CConstaterende datEdam-Volendam
Koppel je AI →
Document · PDF

Vraag en antwoord commissie P&C 25-6-2026 – Kaderbrief 2027

Raadsplein Bespreekronde Ia 2 juli 2026, gemeente Edam-VolendamBij agendapunt: Kaderbrief 20275.441 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Vraag en antwoord commissie P&C 25-6-2026 – Kaderbrief 2027 ID

Datum vraag

Fractie(s)

Vraag en antwoord

ONS Belang

Vraag: Hoe voorkomen we dat we ons niet "te rijk" rekenen met de verwachte opbrengsten die nu hoger worden gecalculeerd dan in het verleden is gedaan? Bestaat bijvoorbeeld met de herverdeling van het gemeentefonds niet de kans dat onze gemeente hier slechter uit vandaan komt, dan nu het geval is? Die commentaren zijn er wel landelijk geweest op basis van de voorstellen van de overheid dat gemeenten die jarenlang meer uitgekeerd kregen dan begroot, dat de voorstellen voor hen nadelig uitpakken. Antwoord: De verwachte opbrengsten zijn gebaseerd op onderliggende informatie zoals die nu beschikbaar is. De geraamde inkomsten uit het gemeentefonds halen wij uit onze PAUW-applicatie. Maar het kan altijd zijn dat deze ramingen na het uitkomen van de septembercirculaire weer zijn veranderd. Het kabinet heeft de grootschalige herverdeling van het Gemeentefonds uitgesteld tot 1 januari 2029. Het ingroeipad voor de jaren 2027 en 2028 is bevroren op het huidige niveau (wel wordt er geïndexeerd) om gemeenten meer financiële stabiliteit te bieden in afwachting van nader onderzoek.

Kaderbrief 2027 359

21-062026

Kaderbrief 2027-Woningbouwprognoses, grondstoffenplan 2026-2030, afvalstoffenheffing, HVC, bedrijfsafval en investering vrachtwagencombinatie 333

12-062026

LEV

Bij de behandeling van het grondstoffenplan 2026-2030 en de daarmee samenhangende financiële ontwikkelingen valt op dat verschillende gemeentelijke documenten een aantal relevante ontwikkelingen laten zien die in samenhang bezien moeten worden. Uit het onafhankelijke RIGO-onderzoek blijkt dat de additionele woningbehoefte voor Edam-Volendam tot 2050 wordt geraamd op circa 850 woningen. Daarnaast blijkt uit de uitgangspunten voor de begroting 2027-2030 dat de gemeente zelf rekent met een toename van slechts 477 woningen tussen 2026 en 2030. Tegelijkertijd is in de financiële stukken een meerjarige stelpost opgenomen voor het kostendekkend maken van afval, oplopend van €130.000 in 2027 tot €530.000 vanaf 2029. Daarbij wordt expliciet vermeld dat deze taakstelling met name gerealiseerd moet worden door het verhogen van de inkomstenraming.

Daarnaast blijkt uit dezelfde stukken dat de afvalstoffenheffing vanaf 2027 opnieuw stijgt en dat wordt toegewerkt naar 100% kostendekkendheid. Het college geeft bovendien zelf aan dat de kosten van afvalinzameling en afvalverwerking de komende jaren naar verwachting verder zullen stijgen en dat het grondstoffenplan financiële gevolgen kan hebben voor de begroting. Tegen deze achtergrond wil onze fractie beter inzicht krijgen in de financiële onderbouwing van het grondstoffenplan, de kostentoerekening tussen huishoudelijk afval en bedrijfsafval en de wijze waarop toekomstige lasten worden verdeeld tussen inwoners en andere gebruikers van de afvalinzameling. Wij hebben daarom de volgende vragen. Vraag 1: Kan het college toelichten welke structurele oplossing wordt voorzien voor de tekorten binnen het sociaal domein zodra de huidige reserveonttrekkingen niet langer beschikbaar zijn? Antwoord 1: Het betreffen incidentele uitgaven of tekorten waardoor vooralsnog geen structurele oplossing nodig is. Vraag 2: Welke financiële risico’s ziet het college indien de door de VNG verwachte compensatie vanuit het Rijk voor jeugdzorg geheel of gedeeltelijk uitblijft? Antwoord 2: De stelpost zoals terug te vinden in de kaderbrief. 335

12-062026

LEV

Vraag 1: Het college verwacht structureel hogere opbrengsten uit omgevingsleges. Kan het college aangeven op welke concrete ontwikkelingen, projecten of vergunningstromen deze verwachting is gebaseerd? Antwoord 1: De verwachting is gebaseerd op extrapolatie van gerealiseerde opbrengsten in de afgelopen jaren én het feit dat bouwkosten stijgen waar de leges mede op zijn gebaseerd.

Vraag 2 Kan het college aangeven welke financiële uitgangspunten uit de Kaderbrief 2027 volgens het college als bestuurlijke keuzes moeten worden beschouwd en welke als autonome ontwikkelingen waar de gemeenteraad feitelijk beperkte invloed op heeft? Antwoord 2: De financiële uitgangspunten in de bijlage bij de Kaderbrief zijn gebaseerd op voortzetting van bestaand beleid en daarmee op bestuurlijke keuzes tot nu toe. Keuzes die ook weer kunnen worden herzien. Denk bijvoorbeeld aan de ontwikkeling van lokale heffingen of de hoogte van bepaalde stelposten. 334

25-062026

LEV

Vraag 1: Bij de uitgangspunten voor de begroting 2027-2030 wordt uitgegaan van een groei van het woningbestand van circa 16.123 woningen op 1 januari 2026 naar circa 16.600 woningen op 1 januari 2030. Kan het college toelichten op welke concrete woningbouwprojecten en planningen deze prognose is gebaseerd? Antwoord 1: Maria Goretti 83, Noorderstraat 8, Bokkingstraat 28, Kwadijk 16 11, Raadhuisstraat 18, Waterrijk 121, Bufferwoningen Kwadijk 44, De Deimpt 24, Meermin 130. Van deze woningen is het vrijwel zeker dat ze vóór 2030 opgeleverd worden. Dit neemt niet weg dat er ook aan andere projecten wordt gewerkt. Vraag 2. Kan het college inzichtelijk maken hoeveel woningen per projectlocatie zijn opgenomen in de woningprognose die ten grondslag ligt aan de begroting 2027-2030? Antwoord 2: Maria Goretti 83, Noorderstraat 8, Bokkingstraat 28, Kwadijk 16 11, Raadhuisstraat 18, Waterrijk 121, Bufferwoningen Kwadijk 44, De Deimpt 24, Meermin 130 Vraag 3: In hoeverre zijn de verwachte opbrengsten uit OZB, afvalstoffenheffing, rioolheffing en leges afhankelijk van de in deze prognose opgenomen woninggroei? Antwoord 3: Deze gegevens zijn niet beschikbaar.

332

12-062026

LEV

Vraag 1. In de uitgangspunten wordt uitgegaan van een structurele stijging van het OZB-tarief van 5%. Kan het college aangeven welke alternatieven zijn onderzocht om dezelfde financiële opbrengst te realiseren? Antwoord 1: Het college heeft breed gekeken naar alternatieven om de begroting sluitend te krijgen en die voorgelegd aan de raad. Om de stijgende lasten te dekken en meer inkomsten te genereren is bij de begroting 2026 door de raad besloten om het tarief OZB met ingang van 2027 structureel te verhogen tot 5%. Dit is terug te vinden in de tabel Nieuw beleid Pribo 2026 en wordt onder de tabel toegelicht. Zie pagina 103 van de begroting. Vraag 2: Welke gevolgen verwacht het college voor de gemiddelde woonlasten van inwoners in de periode 2027-2030 indien de voorgestelde uitgangspunten volledig worden doorgevoerd? Antwoord 2: Als de voorgestelde uitgangspunten zouden worden doorgevoerd dan zou dit leiden tot een stijging van de gemiddelde woonlasten van 5%. Echter zijn de voorgestelde uitgangspunten bedoeld om een start te maken met het opstellen van de begroting en meerjarenramingen. Pas aan het einde van dit proces ontstaat er een totaalbeeld over de ontwikkeling van het begrotingssaldo. Dit beeld is er nu nog niet. Op basis van dit totaalbeeld zal het college een voorstel aan de raad doen over de hoogte van de tarieven.

De huidige 5% is voor nu dus slechts een uitgangspunt. De vaststelling van de tarieven vindt overigens altijd plaats bij de behandeling van de verordeningen. Dat is meestal de raad van december.

329

12-062026

LEV

Vraag 4. In de uitgangspunten voor de begroting wordt uitgegaan van verdere verhogingen van de afvalstoffenheffing en het streven naar 100% kostendekkendheid. Kan het college toelichten welke financiële ontwikkelingen aan deze verwachting ten grondslag liggen? Antwoord 4: De verhoging van de afvalstoffenheffing hangt samen met stijgende kosten voor afvalinzameling, transport en verwerking. Vooral de verwachte prijsstijging van restafval en de hogere belastingdruk op afvalverwerking zorgen voor extra lasten. Omdat de gemeente streeft naar 100% kostendekkendheid, zullen deze hogere kosten deels via de heffing moeten worden gedekt. Vraag 5.

Welke financiële scenario’s zijn opgesteld voor de ontwikkeling van afvalinzamelings en verwerkingskosten in de periode 20272030? Antwoord 5: In de Kaderbrief is een stelpost opgenomen voor het kostendekkend maken van afval, oplopend van € 130.000 in 2027 naar € 530.000 vanaf 2029 en 2030. Daarnaast is als bestuurlijke doorkijk aangegeven dat de kosten van afvalinzameling en -verwerking naar verwachting verder stijgen, mede door de hogere belastingdruk op afvalverwerking en door stijgende verwerkings- en logistieke kosten. De exacte financiële gevolgen zijn afhankelijk van de verdere uitwerking en besluitvorming over het grondstoffenplan. Vraag 6. Kan het college aangeven welke effecten op de afvalstoffenheffing worden verwacht indien besluitvorming over het grondstoffenplan verder wordt uitgesteld? Antwoord 6: Als de besluitvorming verder wordt uitgesteld verwachten wij nauwelijks verandering in de hoeveelheden afval. Door de flinke verwachte prijsstijging van het verwerken van restafval zullen de kosten stijgen. Deze stijging zal (deels) terug moeten komen in de afvalstoffenheffing. Vraag 7. In de Kaderbrief wordt aangegeven dat stijgende kosten van afvalinzameling en afvalverwerking een financieel risico vormen voor de gemeente.

Kan het college toelichten hoe deze ontwikkeling zich verhoudt tot de recent goedgekeurde investering in de vrachtwagencombinatie en bandenkraan ten behoeve van de milieustraten? Antwoord 7: De stijgende kosten van afvalinzameling en afvalverwerking vormen een afzonderlijk financieel risico voor de gemeente. De recent goedgekeurde investering in de vrachtwagencombinatie en bandenkraan is juist bedoeld om de bedrijfsvoering op de milieustraten efficiënter te maken en transportkosten structureel te verlagen. Deze investering staat dus niet haaks op de genoemde kostenstijging, maar is een maatregel om een deel van die stijging te dempen. Volgens het raadsvoorstel worden hiermee minder ritten gemaakt, containers beter gevuld en externe transportkosten verminderd. In de Kaderbrief wordt tegelijk aangegeven dat, ondanks zulke maatregelen, de algemene kostendruk in de afvalketen

blijft stijgen. De investering helpt dus om de kostenontwikkeling te beperken, maar neemt het structurele risico van stijgende verwerkings- en inzamelkosten niet volledig weg. Vraag 8. Kan het college inzichtelijk maken welke structurele besparingen worden verwacht als gevolg van de investering in de vrachtwagencombinatie en bandenkraan en op welke wijze deze besparingen zijn verwerkt in de meerjarenraming? Antwoord 8: De structurele besparingen voor de komende zeven jaar staan in het raadsvoorstel. Na zeven jaar zijn de kapitaallasten €0,- en worden de verwachte besparingen jaarlijks met 4% geïndexeerd. Vraag 9. Kan het college aangeven welk deel van de toekomstige ontwikkeling van de afvalstoffenheffing afhankelijk is van de realisatie van de bij deze investering veronderstelde besparingen? Antwoord 9: De besparingen zijn geraamd op € 89.400 per jaar in vergelijking met de huidige situatie, en de totale investeringen hebben een terugverdientijd van 3,4 jaar. Als deze besparingen worden gerealiseerd, beperken zij de noodzaak tot verdere verhoging van de afvalstoffenheffing. Vraag 10. Zijn de financiële effecten van stijgende transportkosten, brandstofkosten, verwerkingskosten en logistieke kosten meegenomen in de meerjarige ramingen van de afvalstoffenheffing? Zo ja, op welke wijze? Antwoord 10: Ja, deze effecten zijn meegenomen in de ramingen.

In de Kaderbrief wordt rekening gehouden met stijgende kosten voor transport, verwerking en logistiek. Daarnaast worden deze ramingen bij elke zomernota en winternota opnieuw bijgesteld op basis van informatie van afvalverwerkers en op basis van eigen inzichten. Vraag 11. In 2022 werd bij de toetreding tot HVC aangegeven dat gebruik van de overslaglocatie in Purmerend zou bijdragen aan beperking van transportafstanden en lagere inzamelkosten. Kan het college toelichten hoe deze uitgangspunten zich verhouden tot de huidige

financiële ramingen voor afvalinzameling en afvalverwerking in de periode 2027-2030? Antwoord 11: De transportprijzen van HVC zijn gebaseerd op tonnage en niet op afstand. Er zullen geen kosten bespaard worden door gebruik te maken van overslaglocaties. Vraag 12. Kan het college toelichten hoe de in 2022 gepresenteerde uitgangspunten van lagere inzamelkosten en efficiëntere logistiek via HVC zich verhouden tot de huidige ontwikkeling van stijgende afvalkosten, de investering van €300.000 in extra materieel en het streven naar verdere verhoging van de afvalstoffenheffing richting 100% kostendekkendheid? Antwoord 12: De transportprijzen van HVC zijn gebaseerd op tonnage en niet op afstand, waardoor gebruik van overslaglocaties geen kostenvoordeel oplevert. Tegelijkertijd stijgen de afvalinzamelings- en verwerkingskosten verder. De investering van € 300.000 in extra materieel is bedoeld om de gemeentelijke logistiek zelf efficiënter te maken en zo kosten te beperken. Deze besparing dempt de kostenstijging, maar neemt die niet weg. Daarom blijft verdere verhoging van de afvalstoffenheffing richting 100% kostendekkendheid naar verwachting nodig. Vraag 13.

Kan het college aangeven welke afvalstromen volgens de huidige uitgangspunten van het grondstoffenplan naar verwachting gebruik zullen maken van de recent aangeschafte vrachtwagencombinatie en welke afvalstromen buiten deze logistieke keten vallen? Antwoord 13: Wij verwachten van beide milieustraten de volgende stromen zelf te rijden: bouw en sloopafval, b-hout, c-hout, dakafval, puin, gips, grof huishoudelijk restafval, grof tuinafval, harde kunststoffen en veegvuil. Mocht na evaluatie blijken dat het mogelijk is om tapijt te transporteren, dan zullen wij dat ook zelf gaan transporteren. AEEA, asbest, banden, KCA, matrassen en vlakglas worden door HVC of een partner van HVC getransporteerd. Voor metalen, oud papier en piepschuim hebben wij andere verwerkers. Vraag 14. Kan het college inzichtelijk maken welke kosten van inzameling, overslag, verwerking, transport, personeelsinzet, materieelinzet en

overhead worden toegerekend aan huishoudelijk afval, bedrijfsafval, milieustraatafval en overige afvalstromen? Antwoord 14: Aan het einde van het proces opstellen van de begroting en meerjarenraming wordt er een dekkingsoverzicht opgesteld. Dit overzicht geeft inzicht in verschillende kostensoorten. In de paragraaf Lokale heffingen behorende bij de begroting wordt een overzicht kostendekkendheid opgenomen. Vraag 15. Kan het college bevestigen dat voor bedrijfsafval ten minste de integrale kosten in rekening worden gebracht? Zo ja, op welke wijze wordt dit vastgesteld, gecontroleerd en periodiek geëvalueerd? Antwoord 15: Op dit moment zijn de kosten voor bedrijfsafval hoger dan de inkomsten. Vraag 16. Indien geen sprake is van volledige kostendekkendheid van bedrijfsafval, welk financieel effect heeft dit op de afvalstoffenheffing, de kostendekkendheid van de afvalinzameling en het meerjarig financieel perspectief van de gemeente? Antwoord 16: Het tekort op bedrijfsafval is jaarlijks ongeveer €300.000. Vraag 17. In eerdere stukken rondom de toetreding tot HVC werd gerekend met tarieven voor overslag en transport binnen de HVCsystematiek.

Kan het college toelichten welke transportkosten reeds onderdeel uitmaken van de huidige HVC-tarieven en welke transportkosten aanvullend voor rekening van de gemeente komen? Antwoord 17: HVC heeft haar verwerkingskosten en transportkosten kenbaar gemaakt. Hier komen geen aanvullende kosten bij. Vraag 18. Kan het college bevestigen dat voor bedrijfsafval ten minste de integrale kosten in rekening worden gebracht? Indien ja, op welke

wijze wordt dit periodiek gecontroleerd en vastgesteld? Antwoord 18: Zie antwoord 15. Vraag 19. Indien geen sprake is van volledige kostendekkendheid van bedrijfsafval, wat is hiervan het financiële effect op de afvalstoffenheffing, de kostendekkendheid van de afvalinzameling en het meerjarig financieel perspectief van de gemeente? Antwoord 19: Zie antwoord 16. Kaderbrief 2027-Dienstverleningsovereenkomst HVC februari 2026, financiële omvang en toepassing financiële verordening. 330

12-062026

LEV

Onze fractie heeft eerder vragen gesteld over de in februari 2026 gesloten dienstverleningsovereenkomst tussen de gemeente Edam-Volendam en HVC. Uit de beantwoording bleek dat het college deze overeenkomst beschouwt als een collegebevoegdheid. Bij bestudering van de Kaderbrief 2027 en de bijlage Uitgangspunten begroting 2027 en meerjarenraming 2028-2030 valt op dat onder het onderdeel Informatieplicht wordt verwezen naar artikel 8 van de financiële verordening van de gemeente EdamVolendam. Daarbij worden voorwaarden genoemd ten aanzien van de aan- en verkoop van goederen, werken en diensten boven bepaalde financiële grenzen. Omdat de financiële omvang, contractvorm, looptijd en budgettaire dekking van de dienstverleningsovereenkomst met HVC voor onze fractie niet inzichtelijk zijn, willen wij beter kunnen beoordelen hoe deze overeenkomst zich verhoudt tot de financiële verordening, de begrotingsuitgangspunten en de kaderstellende rol van de gemeenteraad. Om die reden heeft onze fractie de volgende vragen. Vraag 1. Kan het college aangeven wat de totale financiële omvang bedraagt van de in februari 2026 gesloten dienstverleningsovereenkomst met HVC?

Antwoord 1: De totale financiële omvang is afhankelijk van de hoeveelheid afval en grondstoffen die naar de milieustraat worden gebracht en prijsontwikkelingen in de markt. Vraag 2. Kan het college aangeven voor welke looptijd deze overeenkomst is aangegaan? Antwoord 2: De overeenkomst heeft een looptijd van acht jaren en kan verlengd worden met perioden van telkens vier jaren. Vraag 3 Is sprake van een vaste contractsom, een abonnementstarief, een uurtariefconstructie, nacalculatie of een andere bekostigingsvorm? Antwoord 3: Er is sprake van nacalculatie. Vraag 4. Welke werkzaamheden, adviesdiensten, ondersteuning of andere activiteiten vallen onder deze overeenkomst? Antwoord 4: De werkzaamheden in de overeenkomst zijn: a. het verwerken van de afvalstromen asbest, banden, grof huishoudelijk, klein chemisch afval, harde kunststof, tapijt, matrassen, vlak glas, asfalt, B-hout, C-hout, bouw- en sloopafval, dakafval, gips, schoon puin, veegvuil, groenafval; b. het transporteren van diverse afvalstromen vanaf de milieustraten; c. het ter beschikking stellen van containers op de milieustraten. Vraag 5. Wat zijn de geraamde jaarlijkse kosten gedurende de looptijd van de overeenkomst? Antwoord 5: Zie antwoord 1. Vraag 6. Op basis van welk exploitatiebudget, krediet of raadsbesluit is deze overeenkomst financieel gedekt?

Antwoord 6: De overeenkomst is financieel gedekt binnen de bestaande exploitatiebudgetten voor het deelproject Storten afvalstoffen en Klein chemisch afval. Uit het B&W-voorstel blijkt dat de financiële gevolgen van de inbesteding bij HVC worden verwerkt in de zomernota 2026. Daarbij wordt voorgesteld om voor het deelproject Storten afvalstoffen € 35.000 bij te ramen en voor het deelproject Klein chemisch afval € 5.000 af te ramen. De dekking ligt daarmee niet in een afzonderlijk investeringskrediet, maar in de lopende exploitatiebudgetten en de verwerking via de zomernota 2026. Vraag 7. Is vooraf beoordeeld of deze overeenkomst valt onder de informatieplicht zoals opgenomen in artikel 8 van de financiële verordening? Zo ja, wat was de uitkomst van die beoordeling? Antwoord 7: Ja, vooraf dient te zijn beoordeeld of de overeenkomst onder de informatieplicht van artikel 8 valt. Op basis van de beschikbare informatie lijkt deze overeenkomst niet onder artikel 8, eerste lid, onder a, b of c te vallen, omdat het hier gaat om een contractuele voortzetting/inbesteding van afvalverwerking en niet om: •Een aan- of verkoop van goederen, werken of diensten boven het in de begrotingsuitgangspunten opgenomen drempelbedrag, •Het verstrekken van leningen, waarborgen of garanties, of •Het verstrekken van kapitaal aan instellingen of ondernemingen.

De feitelijke uitkomst lijkt dus te zijn dat de overeenkomst wel financieel is beoordeeld en in de begrotingsmutatie is verwerkt, maar niet kwalificeert als een besluit waarvoor op grond van artikel 8 expliciet vooraf wensen en bedenkingen van de raad nodig zijn. Dat volgt uit de reikwijdte van artikel 8 van de verordening, dat ziet op specifieke grote onderwerpen en niet op reguliere contractuele uitvoeringsbesluiten binnen de exploitatie. Vraag 8. Kan het college aangeven of de financiële omvang van deze overeenkomst bij het aangaan reeds volledig bekend was? Antwoord 8: Zie antwoord 1.

Vraag 9. Indien sprake is van nacalculatie of een uurtariefconstructie, welke beheersmaatregelen zijn getroffen om budgetoverschrijdingen te voorkomen? Antwoord 9: Er is op basis van de gestorte tonnages van voorgaande jaren is een inschatting gemaakt welke kosten we ongeveer kunnen verwachten. Daarnaast besluit de Raad in september over het wel of niet plaatsen van een toegangspoort met pas op de milieustraten. Op die manier worden mensen van buiten de gemeente en bedrijven die niet aangesloten zijn geweerd. Er is geen beleid over een maximaal te storten hoeveel afval op de milieustraat. Vraag 10. Zijn sinds het aangaan van de overeenkomst aanvullende opdrachten, uitbreidingen of wijzigingen overeengekomen tussen de gemeente en HVC? Zo ja, welke financiële gevolgen hebben deze gehad? Antwoord 10: Nee. Kaderbrief 2027-Afvalstoffenheffing 358

21-062026

ONS Belang

Vraag In de kaderbrief wordt gesproken over een stelpost voor afvalheffing kostendekkend maken. Echter zie ik dit niet terug in het verkorte begrotingsoverzicht. Houdt dit in dat de verhoging afvalstoffenheffing in lijn is met de kadernota 2025? Wat is de exacte verhoging van de afvalstoffenheffing? Antwoord: In het verkorte begrotingsoverzicht wordt het totaal effect van de taakstellingen/stelposten (c) als een totaalbedrag weergegeven. De stelpost voor kostendekkend maken afval is opgenomen onder het totaalbedrag van € 402.000 in 2027. In de begroting 2026 en meerjarenraming 2027-2029 was al rekening gehouden met een verhoging van het tarief afvalstoffenheffing van elk jaar 5%. In de uitgangspunten voor de begroting 2027 en meerjarenraming 2028-2030 wordt ook uitgegaan van een stijging van het tarief met jaarlijks 5%. Op de stelpost kostendekkend maken afval staat voor 2027 een extra

opbrengst geraamd van € 130.000. Als ervoor gekozen wordt om deze extra opbrengst via een tariefverhoging te realiseren dan zou dit leiden tot een extra tariefstijging van 2% bovenop de 5%. Kaderbrief 2027-Financiële gevolgen Meicirculaire 2026 en meerjarenperspectief 2027-2030 351

16-062026

LEV

In de Kaderbrief 2027 wordt aangegeven dat het gepresenteerde financiële meerjarenperspectief mede is gebaseerd op de Zomernota 2026 en de Meicirculaire 2026. Daarnaast wordt in de meerjarenraming uitgegaan van diverse taakstellingen, stelposten, reserveonttrekkingen en een verhoging van de OZB. Uit de Meicirculaire 2026 blijkt tevens dat het Rijk uitgaat van een rekentarief voor de belastingcapaciteit van gemeenten. Om inzicht te krijgen in de opbouw, duurzaamheid en onderbouwing van het gepresenteerde financiële beeld heeft onze fractie de volgende vragen. Vraag 1: In de uitgangspunten voor de begroting 2027 wordt uitgegaan van een verhoging van het OZB-tarief met 5%. Kan het college aangeven wat de geraamde extra OZB-opbrengst hiervan bedraagt in 2027, wat het effect hiervan is op de jaren 2028 tot en met 2030, en welk aandeel deze opbrengst vormt van het gepresenteerde begrotingssaldo? Antwoord 1: De totale opbrengst OZB in 2026 is geraamd op € 10 mln. De verhoging van structureel 5% leidt in de jaren 2027 tot en met 2030 tot een verhoging respectievelijk €500.000, €1.030.000, €1.590.000 en € 2.180.000. Deze bedragen komen volledig ten gunste van het gepresenteerde begrotingssaldo. Vraag 2: Kan het college inzichtelijk maken welk deel van het begrotingssaldo in de jaren 2027 tot en met 2030 afhankelijk is van hogere OZB-opbrengsten? Antwoord 2: Zie antwoord op vraag 1.

Vraag 3: Kan het college aangeven hoe het huidige OZB-tarief voor woningen van 0,1500% zich verhoudt tot het in de Meicirculaire 2026 genoemde rekentarief van 0,1595% voor de belastingcapaciteit van gemeenten en welke betekenis het college hieraan toekent voor de toekomstige financiële ruimte van de gemeente? Antwoord 3: Het huidige tarief voor woningen is niet 0,1500% maar 0,0911%. Vraagsteller hanteert het voorlopige tarief vóór de

vaststelling van het definitieve tarief in januari 2026. Het college heeft geen invloed op het percentage wat als korting gebruikt wordt in het GF. Deze is voor alle gemeenten hetzelfde. Het OZB percentage wordt jaarlijks door de raad vastgesteld. Vraag 4: Kan het college inzichtelijk maken welk percentage van de door het Rijk gehanteerde belastingcapaciteit momenteel reeds wordt benut, welke extra structurele OZB-opbrengst theoretisch nog gerealiseerd zou kunnen worden indien het woningtarief zou worden verhoogd tot het in de Meicirculaire 2026 gehanteerde rekentarief en hoe deze resterende ruimte zich verhoudt tot de in de Kaderbrief geschetste financiële risico’s, investeringsopgaven en schuldontwikkeling? Antwoord 4: Voor het eerste gedeelte van de vraag willen wij u verwijzen naar de paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing uit de begroting 2026. Het college geeft alleen een voorstel af over de hoogte van de gemeentelijke belastingen. Het OZB percentage wordt jaarlijks door de raad vastgesteld. Kaderbrief 2027 352

12-062026

LEV

Vraag 1. In de Kaderbrief wordt naast het begrotingssaldo ook een saldo gepresenteerd exclusief taakstellingen, stelposten en reserveonttrekkingen. Kan het college aangeven welk financieel beeld het college zelf als meest representatief beschouwt voor de structurele financiële positie van de gemeente en waarom? Antwoord 1: Het college beschouwt het saldo exclusief taakstellingen, stelposten en reserveonttrekkingen als het meest representatief voor de structurele financiële positie van de gemeente. Dit saldo geeft een realistischer beeld van de onderliggende begrotingsbalans, doordat posten met een tijdelijk, onzeker of nog nader in te vullen karakter buiten beschouwing worden gelaten. Tegelijkertijd blijft het reguliere begrotingssaldo, inclusief deze posten, relevant vanuit het formele begrotingsperspectief. Door beide saldi naast elkaar te presenteren, beoogt het college zowel inzicht te geven in de formele begrotingspositie als in de daadwerkelijke structurele financiële positie van de gemeente. Vraag 2. Kan het college inzichtelijk maken welke financiële ruimte beschikbaar blijft voor nieuw beleid wanneer wordt uitgegaan van het

structurele saldo exclusief taakstellingen, stelposten en reserveonttrekkingen? Antwoord 2: Wanneer wordt uitgegaan van het structurele saldo exclusief taakstellingen, stelposten en reserveonttrekkingen, is de financiële ruimte voor nieuw beleid beperkter dan op basis van het formele begrotingssaldo zichtbaar is. Het saldo inclusief taakstellingen, stelposten en reserveonttrekkingen moet worden gezien als de financiële ruimte waarover het college in beginsel beschikt. Daarbij geldt wel dat het realiseren van deze ruimte mede afhankelijk is van het daadwerkelijk kunnen invullen van taakstellingen en stelposten. Hieraan zijn significante risico’s verbonden, aangezien deze posten nog nadere besluitvorming, concretisering of uitvoering vragen. Tot deze risico’s behoort ook de onzekerheid over aanvullende middelen vanuit het Rijk, mede in het licht van de intensieve lobby van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten richting het Rijk over de financiële positie van gemeenten. Bij de afweging over nieuw beleid zal het college deze risico’s nadrukkelijk betrekken. Vraag 3.

Welke risico’s ziet het college indien één of meerdere van de opgenomen taakstellingen en stelposten niet gerealiseerd kunnen worden? Antwoord 3: Indien één of meerdere taakstellingen of stelposten niet gerealiseerd kunnen worden, ontstaat het risico dat het begrotingssaldo verslechtert en mogelijk niet langer neutraal of positief blijft. In dat geval zal het college op zoek moeten naar alternatieve maatregelen om de begroting sluitend te houden. Hierbij kan gedacht worden aan het verlagen van lasten, het verhogen van inkomsten of het inzetten van beschikbare reserves. Welke maatregelen passend zijn, hangt af van de aard en omvang van het niet gerealiseerde effect en de financiële omstandigheden op dat moment. Kaderbrief 2027-Financiële gevolgen Meicirculaire 2026 en meerjarenperspectief 2027-2030 350

16-062026

LEV

In de Kaderbrief 2027 wordt aangegeven dat het gepresenteerde financiële meerjarenperspectief mede is gebaseerd op de Zomernota 2026 en de Meicirculaire 2026. Daarnaast wordt in de meerjarenraming uitgegaan van diverse taakstellingen, stelposten, reserveonttrekkingen en een verhoging van de OZB. Uit de Meicirculaire 2026 blijkt tevens dat het Rijk uitgaat van een

rekentarief voor de belastingcapaciteit van gemeenten. Om inzicht te krijgen in de opbouw, duurzaamheid en onderbouwing van het gepresenteerde financiële beeld heeft onze fractie de volgende vragen. Vraag 1. Kan het college per onderdeel van de Meicirculaire 2026 inzichtelijk maken welke bedragen zijn verwerkt in de begrotingsjaren 2027, 2028, 2029 en 2030? Antwoord 1: De stijging van de Meicirculaire wordt voornamelijk veroorzaakt door CDOKE gelden, stijgend accres en veranderende maatstaven. Het effect van de laatste twee zijn verspreid over tientallen afzonderlijke posten in en werken gezamenlijk door in het meerjarige effect van de circulaire. Derhalve is het lastig om een uitsplitsing te maken. Vraag 2. Kan het college specificeren welke onderdelen gezamenlijk leiden tot het in de Kaderbrief opgenomen positieve effect van € 2,227 miljoen in 2027, € 2,223 miljoen in 2028, € 307.000 in 2029 en € 750.000 in 2030? Antwoord 2: Het positieve effect uit de meicirculaire wordt grotendeels verklaard door het overhevelen van de CDOKE-gelden vanuit de specifieke uitkering (SPUK) naar de algemene uitkering vanaf 2027. Dit betreft een structureel batenverhoging van circa € 1,18 miljoen. Het resterende effect bestaat uit een combinatie van wijzigingen in het accres en mutaties in diverse verdeelmaatstaven binnen het gemeentefonds.

Deze effecten zijn verspreid over tientallen afzonderlijke posten in de meicirculaire en werken gezamenlijk door in het meerjarige effect van de circulaire. Vraag 3. Kan het college per onderdeel aangeven welk deel van deze bedragen structureel en welk deel incidenteel van aard is? Antwoord 3: Op dit moment is een volledige uitsplitsing tussen structurele en incidentele effecten slechts beperkt te maken. Dit hangt samen met het feit dat het Rijk de komende jaren nog een herverdeling van het gemeentefonds doorvoert, waardoor de structurele effecten per gemeente nog kunnen wijzigen. Daarnaast geldt dat de CDOKE-gelden weliswaar in de meicirculaire zijn opgenomen in de algemene uitkering, maar dat de structurele toekenning hiervan nog niet definitief is vastgesteld. Hierdoor bestaat op onderdelen nog onzekerheid over de structurele doorwerking van deze middelen. Het college beschouwt de opgenomen effecten daarom voorlopig als een combinatie van structurele en nog niet volledig uitgewerkte financiële ontwikkelingen. Zodra hierover vanuit het Rijk meer duidelijkheid bestaat, zal een nadere uitwerking in volgende P&C producten plaatsvinden.

Vraag 4. Welke financiële effecten uit de Meicirculaire 2026 zijn op dit moment nog niet verwerkt in het gepresenteerde meerjarenperspectief? Antwoord 4: De bijstelling van de Meicirculaire is nog onder voorbehoud omdat de rekenmodellen die beschikbaar worden gesteld door het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) steeds worden aangepast. Daarnaast worden vanuit de organisatie nog mutaties in maatstaven doorgevoerd. Bijvoorbeeld de hoogte van de totale OZB-waarde. Vraag 5. Kan het college aangeven welke gevolgen het bevriezen van het ingroeipad van de nieuwe verdeling van het gemeentefonds heeft voor Edam-Volendam in de jaren 2026 tot en met 2028? Antwoord 5: Dat is op dit moment voor ons nog niet duidelijk. Vraag 6. Welk bedrag zou Edam-Volendam naar verwachting ontvangen indien het ingroeipad volledig zou worden toegepast conform de nieuwe verdeelsystematiek? Antwoord 6. Dat is op dit moment nog niet duidelijk. Het Rijk stelt de nieuwe verdeling van het gemeentefonds met twee jaar uit: deze gaat nu pas per 2029 in, in plaats van per 2027. Vraag 7. In de Kaderbrief wordt een saldo gepresenteerd inclusief taakstellingen, stelposten en reserveonttrekkingen.

Kan het college per begrotingsjaar aangeven welke taakstellingen en stelposten nog niet bestuurlijk zijn ingevuld en welk bedrag hiermee gemoeid is? Antwoord 7: Alle genoemde taakstellingen en stelpost die in de Kaderbrief (tabel 1) genoemd zijn, zijn de posten die reeds openstaan voor de komende begrotingsjaren. De posten zijn toegelicht in het hoofdstuk na tabel 1 in de Kaderbrief. Vraag 8. Kan het college per taakstelling aangeven welke concrete maatregelen noodzakelijk zijn om de geraamde besparing daadwerkelijk te realiseren, welk financieel effect per maatregel wordt verwacht en in welk jaar besluitvorming hierover dient plaats te vinden?

Antwoord 8: De financiële effecten staan uiteengezet in de tabel. Dit kunnen ofwel kostenbesparingen zijn (voor personele taakstelling en stelpost kapitaallasten) of inkomstenverhogingen (voor stelpost VNG en afval). Voor alle stelposten, behalve kostendekkend maken afval, heeft al reeds besluitvorming plaatsgevonden. Vraag 9. Kan het college per reserveonttrekking aangeven welke lasten hiermee worden gedekt, welk bedrag hiermee gemoeid is, in welk begrotingsjaar deze reserveonttrekking plaatsvindt en op welke wijze deze lasten na uitputting van de betreffende reserve structureel worden gefinancierd? Antwoord 9: In de Kadernota 2025 zijn onttrekkingen aan de reserves Sociaal Domein en Oekraïne opgenomen ter overbrugging van de ravijnjaren en de verhoogde uitgaves Jeugdzorg en WMO. Deze zijn separaat in tabel 1 uitgesplitst. Dit is incidentele dekking voor een structurele stijging voor de oplopende Jeugd- en WMO kosten. Daarnaast worden er incidentele uitgaves bekostigd uit de reserves Sociaal Domein en Algemene Reserve, en vinden er dotaties plaats t.g.v. budgetoverhevelingen vanuit eerdere jaren. Vraag 10.

Kan het college een overzicht verstrekken van alle in de meerjarenraming opgenomen taakstellingen, stelposten en nog niet gerealiseerde besparingen, inclusief het jaar van invoering, het geraamde bedrag en de huidige stand van uitvoering? Antwoord 10: Zie Kaderbrief 2027 Vraag 11. Welke gevolgen heeft het VNG-begrotingsadvies van 19 mei 2026 voor de begrotingsopstelling van Edam-Volendam voor de jaren 2027 tot en met 2030? Antwoord 11: Zie toelichting en tabel in de Kaderbrief 2027. Vraag 12. Op welke wijze is rekening gehouden met de door de VNG genoemde onzekerheden rond de jeugdzorg, Wmo en overige rijkscompensaties in het gepresenteerde meerjarenperspectief? Antwoord 12: de lasten structurele lasten zijn geraamd in het meerjarig perspectief in de Zomernota. De additionele stelposten zijn met het oog op rijkscompensaties opgenomen als stelpost, op basis van het begrotingsadvies van de VNG. Zie toelichting in de

kaderbrief. Vraag 13. Voor welke specifieke uitkeringen, decentralisatie-uitkeringen, subsidies en overige financiële regelingen uit de Meicirculaire 2026 kwam Edam-Volendam in aanmerking? Antwoord 13: Decentralisatie provinciale taken vergunningverlening, toezicht en handhaving (DU) Knelpunten verdeelproblematiek (DU Voorschoolse voorziening peuters (DU) Armoedebestrijding kinderen (DU) Participatie (IU) Impulsgelden Weerbaar Bestuur/Veilig wonen (DU) Bibliotheekmiddelen (DU) Versterking omgevingsveiligheidsdiensten (DU) Extra capaciteit BOA's (DU) Wet kwaliteitsborging bouw (DU) Antidiscriminatie voorzieningen (DU) Wet betaalbare huur (DU) Alleenverdienersproblematiek (DU) Register Externe Veiligheidsrisico's (DU) Impulsbudget sociale infrastructuur (DU) Capaciteit decentrale overheden klimaat- en energiebeleid (DU) Overheidsbrede Dienstverlening (DU) Aanvullende ondersteuning lokale energiehulp (DU) IBO problematische schulden (DU) Re-integratiedienstverlening gericht op jongeren (DU) Ondersteuning lokale politieke partijen (DU) Vraag 14.

Kan het college per regeling aangeven of Edam-Volendam hiervoor in aanmerking kwam, of hiervoor een aanvraag is ingediend, welk bedrag is ontvangen of wordt verwacht en, indien geen aanvraag is ingediend, wat hiervan de reden is? Antwoord 14: Edam-Volendam kwam in aanmerking voor de regelingen die worden genoemd onder vraag 13. Vraag 15. Kan het college aangeven welke financiële ontwikkelingen, verplichtingen, risico’s of onzekerheden op dit moment nog niet zijn verwerkt in het gepresenteerde meerjarige begrotingssaldo, maar naar verwachting wel van invloed kunnen zijn op de begroting 2027-2030? Antwoord 15: Hoewel de op dit moment bekende ontwikkelingen zoveel mogelijk zijn verwerkt in het meerjarige begrotingssaldo, blijft de begroting gevoelig voor externe ontwikkelingen die momenteel nog onvoldoende concreet zijn om financieel te ramen. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan inflatie, geopolitieke ontwikkelingen, energieprijzen, netcongestie en wijzigingen in landelijke wet- en regelgeving of rijksbeleid. Zodra de financiële effecten hiervan concreter en kwantificeerbaar zijn, worden deze verwerkt in toekomstige P&C-documenten. Daarnaast, zoals uiteengezet in de Kaderbrief, onderkent het college additionele risico's voor stijging kosten afvalinzameling/verwerking, het IHP en de toeristenbelasting. Voor toelichting verwijs wij naar de Kaderbrief.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EdamVolendam&id=e416d90c-a8ba-4293-bf65-57594e177407