CConstaterende dateemnes
Koppel je AI →
Document · PDF

4. Tekst APV Eemnes 2023 (zonder markeringen)

Commissie BSM 17 april 2023, gemeente eemnesBij agendapunt: Algemene plaatselijke verordening Eemnes 202320.108 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Algemene plaatselijke verordening Eemnes 2023 Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: 

bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;

bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de gemeentelijke Bouwverordening;

bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;

college: het college van burgemeester en wethouders;

gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet;

handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;

motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;

openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties;

parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;

vaartuigen: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, alsmede woonschepen, glijboten en ponten, gebruikt of geschikt om te worden gebruikt als middel van vervoer te water;

voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen;

weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 1.2 Beslistermijn 1.

Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

2.

Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verlengen.

3.

In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing als beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2.11, 2.12 of artikel 4.11.

Artikel 1.3 (Vervallen)

Artikel 1.4 Voorschriften en beperkingen 1.

Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

2.

Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Artikel 1.5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.

Artikel 1.6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a.

ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

b.

op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

c.

de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

d.

van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of

e.

de houder dit verzoekt.

Artikel 1.7 Termijnen De vergunning of ontheffing geldt voor een periode van maximaal 5 jaar, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

Artikel 1.8 Weigeringsgronden 1.

2.

Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a.

de openbare orde;

b.

de openbare veiligheid;

c.

de volksgezondheid;

d.

de bescherming van het milieu.

Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

3.

Een vergunning voor een evenement als bedoeld in artikel 2.25 kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie maanden voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Artikel 1.9 Toepasselijkheid Lex Silencio Positivo Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing voor de volgende artikelen in deze verordening: 

Artikel 2.9 Vertoningen op openbare plaatsen;

Artikel 2.10 Vergunning voor het plaatsen van voorwerpen op of aan een openbare plaats in strijd met de publieke functie van de openbare plaats*;

Artikel 2.11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg*;

Artikel 2.12 Maken, veranderen van een uitweg*;

Artikel 4.11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden*;

Artikel 5.7 Parkeren van reclamevoertuigen*;

Artikel 5.8 Parkeren van grote voertuigen*;

Artikel 5.13 Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving;

Artikel 5.16 Vrijheid van meningsuiting.

Artikel 1.10 Lex Silencio Positivo niet van toepassing Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de volgende artikelen in deze verordening: 

Artikel 2.1 Samenscholing en ongeregeldheden;

Artikel 2.25 Evenement;

Artikel 2.28 Exploitatie openbare inrichting;

Artikel 2.29 Sluitingstijd;

Artikel 2.39 Speelgelegenheden;

Artikel 2.41 Betreden gesloten woning of lokaal;

Artikel 2.45 Betreden van plantsoenen en dergelijke;

Artikel 2.60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren;

Artikel 2.63 Duiven;

Artikel 2.64 Bijen;

Artikel 2.67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister;

Artikel 2.72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen;

Artikel 2.73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling;

Artikel 2.78 Gebiedsontzeggingen;

Artikel 2.81 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat;

Artikel 3.3 Seksinrichtingen;

Artikel 4.6 Geluidhinder*;

Artikel 4.6B Overige geluidhinder*;

Artikel 4.18 Bestrijding van boomziekten*;

Artikel 4.25 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen*;

Artikel 5.2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke*;

Artikel 5.3 Te koop aanbieden van voertuigen*;

Artikel 5.6 Kampeermiddelen en andere voertuigen*;

Artikel 5.11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen*;

Artikel 5.18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden*;

Artikel 5.33 Beperking verkeer in natuurgebieden*;

Artikel 5.34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken;

Artikel 5.36 Verbod carbid te schieten;

Artikel 5.39 Verboden plaatsen.

Hoofdstuk 2 Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu Afdeling 1 Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden Artikel 2.1 Samenscholing en ongeregeldheden 1.

Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.

2.

Degene die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie, een gemeentelijke buitengewoon opsporingsambtenaar of toezichthouder van de gemeente zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

3.

Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet.

4.

De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid.

5.

Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

Artikel 2.2 Optochten [Gereserveerd]

Artikel 2.3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1.

Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.

2.

De kennisgeving bevat: a.

naam en adres van degene die de betoging houdt;

b.

het doel van de betoging;

c.

de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

d.

de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;

e.

voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;

f.

maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

3.

Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.

4.

Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag.

5.

De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.

Artikel 2.4 Afwijking termijn (Vervallen; opgenomen in artikel 2.3)

Artikel 2.5 Te verstrekken gegevens (Vervallen; opgenomen in artikel 2.3)

Artikel 2.6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen (Vervallen)

Artikel 2.7 Feest, muziek en wedstrijd e.d. [Gereserveerd]

Artikel 2.8 Dienstverlening [Gereserveerd]

Artikel 2.9 Vertoningen op openbare plaatsen 1.

Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu aangewezen openbare plaatsen.

2.

De burgemeester kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

3.

De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.

4.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Afdeling 2 Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Artikel 2.10 Vergunning voor het plaatsen van voorwerpen op of aan een openbare plaats in strijd met de publieke functie van de openbare plaats* 1.

Het is verboden zonder voorafgaande vergunning van het bevoegde bestuursorgaan de weg, een weggedeelte of een andere openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

2.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8, kan een vergunning worden geweigerd: a.

als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats;

b.

als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

c.

in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak.

3.

De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 2.10A Afbakeningsbepalingen en uitzonderingen* 1.

Het verbod in het eerste lid van het vorige artikel is niet van toepassing op: a.

evenementen als bedoeld in artikel 2.24;

b.

standplaatsen als bedoeld in artikel 5.17;

c.

voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard;

d.

situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de provinciale omgevingsverordening.

2.

De weigeringsgrond van het tweede lid, onder a, van het vorige artikel is niet van toepassing als in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.

3.

De weigeringsgrond van het tweede lid, onder b, van het vorige artikel is niet van toepassing op bouwwerken.

4.

De weigeringsgrond van het tweede lid, onder c, van het vorige artikel is niet van toepassing als in de voorkoming van overlast wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 2.10B Vrij te stellen categorieën* 1.

Het verbod in het eerste lid van artikel 2.10 is niet van toepassing op: a.

vlaggen, wimpels of vlaggenstokken;

b.

zonneschermen;

c.

voorwerpen of stoffen die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan;

d.

uitstallingen bij winkels;

e.

voorwerpen die nodig zijn voor de inrichting van een werkterrein mits deze voorafgaand aan de plaatsing worden aangemeld bij het college;

f. 2. 3.

nader door het college aan te wijzen voorwerpen.

Het college kan voor de voorwerpen als bedoeld in het eerste lid regels stellen. Het college kan de plaatsing van de voorwerpen als bedoeld in het eerste lid, onder e, verbieden in het kader van het voorkomen of verminderen van overlast voor weggebruikers of omwonenden en in het kader van de verkeersveiligheid.

Artikel 2.11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg* 1.

Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering aan te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

2.

De vergunning wordt verleend: a.

als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit;

b. 3.

door het college in de overige gevallen.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 onder weg verstaat, alsmede alle niet openbare ontsluitingswegen van gebouwen.

4.

Het verbod is niet van toepassing als de werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam worden verricht.

5.

Het verbod is ook niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur, de provinciale omgevingsverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde AVOI.

6.

Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2.12 Maken, veranderen van een uitweg* 1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

2.

In afwijking van het bepaalde in artikel 1.8 wordt de vergunning slechts geweigerd: a.

ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;

b.

als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

c.

als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast;

d.

als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen; of

e.

als de uitweg niet voldoet aan de door het college op grond van het derde lid gestelde nadere regels met betrekking tot de afmetingen, de ligging en het materiaalgebruik van uitwegen.

3.

Het college kan met het oog op onder meer de belangen van verkeersveiligheid en doelmatig wegonderhoud nadere regels stellen met betrekking tot de afmetingen, de ligging en het materiaalgebruik van uitwegen.

4.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 2.13 Veroorzaken van gladheid [Gereserveerd]

Artikel 2.14 (Vervallen)

Artikel 2.15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp* Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.

Artikel 2.16 Openen straatkolken e.d. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 2.17 Kelderingangen e.d. (Vervallen)

Artikel 2.18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1.

Het is verboden te roken in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende de periode van 1 maart tot 1 november.

2.

Het rookverbod geldt niet gedurende fase 1 volgens het droogte-indicatiesysteem voor natuurbrandgevaren. Het droogte-indicatiesysteem is te vinden op de website www.natuurbrandrisico.nl.

3.

Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

4.

Het in het eerste en derde lid gestelde verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.

5.

Het in het eerste lid gestelde verbod is ook niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.

Artikel 2.19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp 1.

Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg.

2.

Het verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht.

3.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.

4.

Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2.19A Messen en andere voorwerpen als steekwapen 1.

Het is verboden op door de burgemeester aangewezen openbare plaatsen, met inbegrip van daarin gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en de daarbij behorende erven, messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben.

2.

Dit verbod geldt niet voor wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie en evenmin voor andere voorwerpen, die als steekwapen kunnen worden gebruikt, mits deze voorwerpen zodanig zijn ingepakt, dat zij niet geschikt zijn voor onmiddellijk gebruik.

Artikel 2.20 Vallende voorwerpen Het is verboden aan een weg of enig deel van een bouwwerk een voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen vallen op de weg.

Artikel 2.21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting*

1.

De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

2.

Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid zijn besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht.

Artikel 2.22 Objecten onder hoogspanningslijn [Gereserveerd]

Artikel 2.23 Veiligheid op het ijs* 1.

Het is verboden: a.

voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;

b.

bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.

2.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.

Afdeling 3 Evenementen Artikel 2.24 Definities 1.

In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a.

Bioscoop- en theatervoorstellingen, voor zover deze worden gehouden in gebouwen of op terreinen die daarvoor zijn bestemd of overwegend worden gebruikt;

b.

markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5.22;

c.

kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

d.

het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;

e.

betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

f.

activiteiten als bedoeld in artikel 2.9 en 2.39;

g.

sportwedstrijden in daartoe bestemde gebouwen en/of op daartoe bestemde terreinen, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f.

2.

3.

Onder evenement wordt mede verstaan: a.

een herdenkingsplechtigheid;

b.

een braderie;

c.

een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.3;

d.

een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;

e.

een straatfeest of buurtbarbecue;

f.

een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s.

Onder klein evenement wordt verstaan een eendaags evenement waarbij: a.

het aantal gelijktijdig aanwezigen niet meer bedraagt dan 100 personen;

b.

het evenement plaatsvindt tussen 08.00 uur en 01.00 uur;

c.

geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 08.00 uur en na 23.00 uur en op zondag niet voor 13.00 uur en niet tijdens kerkdiensten;

d.

het evenement geen (geluids-) overlast oplevert voor omwonenden;

e.

het evenement niet plaatsvindt op doorgaande wegen en busroutes en geen belemmering vormt voor de hulpdiensten.

Artikel 2.25 Evenement 1.

Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

2.

Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2.1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.

3.

Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als: a.

er een organisator is;

b.

de organisator ten minste 10 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester;

c.

de organisator ten minste 10 werkdagen voorafgaand aan het evenement de omwonenden heeft geïnformeerd; en

d.

het evenement niet plaatsvindt op een locatie waarvoor reeds een evenementenvergunning is verleend.

4.

Het college kan nadere regels geven voor een evenement als bedoeld in het derde lid.

5.

Geen vergunning is vereist voor het houden van een optocht wanneer de optocht voldoet aan de regels die door het college worden gesteld en wanneer de optocht 10 dagen voor aanvang bij de burgemeester is gemeld.

6.

De burgemeester kan binnen 5 dagen na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het derde lid of het vijfde lid te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

7.

Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto artikel 148 van de Wegenverkeerswet 1994.

8.

Het derde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2.24, tweede lid, onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s.

9.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2.24, tweede lid, onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

10. Een vergunning voor een evenement dient minimaal 12 weken voor aanvang van het evenement te worden aangevraagd bij de burgemeester. 11. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.26 Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.

Afdeling 4 Toezicht op openbare inrichtingen Artikel 2.27 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: 

openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden verstrekt of bereid. Onder een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis. Onder openbare inrichting wordt tevens verstaan een bij deze inrichting behorend terras en andere aanhorigheden;

terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, direct grenzend aan de voor publiek toegankelijke besloten ruimte van de openbare inrichting.

Artikel 2.28 Exploitatie openbare inrichting

1.

Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

2.

De burgemeester weigert de vergunning als exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit, tenzij en voor zover voor de exploitatie van de openbare inrichting bij een omgevingsvergunning van het bestemmingsplan, de beheersverordening, het exploitatieplan of het voorbereidingsbesluit is afgeweken.

3.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting, of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

4.

Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk waar de openbare inrichting is gelegen, de aard van de openbare inrichting en de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de openbare inrichting.

5.

Voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in het eerste lid, mag de houder niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn.

6.

De burgemeester beslist in geval van een vergunningaanvraag die ook betrekking heeft op een of meer bij de openbare inrichting behorende terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden, over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras.

7.

Onverminderd het gestelde in het derde en vierde lid kan de burgemeester de in het zesde lid bedoelde ingebruikgeving van die weg ten behoeve van een of meer bij de openbare inrichting behorende terrassen weigeren als: a.

het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;

b.

dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.

8.

Het bepaalde in het zesde en zevende lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of de provinciale omgevingsverordening.

9.

Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a.

winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;

b.

zorginstelling;

c.

museum; of

d.

bedrijfskantine of –restaurant.

10. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.29 Sluitingstijd

1.

Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 uur en 07.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 02.00 uur en 07.00 uur.

2.

Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd.

3. 4.

De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd. De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijk horecabedrijf of een daartoe behorend terras.

5.

Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2.28, negende lid, onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.

6.

Het eerste, het derde en het vierde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien.

7.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1.

De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing in die situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

Artikel 2.31 Verboden gedragingen 1. Het is verboden in een openbare inrichting: a.

de orde te verstoren;

b.

zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2.30, eerste lid.

2. Het verbod onder b. geldt niet voor het personeel van de openbare inrichting.

Artikel 2.32 Handel binnen openbare inrichtingen De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.

Artikel 2.33 Het college als bevoegd bestuursorgaan

Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2.28 tot en met 2.30 op als bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 2.34 [Gereserveerd]

Afdeling 5 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel 2.35 Definitie In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.

Artikel 2.36 Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.

Artikel 2.37 Nachtregister [Gereserveerd]

Artikel 2.38 Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.

Afdeling 6 Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2.39 Speelgelegenheden 1.

In dit artikel wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.

2.

Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op:

a.

speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend;

b.

speelgelegenheden waarvoor de raad van bestuur van de kansspelautoriteit bevoegd is vergunning te verlenen; en

c.

speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten.

3.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 weigert de burgemeester de vergunning als: a.

naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of

b. 4.

de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan.

Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.40 Speelautomaten 1.

In dit artikel wordt verstaan onder: a.

Wet: de Wet op de kansspelen;

b.

kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c. van de Wet;

c.

hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet;

d.

laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet.

2.

In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan.

3.

In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.

Afdeling 7 Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade Artikel 2.41 Betreden gesloten woning of lokaal 1.

Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

2.

Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

3.

Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.

4.

De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid bedoelde verboden ontheffing te verlenen.

Artikel 2.42 Plakken en kladden 1.

Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

2.

Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a.

een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

b.

met kalk, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

3.

Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

4.

Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

5.

Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

6.

Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.

7.

De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

Artikel 2.43 Vervoer plakgereedschap e.d. 1.

Het is verboden tussen 22.00 en 06.00 uur op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap.

2.

Dit verbod is niet van toepassing, als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2.42.

Artikel 2.44 Vervoer inbrekerswerktuigen 1.

Het is verboden op een openbare plaats te vervoeren of bij zich te hebben lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp of middel dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

2.

Het verbod is niet van toepassing als de genoemde gereedschappen, voorwerpen of middelen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor de in het eerste lid bedoelde handelingen.

Artikel 2.45 Betreden van plantsoenen en dergelijke Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zonder ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden.

Artikel 2.46 Rijden over bermen en dergelijke 1.

Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist.

2.

Dit verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de provinciale omgevingsverordening

Artikel 2.47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1.

Het is verboden op een openbare plaats: a.

te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

b.

zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt.

2.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2.48 Hinderlijk gebruik van drank 1.

Het is voor personen die de leeftijd van 18 jaren hebben bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

2.

Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: a.

een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;

b.

de plaats niet zijnde een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet;

c.

openbare plaatsen waar een klein evenement als bedoeld in artikel 2.25 plaats vindt.

Artikel 2.48A Lachgasverbod (Vervallen)

Artikel 2.49 Verboden gedrag bij of in gebouwen 1.

2.

Het is verboden zonder redelijk doel: a.

zich in een portiek of poort op te houden;

b.

in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.

Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.

Artikel 2.50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan portalen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.

Artikel 2.50A Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties (Vervallen)

Artikel 2.51 Neerzetten van fietsen of bromfietsen Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang versperd wordt.

Artikel 2.52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke Het is verboden zich op door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.

Artikel 2.53 Bespieden van personen (Vervallen)

Artikel 2.54 Bewakingsapparatuur [Gereserveerd]

Artikel 2.55 Nodeloos alarmeren [Gereserveerd]

Artikel 2.56 Alarminstallaties [Gereserveerd]

Artikel 2.57 Loslopende honden 1.

Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a.

op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

b. c.

binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd; buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd; of

d.

op een openbare plaats als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

2.

Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

3.

Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

Artikel 2.58 Verontreiniging door honden 1.

Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.

2.

De eigenaar of houder van een hond is verplicht om ter voldoening aan het bepaalde in het eerste lid, op eerste vordering van een ambtenaar belast met de zorg voor de naleving van het in dit artikel bepaalde, aan te tonen dat hij bij het uitlaten van de hond deugdelijke hulpmiddelen bij zich draagt ter verwijdering van de uitwerpselen van de hond.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.

4.

Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

Artikel 2.58A Verontreiniging door paarden en/of pony’s

1.

Degene die zich met een paard of pony op een openbare plaats binnen de bebouwde kom begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van dat paard en/of pony binnen 3 uur worden verwijderd, en buiten de bebouwde kom op verharde wegen en voetpaden binnen 6 uur worden verwijderd.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

Artikel 2.59 Gevaarlijke honden 1.

Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

2.

De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.

3.

De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die: a.

vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;

b.

door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en

c.

zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

4.

Onverminderd artikel 2.57, eerste lid, aanhef en onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

Artikel 2.59A Gevaarlijke honden op eigen terrein 1.

Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2.59, eerste lid, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk.

2.

Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als: a.

op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht;

b.

het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en

c.

het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.

Artikel 2.60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren 1.

Het is verboden op door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: a.

aanwezig te hebben;

b.

aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels;

2.

c.

aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven; of

d.

te voeren.

Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats ontheffing verlenen van een of meer verboden als bedoeld in het eerste lid.

3.

.

Artikel 2.61 Wilde dieren [Gereserveerd]

Artikel 2.62 Loslopend vee of pluimvee De rechthebbende op vee of pluimvee dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee of pluimvee die weg niet kan bereiken.

Artikel 2.63 Duiven 1.

De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die duiven niet kunnen uitvliegen tussen 8.00 uur en 18.00 uur in een door het college te bepalen tijdvak dat ligt tussen 1 maart en 1 juni.

2.

Het college kan ontheffing verlenen van het gebod.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 2.64 Bijen 1.

Het is verboden bijen te houden: a.

binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere gebouwen waarin overdag mensen verblijven;

b.

binnen een afstand van dertig meter van de weg.

2.

Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing als op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen.

3.

Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid.

4.

Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de provinciale omgevingsverordening.

5.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

Artikel 2.65 Bedelarij Het is verboden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken in door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast aangewezen gebieden.

Artikel 2.65A Bestrijding invasieve plantensoorten* 1.

Het college kan de rechthebbende op gronden verplichten deze te zuiveren van invasieve plantensoorten als deze hinder en/of een gevaar kunnen vormen voor personen of hinder en/of een gevaar kunnen vormen voor flora, fauna, de landbouw en/of vee op naastgelegen gronden of schade kunnen toebrengen aan onroerende zaken.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet Natuurbescherming of een provinciale verordening.

Afdeling 8 Bestrijding van heling van goederen Artikel 2.66 Definitie In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan de handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2.67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 1.

De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en door of namens de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen: a.

het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

b.

de datum van verkoop of overdracht van het goed;

c.

een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed;

d.

de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en

e. 2.

de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.

Artikel 2.68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: a.

de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:

1º dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; 2º van een verandering van de onder a, sub 1º , bedoelde adressen; 3º als hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; 4º dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan. b.

de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;

c.

aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;

d.

een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste veertien dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Artikel 2.69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen [Gereserveerd, is reeds opgenomen in art. 2.68]

Artikel 2.70 Handel in horecabedrijven (Dit artikel is verplaatst naar afdeling 4 (Toezicht op openbare inrichtingen) onder artikel 2.32).

Afdeling 9 Consumentenvuurwerk Artikel 2.71 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: 

consumentenvuurwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Vuurwerkbesluit;

fop- en schertsvuurwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Vuurwerkbesluit.

Artikel 2.72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen

1.

Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder vergunning van het college.

2.

Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van de openbare orde en in het belang van het voorkomen of beperken van overlast.

3.

Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1.

Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.

2.

Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.

3.

Het is verboden binnen een afstand van 20 meter van een rieten dak consumentenvuurwerk te gebruiken.

4.

De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1º, van het Wetboek van Strafrecht.

5.

Het college kan ontheffing verlenen van de verboden onder door hen vast te stellen voorschriften.

6.

Dit artikel is niet van toepassing op fop- en schertsvuurwerk.

Afdeling 10 Drugsoverlast Artikel 2.74 Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Artikel 2.74A Openlijk drugsgebruik Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.

Afdeling 11 Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester Artikel 2.75 Bestuurlijke ophouding

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in artikel 2.1, 2.10A, 2.12, 2.16, 2.19, 2.47, 2.48, 2.49, 2.50, 2.52, 2.73, of 5.34 van deze Algemene plaatselijke verordening groepsgewijs niet naleven.

Artikel 2.76 Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.

Artikel 2.77 Cameratoezicht op openbare plaatsen 1.

De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.

2.

De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van andere nader door de gemeenteraad aan te wijzen openbare plaatsen.

Artikel 2.78 Gebiedsontzeggingen 1.

De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste 120 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.

2.

Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.

3.

Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt.

4.

De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.

Artikel 2.79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet

1.

Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

2.

De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke: a.

geluid- of geurhinder;

b.

hinder van dieren;

c.

hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;

d.

overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; of

e.

intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.

Artikel 2.80 Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen 1.

De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, of voor het publiek openstaande gebouwen en/of de daarbij behorende erven in bepaald gebied, in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten.

2.

Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting ook bekend gemaakt door een schrijven, waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang(en) van het gebouw of het erf.

3.

Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

4.

Het is de rechthebbende op het gebouw en/of het erf, verboden om, nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven.

5.

Het is een ieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend gemaakt is op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als bezoeker te verblijven.

6.

Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet.

Artikel 2.81 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1.

In dit artikel wordt verstaan onder:

a.

exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

b.

beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten;

c.

bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.

2.

De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12634755/2