Vraag en Antwoord Omgevingsvisie en PlanMER.docx
Tekst van het document
Omgevingsvisie en PlanMER Datum
Fracti
Vraag
vraag
e(s)
13-04-
Groen
De Omgevingsvisie beoogt ruimte en richting te geven aan
2023
Links
initiatieven (Voorwoord, p.2). In het voorstel is sprake van
Antwoord
“uitnodigingsplanologie” als beleidskader voor de omgevingsvisie. Vraag 1: Wat is de interpretatie van dit begrip binnen de kaders van de Omgevingsvisie? Het afwegingskader in de Omgevingsvisie maakt gebruik van drie principes (functiecombinatie gewenst, identiteit voorop en afwentelen voorkomen). De bedoeling is dat met deze drie principes dilemma’s die voortvloeien uit ruimtelijke conflicten opgelost kunnen worden. Één conflict zit al ingebakken in de visie zelf, namelijk enerzijds het streven naar landschappelijke openheid en een groene buffer (“Van vruchtbare klei tot oneindige horizon”), anderzijds de toebedachte bestemming van de Purmer als bedrijventerrein. Vraag 2: Kunt u als voorbeeld aangeven hoe het afwegingskader dit dilemma gaat oplossen? De beoordeling van de omgevingsvisie door bureau Tauw maakt gebruik van 23
Antwoord 1: Met de omgevingsvisie, die ruimte en richting geeft aan initiatieven, worden aan initiatiefnemers kaders meegegeven voor gewenste ontwikkelrichtingen die bij de koers van de gemeente en de visie op een gebied passen. Door verschillende ontwikkelingsmogelijkheden op een plek—die in lijn zijn met deze koers en/of bij kunnen dragen aan het bereiken van een wenselijk doel—mogelijk te maken in een bestemmingsplan of in het omgevingsplan, kunnen we als vaststellend bestuursorgaan initiatiefnemers verleiden/uitnodigen om wenselijke initiatieven of ruimtelijke ontwikkelingen te realiseren, de zogenaamde uitnodigingsplanologie.
indicatoren. De keuze van de indicatoren is bepalend voor de uitkomst. Er is vooral gekozen voor indicatoren die iets zeggen over behoeftes van de mens, veiligheid en gezondheid e.d. Er zijn geen indicatoren die iets zeggen over effecten op de biodiversiteit, weidevogels en andere beschermde diersoorten. Het Verdrag inzake biologische
Antwoord 2: Het afwegingskader lost deze dilemma’s niet op, maar dient als leidraad bij het maken van afwegingen bij dilemma’s.
diversiteit verlangt dat bij de inwerkingtreding van sectoroverschrijdende plannen en programma’s effecten op de biologische diversiteit wordt beoordeeld. Vraag 3: Is het college van mening dat met deze indicatoren effecten op de biodiversiteit afdoende beoordeeld zijn? Vraag 4: Waar komen de door Tauw gehanteerde indicatoren vandaan? Vraag 5: Is er een toets geweest om te beoordelen of met de keuze van de genoemde indicatoren voldaan wordt aan de verplichtingen van nationale en Europese wetgeving?
Antwoord 3: In het planMER is beoordeeld wat de invloed is van de verschillende kernopgaven en (sub)ambities en daaruit voortkomende fysieke ingrepen op de ambitie om biodiversiteit te stimuleren. Antwoord 4: De indicatoren zijn gekozen aan de hand van de ervaring van TAUW, de kenmerken van de gemeente Edam-Volendam en de ambities in de omgevingsvisie. Antwoord 5: De planMER voldoet aan de inhoudelijke eisen die zijn vastgelegd in art. 7.7 Wet milieubeheer (m.e.r.-plichtige plannen). Daarnaast heeft TAUW zover relevant per thema, passend bij het abstractieniveau van een omgevingsvisie, getoetst aan de hand van vigerende wetgeving, bijvoorbeeld op het gebied van Natura 2000.
Vraag 6:
Antwoord 6:
Hoe verhoudt zich de voorliggende beoordeling van de
In het planMER worden op basis van de beoordeling aanbevelingen
omgevingsvisie met de later te ontwikkelen
gedaan voor de verdere uitwerking, bijvoorbeeld in programma’s.
omgevingsprogramma’s? Vraag 7: Gaat straks bij elk omgevingsprogramma weer een nieuwe PlanMER uitgevoerd worden? Volgens de PlanMER wordt het Natuurnetwerk Nederland voor onze gemeente in positieve zin beïnvloed door de invoering van de Omgevingsvisie (p.
Antwoord 7: Als een programma m.e.r.-plichtige elementen bevat, dan is een m.e.r.-onderzoek nodig en verplicht.
11, PlanMER). Een cruciaal principe achter het Natuurnetwerk is dat natuurgebieden en recreatiegebieden onderling verbonden zijn. Dit principe wordt geweld aangedaan door de wvg De Purmer vanwege de toebedachte
Antwoord 8:
bestemming “Industrie”.
Beoordeeld is wat de effecten zijn van verschillende ambities op de NNN (zie ook paragraaf 22.5 van Bijlage 3 van de planMER voor een
Vraag 8: Waar is de positieve beoordeling van dit criterium op gebaseerd? In het voorstel staat dat de Omgevingsvisie zelfbindend is voor de bestuurslaag die hem vaststelt. Eerder hebben wij begrepen dat de Omgevingsvisie pas een juridische status krijgt op het moment dat deze wordt uitgewerkt in Omgevingsplannen.
gedetailleerde beoordeling). Uiteindelijk komt hier een beoordeling per saldo uit. In dit geval zijn als gevolg van de omgevingsvisie dus meer positieve effecten dan negatieve of neutrale effecten op NNN. Het bedrijventerrein de Purmer leidt niet tot een fysieke aantasting van de NNN verstoringseffecten (op polder Zeevang) zijn te mitigeren. Daarnaast is in de omgevingsvisie rekening gehouden met een groene verbindingszone (‘Hoofdgroenstructuur ontwikkelen en verbinden’, p. 43) tussen het bedrijventerrein en polder Zeevang.
Vraag 9:
Antwoord 9:
Klopt het dat het zelfbindende karakter relatief nieuw is?
Het zelfbindende karakter van de Omgevingsvisie is een voortzetting van de status van huidige beleidsinstrumenten op visieniveau. Hiermee is zelfbinding voor de vaststellende bestuurslaag geen
Vraag 10:
nieuw principe.
Wat zijn de concrete juridische consequenties van dit zelfbindende karakter? De allerlaatste zin van de
Antwoord 10:
Omgevingsvisie stelt dat bij het actualiseren van het
Zelfbinding betekent dat het alleen het bestuur zelf bindt, dus niet
document dezelfde processtappen worden doorlopen als bij het opstellen van de Omgevingsvisie. Wij kunnen ons voorstellen dat er over een aantal jaar behoefte is aan een kleine actualisatie van elementen van de visie en/of van de ambities (bijvoorbeeld door wisseling van het gemeentebestuur) die niet per se vraagt om een grootschalige herijking. Vraag 11: Moeten de beschreven processtappen ook worden doorlopen bij een beperkte actualisatie zoals hierboven beschreven?
burgers, organisaties of bedrijven, tenzij er sprake is van beleidsregels of juridische regels in het Omgevingsplan. De gemeente kan enkel via politieke instrumenten aan de omgevingsvisie gehouden worden, niet via de inzet van rechtsmiddelen. Er hangen dus geen concrete juridische consequenties aan het zelfbindende karakter van de omgevingsvisie. Antwoord 11: Om te voldoen aan de Omgevingswet, waarin wordt aangegeven dat navolgbaar moet zijn dat participatie heeft plaatsgevonden en hoe daar in de visie rekening mee is gehouden, is het beschreven proces aan te bevelen. Dit hoeft bij een actualisatie natuurlijk niet zo lang en uitgebreid als bij de vaststelling van de omgevingsvisie.
Vraag 12: Zo nee: is het dan niet handiger om hier een voorbehoud
Antwoord 12:
over op te nemen, gelet op het zelfbindende karakter van
Zie antwoord 11.
de Omgevingsvisie?