagina 1/10
Resultaten
Contact
Activiteit
Rechtspersoon
Inrichtingslocatie
AGEL adviseurs Stantec
Aartseveen 96, 3755 VE Eemnes
Omschrijving
AERIUS kenmerk
Bestemmingsplan HSS
RgT8CVWHSsM3
Datum berekening
Rekenjaar
Rekenconfiguratie
22 maart 2021, 13:41
2022
Berekend voor natuurgebieden
Totale emissie
Resultaten Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)
Toelichting
Resultaten
Situatie 1
NOx
214,69 kg/j
NH3
< 1 kg/j
Natuurgebied
Uw berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.
Sloop-/bouwfase (zichtjaar 2022)
Bouwfase
RgT8CVWHSsM3 (22 maart 2021) pagina 2/10
Resultaten
Locatie Bouwfase
Emissie Bouwfase
Resultaten
Bron Sector
Bouwfase
Emissie NH3
Emissie NOx
Mobiele werktuigen sloopfase - op toeren op bouwplaats Mobiele werktuigen | Bouw en Industrie
< 1 kg/j
21,93 kg/j
Mobiele werktuigen bouwfase - stationair op bouwplaats Mobiele werktuigen | Bouw en Industrie
< 1 kg/j
8,88 kg/j
Bouwverkeer sloopfase openbare weg Wegverkeer | Binnen bebouwde kom
< 1 kg/j
< 1 kg/j
Manoeuvreren / stationair draaien vrachtverkeer bouwplaats sloopfase Wegverkeer | Binnen bebouwde kom
< 1 kg/j
< 1 kg/j
Mobiele werktuigen bouwfase - op toeren op bouwplaats Mobiele werktuigen | Bouw en Industrie
< 1 kg/j
133,89 kg/j
RgT8CVWHSsM3 (22 maart 2021) pagina 3/10
Resultaten
Bron Sector
Resultaten
Bouwfase
Emissie NH3
Emissie NOx
Mobiele werktuigen bouwfase - stationair op bouwplaats Mobiele werktuigen | Bouw en Industrie
< 1 kg/j
47,16 kg/j
Bouwverkeer bouwfase openbare weg Wegverkeer | Binnen bebouwde kom
< 1 kg/j
1,92 kg/j
Manoeuvreren / stationair draaien vrachtverkeer bouwplaats bouwfase Wegverkeer | Binnen bebouwde kom
< 1 kg/j
< 1 kg/j
RgT8CVWHSsM3 (22 maart 2021) pagina 4/10
Resultaten
Emissie (per bron)
Naam
Bouwfase Locatie (X,Y) NOx NH3
Voertuig
Omschrijving
AFW
AFW
Uitstoot hoogte (m)
Spreiding (m)
Warmte Stof inhoud (MW)
Emissie
Mobiele knijpkraan
4,0
4,0
0,0 NOx NH3
14,45 kg/j < 1 kg/j
Grote shovel
4,0
4,0
0,0 NOx NH3
7,48 kg/j < 1 kg/j
Naam
Locatie (X,Y) NOx NH3
Resultaten
Voertuig
Omschrijving
AFW
AFW
Bouwfase
Mobiele werktuigen sloopfase - op toeren op bouwplaats 146182, 474389 21,93 kg/j < 1 kg/j
Mobiele werktuigen bouwfase - stationair op bouwplaats 146182, 474389 8,88 kg/j < 1 kg/j
Uitstoot hoogte (m)
Spreiding (m)
Warmte Stof inhoud (MW)
Emissie
Mobiele knijpkraan
4,0
4,0
0,0 NOx NH3
5,64 kg/j < 1 kg/j
Grote shovel
4,0
4,0
0,0 NOx NH3
3,24 kg/j < 1 kg/j
RgT8CVWHSsM3 (22 maart 2021) pagina 5/10
Resultaten
Naam
Locatie (X,Y) NOx NH3
Soort
Voertuig
Standaard
Standaard
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Licht verkeer
80,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Zwaar vrachtverkeer
150,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Naam
Locatie (X,Y) NOx NH3
Resultaten
Soort
Voertuig
Standaard
Zwaar vrachtverkeer
Bouwfase
Bouwverkeer sloopfase openbare weg 145982, 474308 < 1 kg/j < 1 kg/j
Manoeuvreren / stationair draaien vrachtverkeer bouwplaats sloopfase 146161, 474388 < 1 kg/j < 1 kg/j
Aantal voertuigen Stof
Emissie
150,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
RgT8CVWHSsM3 (22 maart 2021) pagina 6/10
Resultaten
Naam
Locatie (X,Y) NOx NH3
Resultaten
Voertuig
Omschrijving
AFW
Mobiele werktuigen bouwfase - op toeren op bouwplaats 146182, 474389 133,89 kg/j < 1 kg/j
Uitstoot hoogte (m)
Spreiding (m)
Warmte Stof inhoud (MW)
Emissie
Hei-/boorstelling
4,0
4,0
0,0 NOx NH3
8,69 kg/j < 1 kg/j
AFW
Graafmachine
4,0
4,0
0,0 NOx NH3
4,33 kg/j < 1 kg/j
AFW
Grote shovel
4,0
4,0
0,0 NOx NH3
1,87 kg/j < 1 kg/j
AFW
Kleine shovel
4,0
4,0
0,0 NOx NH3
6,93 kg/j < 1 kg/j
AFW
Mobiele kraan
4,0
4,0
0,0 NOx NH3
89,16 kg/j < 1 kg/j
AFW
Verreiker
4,0
4,0
0,0 NOx NH3
2,37 kg/j < 1 kg/j
AFW
Betonstorter
4,0
4,0
0,0 NOx NH3
17,39 kg/j < 1 kg/j
AFW
Trilwals
4,0
4,0
0,0 NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
AFW
Kleine machinale legmachine straatwerk
4,0
4,0
0,0 NOx NH3
2,55 kg/j < 1 kg/j
Bouwfase
RgT8CVWHSsM3 (22 maart 2021) pagina 7/10
Resultaten
Naam
Locatie (X,Y) NOx NH3
Resultaten
Voertuig
Omschrijving
AFW
Mobiele werktuigen bouwfase - stationair op bouwplaats 146182, 474389 47,16 kg/j < 1 kg/j
Uitstoot hoogte (m)
Spreiding (m)
Warmte Stof inhoud (MW)
Emissie
Hei-/boorstelling
4,0
4,0
0,0 NOx NH3
2,70 kg/j < 1 kg/j
AFW
Graafmachine
4,0
4,0
0,0 NOx NH3
1,68 kg/j < 1 kg/j
AFW
Grote shovel
4,0
4,0
0,0 NOx
< 1 kg/j
AFW
Kleine shovel
4,0
4,0
0,0 NOx
< 1 kg/j
AFW
Mobiele kraan
4,0
4,0
0,0 NOx NH3
34,80 kg/j < 1 kg/j
AFW
Verreiker
4,0
4,0
0,0 NOx
< 1 kg/j
AFW
Betonstorter
4,0
4,0
0,0 NOx NH3
5,54 kg/j < 1 kg/j
AFW
Trilwals
4,0
4,0
0,0 NOx
< 1 kg/j
AFW
Kleine machinale legmachine straatwerk
4,0
4,0
0,0 NOx
< 1 kg/j
Bouwfase
RgT8CVWHSsM3 (22 maart 2021) pagina 8/10
Resultaten
Naam
Locatie (X,Y) NOx NH3
Soort
Voertuig
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Standaard
Licht verkeer
2.350,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Standaard
Zwaar vrachtverkeer
1.000,0 / jaar NOx NH3
1,65 kg/j < 1 kg/j
Naam
Locatie (X,Y) NOx NH3
Resultaten
Bouwverkeer bouwfase openbare weg 145982, 474308 1,92 kg/j < 1 kg/j
Manoeuvreren / stationair draaien vrachtverkeer bouwplaats bouwfase 146161, 474388 < 1 kg/j < 1 kg/j
Soort
Voertuig
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Standaard
Zwaar vrachtverkeer
1.000,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Bouwfase
RgT8CVWHSsM3 (22 maart 2021) pagina 9/10
Resultaten
Disclaimer
Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.
Rekenbasis
Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2020_20210209_2f032ce1a2 Database versie 2020_20210209_2f032ce1a2 Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/release/aerius-calculator-2020
Resultaten
Bouwfase
RgT8CVWHSsM3 (22 maart 2021) pagina 10/10
Bijlage 3
Berekeningsjournaal AERIUS calculator toekomstige gebruiksfase (zichtjaar 2023)
Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.
Berekening Toekomstige gebruiksfase Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens
Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. RoxXRxqaZDLw (22 maart 2021) pagina 1/5