6 Raadsinformatienota met bijlagen bij Plan van aanpak overgang Omgevingsplan Eemnes
Tekst van het document
Met vergunning is het mogelijk ook horeca categorie 1b toe te staan en de oppervlaktes van de individuele onderdelen te verruimen onder voorwaarde dat er geen sprake is van aantasting van een levendig centrumgebied (bijvoorbeeld door verkeersaantrekkende werking) of van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
6. Specifieke onderwerpen De BEL-gemeenten hebben afgesproken om daar waar mogelijk beleidskaders en regelgeving op elkaar af te stemmen, zonder de couleur locale uit het oog te verliezen. Zo vindt harmonisatie plaats over: 1. de voorwaarden voor het realiseren van zwembaden en tennisbanen (bijlage 1); 2. logies (recreatief gebruik) in een woning (bijlage 2); 3. woningsplitsing (bijlage 3); 4. toepassen van parkeernormen (bijlage 4); 5. hemelwateropvang (bijlage 5).
7. Waarden en bovenlokale belangen Dubbelbestemmingen Dubbelbestemmingen worden gebruikt bij gronden waar twee of meer onafhankelijk van elkaar voorkomende bestemmingen voorkomen, waarbij er sprake is van een rangorde tussen de dubbelbestemming en de daarmee samenvallende bestemming. In de planregels wordt de verhouding tussen de functies van beide bestemmingen aangegeven. In veel gevallen beslaan dubbelbestemmingen meerdere bestemmingen. Er zijn drie hoofdgroepen: leidingen, waarden en waterstaat. De overkoepelende betekenis, is dat het gaat om waarden en functies die het individuele belang overstijgen. In veel gevallen is er sprake van rijks- of provinciaal beleid die verbindingen verankeren (grote leidingen voor drinkwater of gevaarlijke stoffen), bescherming tegen wateroverlast bieden (waterkeringen) of kwetsbare gebieden beschermen (archeologie, cultuurhistorie). 8
Uit de analyse blijkt dat er grotendeels helderheid bestaat, maar dat er enkele eenvoudige verbeteringen kunnen worden toegepast: • Leidingtracés lopen niet altijd door in aangrenzende bestemmingsplannen; • De terminologie bij de bestemmingen Waarde - Archeologie is niet eenduidig, terwijl het onderliggende archeologiebeleid wel voor de drie gemeenten hetzelfde is; • De dubbelbestemming Waarde - Archeologie is in het bestemmingsplan Bedrijventerrein Zuidpolder om onduidelijke reden afwijkend opgenomen; • De dubbelbestemming Waarde – Geomorfologie heeft een duidelijke link met de ondergrond en er is een vergunningplicht aan gekoppeld; een zinvolle dubbelbestemming derhalve. • De dubbelbestemming Waarde – Beschermd Dorpsgezicht is gekoppeld aan de drie beschermde dorpsgezichten, maar de wijze van regelen is volstrekt anders. • In de bestemmingsplannen Laren Noord en Laren West worden nog dubbelbestemmingen gebruikt die in andere bestemmingsplannen binnen de bestemming geregeld worden. Zo valt de dubbelbestemming ‘Waarde-Natuur’ één op één samen met de bestemming ‘Natuur-Landgoed’ en is het dus niet zinvol om hier een dubbelbestemming voor op te nemen. Aan de dubbelbestemming ‘Waarde-Landschap’ is geen vergunningplicht gekoppeld, alleen een afwijkingsbevoegdheid, zodat ook hier de toegevoegde waarde voor een dubbelbestemming ontbreekt.
Gebiedsaanduidingen Er ligt een dunne scheidslijn met gebiedsaanduidingen, waar ook bovenlokale belangen worden verankerd met behulp van geluidzones, luchtvaartverkeerszones, milieuzones, veiligheidszones en dergelijke. In de BEL-gemeenten komen voor: • Geluidzone – industrie vanwege het bedrijventerrein bij Eembrugge; • Milieuzone – stiltegebied in het landelijk gebied van Eemnes; deze is wel aangeduid op de verbeelding, maar er is geen regeling opgenomen in de regels van het bestemmingsplan. • Milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied ten zuidwesten van Laren; • Milieuzone – waterwingebied ten zuidwesten van Laren; • Veiligheidszone – LPG rond tankstations met LPG; • Veiligheidszone – vuurwerk rond vuurwerkopslag; • Veiligheidszone – bedrijven; Hiervoor is wel een regeling opgenomen in de regels, maar deze is niet op de verbeelding te vinden; • Veiligheidszone – gasdrukmeet- en regelstation rond risicovolle inrichting; • Veiligheidszone – gasontvangstation; • Vrijwaringszone – molenbiotoop; • Overige zone – reserveringszone infrastructuur vanwege uitbreiding rijkswegen; deze is wel aangeduid op de verbeelding, maar er is geen regeling opgenomen in de regels van het bestemmingsplan • Overige zone - evenemententerrein In de transitie naar het Omgevingsplan kunnen in één slag de waarden en bovenlokale belangen worden geborgd en bovenstaande verbeteringen worden doorgevoerd.
Vastgesteld door B&W van de gemeente Blaricum in de vergadering van …
De heer ing. P.H. van Dijk
Mevrouw J.N. de Zwart-Bloch 9
secretaris
burgemeester
Vastgesteld door B&W van de gemeente Eemnes in de vergadering van …
Mevrouw drs. M.B.E. van den Berg secretaris
De heer R. van Benthem RA burgemeester
Vastgesteld door B&W van de gemeente Laren in de vergadering van …
De heer S. van Waveren secretaris
De heer N. Mol burgemeester
Bijlagen: Bijlage 1. Beleidskader privégebruik zwembaden en tennisbanen Bijlage 2. Beleidskader logies (recreatief gebruik) in een woning Bijlage 3. Beleidskader woningsplitsing Bijlage 4. Beleidskader toepassen van parkeernormen Bijlage 5. Beleidskader hemelwateropvang
10
Bijlage 1. Beleidskader privégebruik zwembaden en tennisbanen Op wat grotere percelen, die in de Blaricum, Eemnes en Laren veelvuldig voorkomen, is het niet ongebruikelijk om voor privégebruik een zwembad, een tennisbaan of zelfs een paardenbak in de tuin aan te leggen. De bouw c.q. aanleg van een speeltoestel (tot 4 meter hoog), een zwembad en een tennisbaan voor privégebruik op het eigen erf is vergunningvrij. Vergunning voor het bouwen is wel nodig voor hekken rond een tennisbaan, overkappingen over het zwembad en voor paardenbakken (volgens jurisprudentie een bouwwerk) alsmede voor verlichting. Paardenbakken vallen dan ook verder buiten dit beleidskader. Om wildgroei van tennisbanen en zwembaden en de daarmee gepaard gaande mogelijke ‘overlast’ naar de omgeving te voorkomen, hanteren de BEL-gemeenten het principe dat zwembaden en tennisbanen vergunningvrij alleen in het bebouwingsgebied (zie bijlage 1) gesitueerd mogen worden, dus niet zonder vergunning in de voortuin. Verder wordt een afstandscriterium gehanteerd tot de dichtstbijzijnde gevoelige bestemming op buurpercelen. Als gevoelige bestemming wordt aangehouden de woning op een buurperceel alsmede 10 meter achter de woning (mogelijke uitbreiding met woonfuncties en terras). De volgende afstanden dienen in acht genomen te worden: • Zwembaden: minimaal 10 meter; • Tennisbanen: minimaal 30 meter.
Verder zijn de volgende regels van toepassing voor het vergunningvrij realiseren van zwembaden: • maximaal één zwembad per perceel; • de oppervlakte van het zwembad beslaat ten hoogste 20% van het bebouwingsgebied; • de oppervlakte van het zwembad bedraagt ten hoogste 50 m²; • het zwembad steekt ten hoogste 20 centimeter boven het maaiveld uit; • de afstand tussen het zwembad en de woning bedraagt ten minste 2,5 meter. Verder zijn de volgende regels van toepassing voor het vergunningvrij realiseren van tennisbanen: • maximaal één tennisbaan per perceel; • de oppervlakte van de tennisbaan beslaat ten hoogste 20% van het bebouwingsgebied; • de oppervlakte van de tennisbaan bedraagt ten hoogste 650 m²; • de afstand tussen de tennisbaan en de woning bedraagt ten minste 5 meter. • de hoogte van hekken en lichtmasten rond tennisbanen bedraagt ten hoogste 4 meter; • lichtmasten zijn voorzien van armaturen met uitsluitend een neerwaartse uitstraling.
11
Bijlage 2. Beleidskader logies (recreatief gebruik) in een woning Onderscheid tussen gastenverblijven, bed & breakfast en toeristische verhuur van de woning. Een gastenverblijf wordt gedefinieerd als een deel van de woning of een bijbehorend bouwwerk dat uitsluitend gebruikt wordt om niet-commercieel tijdelijk verblijf te bieden aan gasten van de hoofdbewoner, welke gasten hier niet permanent mogen verblijven. Gastenverblijven zijn altijd mogelijk binnen de woonbestemming, omdat er geen sprake is van een commerciële activiteit. In dezelfde lijn is ook incidentele toeristische verhuur, bijvoorbeeld woningruil in vakanties, toegestaan. Als logies in een woning een commerciële activiteit wordt, is registratie verplicht en de daaraan gekoppelde toeristenbelasting verschuldigd. Toeristenbelasting wordt geheven per persoon per overnachting. Bed & breakfast wordt beschouwd als een bijzondere vorm van een aan-huis-gebonden bedrijf die alleen met vergunning te realiseren is. Definitie: het bedrijfsmatig en op kleine schaal tegen betaling aanbieden van logies/overnachting in een daarvoor geschikte woning (hoofd- of bijgebouw) gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en kortdurend wisselend recreatief verblijf met ontbijtmogelijkheid. Deze voorziening is nadrukkelijk niet bedoeld voor het laten overnachten van tijdelijke arbeiders of seizoenarbeiders.
Voorwaarden voor realisatie van een bed & breakfast zijn: • De bed and breakfast voorziening wordt geëxploiteerd door de hoofdbewoner(s) van hetzelfde perceel; • Maximaal 25% van de vloeroppervlakte van hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken mag gebruikt worden voor de bed and breakfastvoorziening; • Niet meer dan 3 slaapkamers, ten behoeve van maximaal 6 personen, mogen worden ingericht en gebruikt voor bed and breakfast; • De bed and breakfast voorziening functioneert niet als een zelfstandige woning; • Voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein dan wel in een duurzame parkeergelegenheid; • Het gebruik van gevelreclame om de bed and breakfastvoorziening aan te duiden is niet toegestaan; • Van tevoren is in voldoende mate verzekerd dat het beoogde gebruik geen onevenredig nadelige gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat. Toeristische verhuur van een woning is in beginsel strijdig met het woonkarakter, omdat volgens de Raad van State in een woonomgeving een zekere mate van duurzaamheid vereist is. Er is thans geen aanleiding om woningen aan de voorraad te onttrekken voor recreatief gebruik.
12
Bijlage 3. Beleidskader woningsplitsing Nieuwe maatschappelijk en demografische ontwikkelingen leiden er steeds meer toe dat gezocht wordt naar woonvormen om samen met familieleden onder één dak te wonen en/of zorg te bieden aan familieleden. Een aantal vrijstaande woningen in de BEL-gemeenten is dermate groot dat het opsplitsen naar twee woningen binnen het oorspronkelijke hoofdgebouw mogelijk is. Door het splitsen van een vrijstaande woning naar twee woningen hoven bestaande bewoners niet te verhuizen en hebben starters en jonge gezinnen meer kans op een woning. Het beleid gaat enkel uit van het splitsen van vrijstaande woningen naar twee woningen op het gehele grondgebied van de BEL-gemeenten. Het beleid voorziet niet in het splitsen: • Van kavels, zodat er een extra hoofdgebouw gerealiseerd kan worden; • Van panden met een andere bestemming; • Van bedrijfswoningen; • Van andere woningtypen dan vrijstaande woningen of • In meer dan twee wooneenheden. Woningsplitsing wordt gedefinieerd als het splitsen van een woning in twee wooneenheden die zelfstandig en permanent worden bewoond door twee afzonderlijke huishoudens, één en ander binnen het reeds bestaande hoofdgebouw. Er is hierbij sprake van twee voordeure, twee afzonderlijke aansluitingen op nutsvoorzieningen en twee afzonderlijke brandcompartimenten.
Woningsplitsing is niet gelijk aan: • Inwoning, omdat daarbij sprake is van één gemeenschappelijk huishouden met een gemeenschappelijk gebruik van verblijfsgebieden en/of entree, keuken en/of badkamer. • Dubbele bewoning, omdat daarbij sprake is van één voordeur in een hoofdgebouw waarachter twee onderling met elkaar verbonden woongedeeltes voor twee huishoudens zijn, zonder dat er sprake is van gescheiden brandcompartimenten of nutsaansluitingen. • Mantelzorg, omdat daarbij sprake is van het bieden van zorg aan een hulpbehoevende, waarbij uitsluitend met indicatie van een specialist vergunningvrij extra woonruimte kan worden gerealiseerd. Woningsplitsing van een grondgebonden vrijstaande woning is met vergunning te realiseren onder de volgende voorwaarden, die tot doel hebben onevenredige aantasting van het woonklimaat te voorkomen: • De te splitsen vrijstaande woning staat op grond waarop een woonbestemming (woning, tuin, erf) rust.
• Splitsen van gemeentelijke- en rijksmonumenten met een woonbestemming en panden met een woonbestemming in het Beschermd Dorpsgezicht is alleen toegestaan als het belang van het monument dan wel het beschermd dorpsgezicht dit toelaat en uitsluitend als er een positief advies is afgegeven door de BEL Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en in voorkomende gevallen de Rijksdienst voor Cultureel en Erfgoed of de Provincie Noord Holland, afdeling Monumenten en bij aanpassing van het pand de te beschermen cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast. • De splitsing dient te voldoen aan redelijke eisen van welstand, het Bouwbesluit, de bouwverordening, Wet Milieubeheer (in het kader van nabijheid van bedrijven), Wet Geluidhinder (in het kader van wegverkeerslawaai) en andere van toepassing zijnde wetten en verordeningen zoals die op moment van de aanvraag om omgevingsvergunning gelden. • Het moet gaan om splitsing van het oorspronkelijke hoofdgebouw van één naar twee woningen en moet plaatsvinden binnen het bestaande volume van het oorspronkelijke hoofdgebouw. • Het moet gaan om splitsing van een bestaande vrijstaande woning die minimaal 10 jaar oud is. 13
• • • • • • • •
•
•
De splitsing moet stedenbouwkundig passen in het straatbeeld. De vrijstaande woning dient voor splitsing een woonoppervlak (gebruiksoppervlak als bedoeld in de NEN 2580) te hebben van minimaal 175 m². Na de splitsing dient iedere gesplitste woning een minimaal woonoppervlak (gebruiksoppervlak als bedoeld in de NEN 2580) te hebben van 75 m². Het perceel van de te splitsen woning dient voor splitsing een minimaal perceeloppervlak van 800 m² te hebben. Het te splitsen oorspronkelijke hoofdgebouw dient op minimaal 3 meter van de zijdelingse perceelgrens af te liggen en 8 meter van de achtererfgrens. De overige voorwaarden genoemd in diverse bestemmingsplannen (bijvoorbeeld hoogte, diepte, oppervlak van aan-, uit- en bijgebouwen) blijven onverminderd van kracht. De splitsing dient te leiden tot een verkaveling waarbij de gesplitste percelen dienen te voldoen aan een bebouwingspercentage (inclusief bestaande aan- en bijgebouwen) niet hoger dan 30 %. Het in de vormgeving tot uitdrukking komende karakter en de samenhangende bouwmassa van het te splitsen pand dient behouden te blijven. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning dient een terreininrichtingsplan te wordt overgelegd waarin wordt aangegeven hoe het perceel gesplitst gaat worden en waar verharding op het perceel en indien van toepassing een extra uitweg op het perceel wordt aangelegd.
Tevens dient aangegeven te worden waar er parkeergelegenheid voor tenminste één auto per gesplitste woning op eigen terrein gerealiseerd gaat worden. In dit terreininrichtingsplan dient ook aangegeven te worden waar fietsen en vuilnisbakken naast of achter de te splitsen woninggeplaatst kunnen worden. Een gesplitste woning behoudt de woonbestemming, met het daarbij behorende oppervlak aan aan- en bijgebouwen. De “nieuwe” woning krijgt geen zelfstandig recht op bijgebouwen, waarbij wel iedere woning moet beschikken over een bergruimte van tenminste 20 m2. Er mag geen sprake zijn van verdere verdichting van het aangrenzende terrein met uitzondering van de bebouwing welke vergunningvrij gerealiseerd kan worden. De gesplitste woning wordt op kaart met de term ‘gesplitst’ aangeduid.
14
Bijlage 4. Beleidskader toepassen van parkeernormen Parkeerbeleid is een autonome taak van de gemeente, waaraan gemeenten zelf invulling kunnen geven. Parkeerbeleid is van belang in verband met de verbetering van de bereikbaarheid en leefbaarheid. Via parkeerbeleid kunnen gemeenten de verdeling van de vaak schaarse parkeerruimte reguleren en overlast voorkomen. In geval van nieuwe ontwikkelingen en herontwikkelingen zijn initiatiefnemers gehouden om aan een parkeernorm te voldoen. Deze parkeernormen zijn gebaseerd op landelijk erkende parkeerkencijfers van het CROW. Norm 1. Voor het parkeren van motorvoertuigen en/of fietsen, alsmede voor het laden of lossen van goederen dienen voldoende voorzieningen te worden getroffen op het betreffende bouwperceel, tenzij hierin op een andere wijze wordt voorzien; 2. De ruimte voor het parkeren van auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan: • indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 2 meter bij 5 meter en ten hoogste 3,25 meter bij 6 meter bedragen; • indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte, voor zover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst, ten minste 3,5 meter bij 5 meter bedragen. 3.
Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op het bouwperceel; 4. Bij de beoordeling van de benodigde voorzieningen wordt het geldende parkeerbeleid gehanteerd, waarbij zowel de maatvoering als normering tot stand komt op basis van de ASVV van CROW dan wel de CROW publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' of de daarvoor in de plaats komende regeling. Afwijkingsbepaling Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van de norm en de parkeerkencijfers die gehanteerd worden voor het parkeren of stallen van auto's, fietsen, bromfietsen en voor het laden en lossen van goederen, indien: • op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte wordt voorzien; • nadere besluitvorming ten aanzien van het parkeerbeleid en/of parkeernormen aanleiding geeft om af te wijken van de in het CROW (2018) opgenomen parkeernormen; • het voldoen aan de parkeernormen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit.
15