CConstaterende dateemnes
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1b BOPA Motivering Uitbreiding Zuidpolder - Fase A en B Bijlagen

Gemeenteraad 26 januari 2026, gemeente eemnesBij agendapunt: Raadsvoorstel uitbreiding Zuidpolder deelplan A en B 9 december 202521.384 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

15/23

Kenmerk

R001-1293656JWJ-V01-efm-NL

3.6.3.3 Vliegroutes Vliegroutes worden gevormd door lijnvormige elementen zoals bomenrijen, randen van bebouwing en watergangen. In het plangebied zijn dergelijke lijnvormige elementen aanwezig in de vorm van de bomenrijen langs de Te Veenweg Zuid. Deze vliegroutes zijn in een eerder stadium reeds onderzocht op de functionaliteit voor vleermuizen. Nader onderzoek uitgevoerd door TAUW (TAUW, 2017) beschrijft dat de bomenrijen fungeren als essentiële vliegroute voor gewone dwergvleermuizen. Bij aantasting van de bomenrij dient opnieuw soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden aangezien het nader onderzoek uit 2017 niet meer rechtsgeldig is (rechtsgeldigheid verloopt na 3 jaar). Wanneer de bomenrij niet gekapt wordt dient enkel rekening gehouden te worden met het voorkomen van lichtverstoring gedurende de aanlegfase én gedurende de gebruiksfase. Indien dit niet mogelijk is, is nader onderzoek alsnog noodzakelijk. Een ecoloog dient de verlichting te beoordelen voordat negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Tabel 3.3 Mogelijk aanwezige soortfunctiecombinaties in het plangebied Type functie

Vleermuissoorten

Essentieel foerageergebied

Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, tweekleurige vleermuis, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis, meervleermuis, franjestaart, baardvleermuis (artikel 3.5)

Essentiële vliegroute

Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, tweekleurige vleermuis, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis, meervleermuis, franjestaart, baardvleermuis (artikel 3.5)

3.6.4 Vogels 3.6.4.1 Vogels - jaarrond beschermde nesten De nesten van deze vogelsoorten zijn het hele jaar beschermd, evenals de functionele leefomgeving rondom het nest. Buizerd, sperwer, wespendief, havik, boomvalk en ransuil hebben allen grote nesten in hoge bomen. Ze hebben een voorkeur voor bebost gebied maar kunnen zich ook in stedelijk gebied en in stadsparken vestigen. Er zijn geen nesten van deze soorten geconstateerd binnen en in de directe omgeving van het plangebied. Negatieve effecten en voorkomen zijn uitgesloten. Er is geen nader onderzoek nodig. Kerkuil en steenuil zijn beide soorten die voorkomen in kleinschalig agrarisch landschap. Kerkuil heeft vooral verblijfplaatsen in bebouwing (denk aan boerderijen en oude schuren) en nestkasten. Steenuil broedt vooral in holle bomen en nestkasten. Het ontbreekt aan gebouwen en geschikte broedlocaties in bomen. Er zijn daarom geen geschikte broedlocaties voor beide soorten aanwezig. Voorkomen en negatieve effecten zijn uitgesloten. Er is geen nader onderzoek nodig. Grote gele kwikstaart broedt langs (snel) stromend water in een verscheidenheid aan habitats. Het water in en nabij het plangebied is zeer ondiep, heeft steile oevers en staat volledig stil. Dit is

16/23

Kenmerk

R001-1293656JWJ-V01-efm-NL

geen geschikt broedgebied voor grote gele kwikstaart. Voorkomen en negatieve effecten zijn uitgesloten. Er is geen nader onderzoek nodig. Ooievaar is een soorten van open agrarisch landschap. Nesten zijn aanwezig op schoorstenen, elektriciteitsmasten en nestpalen. Er zijn geen nesten van ooievaar aanwezig en het plangebied betreft geen essentieel foerageergebied van ooievaar, gezien er voldoende alternatief aanwezig is rondom het plangebied. Voorkomen en negatieve effecten zijn uitgesloten. Er is geen nader onderzoek nodig. Roek broedt in grote kolonies in hoge bomen langs snelwegen en spoorlijnen. Langs de A27 is bij De Meern een grote kolonie bekend, nabij Eemnes niet. In de bomenrij langs de Te Veenweg Zuid zijn geen roekennesten geconstateerd. Het voorkomen van roekennesten is uitgesloten. Er is geen nader onderzoek nodig. 3.6.4.2 Vogels – jaarrond beschermd: afhankelijk van ecologische factoren Bij vogelsoorten uit deze categorie gaat het om vogels die vaak elk jaar terugkeren naar de omgeving waar ze gebroed hebben, maar die wel flexibel zijn om een nieuw nest te maken of zich elders te vestigen. Het gaat dus om de bescherming van het functionele leefgebied en dit is alleen aan de orde als de betreffende soort voor zijn voortplanting uitsluitend afhankelijk is van dat functionele leefgebied en er geen alternatieven of uitwijkmogelijkheden in de omgeving zijn.

Een omgevingsscan is nodig om per soort te bepalen of het nest en het functionele leefgebied bij dit voornemen jaarrond beschermd zijn. Daarbij spelen de landelijke staat van instandhouding (die voortkomt uit o.a. verspreiding, populatie en trend), het belang van de in en nabij het plangebied aanwezige populatie en alternatief leefgebied in de directe omgeving een belangrijke rol. Blauwe reiger bouwt nesten in bomen en foerageert in watergangen. Ekster bouwt eveneens grote nesten in bomen. Er zijn in en rond het plangebied geen nesten van blauwe reiger en ekster geconstateerd. Er worden sloten gedempt waarin blauwe reiger mogelijk kan foerageren, er is echter in de omgeving voldoende alternatief foerageergebied beschikbaar. Significante negatieve effecten zijn daarmee uitgesloten. Er is geen nader onderzoek nodig. 3.6.4.3 Vogels – in gebruik zijnde nesten De nesten van alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd wanneer ze als broedlocatie in gebruik zijn. Bij het veldbezoek zijn geschikte nestlocaties van broedvogels aangetroffen, zoals de bomenrijen, oevers en graslanden. De werkzaamheden leiden mogelijk tot het verstoren en/of doden van individuen en het vernietigen van eieren, rustplaatsen en nesten (overtreding Wnb, artikel 3.1, lid 1, 2 en 4). Vogels kunnen gedurende het gehele jaar gaan broeden.

Het is daarom belangrijk om hier voorafgaand aan de werkzaamheden rekening mee te houden. De kans op een broedgeval is het grootst in de periode maart tot en met augustus. Er dient buiten deze periode gewerkt te worden om verstoring van broedvogels te voorkomen. Indien dit niet mogelijk is dient voorafgaand aan de

17/23

Kenmerk

R001-1293656JWJ-V01-efm-NL

start van de werkzaamheden een broedvogelcontrole uitgevoerd te worden. Ook buiten deze periode zijn broedende vogels beschermd. Het is noodzakelijk om voorafgaand aan de werkzaamheden contact op te nemen met een ecoloog om te bepalen of een controle op nesten van broedvogels noodzakelijk is. Indien een broedende vogel aanwezig is, kan het nodig zijn om de werkzaamheden uit te stellen totdat de jongen zijn uitgevlogen en niet meer afhankelijk zijn van het nest. Mogelijk kan een deel van de werkzaamheden wel uitgevoerd worden door het aanhouden van een door een ecoloog vastgestelde verstoringsvrije zone. 3.6.5 Amfibieën Poelkikker is een zon- en warmte minnende soort met een voorkeur voor onbeschaduwde wateren. De oeverzone moet goed begroeid zijn en het water dient voedselarm en schoon te zijn. Het water in en nabij het plangebied is zeer voedselrijk door instroom van nutriënten vanuit het akkerland. De oevers zijn zeer steil en weinig begroeid. Dit is geen geschikt habitat voor poelkikker. Voorkomen en negatieve effecten zijn uitgesloten. Er is geen nader onderzoek nodig. Rugstreeppad komt voor in dynamische systemen. De soort legt eitjes in tijdelijke snel opwarmende wateren. Overwintering vindt plaats onder de grond in nabijheid van het voortplantingswater in goed vergraafbare grond. Er zijn waarnemingen op >4km afstand van het plangebied bekend.

Voorkomen van rugstreeppad beperkt zich in de polder bij Eemnes tot locaties rond de Eem (De Wild et al., 2016). De rugstreeppad kan het plangebied mogelijk bereiken vanaf deze locaties, het plangebied is echter niet geschikt als leefgebied. De oevers langs de sloten zijn zeer steil, hebben een eutroof karakter en worden met regelmaat gemaaid zodat laag struweel en hoge kruidige gewassen niet aanwezig zijn. Zodoende is geschikt habitat voor rugstreeppad uitgesloten. Door uitvoering van de werkzaamheden kan echter geschikt leefgebied voor rugstreeppad ontstaan door bijvoorbeeld sporen van rupsbanden die ondiepe poelen faciliteren waarin rugstreeppad eitjes kan leggen. Kolonisatie van het plangebied vanuit de omgeving kan voorkomen worden door het plaatsen van een amfibiescherm. Er is geen nader onderzoek nodig. 3.6.6 Reptielen Hazelworm is sterk gebonden aan bosrijke omgevingen. Het belangrijkst habitat zijn structuurrijke, grazige en kruidenrijke vegetaties langs bosranden en in open bossen. In Provincie Utrecht beperkt voorkomen zich tot de zandgronden van de Utrechtse Heuvelrug (De Wild et al, 2016). Gezien het ontbreken van bos en zandgrond is het plangebied niet geschikt voor hazelworm. Het voorkomen van hazelworm is uitgesloten. Er is geen nader onderzoek nodig. Ringslang is een watergebonden slang.

Natuurlijke hopen van organisch materiaal worden gebruikt om eieren in te leggen. Ringslang komt voor in vennen, moerassen en sloten en is daarnaast afhankelijk van struwelen, grasruigten, heiden en natuurlijke rietoevers. Het plangebied is zeer open gebied en intensief in gebruik als land voor vee en akkerland. Gezien de daarnaast steile oevers en gebrek aan beschutting is dit geen geschikt habitat voor ringslang. Het voorkomen van ringslang is uitgesloten. Er is geen nader onderzoek nodig.

18/23

R001-1293656JWJ-V01-efm-NL

Kenmerk

Levendbarende hagedis komt in Nederland vooral voor op de hogere zandgronden. Er dient voldoende structuur in de vegetatie aanwezig te zijn om te kunnen schuilen en jagen. Gezien het open karakter, gebrek aan structuur en intensieve gebruik van het landschap is dit geen geschikt habitat voor levendbarende hagedis. Het voorkomen van levendbarende hagedis is uitgesloten. Er is geen nader onderzoek nodig. 3.6.7

Vissen

Grote modderkruiper prefereert ondiepe wateren met een dikke modderlaag en een uitbundige waterplantengroei. Gezien de hoge instroom aan nutriënten vanuit de omgeving in de sloten, komen waterplanten niet voor. Dit maakt de sloten ongeschikt als leefgebied, voorkomen is uitgesloten. Er is geen nader onderzoek nodig. 3.6.8

Vlinders

Grote vos komt voor in open bossen, bosranden en andere plekken met vrijstaande bomen. De eitjes worden veelal gelegd op iep, maar ook zoete kers, populier en wilgensoorten. Deze boomsoorten zijn niet aanwezig in het plangebied. Door het ontbreken van deze bomen is het voorkomen van grote vos uitgesloten. Er is geen nader onderzoek nodig. Teunisbloempijlstaart komt in uiteenlopende habitats voor en trekt steeds meer op richting het noorden. De soort legt eitjes op teunisbloemen, basterdwederiken, grote kattenstaart en harig wilgenroosje. Deze soorten zijn gedurende het veldbezoek niet waargenomen. De oevers binnen het plangebied worden intensief begraasd door vee waardoor dergelijke planten niet de kans krijgen op te komen. Voorkomen van teunisbloempijlstaart is daarom uitgesloten. Er is geen nader onderzoek nodig.

4 Conclusies en aanbevelingen 4.1

Aanleiding en doel

In opdracht van Gemeente Eemnes heeft TAUW onderzoek gedaan naar de consequenties van de geldende natuurwet- en regelgeving voor de bouw van een woonwijk ten zuiden van Eemnes. De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de natuurwetgeving, of als de benodigde vergunningen en/of ontheffingen kunnen worden verleend.

4.2

Relevante natuurwet- en regelgeving

Voor de toetsing van het voornemen is de volgende natuurwet- en regelgeving van toepassing: Wet natuurbescherming:  Gebiedsbescherming – Natura-2000 

Soortenbescherming

Provinciaal beschermde gebieden:  

NNN Groene Contour en weidevogelkerngebieden

19/23

R001-1293656JWJ-V01-efm-NL

Kenmerk

4.3

Conclusies toetsing

4.3.1 Wet natuurbescherming Natura 2000-gebieden Verstoringsfactoren zoals geluid, licht en optische verstoring van de aanlegfase en gebruiksfase zorgen vanwege de afstand (5km) niet tot negatieve effecten in Natura-2000 gebieden. Negatieve effecten door stikstofdepositie als gevolg van de aanleg- en gebruiksfase op voor stikstof gevoelige habitattypen (op ca. 5km) zijn niet uit te sluiten. Een AERIUS berekening is noodzakelijk. Soortenbescherming De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk negatieve effecten op door de Wnb beschermde soorten, namelijk vleermuizen indien de bomenrij wordt gekapt of indien lichtverstoring optreedt. Een ecoloog dient de toename in verlichting te beoordelen voordat negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Nader onderzoek is bij kap en lichtverstoring noodzakelijk. Negatieve effecten op haas zijn niet uit te sluiten en nader onderzoek is noodzakelijk. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met algemene broedvogels door buiten het broedseizoen (maart t/m augustus) te werken of een broedvogelcontrole uit te voeren voorafgaand aan de start van de werkzaamheden en dient een amfibiescherm geplaatst te worden om kolonisatie van rugstreeppadden vanuit de omgeving te voorkomen aangezien het plangebied geschikt wordt tijdens uitvoering van de werkzaamheden.

Als laatst moet voldaan worden aan de zorgplicht, dit kan door stapvoets in één richting te werken om zo aanwezige fauna de kans te geven het plangebied te ontvluchten en dient er niet tijdens periodes van vorst gewerkt te worden in de watergangen. Tabel 4.1 Samenvatting van de resultaten van de toetsing van effecten op beschermde soorten Soortgroep

Overtreding

Nader onderzoek

Te nemen maatregelen

Wnb Flora

Nee

Nee

Grondgebonden

Mogelijk

Ja

Nader onderzoek naar haas

Mogelijk

Mogelijk

Nader onderzoek is nodig bij fysieke aantasting van

zoogdieren Vleermuizen

de bomenrij langs de Te Veenweg Zuid én bij lichtverstoring gedurende de aanleg- en gebruiksfase Vogels –

Nee

Nee

Nee

Nee

jaarrond beschermde nesten Vogels – functioneel leefgebied nest beschermd

20/23

Kenmerk

R001-1293656JWJ-V01-efm-NL

Soortgroep

Overtreding

Nader onderzoek

Te nemen maatregelen

Nee, enkel maatregel

Werken buiten het broedseizoen (loopt van maart t/m

Wnb Vogels –

Mogelijk

broedvogels

augustus). Indien dit niet mogelijk is dient een broedvogelcontrole uitgevoerd te worden voorafgaand aan de start van de werkzaamheden.

Amfibieën

Nee

Nee

Reptielen

Nee

Nee

Voorkomen van kolonisatie rugstreeppad gedurende de werkzaamheden door het plaatsen van amfibieschermen

Vissen

Nee

Nee

Vlinders

Nee

Nee

Libellen

Nee

Nee

Overige

Nee

Nee

Mogelijk

Nee, enkel maatregel

ongewervelden Zorgplicht

Stapvoets in één richting werken

Niet werken in watergangen tijdens periodes van vorst

4.3.2 Provinciaal beschermde gebieden Natuurnetwerk Nederland Het plangebied behoort niet tot NNN gebied. Vervolgstappen zijn niet nodig. Provinciale beschermingsregimes Het plangebied behoort niet tot de groene contour en weidevogelkerngebieden. Vervolgstappen zijn niet nodig.

4.4

Consequenties planvorming en uitvoering

Pas na afronding van de soortgerichte onderzoeken (indien bomen worden gekapt) kunnen de benodigde maatregelen en/of de noodzaak van het aanvragen van een ontheffing worden bepaald. De afhandeling van een ontvankelijke aanvraag van een ontheffing door het bevoegde gezag duurt circa zes maanden. De maatregelen kunnen aanpassingen van de uitvoeringsplanning en -wijze omvatten, evenals het inpassen van natuurfuncties in het voornemen. Bij werkzaamheden in het broedseizoen bestaat de kans op vertraging vanwege de kans op verstoring van broedende vogels.

4.5

Aanbevelingen en kansen biodiversiteit

TAUW gelooft dat we samen de achteruitgang van biodiversiteit in Nederland kunnen stoppen. TAUW is aangesloten bij het Deltaplan Biodiversiteitsherstel waarin overheden, marktpartijen en maatschappelijke organisaties samenwerken aan biodiversiteit als kerndoel voor de openbare ruimte. Vanuit deze ambitie kijken we met onze opdrachtgevers naar concrete en realistische mogelijkheden voor biodiversiteitsherstel in onze projecten.

21/23

Kenmerk

R001-1293656JWJ-V01-efm-NL

Kansen in dit project De ecologen van TAUW kijken verder dan de aanwezigheid van strikt beschermde soorten. Vanuit het motto ‘meer biodiversiteit achterlaten dan je aantreft’ signaleren we kansen voor dit project om bij te dragen aan het herstel van biodiversiteit. Hieronder geven we op beknopte wijze enkele kansen aan. Wij bespreken deze voorstellen graag met u en werken desgewenst de praktische aspecten verder uit. Voor dit project liggen er mogelijkheden voor biodiversiteitsherstel door:  Het realiseren van een natuurinclusieve nieuwbouw wijk in de Zuidpolder. Gemeente Eemnes heeft het Convenant Duurzame Woningbouw ondertekend en heeft zich daardoor gecommitteerd aan het realiseren van leefgebied voor enkele soorten in nieuwbouwwijken. TAUW kan adviseren helpen bij het uitwerken van habitatseisen van zo te noemen ‘gidssoorten’ en zo borgen dat het Convenant Duurzame Woningbouw navolging krijgt.

5 Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocumenten beschermde soorten. Bos, F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff & de Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland. Verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea). Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Broekhuizen S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters, J.C. Buys, 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft, 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. De Wild, W.W., F.L.A. Brekelmans, W.A.M. van Emmerik & J.L. Spier 2016. Atlas van Amfibieën en Reptielen van Utrecht. Stichting Ravon Utrecht. Dijkstra, K.B., Kalkman, V.J., Ketelaar, R., van der Wiede, M.J.T., 2002. De Nederlandse libellen (odonata). Nederlandse fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Herder J.E., A. van Diepenbeek & R.C.M. Creemers, 2013. Verspreidingsonderzoek reptielen en amfibieën 2013. Rapport 2013-010. Stichting RAVON, Nijmegen. TAUW, 2017. Vleermuizenonderzoek bomenrijen bedrijventerrein Eemnes.

Nader onderzoek vleermuizen langs de bomenrijen tussen de rijksweg A27 en de Te Veenweg Zuid in de gemeente Eemnes. 9 juni 2017. Kenmerk: R001-1239171XDD-kmi-NL

22/23

Kenmerk

R001-1293656JWJ-V01-efm-NL

van Dijk A.J. & Boele A. 2011. Handleiding SOVON Broedvogelonderzoek. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, Vleermuisprotocol 2020. Geraadpleegde internetwebsites: www.floron.nl www.libellennet.nl www.ravon.nl www.sovon.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuis.net www.vlinderstichting.nl/vlinders www.zoogdiervereniging.nl

23/23

Bijlage 3 Nader onderzoek haas en vleermuis Zuidpolder Zuid te Eemnes

(concept) Motivering Uitbreiding Zuidpolder - Fase A en B NL.IMRO.0317.PM-0001

91 - 795

Nader onderzoek Zuidpolder Zuid te Eemnes Onderzoek naar het voorkomen en gebruik door haas en vleermuizen

8 oktober 2024

Kenmerk

R003-1293656JWJ-V01-hme-NL

Verantwoording Titel

Nader onderzoek Zuidpolder Zuid te Eemnes Onderzoek naar het voorkomen en gebruik door haas en vleermuizen

Opdrachtgever

Gemeente Eemnes

Projectleider

Tim van Schelt

Auteur

Jelmer de Jong

Tweede lezer

Jeroen Nagtegaal

Uitvoering meet- en inspectiewerk

Jelmer de Jong, James Lidster, Rens de Graaf e.a.

Kenmerk

R003-1293656JWJ-V01-hme-NL

Aantal pagina’s

15 (exclusief bijlagen)

Datum

8 oktober 2024

Handtekening

Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.

Colofon TAUW bv Australiëlaan 5 Postbus 3015 3502 GA Utrecht T +31 30 28 24 82 4 E info.utrecht@tauw.com

2/15

R003-1293656JWJ-V01-hme-NL

Kenmerk

Inhoud 1

2

3

4

5

Inleiding ..................................................................................................................................... 4 1.1

Aanleiding en doel onderzoek ............................................................................................ 4

1.2

Leeswijzer .......................................................................................................................... 4

Plangebied en beoogde ontwikkeling ........................................................................................ 4 2.1

Plangebied ......................................................................................................................... 4

2.2

Beoogde ontwikkeling ........................................................................................................ 5

Relevante soorten en mogelijke effecten en verbodsbepalingen .............................................. 6 3.1

Haas ................................................................................................................................... 6

3.2

Vleermuizen ....................................................................................................................... 6

Onderzoeksmethode ................................................................................................................. 7 4.1

Protocollen ......................................................................................................................... 7

4.2

Haas ................................................................................................................................... 7

4.3

Vleermuizen ....................................................................................................................... 7

Resultaten ................................................................................................................................. 8 5.1

5.1.1

Resultaten ................................................................................................................... 8

5.1.2

Effecten en verbodsbepalingen ................................................................................ 10

5.2

6

7

8

Haas ................................................................................................................................... 8

Vleermuizen ..................................................................................................................... 10

5.2.1

Resultaten ................................................................................................................. 10

5.2.2

Effecten en verbodsbepalingen ................................................................................ 11

Vervolgstappen........................................................................................................................ 12 6.1

Omgevingsvergunning haas ............................................................................................ 12

6.2

Mitigatie en compensatie ................................................................................................. 12

6.3

Omgevingsvergunning ..................................................................................................... 13

6.4

Overige maatregelen ........................................................................................................ 13

Conclusie ................................................................................................................................. 14 7.1

Aanleiding ........................................................................................................................ 14

7.2

Conclusie ......................................................................................................................... 14

Literatuur ................................................................................................................................. 15

3/15

Kenmerk

R003-1293656JWJ-V01-hme-NL

1 Inleiding 1.1

Aanleiding en doel onderzoek

Gemeente Eemnes is van plan een woonwijk te bouwen in de polder ten zuiden van Eemnes. TAUW heeft deze plannen reeds getoetst aan de Omgevingswet in een natuurtoets (TAUW, 2023). In de natuurtoets is geconcludeerd dat negatieve effecten op haas en vleermuizen niet met zekerheid zijn uitgesloten. TAUW heeft daarom soortgericht onderzoek uitgevoerd om de functie van het plangebied voor hazen en vleermuizen te bepalen. Bij vleermuizen betreft dit vliegroute onderzoek naar een bomenrij. Deze rapportage doet verslag van het soortgericht onderzoek en geeft antwoord op de vraag of een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig is.

1.2

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 volgt een overzicht van het plangebied en de beoogde ontwikkeling. In de navolgende hoofdstukken staan de details en de resultaten van het ecologisch onderzoek. In hoofdstuk 3 volgt eerst een samenvatting van de conclusies uit de natuurtoets. In hoofdstuk 4 is de onderzoeksmethode uitgewerkt, waarna in hoofdstuk 5 de resultaten van het onderzoek zijn behandeld. Aan de hand van de resultaten is een effectbeoordeling uitgevoerd. In hoofdstuk 6 ‘vervolgstappen’ is aangegeven of mitigerende maatregelen van toepassing zijn, of een omgevingsvergunning nodig is en onder welke voorwaarden een vergunning redelijkerwijs verleend kan worden. Tot slot vat hoofdstuk 7 alles in een conclusie samen.

2 Plangebied en beoogde ontwikkeling 2.1

Plangebied

Figuur 2.1 toont de ligging van het plangebied. Het gaat om de Zuidpolder Zuid bij Eemnes, in de provincie Utrecht. Het plangebied bestaat uit intensief begraasd grasland en akkerland doorkruist met kleine sloten. Ten westen van het plangebied liggen bomenrijen bestaande uit eiken langs het geluidsscherm van de A27. Ten noorden ligt het dorp Eemnes. Ten oosten grenst het plangebied aan lintbebouwing langs de Wakkerendijk. Verder ten zuiden en oosten bestaat het landschap uit intensief agrarisch landgebruik.

4/15

Kenmerk

R003-1293656JWJ-V01-hme-NL

Figuur 2.1 Ligging plangebied (globaal begrensd)

2.2

Beoogde ontwikkeling

Figuur 2.2 geeft de beoogde ontwikkeling weer. Het gaat om het ontwikkelen van een nieuwbouwwijk ten zuiden van Eemnes in de wijk Zuidpolder. In het westen komen 8 kavels waar bedrijven worden ontwikkeld. Dit sluit aan op het bedrijventerrein ten noorden. Bij deze ontwikkeling werd oorspronkelijk gedacht dat de bomenrij in het westen van het plangebied gekapt

5/15

R003-1293656JWJ-V01-hme-NL

Kenmerk

zou worden. Nu het proces verder is gevorderd is duidelijk geworden dat deze bomenrij behouden blijft.

Figuur 2.2 De beoogde inrichting van Zuidpolder Zuid (in lichtgroene tint)

3 Relevante soorten en mogelijke effecten en verbodsbepalingen In de natuurtoets is gebleken dat niet op voorhand uitgesloten kan worden dat beschermde soorten in het plangebied voorkomen en dat negatieve effecten op beschermde soorten tot een overtreding van de verbodsbepalingen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) leidt (TAUW, 2023).

3.1

Haas

Haas komt vooral voor in kleinschalig open veld als akkers en weilanden maar komt ook voor in open bos, heide en kwelders. Er zijn veel waarnemingen van haas bekend in de polders rondom Eemnes. Gezien het plangebied mogelijk geschikt leefgebied betreft omdat het aan de habitatseisen voldoet kan de aanwezigheid van essentieel leefgebied en verblijfplaatsen niet worden uitgesloten.

3.2

Vleermuizen

Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn onder andere groen- of waterstructuren zoals struweel, bomenrijen, andere opgaande begroeiing en watergangen. In het plangebied zijn dergelijke structuren aanwezig in de vorm van de bomenrij langs de Te Veenweg Zuid. Bij aantasting van de bomenrij door bijvoorbeeld kap of lichtverstoring zijn er mogelijk negatieve effecten op essentiële foerageergebieden en dient soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden.

6/15

R003-1293656JWJ-V01-hme-NL

Kenmerk

4 Onderzoeksmethode In dit hoofdstuk is de methode van het uitgevoerde onderzoek per verwachte soort(groep) beschreven.

4.1

Protocollen

Het veldwerk voor het nader onderzoek is uitgevoerd volgens de meest recente versie van algemeen geaccepteerde onderzoeksprotocollen. In sommige gevallen betreft dit de kennisdocumenten van BIJ12 of de soortinventarisatieprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus. In de volgende paragrafen is per soort(groep) de methode van het onderzoek beschreven.

4.2

Haas

Het onderzoek naar hazen is uitgevoerd conform het Toetsingskader haas van de provincie Utrecht (2024). Er is gebruik gemaakt van een drone met warmtebeeldcamera met een resolutie van tenminste 640x480. De drone vloog op 40 meter hoogte en daalde af wanneer een haas in beeld kwam om deze (nog) beter op de foto te zetten. Er zijn 2 veldbezoeken door 2 personen uitgevoerd tussen februari en oktober rond zonsopgang, waarvan één bezoek tussen april en juli met minimaal 10 tussenliggende dagen tussen de bezoeken. De veldbezoeken zijn uitgevoerd bij gunstige weersomstandigheden (lees: droog, <5Bft en een bodemtemperatuur lager dan 15 graden). In tabel 4.1 zijn de gegevens van de uitgevoerde veldbezoeken opgenomen. Tabel 4.1: Een overzicht van de uitgevoerde veldbezoeken en bijbehorende weersomstandigheden bij het onderzoek naar haas Datum

Tijd

Weersomstandigheden

24 april 2024

06:00 – 09:00

Halfbewolkt, droog, 6 °C, 3 Bft, zuid

4 juni 2024

05:30 – 07:30

Onbewolkt, droog, 13 °C, 2 Bft, noordoost

4.3

Vleermuizen

Het vleermuizenonderzoek is uitgevoerd conform het Vleermuizenprotocol 2021 van het Netwerk Groene Bureaus (NGB, 2021). Dit is gedaan met behulp van een batdetector (type: Petterson D240X) en warmtebeeldcamera’s. Een batdetector is een apparaat dat de ultrasone geluiden die een vleermuis maakt omzet in voor de mens hoorbare tikkende geluiden. Aan de hand van het ritme en de frequentie kan worden bepaald om welke vleermuissoort het gaat. Voor het determineren van soorten wordt daarnaast gebruik gemaakt van opnameapparatuur en speciale software voor het analyseren van vleermuisgeluiden. Om in kaart te brengen of de bomenrij in het westen van het plangebied in gebruik is als (essentiële) vliegroute en/of (essentieel) foerageergebied hebben 3 ervaren ecologen door het plangebied gelopen en gepost. Van deze groep van 3 hebben er 2 ecologen consequent bij de bomenrij gestaan en heeft er 1 aan de oostkant van het plangebied gestaan. Tijdens het rondlopen is gekeken naar vleermuisactiviteit en vleermuisgedrag.

7/15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16528269/1