CConstaterende dateemnes
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 EMS 2024-01-01 Verordening jeugdhulp Eemnes 2024

Gemeenteraad 29 januari 2024, gemeente eemnesBij agendapunt: Verordening Jeugdhulp gemeente Eemnes 202412.296 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

om de resultaten zoals genoemd in artikel 2.3 lid 1 Jeugdwet te bereiken. De door het college gehanteerde bekostigingssystematiek mag er niet toe leiden dat de keuzevrijheid op een onaanvaardbare wijze wordt ingeperkt doordat enkel sprake is van voldoende compensatie als gebruik wordt gemaakt van de door het college geselecteerde zorgaanbieders. Het college moet daarom altijd onderzoeken of de jeugdhulp die in de specifieke situatie passend en kwalitatief verantwoord is met het gehanteerde tarief kan worden ingekocht. art 5.5 lid 3 Door deze toevoeging wordt het in deze verordening mogelijk wanneer het vastgestelde pgb voor ZZP in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen jeugdhulp te kunnen inkopen, om het tarief zodanig aan te passen dat de hulp hiermee bij tenminste één jeugdhulpaanbieder kan worden ingekocht Toelichting op het 50% tarief voor informele hulp Een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRVB:2023:1580 d.d. 16-08-2023) heeft er voor gezorgd dat het minimumloon voor informele hulp is komen te vervallen. De Raad oordeelt dat de hoogte van het pgb-uurtarief voor individuele begeleiding door iemand uit het sociaal netwerk moet worden gekoppeld aan het hoogste periodieke loon volgens de Functie Waardering Gezondheidszorg 30 (FWG 30) van de cao Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg (VVT), inclusief vakantietoeslag en verlofuren.

Vanwege de aanpassing op het tarief aan sociaal netwerk is ook de symbolische tegemoetkoming voor personen die vanuit sociale relatie informele hulp bieden, vervallen. lid 5 afsluiten van een zorgovereenkomst Bij iedere vorm van pgb is het afsluiten van een zorgovereenkomst verplicht. Met de wijziging in het tarief voor informele hulp is ook de modelovereenkomst voor informele hulp vervallen door een zorgovereenkomst bij de SVB. lid 6 Indien een kind met een pgb overlijd Als een ouder een ziek kind heeft verzorgd en daarvoor een pgb ontvangt – dan is er geen sprake is van een gezagsverhouding en wordt dit in de wet niet als arbeidsrelatie gezien. Dat maakt dat een ouder na overlijden van het kind geen recht heeft op UWV uitkeringen, terwijl het pgb stopt. Daar zijn kamervragen over gesteld (referentie 2023-0000495550). Het overlijden van een kind is een zeer verdrietige en zeer ingrijpende gebeurtenis is. Wanneer ouders na het overlijden van hun kind bovendien ook nog worden geconfronteerd met het verlies van inkomen – als gevolg

van het wegvallen van het pgb – dan is dat pijnlijk. Daarom zoekt het ministerie naar een oplossing waarmee ouders die in zo’n situatie terechtkomen beter geholpen worden. In afwachting van de wet is er in de nadere regels van deze verordening de periodiek van deze uitbetaling verhoogd naar 3 maanden. Dat geeft de ouder meer tijd. Als de wet wordt aangepast, kan het college de nadere regels aanpassen. Lid 6. Het overzicht van de actuele tarieven is met name van belang voor de uitbetaling door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) van de toe te kennen PGB’s en wordt daarom jaarlijks verstrekt aan de zorgadministratie. Lid 8. Als er om een offerte wordt gevraagd, vindt overleg plaats met de cliënt over de meest geschikte partij. Bij het inzetten van een pgb beslist de cliënt, mist aan de kwaliteitseisen wordt voldaan, over de instantie/ persoon die de zorg daadwerkelijk gaat uitvoeren en draagt daarbij verantwoordelijkheid over die zorg. Art. 5.5 Voorwaarden bij verstrekking PGB Voor het beoordelen of wordt voldaan aan de voorwaarde om in aanmerking te komen voor een PGB zal de jeugdige en/of zijn ouder(s) in dat kader een budgetplan PGB moeten opstellen (conform art. 3.5 lid 4). Hoewel het college bij het beoordelen van de voorwaarden ook op grond van art. 8.1.1 van de wet kan vragen om een budgetplan, ontleend de gemeenteraad deze bevoegdheid naar analogie van de opdracht in art.

2.12 van de wet. Hiermee wordt gewaarborgd dat de individuele voorziening die met het PGB wordt ingekocht van voldoende kwaliteit is. Artikel 5.6 kwaliteitseisen pgb In dit lid 2e is opgenomen dat de informele hulpverlener calamiteiten direct meldt aan het Jeugd en gezinsteam. Meer informatie hierover is te vinden in de meldplicht calamiteiten, de richtlijn van de Inspectie voor de Gezondheidzorg en Jeugd. In dit lid 2g is opgenomen dat de informele hulpverlener beschikt over een geldige verklaring omtrent het gedrag (VOG). Uitzondering hierop is als de informele hulpverlener een ouder is, zoals bedoeld in de Jeugdwet. De verlener van informele hulp is verplicht de VOG desgevraagd te overhandigen aan het Jeugd en Gezinsteam.

Hoofdstuk 6: Afstemming met andere voorzieningen Artikel 6.1 Overgang naar volwassenheid Lid 1 overdracht na jeugdhulp

In dit lid is verwoord dat er tijdig afstemming plaatsvindt. Er is niet gekozen voor een vast moment omdat dit per hulpvraag kan verschillen. In de regel zal de afstemming plaatsvinden als de jeugdige 17 jaar is. Als een jongere uitstroomt uit jeugdzorg, een AZC met verblijf of het wonen bij hun ouder(s) niet meer gaat en met 17 of 18 jaar dakloosheid dreigt kan deze worden aangemeld bij Kamers met Aandacht, waardoor met behulp van informele steun de jongere zich verder kan ontwikkelen naar zelfstandigheid. Lid 2 overdracht na verlengde jeugdhulp Als er sprake is van verlengde jeugdhulp vindt het moment van afstemming logischerwijs op een nader moment plaats. Dit moment is mede afhankelijk van de verwachte duur van de ingezette jeugdhulp. In ieder geval is er altijd sprake van een tijdige afstemming waarbij rekening wordt gehouden met de doorloop- en wachttijden om voor een andere voorziening in aanmerking te komen. Lid 3 zorg continuïteit Er is een rol weggelegd voor het Jeugd en Gezinsteam team door ouders er op te wijzen dat er sprake is van een andere voorziening vanaf het 18e jaar. Ook is er een inspanningsverplichting opgenomen voor het lokale team als het gaat om zorgcontinuïteit. Er wordt over inspanning gesproken omdat het Jeugd en Gezinsteam niet beslist over de inzet van de andere voorziening.

Lid 3 Afstemming gezondheidszorg In dit lid wordt gedoeld op de specialistische jeugdhulp die voorheen viel onder de geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen. Deze zorg valt vanaf de achttiende verjaardag van de jeugdige onder de Zorgverzekeringswet. Zorgverzekeraars stellen aan zorgaanbieders eisen met betrekking tot de toegang. Zo moet er een rechtmatige verwijzer zijn in de vorm van een huisarts, jeugdarts of medisch specialist. Het Jeugd en Gezinsteam kan voor een dergelijke verwijzing zorgen door contact op te (laten) nemen met de huisarts, of door de jeugdarts een verwijzing te laten schrijven. Lid 4 Afsluiten van een zorgverzekering Vanaf hun achttiende verjaardag zijn jeugdigen niet meer automatisch meeverzekerd met hun ouders. Zij dienen zelf een zorgverzekering af te sluiten. Bovendien geldt voor hen vanaf die leeftijd ook een eigen risico. Beide kunnen een belemmering vormen voor de jeugdige om de behandeling voort te zetten. Het

Jeugd en Gezinsteam is hier alert op en kan de jeugdige zo nodig bij deze veranderingen en nieuwe verantwoordelijkheden ondersteunen. Artikel 6.2 Afstemming langdurige zorg Lid 1 overgang naar de WLZ Wanneer jeugdigen levenslang en levensbreed zorg nodig hebben vallen zij onder de Wet langdurige zorg (Wlz). Het Jeugd en Gezinsteam ondersteunt de jeugdige en zijn ouders, zo nodig, bij de aanvraag bij het Centraal indicatieorgaan zorg (CIZ), die over toegang tot de langdurige zorg gaat. Lid 2 Dit lid is gebaseerd op de Jeugdwet, artikel 1.2 eerste lid onderdeel c: ”Het college is niet gehouden een voorziening op grond van deze wet te treffen: indien het college gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en de jeugdige of zijn wettelijke vertegenwoordiger weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe.” Hierbij zal natuurlijk altijd het belang van het kind voorop staan. De jeugdige mag nooit het slachtoffer mogen worden van onwillige ouders.

Artikel 6.3 Afstemming met kinderopvang, onderwijs en leerplicht Lid 1 In artikel 2.7 eerste lid van de Jeugdwet staat: “Het college treedt bij het treffen van een individuele voorziening zo nodig in overleg met het bevoegd gezag van een school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra of van een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, waar de jeugdige schoolgaand is.” In Eemnes is ervoor gekozen om een vaste consulent (brugfunctionaris) vanuit het Jeugd en Gezinsteam te verbinden aan de kinderopvang en het onderwijs. De ondersteuning gebeurt natuurlijk altijd in overleg met (en in bijzijn van) de jeugdige en zijn ouders. De brugfunctionaris kijkt samen met de ouders en jeugdige welke ondersteuning nodig is, zowel binnen de school en/of kinderopvang als in de thuis- en gezinssituatie. De ondersteuningsstructuur van het onderwijs en de kinderopvang is voorliggend aan de inzet van jeugdhulp, anderzijds kan de inzet van jeugdhulp aanvullend zijn op de zorg vanuit kinderopvang en onderwijs. Het Jeugd en Gezinsteam besluit - in overleg met het zorgteam en ouders en jeugdige - welke ondersteuning noodzakelijk is.

Lid 2 De leerplichtambtenaren van gemeente zijn verantwoordelijk voor de handhaving van de Leerplichtwet. Problemen van jeugdigen uiten zich niet zelden in de vorm van (langdurig of frequent) schoolverzuim of voortijdig schoolverlaten. Afstemming tussen leerplichtambtenaar, school én brugfunctionaris van het Jeugd en Gezinsteam is in dergelijke gevallen van groot belang. Artikel 6.4 Afstemming Maatschappelijke Zaken HBEL Lid 1 Afstemming maatschappelijke ondersteuning Het hier gestelde betekent dat het Jeugd en Gezinsteam, indien de situatie zich voordoet, afstemming zoekt met team Maatschappelijke Zaken HBEL voor inzet vanuit de Wmo. De jeugdige wordt vanaf 17 jaar begeleid en voorbereid op de veranderingen na het 18e jaar, met als beoogd resultaat continuïteit van zorg. Lid 2 Afstemming werk en inkomen Het hebben van schulden en/of het leven in armoede kan gezinnen veel stress opleveren. Deze stress maakt dat mensen op een andere manier beslissingen nemen. Armoede- en schuldenproblematiek kunnen zo op de voorgrond treden dat ouders hun rol als opvoeder niet meer goed kunnen invullen, maar ook dat jeugdhulp minder of niet effectief is. Het is daarom belangrijk om armoede en financiële problemen tijdig te signaleren en ouders zo nodig snel naar de juiste financiële hulp en armoedevoorzieningen toe te leiden.

Hierbij kan het Jeugd en Gezinsteam, gebiedsteam of gecertificeerde instelling een actieve rol hebben: het voeren van een gesprek over armoede, zelf een afspraak maken voor de ouder en de drempel zo laag mogelijk maken door samenwerking met team Maatschappelijke Zaken HBEL. Artikel 6.5 Afstemming wonen De Huisvestingswet 2014 (artikel 12) bepaalt dat gemeenten die willen sturen op de verdeling van sociale huurwoningen de regels op dat gebied moeten vastleggen in een huisvestingsverordening. De regels over urgentie en voorrang zijn in Eemnes opgenomen in de Huisvestingsverordening Eemnes.

Hoofdstuk 7 Nieuwe feiten en omstandigheden In dit hoofdstuk van deze verordening zijn bepalingen opgenomen over het aantasten van rechten. Daarvoor kan rechtvaardiging worden gevonden indien sprake is van de situaties zoals genoemd. Het gaat in alle gevallen om een bevoegdheid van het college (kan-bepaling). Bij de toepassing van de bepalingen

van dit hoofdstuk hoort een afweging tussen de bij het te nemen besluit betrokken belangen. Daarmee wordt ook invulling gegeven aan de plicht regels te stellen voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet (art. 2.9, onder d, van de wet). Opschorting en beëindiging (art. 7.1) Er wordt gesproken van beëindiging als de inwerkingtreding van het besluit ingaat vanaf het heden of naar de toekomst toe. Beëindiging heeft dus, in tegenstelling tot een herziening/intrekking, geen terugwerkende kracht. Er worden voorbeelden genoemd wanneer het college kan overgaan tot beëindiging van de individuele voorziening dan wel PGB. Afhankelijk van de individuele situatie is het college bevoegd om de inzet van een individuele voorziening tijdelijk op te schorten. Denk bijvoorbeeld aan situaties waarvan (nog) niet duidelijk is of het beëindigen van de individuele voorziening wel op z’n plaats is. Opgemerkt wordt dat de SVB bevoegd is tot onder meer opschorting van de betalingen uit het PGB (art. 8, vierde lid, Regeling Jeugdwet). Herziening of intrekking (art. 7.2) Dit artikel berust mede op artikel 8.1.2 lid 1 van de wet, waarin is vastgelegd dat de jeugdige of zijn ouder(s) het college alle informatie verstrekt die van belang kan zijn voor de verlening van een pgb.

Met het eerste lid wordt de toepassing van deze informatieplicht verruimt naar de voorzieningen in natura. Immers, ook van jeugdigen en/of ouder(s) met jeugdhulp in natura kan verlangd worden dat ze voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te stellen te beoordelen of terecht een beroep op de voorziening wordt of is gedaan. Ook kan het voor komen dat de jeugdige de verplichtingen uit een privaatrechtelijke overeenkomst niet nakomt. Denk bijvoorbeeld aan het niet houden aan afspraken die zijn opgenomen in een dienstverleningsovereenkomst. De verordening biedt een publiekrechtelijke grondslag om het betreffende toekenningsbesluit in te trekken. Dat betekent overigens niet dat op het college geen plicht meer rust om (andere) passende jeugdhulp te bieden. Terugvordering of verrekenen (art. 7.3) Intrekking of herziening van een jeugdhulpvoorziening kan leiden tot ten onrechte of teveel verleende jeugdhulp. Deze bepaling regelt dat het college in dat geval ook bevoegd is de geldswaarde terug te vorderen van de teveel of ten onrechte genoten individuele voorziening in natura, dan wel van het teveel of ten onrechte verstrekte

pgb. Terugvordering van de geldswaarde is natura is niet geregeld in de wet. Het is daarom van belang deze bepaling op te nemen in de verordening. Uit CRVB:2006:AX5819 kan onder meer worden afgeleid dat in zo’n geval het ontbreken van een wettelijke bepaling op grond waarvan van de jeugdige of ouder(s) kan worden teruggevorderd, niet aan terugvordering in de weg staat, nu (ook) in het publiekrecht als in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel is aanvaard, dat een zonder rechtsgrond verrichte betaling ongedaan moet worden gemaakt. Onder een zonder rechtsgrond verrichte betaling worden ook de (gemaakte) kosten van een individuele voorziening in natura verstaan. Net zoals bij herziening en intrekking gaat het bij terugvordering om een bevoegdheid van het college. De bevoegdheid tot terugvordering betreft een kan-bepaling. Hoewel daarvoor rechtvaardiging kan worden gevonden zal het college bij de toepassing hiervan een afweging moeten maken tussen de bij het te nemen besluit betrokken belangen. Fraudepreventie en controle (art. 7.4) De gemeenteraad is verplicht om bij verordening regels vast te stellen voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Diverse bepalingen in dat kader zijn overigens ook ondergebracht in andere artikelen van deze verordening.

Hoofdstuk 8 Overige bepalingen Artikel 8.1 Klachten Dit artikel regelt het gemeentelijke klachtrecht. De gemeente is al op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Daaraan is uitwerking gegeven in de Klachtenregeling Eemnes en is aansluiting gezocht bij de Regionale Klachtencommissie Jeugd Eemland. Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de Awb, waarin een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met een enkele verwijzing naar genoemde klachtenregelingen worden volstaan. In de regel zal eerst de aanbieder worden aangesproken bij klachten over de wijze van behandeling. De klachtmogelijkheid tegenover de aanbieder is geregeld in artikel 4.2.1 e.v. van de wet. Pas wanneer dit klachtrecht niet bevredigend is, of niet

logisch, bijvoorbeeld bij gedragingen van gemeenteambtenaren, dan komt de gemeentelijke klachtmogelijkheid in zicht. Artikel 8.2 Betrekken van inwoners bij het beleid In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over inspraak en medezeggenschap bij de gemeente. De mogelijkheid tot inspraak en medezeggenschap tegenover de aanbieder is al geregeld in artikel 4.2.4 e.v. van de jeugdwet. Regeling van de inspraak en medezeggenschap is verplicht op grond van artikel 2.10 van de Jeugdwet. Er dient bij verordening te worden bepaald op welke wijze ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze wet. In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het jeugdhulpbeleid als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. Sinds 2018 vindt dit plaats via de Adviesraad sociaal domein Huizen Eemnes Blaricum Laren. De hulpverlening die geboden wordt door het Jeugd en Gezinsteam en eventueel aanvullende ingezette Jeugdhulp via het gebiedsteam wordt via een cliëntervaringsonderzoek bij tieners en ouder ten minste jaarlijks uitgevoerd.

De vragenlijst bevat verschillende gesloten en open vragen om de ervaring van jeugdige en ouder van (de aanloop naar, uitvoering van en nazorg) te evalueren. Deze evaluatie draagt bij aan inzichten waardoor de hulpverlening kan worden verbeterd. Artikel 8.3 Toepassing Subsidieverordening Amersfoort Amersfoort treedt op als gastheer voor de gemeente Eemnes voor de verwerving van zorg ter uitvoering van de Jeugdwet. Onder verwerving wordt ook het verstrekken van subsidies verstaan aan instellingen die tot 2015 dergelijke subsidies van het Rijk en/of de provincie ontvangen. Het college heeft mandaat verleend aan het college van Amersfoort voor genoemde verwerving van zorg; daarbij heeft Amersfoort aangegeven vanwege uniformiteit en efficiency rondom het proces van subsidieverlening de subsidieverstrekking te willen uitvoeren op basis van de Algemene subsidieverordening van Amersfoort. De Algemene subsidieverordening Eemnes is dermate strikt geredigeerd dat het verstrekken van subsidies door een gastheergemeente namens het college thans

(juridisch) niet (goed) mogelijk is. Om die reden is dit artikel in de Verordening jeugdhulp opgenomen, waarmee wordt voorzien in de wettelijke grondslag voor deze specifieke vorm van subsidieverlening.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13752629/1