22100188A01 211223 aanmeldnotitie
Tekst van het document
Rapport 22100188.A01 Aanmeldnotitie m.e.r. – Zandink B.V.
www.SPAWNP.nl
BOUW - MILIEU - RUIMTE
Rapport 22100188.A01 Aanmelnotitie m.e.r. – Zandink B.V.
Datum: 23 december 2021
Zandink B.V. De heer H. Smink Galvanistraat 31 3861NJ NIJKERK h.smink@zandink-zand.nl
IN
Opdrachtgever:
Goedgekeurd: Mevrouw ir. M. Buijsse
Klinkenbergerweg 30a | 6711 MK EDE | 0318 614 383 Vrijlandstraat 33-c | 4337 EA MIDDELBURG | 0118 227 466 Hoenderkamp 20 | 7812 VZ EMMEN | 0591 238 110
DENKKRACHT
Auteur: De heer B.D. Verberne
info@SPAWNP.nl | SPAWNP.nl ISO 9001:2015
| kvk 0909.2661 | btw NL8053.02.530.B01
SPA WNP ingenieurs
22100188.A01
INHOUD 1.
INLEIDING 1.1 Gegevens initiatiefnemer 1.2 Aanleiding 1.3 Situering van de inrichting 1.4 Besluit milieueffectrapportage 1.5 Wat is een m.e.r. beoordelingsplicht? 1.6 Doel en belang aanmeldingsnotitie 1.7 Procedure 1.8 Leeswijzer
2.
KENMERKEN VAN HET PROJECT 2.1 Omvang en het ontwerp van het project 2.2 Cumulatie met andere bestaande projecten projecten 2.3 Gebruik van natuurlijke hulpbronnen 2.4 Productie van afvalstoffen 2.5 Verontreiniging en hinder 2.6 Risico van zware ongevallen en/of rampen 2.7 Risico’s voor de menselijke gezondheid 2.8 Conclusie kenmerken van het project
PAGINA 3 3 3 4 5 6 6 8 8
en/of
8 8 goedgekeurde 9 9 9 9 11 11 12
3.
LOCATIE VAN HET PROJECT 12 3.1 Bestaand en goedgekeurd landgebruik 12 3.2 Relatieve rijkdom aan en aan en beschikbaarheid, kwaliteit en regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen 12 3.3 Opnamevermogen van het natuurlijke milieu 12 3.4 Gebieden waar nu al vaststaat dat normen niet worden gehaald, of waarvan men vermoed dat deze niet worden gehaald 13 3.5 Cultuurhistorie en archeologie 13 3.6 Conclusies locatie van het project 14
4.
SOORT EN KENMERKEN VAN HET POTENTIELE EFFECT 15 4.1 De orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten 15 4.2 De aard van het effect 15 4.3 Grensoverschrijdende karakter van het effect 15 4.4 Intensiteit en complexiteit van het effect 15 4.5 Waarschijnlijkheid van het effect 15 4.6 Aanvang, duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect 15 4.7 Cumulatie van effecten met de effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten 16 4.8 Mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen 16 4.9 Conclusie kenmerken van het potentiële effect 16
5.
CONCLUSIE
16
Pagina 2
SPA WNP ingenieurs
1.
22100188.A01
INLEIDING De inrichting van Zandink B.V. ligt op twee percelen aan de Eemweg 78 en 80 op het industrieterrein “Eembrugge” te Eemnes. Zandink B.V. heeft het voornemen om de bedrijfstijden van de inrichting en activiteiten uit te breiden. Op het terrein worden een loods voor de op- en overslag van afval, een mobiele betonmortelcentrale en kantoorunits gerealiseerd. Incidenteel zal op het terrein puin worden gebroken of ’s nachts schepen worden geladen of gelost. Door Zandink B.V. wordt een vergunning in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) aangevraagd. Voor de aanvraag is een aanmeldnotitie m.e.r. opgesteld. Het doel van deze aanmeldnotitie is het bepalen van de te verwachten effecten van de inrichting in de aan te vragen bedrijfssituatie.
1.1
1.2
Gegevens initiatiefnemer Initiatiefnemer:
Zandink B.V.
KvK-vestigingsnummer:
68406150 Vestigingsnr. 000036851027
Adres:
Eemweg 78, 80, 3755LD Eemnes
Postadres:
Idem
Kadastrale gemeente:
Eemnes
Kadastrale sectie en percelen:
Perceelnrs.: 232, 633, 660
Contactpersoon:
De heer H. Smink
Correspondentieadres:
SPA WNP ingenieurs Mevrouw ir. M. Buijsse Klinkenbergerweg 30a 6711 MK Ede (margot.buijsse@spawnp.nl)
Aanleiding In opdracht van Zandink B.V. is een aanmeldingsnotitie opgesteld. Zandink B.V. is een bedrijf dat zich bezig houdt met zand op- en overslag. In beperkte mate wordt op het terrein ook grind en menggranulaat op- en overgeslagen. Daarnaast wordt op het terrein (gebroken) puin opgeslagen. De aan- en afvoer per schip vindt alleen in de dag periode plaats. Zandink heeft het voornemen om de bedrijfstijden van de inrichting en activiteiten uit te breiden. Op het terrein worden onder andere een opslagloods voor de op- en overslag van afval, een mobiele betonmortelcentrale en kantoorunits gerealiseerd. Incidenteel zal op het terrein puin worden gebroken of worden ’s nachts schepen geladen of gelost. De inrichting valt onder de volgende categorieën van het Besluit Omgevingsrecht: Dit document is eigendom van de opdrachtgever en mag door hem/haar worden gebruikt voor het doel waarvoor het is opgesteld. Niets uit dit document mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of van SPA WNP ingenieurs. Kwaliteit en verbetering van product en proces zijn bij SPA WNP ingenieurs gewaarborgd middels een kwaliteitsmanagementsysteem dat is gecertificeerd volgens NEN-EN-ISO 9001:2015.
Pagina 3
SPA WNP ingenieurs
22100188.A01
Tabel 1: Categorieën Bor Categorie
Activiteiten
28.4 sub a 6º
opslaan afvalstoffen van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 1.000 m3 of meer;
28.10 sub 12º lid b en/of c
het opslaan afvalstoffen van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen, niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen, gescheiden gehouden in stromen die wat betreft aard, samenstelling en concentraties vergelijkbaar zijn, in hoeveelheden van ten hoogste 45 kubieke meter per stroom; het opslaan van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen ten hoogste 45 kubieke meter gemengd bouw- en sloopafval, voor zover geen sprake is van gevaarlijk afval;
28.10 sub 28aº
1.3
het opslaan van ten hoogste 600 kubieke meter groenafval voor zover geen sprake is van gevaarlijke afvalstoffen;
Situering van de inrichting Zandink B.V. is gevestigd aan de Eemweg 78 en 80 te Eemnes en ligt op het (gezoneerde) bedrijventerrein Eembrugge. Een globale ligging van de inrichting ten opzichte van de omgeving is weergegeven in afbeelding 1. Afbeelding 1:
Plattegrond met daarop de bestaande locatie (luchtfoto: pdok).
Pagina 4
SPA WNP ingenieurs
22100188.A01
Op het bedrijventerrein Eembrugge zijn een aantal grootschalige industriële bedrijven gevestigd, deels gekoppeld aan de vaarweg (watergebonden activiteiten). Daarnaast zijn er ook enkele kleinschaliger bedrijven gehuisvest. Enkel bedrijven binnen het plangebied hebben een specifieke maataanduiding gekregen. De locaties van Zandink aan de Eemweg 78 en 80 vallen hier ook onder en hebben “Specifieke vorm van bedrijf – aannemings- en wegenbouwbedrijf” en “Specifieke vorm van bedrijf – afvalinzamel en -scheidingsdepot en groothandel in afvalstoffen” als aanduiding gekregen. Momenteel is de inrichting volgens de volgende vigerende vergunning(en) in bedrijf:
1.4
Datum
Omschrijving
Type
Status
24 apr 1972
Oprichten en in werking hebben betonmortelcentrale
Hinderwet
Aanvraag (niet ontvankelijk)
06 apr 1977
Oprichten en in werking hebben
Hinderwet
Beschikking
13 dec 1994
Veranderen betoncentrale
Wet milieubeheer
Beschikking
30 jun 1997
Oprichten en in werking hebben van zand op- en overslag
Wet milieubeheer
Aanvraag
14 nov 1997
Volgens ref. art. 8.19 uit 1999
Wet milieubeheer
Beschikking
19 nov 1999
Vervangen overslagkraan
Wet milieubeheer
Melding 8.19
16 okt 2002
Verandering (wasplaats)
Wet milieubeheer
Aanvraag
12 jul 2011
Overslag zand (ingetrokken)
Wabo
Aanvraag
16 mei 2012
Primaire grondstoffen verkoop
Activiteitenbesluit
Melding
01 jun 2012
Tijdelijk parkeren vrachtwagen Benegas
Activiteitenbesluit
Melding
17 jun 2016
Keerwanden en gebruik gebouw
Activiteitenbesluit
Melding
Besluit milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Er is sprake van een m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht, wanneer het te realiseren project wordt genoemd in respectievelijk onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. De voorgenomen activiteiten van Zandink B.V. vallen onder de volgende categorie van het Besluit m.e.r.: Categorie
Activiteiten
Gevallen (Drempelwaarde)
D18.1
De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor de verwijdering van afval, anders dan bedoeld onder D18.3, D18.6 of D18.7
In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een installatie met een capaciteit van 50 ton per dag of meer
De genoemde drempelwaarde bij deze activiteit bedraagt 50 ton per dag of meer.
Pagina 5
SPA WNP ingenieurs
22100188.A01
De voorgenomen activiteit overschrijdt de drempelwaarde, zoals genoemd in kolom 2 onderdeel D van de bijlage bij het besluit m.e.r. Omdat de indicatieve drempelwaarde wordt overschreden, wordt het besluit op de aanmeldnotitie openbaar gemaakt voorafgaand aan de wabo procedure. 1.5
Wat is een m.e.r. beoordelingsplicht? Voor activiteiten waarvoor de m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, moet het bevoegd gezag beoordelen of er een milieueffectrapport (m.e.r.) moet worden opgesteld. Deze verplichting is in de Wet milieubeheer (Wm, artikel 7.2 lid 4) omschreven. Omdat de drempelwaarden in categorie D indicatief zijn, staat in het Besluit m.e.r. opgenomen hoe moet worden omgegaan met activiteiten die onder de drempelwaarden van de in onderdeel D vallende activiteiten vallen. Artikel 2 lid 5 bepaalt: Voor zover in de bijlage, onderdeel D, bij een categorie van activiteiten categorieën van gevallen zijn aangegeven, geldt de verplichting tot het toepassen van de artikelen 7.16 tot en met 7.19 en 7.20a van de wet in zodanige gevallen. In artikel 7.16 van de Wet milieubeheer is omschreven dat een mededeling moet worden gedaan aan het bevoegd gezag en wat de indieningsvereisten zijn van die mededeling. In de artikelen 7.17 tot en met 7.19 wordt omschreven hoe het bevoegd gezag op de mededeling beslist en hoe het besluit bekend wordt gemaakt. Artikel 7.28 gaat nader in op de volgordelijkheid tussen de aanmeldnotitie m.e.r. en de aanvraag omgevingsvergunning. In dit artikel ligt vast dat het bevoegd gezag het besluit op de aanmeldnotitie m.e.r. binnen 6 weken moet nemen en dat het besluit moet zijn toegevoegd aan de aanvraag.
Met betrekking tot de indieningsvereisten voor de aanmeldnotitie m.e.r. geldt dat aandacht moet worden besteed aan alle criteria die zijn opgenomen in Bijlage III van de Europese richtlijn2011/92/EU en de wijzigingsrichtlijn 2014/52/EU. Deze zijn uitgewerkt in paragraaf 1.6.
1.6
Doel en belang aanmeldingsnotitie Bij de mededeling aanmeldnotitie m.e.r. wordt een beschrijving van de activiteit verstrekt, met in het bijzonder aandacht voor: 1. een beschrijving van de fysieke kenmerken van de gehele activiteit; 2. een beschrijving van de locatie van de activiteit; 3. een beschrijving, voor zover er informatie over deze gevolgen beschikbaar is, van de waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben ten gevolge van de te verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen en van het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name bodem, land, water en biodiversiteit. Hierbij moet rekening worden gehouden met de in bijlage III van EU-richtlijn m.e.r. genoemde criteria. Deze zijn hieronder weergegeven en in de hoofdstukken 2, 3 en 4 uitgewerkt.
Pagina 6
SPA WNP ingenieurs
22100188.A01
1. Kenmerken van het project De kenmerken van de projecten moeten in aanmerking worden genomen, en met name: a) de omvang en het ontwerp van het gehele project; b) de cumulatie met andere bestaande en/of goedgekeurde projecten; c) het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name land, bodem, water en biodiversiteit; d) de productie van afvalstoffen; e) verontreiniging en hinder; f) het risico van zware ongevallen en/of rampen die relevant zijn voor het project in kwestie, waaronder rampen die worden veroorzaakt door klimaatverandering, in overeenstemming met wetenschappelijke kennis; g) de risico's voor de menselijke gezondheid (bijvoorbeeld als gevolg van waterverontreiniging of luchtvervuiling). 2.
Locatie van het project De kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn, moet in aanmerking worden genomen, en met name: a) het bestaande en goedgekeurde landgebruik; b) de relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid, kwaliteit en regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van bodem, land, water en biodiversiteit) in het gebied en de ondergrond ervan; c) het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: i) wetlands, oeverformaties, riviermondingen; ii) kustgebieden en het mariene milieu; iii) berg- en bosgebieden; iv) natuurreservaten en -parken; v) gebieden die in de nationale wetgeving zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; Natura 2000-gebieden die door de lidstaten zijn aangewezen krachtens Richtlijn 92/43/EEG en Richtlijn 2009/147/EG; vi) gebieden waar de milieukwaliteitsnormen, in de wetgeving van de Unie vastgesteld en relevant voor het project, al niet worden nagekomen of worden beschouwd als niet-nagekomen; vii) gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid; viii) landschappen en plaatsen van historisch, cultureel of archeologisch belang. 3.
Soort en kenmerken van het potentiële effect De waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van projecten moeten, in samenhang met de onder punten 1 en 2 hierboven uiteengezette criteria, in aanmerking worden genomen, met aandacht voor het effect van het project met inachtneming van: a) de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (bijvoorbeeld geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden); b) de aard van het effect; c) het grensoverschrijdend karakter van het effect; d) de intensiteit en de complexiteit van het effect; e) de waarschijnlijkheid van het effect; f) de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect;
Pagina 7
SPA WNP ingenieurs
22100188.A01
g) de cumulatie van effecten met de effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten; h) de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen. 1.7
Procedure Het bevoegd gezag wordt gevormd door de provincie Utrecht. De beoordeling of een milieueffectrapport moet worden gemaakt, vindt plaats nadat het bevoegd gezag de aanmeldingsnotitie heeft ontvangen. De initiatiefnemer maakt met het indienen van de aan-meldingsnotitie aan het bevoegd gezag kenbaar, in hoeverre het opstellen van een milieu-effectrapport naar haar mening, in dit geval noodzakelijk is. De te volgen procedure is geregeld in de Wet milieubeheer, artikelen 7.16 en 7.17.
1.8
Leeswijzer In deze aanmeldnotite m.e.r. worden de kenmerken van de nieuwe activiteiten beschreven in hoofdstuk 2. Hier worden tevens de kenmerken van het potentiële effect op het milieu beschreven. In hoofdstuk 3 wordt de locatie van het project beschreven. Hoofdstuk 4 beschrijft de kenmerken van de potentiële effecten op het milieu. Hoofdstuk 5 sluit af met een conclusie omtrent de noodzaak voor een uitgebreide milieueffectrapportage.
2.
KENMERKEN VAN HET PROJECT
2.1
Omvang en het ontwerp van het project Algemeen De voorgenomen activiteit betreft het uitbreiden van de bedrijfstijden en de inrichting. Op het terrein worden onder andere een opslagloods voor de op- en overslag van afval, een mobiele betonmortelcentrale en kantoorunits gerealiseerd. Incidenteel zal op het terrein puin worden gebroken of worden ’s nachts schepen geladen of gelost. Referentie situatie In de aanmeldingsnotitie wordt het voornemen beoordeeld op doelbereik en milieueffecten. Daartoe worden de (milieu)effecten van de voorgenomen activiteit vergeleken met de situatie waarin dat niet gebeurt. De situatie zonder het voornemen is de referentiesituatie. Deze bestaat uit de huidige situatie plus de autonome ontwikkeling. Onder autonome ontwikkeling wordt de situatie verstaan, die in de toekomst zou ontstaan als een voornemen niet gerealiseerd wordt. In dit geval is de autonome ontwikkeling de situatie zonder de een opslagloods voor de op- en overslag van afval, een mobiele betonmortelcentrale en kantoorunits. Tot de autonome ontwikkeling behoren, behalve de huidige situatie, alle toekomstige ontwikkelingen, die binnen de vigerende omgevingsvergunning en het bestemmingsplan 'Buitenrand 2012’ kunnen plaatsvinden.
Pagina 8
SPA WNP ingenieurs
2.2
22100188.A01
Cumulatie met andere bestaande projecten en/of goedgekeurde projecten Cumulatie met andere projecten in de nabijheid van de inrichting van Zandink is voor zover bekend niet aan de orde. Er zijn geen andere ontwikkelingen of activiteiten in de omgeving, die de milieueffecten vanuit de inrichting beïnvloeden en omgekeerd. Betreffende geluid wordt cumulatie met andere projecten beoordeeld door de zonebeheerder. Het industrieterrein, waarop Zandink B.V. is gevestigd, is immers gezoneerd in het kader van de wet geluidhinder, waardoor de totale geluidbelasting op de zonegrens wordt getoetst bij elke relevante wijziging.
2.3
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Voor het gebruik van natuurlijke hulpbronnen zijn met name land, bodem, water en biodiversiteit relevant. Er is geen sprake van (nieuwe) processen of activiteiten waarbij genoemde natuurlijke hulpbronnen worden gebruikt. Op de bedrijfslocatie ter plekke en in de omgeving daarvan is evenmin sprake van rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen (water, land, bodem en biodiversiteit). Wat betreft dit onderwerp is er geen aanleiding tot het verlangen van een milieueffectrapport.
2.4
Productie van afvalstoffen De productie van afvalstoffen hangt samen met het productieproces. Door een uitbreiding van activiteiten nemen de afvalstoffen toe. Door gescheiden opslag en afvoer kunnen de afvalstoffen extern worden hergebruikt en is het milieueffect beperkt. De afvalstoffen worden zo veel mogelijk gescheiden ingezameld en afgevoerd. Afvoer geschiedt door een erkende inzamelaar. De uitbreiding van activiteiten zorgt tevens voor een toename in de verwerking van afvalstoffen door Zandink. Dit draagt bij aan de reductie/recycling van afvalstoffen waaronder bouwafval en puin.
2.5
Verontreiniging en hinder De voorgenomen activiteit heeft in potentie gevolgen voor verschillende milieuaspecten. Met het oog op de in dit kader bedoelde verontreiniging en hinder zijn de milieuaspecten waar de voorgenomen activiteit gevolgen voor kan hebben, de aspecten bodem, afvalwater, lucht en geluid. Hierna, en in de vergunningsaanvraag, is de invloed van de bodembelasting, emissies van afvalwater, emissies naar de lucht en de geluiduitstraling op de omgeving beschreven. Geluid Ter bepaling van de geluidemissie is in het kader van de aanvraag om revisievergunning een akoestisch onderzoek uitgevoerd (kenmerk 22100036.r01). Uit onderzoek blijkt dat in de representatieve bedrijfssituatie op de maatgevende ontvangerpunten wordt voldaan aan de gehanteerde toetswaarden.
Pagina 9
SPA WNP ingenieurs
22100188.A01
Ook blijkt dat op het merendeel van de toetspunten bij de woningen de berekende geluidniveaus lager zijn dan de waarden berekend door de zonebeheerder. Ten aanzien van maximale geluidniveaus blijkt uit het onderzoek dat in de representatieve bedrijfssituatie wordt voldaan aan de gehanteerde toetswaarden. Omdat Zandink B.V. is gevestigd op een geluidgezoneerd industrieterrein is de indirecte hinder niet verder beoordeeld. Trillingen Binnen de inrichting zijn een aantal potentiële trillingsbronnen aanwezig. Dit zijn vrachtwagens en ander aanwezig zwaar materieel zoals de puinbreker, wiellaadschoppen en kranen. Door de afstand van de werkplekken tot de woningen en omdat er op het terrein wordt gereden met een beperkte rijsnelheid en over een geëgaliseerd terrein, worden er bij woningen van derden geen relevante trillingen verwacht. Geur De activiteiten binnen de inrichting brengen geen geur voort. Naar aanleiding van de voorgenomen plannen tot uitbreiding wordt eveneens geen relevante geuremissie verwacht. Er wordt daarom geen geurhinder voor omwonenden verwacht. Lucht Ten behoeve van de aanvraag Omgevingsvergunning is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd. De conclusie van het onderzoek is dat de bedrijfsactiviteiten niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit. Ten gevolge van diverse activiteiten kunnen binnen de inrichting stofemissies ontstaan.
Er treedt verspreiding van stof op door transport, opslag, overslag en de be- en verwerking van stuifgevoelige stoffen. De emissiebronnen van genoemde componenten zijn vermeld in het luchtkwaliteitsonderzoek bij de aanvraag Omgevingsvergunning. Het voorgaande overziend is er geen aanleiding de effecten van de emissies naar de lucht nader te onderzoeken in het kader van een milieueffectrapport. Bodem(kwaliteit) Het bodemrisico is voor de aanvraag revisievergunning vastgesteld aan de hand van de bodemrisicochecklist (BRCL) van de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB 2012). Uit de bodemrisicoanalyse blijkt dat zodanige combinaties van toereikende voorzieningen en beheermaatregelen worden getroffen, dat sprake is van een verwaarloosbaar bodemrisico.
Pagina 10
SPA WNP ingenieurs
22100188.A01
(Afval)water Binnen de inrichting komen de volgende (afval)waterstromen vrij:
Huishoudelijk afvalwater Deels door bedrijfsactiviteiten verontreinigd regenwater
Verkeer en vervoer Het minimaliseren van het aantal transportkilometers voor eigen vervoer maakt standaard deel uit van de bedrijfsvoering, aangezien transportkilometers een kostenpost zijn voor het bedrijf. Ten opzichte van de referentiesituatie is sprake van een lichte toename in transportbewegingen. De milieubelasting ten gevolge van deze toename is doorgerekend in de technische onderzoeken en is beperkt. Dit leidt niet tot zodanige milieu-effecten dat dit verder moet worden onderzocht in een milieueffectrapport. 2.6
Risico van zware ongevallen en/of rampen De inrichting van Zandink is geen risicovolle inrichting. Binnen de inrichting is een bedrijfsnoodplan, inclusief bodemincidentenplan, en brandpreventieplan aanwezig. Dit plan is reeds in het bezit van het bevoegd gezag. Binnen alle gebouwen geldt een rook- en/of vuurverbod dat is aangegeven door middel van borden. Binnen de inrichting zijn brandbestrijdingsmiddelen, brandmelders en rookmelders aanwezig. Calamiteiten worden voorkomen door frequente voorlichting van het personeel. Er zijn bedrijfshulpverleners opgeleid. Gevaarlijke stoffen binnen de inrichting komen alleen als werkvoorraad voor. Deze worden conform de daarvoor geldende richtlijnen opgeslagen. Uit het bovenstaande volgt dat het aspect externe veiligheid de voorgenomen activiteiten niet belemmert.
2.7
Risico’s voor de menselijke gezondheid De risico’s voor de menselijke gezondheid als gevolg van de voorgenomen activiteit, zijn van beperkte omvang. Zandink betreft als bovenstaand uiteengezet geen risicovolle inrichting. De emissies naar de lucht en van geluid worden tot een niveau beperkt waarbij de gezondheid van omwonenden niet in het geding is. Er worden geen installaties gerealiseerd welke (schadelijke) straling of elektromagnetische velden veroorzaken. De afstand vanaf de inrichtingsgrens tot de dichtstbijzijnde aaneengesloten woonbebouwing is ongeveer 100 meter. Ten opzichte van de bestaande situatie wijzigt dit niet. Bij een ongeval als brand ontstaan naast ‘reguliere’ rookgassen geen (zeer) gevaarlijke verbrandingsproducten die de gezondheid van omwonenden in gevaar brengt. De normale voorzorgmaatregelen (ramen en deuren van woningen dicht) zijn afdoende ter bescherming van de gezondheid.
Pagina 11
SPA WNP ingenieurs
2.8
22100188.A01
Conclusie kenmerken van het project Gelet op alle kenmerken van het project ten opzichte van de referentiesituatie en de uitkomsten van de daarbij verrichte onderzoeken, kan worden uitgesloten dat het verschil tussen de milieueffecten van het nieuwe plan en de milieueffecten van de referentiesituatie belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Wat dat betreft bestaat er geen noodzaak tot het opstellen van een MER.
3.
LOCATIE VAN HET PROJECT
3.1
Bestaand en goedgekeurd landgebruik Zandink B.V. is reeds en blijft gevestigd op de huidige locatie. Het grondgebruik neemt als gevolg van de beoogde wijzigingen niet toe.
3.2
Relatieve rijkdom aan en aan en beschikbaarheid, kwaliteit en regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen Omdat het gehele bedrijventerrein Eembrugge een bestaand, (gezoneerd) bedrijventerrein betreft, is geen sprake van rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen. Dit aspect is in dezen daarom ook niet niet/minder relevant.
3.3
Opnamevermogen van het natuurlijke milieu Vanwege de grote afstand gemeten vanaf de inrichtingsgrens tot het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied (Arkemheen op circa 5,8 kilometer, zie afbeelding 2) kan worden gesteld dat de bedrijfsactiviteiten geen (negatief) effect zullen hebben op de natuurlijke kenmerken, instandhoudingsdoelstellingen van kwalificerende soorten en habitattypen in het bijzonder. Afbeelding 2:
Ligging Zandink B.V. van ten opzichte van omliggende Natura 2000 gebieden.
Pagina 12
SPA WNP ingenieurs
22100188.A01
Ter plaatse van natuurgebieden in de omgeving is de stikstofdepositie als gevolg van de activiteiten van Zandink berekend. Hieruit volgt dat er relevante stikstofdepositie te verwachten is ter plaatse van de Natura 2000 gebieden Oostelijke Vechtplassen, Veluwe en Naardermeer. Met behulp van intern salderen kan hier invulling aan gegeven worden. Er geldt daarom geen verplichting om een Wnb-vergunning aan te vragen. Na controle van de uitgangspunten door het bevoegd gezag kan zogenaamde positieve weigering verleend worden: het weigeren van een aanvraag vanwege het ontbreken van vergunningplicht. Tegen deze weigering staan bezwaar en beroep open, net zoals bij het afgeven van een vergunning het geval is. Bovendien kan gezien de grote afstand van de inrichting tot de Natura 2000 natuurgebieden worden gesteld dat van de bedrijfsactiviteiten verder geen andere (negatieve) effecten zijn te verwachten, zoals verstoring door trillingen, geluid, licht, bodem of grondwater. Daarmee bestaat er geen noodzaak tot het opstellen van een MER. 3.4
Gebieden waar nu al vaststaat dat normen niet worden gehaald, of waarvan men vermoed dat deze niet worden gehaald Zoals aangegeven in §3.3 zijn in de omgeving van het projectgebied relevante gebieden gelegen waarvan de dichtstbijzijnde Arkemheen. Deze gebieden vallen allemaal onder de nationale wetgeving en staan bekend als Natura 2000-gebied.
3.5
Cultuurhistorie en archeologie Met behulp van de waardekaarten van de provincie Utrecht is bepaald dat aan het terrein van de inrichting een culturele waarde wordt toegekend. Het terrein valt in een gebied dat agrarisch cultuurlandschap toegekend heeft gekregen. Afbeelding 3:
Ligging Zandink B.V. in agrarisch cultuurlandschap
Pagina 13
SPA WNP ingenieurs
22100188.A01
Ter plaatse van Zandink is het bestaande gebruik echter industrieel. Ook de aangrenzende percelen zijn industrieel in gebruik. De veranderingen die worden aangevraagd zijn niet zodanig dat het gebruik naar aard en omvang wijzigt op een manier die in een MER nader onderzocht moet worden. Ten aanzien van archeologie is het gebied middels het bestemmingsplan aangemerkt als locatie met archeologische hoge verwachting. De bestemming heeft de waarde Archeologie hoge verwachting” aangewezen gekregen middels een dubbelbestemming (afbeelding 4). Dit heeft tot gevolg dat bij de aanvraag bouwvergunning een archeologisch onderzoeksrapport overlegd moet worden waarin de archeologische waarde van het in voldoende mate is vastgesteld. Het bevoegd gezag verleent de vergunning indien naar hun oordeel uit het KNA conform archeologisch onderzoeksrapport genoegzaam blijkt dat er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad of dat schade door de bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van voorwaarden die aan de bouwvergunning verbonden worden. Afbeelding 4:
Dubbelbestemming Zandink B.V. 'Waarde - Archeologie hoge verwachting'
Gezien de beperkte omvang van de te bouwen hal op een terrein waar de bodem in het verleden eerder verstoord is, heeft de verplichting een archeologisch onderzoek uit te voeren niet zulke verstrekkende gevolgen dat een volledige MER noodzakelijk is. 3.6
Conclusies locatie van het project De realisatie van het project heeft geen negatieve gevolgen voor flora en fauna, de natuurlijke kenmerken van het Natura-2000 gebied(en) en/of invloed op waardevolle structuren of elementen in het gebied. Door het treffen van diverse maatregelen is de invloed van het/de
Pagina 14
SPA WNP ingenieurs
22100188.A01
project/inrichting/activiteiten op de omgeving zeer gering. Het opstellen van een volledig MER is niet noodzakelijk. 4.
SOORT EN KENMERKEN VAN HET POTENTIELE EFFECT
4.1
De orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten De grootste effecten van de beoogde wijziging in bedrijfsvoering van Zandink B.V. zijn te verwachten in de aspecten geluid en lucht. Deze zijn lokaal van aard en kunnen op korte termijn hinder veroorzaken. Voor deze aspecten worden maatregelen getroffen om hinder zoveel mogelijk te voorkomen. Deze maatregelen zijn beschreven in de technische rapporten, welke zijn bijgevoegd bij de aanvraag om revisievergunning.
4.2
De aard van het effect De aard van de effecten worden beschreven in de technische rapporten, welke zijn bijgevoegd bij de aanvraag om revisievergunning
4.3
Grensoverschrijdende karakter van het effect Gezien de ligging van de inrichting en de effectafstanden is geen sprake van een grensoverschrijdend karakter.
4.4
Intensiteit en complexiteit van het effect Voor zover beoordeeld kan worden zijn er geen complexe, onoverzichtelijke effecten te verwachten. De intensiteit en complexiteit van de effecten zijn beperkt en worden voldoende ondervangen door voorschriften op het gebied van onder andere geluid-en luchtemissies te verbinden aan de omgevingsvergunning.
4.5
Waarschijnlijkheid van het effect Het optreden van effecten is zeer waarschijnlijk, maar door de getroffen maatregelen zijn deze marginaal en niet significant.
4.6
Aanvang, duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect Zandink B.V. is voornemens in 2022 te starten met het uitbreiden van de werkzaamheden. Mogelijk onomkeerbare effecten zijn bodemverontreiniging en gebruik van energie en andere hulpstoffen. Hierin wordt bedachtzaam gehandeld. Er wordt voldaan aan de NRB 2012 en met betrekking tot energieverbruik aan de stand der techniek. Afvalstoffen worden gescheiden ingezameld. De effecten van emissies van geluid en emissies naar de lucht en de bodembelasting vanwege de activiteiten zijn alle omkeerbaar, in die zin dat het effect ophoudt zodra de activiteit ophoudt. Er is dus geen sprake van een bijzondere omstandigheid. Met betrekking tot effecten naar bodem zijn er afdoende beperkende maatregelen en voorzieningen te treffen. Deze en
Pagina 15
SPA WNP ingenieurs
22100188.A01
ook de overige effecten zijn de gangbare effecten die aan bod komen in de vergunningaanvraag op grond van de Wabo. 4.7
Cumulatie van effecten met de effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten Geluid van andere bedrijven in de omgeving van Zandink worden gecumuleerd beoordeeld door de zonebeheerder. Het industrieterrein, waarop Zandink is gevestigd, is immers gezoneerd in het kader van de wet geluidhinder, waardoor de totale geluidbelasting op de zonegrens wordt getoetst bij elke relevante wijziging. De geluidbelasting op de zonegrens mag niet meer dan 50 dB(A) bedragen, tenzij er MTG-waarden zijn vastgesteld. Verder zijn op het industrieterrein diverse andere bedrijven, aanwezig. Van deze bedrijven zijn lucht- en geuremissies te verwachten. Echter, gezien de relatief lage verwerkingscapaciteit van Zandink ten opzichte van deze bedrijven, wordt niet verwacht dat deze activiteiten in de omgeving elkaar zodanig beïnvloeden dat er sprake kan zijn van een cumulerend milieueffect.
4.8
Mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen Om geluidoverlast in de omgeving te minimaliseren is een geluidswering aanwezig in de vorm van onder andere een muur aanwezig. Het nog te bouwen bedrijfsgebouw voorziet in voldoende afscherming van geluidbronnen.
4.9
Conclusie kenmerken van het potentiële effect Uit de hiervoor genoemde kenmerken en effecten, waaronder de diverse genoemde onderzoeken, die inmiddels voor de aanvraag om revisievergunning zijn uitgevoerd, in het kader van het bestemmingsplan, kan geconcludeerd worden dat er als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen geen effecten zijn, die belangrijke nadelige gevolgen op de omgeving hebben.
5.
CONCLUSIE Op basis van voorgaande informatie stelt Zandink B.V. dat het opstellen van een milieueffectrapportage voor de voorgenomen activiteiten niet nodig is. De effecten voor het milieu zijn in deze aanmeldingsnotitie inzichtelijk gemaakt en zijn in de aanvraag voor de Omgevingsvergunning verder toegelicht. In het onderhavige geval is naar opvatting van de initiatiefnemer geen sprake van bijzondere omstandigheden. De voorgenomen activiteit heeft door het treffen van maatregelen geen belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu. Op onderdelen is er zelfs sprake van een positief milieueffect, doordat invulling wordt gegeven aan het afvalstoffenbeleid op nationaal niveau.
SPA WNP ingenieurs
Pagina 16