Vraag en antwoord raadsplein 18 december 2025-Verordening Jeugdhulp gemeente Edam-Volendam 2026
Tekst van het document
Vraag en antwoord raadsplein 18 december 2025 Verordening jeugdhulp gemeente Edam-Volendam 2026 Datum vraag
Fractie(s)
Vraag en antwoord
15-122025
GroenLinks PvdA
Over het raadsvoorstel Vraag 1. Waar gingen de recente bezwaar- en beroepszaken die worden genoemd precies over? Graag meer toelichting dan in het raadsvoorstel. Antwoord 1: Drie recente bezwaar-/ beroepszaken gingen over de vraag in hoeverre ouders zelf verantwoordelijk zijn voor de zorg en ondersteuning van hun kinderen, binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen. Het laat zien waarom de nieuwe verordening, met concreter kader, nodig is om ouders/verzorgers en de gemeente duidelijkheid te geven over de grenzen van eigen verantwoordelijkheid en de inzet van gemeentelijke jeugdhulp. In twee zaken betrof het standpunt van ouders dat zij meer zorg boden dan gebruikelijk van ouders wordt gevraagd, rekening houdend met de ontwikkelingsfase en ondersteuningsbehoeften van kinderen in dezelfde leeftijdscategorie. Volgens de Jeugdwet zijn ouders in beginsel zelf verantwoordelijk voor de zorg en ondersteuning van hun kinderen. De wet spreekt ook niet over gebruikelijke of bovengebruikelijke hulp, maar over eigen kracht van ouders en het zelf-probleemoplossend vermogen. Wanneer hulp op eigen kracht kan worden georganiseerd, is op grond van de Jeugdwet geen voorziening nodig. In de twee zaken was sprake van voldoende eigen kracht en een toereikend zelf oplossend vermogen bij ouders. Deze besluiten waren gebaseerd op de nadere regels in de huidige verordening.
Echter vormden deze op zichzelf geen officiële grondslag. Alleen het kader in de Verordening geeft een wettelijke basis voor besluiten. De oude Verordening schoot dus tekort in concrete kaders. Met de nieuwe Verordening kunnen we als gemeenten een toekenning of afwijzing beter verantwoorden.
De derde zaak ging over een verzoek van ouders om een aanvullende dag invulling met activiteiten voor hun kind thuis te bieden. Er liepen al twee jeugdhulpvoorzieningen gericht op opvang en opdoen van sociale contacten en het kind volgde meerdere activiteiten via algemene voorzieningen. In dit soort gevallen wil je een kader waarmee aan ouders is uit te leggen dat – ook bij een kind met een hogere zorgbehoefte – ook een ouderlijke verantwoordelijkheid geldt om het kind te bieden wat nodig is passend bij diens ontwikkeling. Vraag 2. In hoeveel gevallen maakten ouders in Edam-Volendam bezwaar omdat zij het niet eens waren met de beoordeling van hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen? Antwoord 2: In de praktijk komt het relatief weinig voor dat ouders formeel bezwaar maken tegen de beoordeling van hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen, het afgelopen jaar ging het er om 3. Veelal wordt in overleg met ouders/verzorger gekomen tot een passend voorstel. Hierbij wordt gezamenlijk gekeken naar wat ouders en het netwerk zelf kunnen bieden en waar aanvullende jeugdhulp nodig is. In deze gevallen wordt doorgaans overeenstemming bereikt nog voordat het besluit per beschikking aan ouders en jeugdige wordt gecommuniceerd, waardoor een bezwaarprocedure niet nodig is.
De bezwaren die wel worden ingediend, doen zich met name voor in specifieke situaties, zoals bij aanvragen voor een persoonsgebonden budget (pgb) voor informele hulp van ouders aan hun kinderen zelf, en bij de beoordeling van boven gebruikelijke hulp. In deze gevallen blijft het soms lastig om te bepalen wat binnen de kaders van de Jeugdwet en de VNG-richtlijnen als passend kan worden beschouwd. Hieraan wordt gewerkt. Over artikel 4.6 Vraag 3. Hoe bepaalt het college op een duidelijke en eerlijke manier wat de eigen mogelijkheden van een gezin zijn?
Antwoord 3: Bij het bepalen van de eigen mogelijkheden van een gezin staat altijd voorop wat voor dat gezin haalbaar en passend is. Het college onderzoekt zorgvuldig of en in welke mate aanvullende ondersteuning nodig is. Wanneer uit dit onderzoek blijkt dat hulp noodzakelijk is, wordt deze ook ingezet. De beoordeling vindt plaats door jeugdconsulenten die in gesprek gaan met het gezin, onder andere tijdens huisbezoeken. Samen met het gezin wordt dan in kaart gebracht wat het gezin zelf kan, welke ondersteuning het netwerk eventueel kan bieden en waar de grenzen liggen. Dit wordt uitgevraagd op verschillende levensdomeinen, door ouders te vragen naar voorbeelden, en wordt vastgelegd in een Perspectiefplan. In dit plan wordt vastgelegd wat naar aard en omvang nodig is, om de situatie naar het gewenste resultaat te brengen. Deze doelen richten zich op alle leden van het gezin. Daarbij wordt expliciet gekeken naar de balans tussen draagkracht en draaglast. Op basis van deze gezamenlijke verkenning wordt vastgesteld of ondersteuning door het gezin zelf of het netwerk kan worden opgevangen, of dat jeugdhulp nodig is. Om extra te borgen dat dit proces zorgvuldig verloopt, vindt aansluitend een aanvullende toets plaats door onze kwaliteitsmedewerker en gedragsmedewerker. In gevallen dat twijfel bestaat over de draagkracht van ouders t.b.v.
individuele factoren, wordt gevraagd naar een onderbouwing van klachten en wordt naast het bieden van jeugdhulp bijvoorbeeld ook ingezet op hulp van de Wmo (huishoudelijke ondersteuning t.b.v. ontlasten in taken en ruimte voor bieden noodzakelijke zorg aan kinderen) of vanuit de Zvw (volwassen GGZ). Ook kan voor de beoordeling van de genoodzaakte zorgintensiteit aan jeugdige een onafhankelijk advies worden ingewonnen. Vraag 4. Hoe kijkt het college naar wat het sociale netwerk kan doen, zonder dat ouders of naasten onder druk worden gezet om meer te doen dan haalbaar is? Antwoord 4: Bij het betrekken van het sociale netwerk geldt dezelfde werkwijze zoals bij vraag 3 omschreven. Het gaat om
een zorgvuldig proces waarin het gezin actief wordt meegenomen en in gezamenlijkheid wordt onderzocht welke ondersteuning door het gezin zelf of het sociale netwerk kan worden geboden. Zonder dat dit systeem overbelast of ontwricht raakt. Ouders moeten ouders kunnen blijven, evenals familie of netwerk deze rol moet kunnen blijven vervullen. Jeugdhulp kan bijvoorbeeld ook worden ingezet om de draagkracht van betrokkenen te vergroten, zodat zij met de juiste tools betrokken kunnen blijven waar gewenst. In gesprekken met de jeugdconsulent wordt gekeken naar wat passend en verantwoord is, rekening houdend met de haalbaarheid voor ouders/verzorgers en het netwerk. Soms betekent dat juist ook dat aanvullende jeugdhulp noodzakelijk is. Vraag 5. Hoe wordt gegarandeerd dat een beroep op “eigen mogelijkheden” nooit ten koste gaat van de veiligheid, ontwikkeling of het welzijn van het kind? Antwoord 5: De veiligheid, ontwikkeling en het welzijn van het kind staan voorop. Binnen het onderzoek wordt in kaart gebracht wat de problemen zijn, welke ervaren belemmeringen dat oplevert en wat er naar omvang nodig is om tot een weer gewenste situatie te komen. Van daaruit wordt bepaald, wie, wat daarin kan bieden. Waar er naar aard van de problematiek, specialistische hulp nodig is, zal dit altijd worden ingezet. Vraag 6.
Waarop zijn de criteria rondom overbelasting in artikel 4.6.5 op gebaseerd? Antwoord 6: De criteria rondom overbelasting in artikel 4.5.6 zijn gebaseerd op landelijke uitgangspunten en helpen om de volledige situatie van het gezin in kaart te brengen. Op basis van deze criteria wordt zorgvuldig afgewogen wat redelijkerwijs van ouders mag worden verwacht en in welke gevallen aanvullende hulp nodig is. Toch is de beoordeling van overbelasting altijd maatwerk. Ieder individu draagt zijn lasten (fysiek, mentaal) anders. Tijdens het onderzoek is dit altijd onderwerp van gesprek en wordt met elkaar bepaald wat er in zijn geheel
nodig is, om uiteindelijk weer zelf/met elkaar verder te kunnen. Vraag 7. Welke gevolgen verwacht het college voor het welzijn van het gezin wanneer ouders hun betaalde arbeid moeten verminderen om overbelasting te verhelpen? Antwoord 7: Het welzijn van het gezin staat altijd voorop. Wanneer onderzocht wordt of ouders/verzorgers hun betaalde arbeid moeten verminderen om overbelasting te verhelpen, gebeurt dit in overleg met het gezin. Financiële draagkracht is ook altijd onderdeel van de afweging eigen (draag)kracht v.s. draaglast. Naast financieel belang, zijn er ook andere belangen (mentaal, sociaal) die maken dat blijven werken voor ouders de draagkracht op niveau houdt. Dit alles wordt in samenhang bekeken en besproken. 11-122025
BVNL
In artikel 3.2 in de Verordening Jeugdhulp over de toegang tot jeugdhulp van de gemeente tussen de aanvraag en besluit/beschikking tien weken zit. In geval van psychische problemen kan tien weken echter heel cru gezegd het verschil betekenen tussen leven en dood. We lezen ook dat er bij een crisissituatie de hulp al mag starten voor het besluit. Vraag 1: Kunnen we in geval van ernstige psychische problemen bij kinderen niet altijd gewoon direct hulp inzetten nog voor het besluit is genomen? Antwoord 1: Laten we vooropstellen dat wanneer er sprake is van ernstige psychische problemen en er zorg bestaat over suïcidale gedachten, er altijd een crisissituatie geldt. In dergelijke gevallen beoordeelt het regionale crisisteam welke interventies en zorg er direct en op de korte termijn moeten worden ingezet. De hulp start dan direct, dus voordat een beschikking is afgegeven door het Team Jeugd van het Breed Sociaal Loket. Daarnaast is het goed om te benoemen dat de termijn van tien weken tussen aanvraag en besluit/beschikking
met name bedoeld is ter rechtsbescherming. Indien de gemeente niet binnen deze termijn handelt, behouden ouders zich het recht de gemeente hiervoor in gebreke te stellen. Ons Team Jeugd van het Breed Sociaal Loket streeft ernaar zo goed als mogelijk binnen deze termijn te handelen. De front-office maakt daarbij aan de voorkant continu een inschatting van de ernst en complexiteit van de casussen en beheert op deze manier de wachtlijst. Bij complexe (maar geen acute) problematiek kan er - indien nodig - gekozen worden om overbruggingszorg in te zetten waarna later de jeugdconsulenten dan op de lijn komen. - In artikel 6.3 van de Verordening Jeugdhulp over de regels bij het stopzetten of aanpassen van jeugdhulp staat: De gemeente controleert soms of hulp nog nodig is en De gemeente kijkt af en toe of de hulp die is gegeven nog past bij de situatie van de jongeren. Dit komt ook terug in artikel 7.1 aangaande de controle op de juiste en goede inzet van jeugdhulp, in artikel 7.4 aangaande fraude en tot slot bij de evaluatie. Ook hierin staat te lezen dat de gemeente regelmatig controleert hoe de hulp wordt gebruikt en regelmatig moet evalueren of het beleid goed werkt. De termen soms, af en toe en regelmatig zijn wel heel vrijblijvend.
Vraag 2: Kunnen we deze termen in alle beleidsstukken concretiseren en hier een passende termijn voor vastleggen? Antwoord 2: Artikel 6.3 bepaalt dat het college periodiek beoordeelt of een beslissing over een pgb of andere individuele voorzieningen is te heroverwegen. Artikel 7.1 beschrijft het onderzoek naar recht- en doelmatigheid van individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s. Aan dit periodieke onderzoek wordt nu op verschillende manieren invulling gegeven. Pgb’s worden voor maximaal één jaar verstrekt; daarom vindt jaarlijks een evaluatie plaats met de jeugdconsulenten van het Breed Sociaal Loket, waarin kwaliteit en doelmatigheid van een eventuele verlenging wordt beoordeeld. Daarnaast voert onze kwaliteitsmedewerker jaarlijks een steekproefsgewijze controle uit, bijvoorbeeld via huisbezoeken bij pgb’s of telefonische enquêtes bij Zorg in Natura. Hierbij wordt de kwaliteit van de
ondersteuning getoetst en indien sprake van een pgb ook het handelen van de budgethouder. Omdat er nu weinig individuele voorzieningen zijn, afgelopen jaar liepen er 18 pgb’s, is een jaarlijkse steekproef realistisch. Overwogen wordt een halfjaarlijkse steekproef. Afhankelijk van het aantal pgb’s kan de frequentie nog worden opgehoogd naar bijvoorbeeld ieder kwartaal. Het vastleggen van een vaste frequentie in de Verordening heeft daarom geen voorkeur. Zo kan er flexibel worden meebewogen met de omvang van het pgb-bestand. Wanneer verhuizingen plaatsvinden of signalen vanuit bijvoorbeeld school komen rondom vermoedens van onrechtmatigheid wordt situatie specifiek aanvullend onderzoek gedaan.