CConstaterende datEdam-Volendam
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting verordening VFL definitief_1.docx.pdf

Raadsvergadering 27 januari 2022, gemeente Edam-VolendamBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen Verordening fysieke leefomgeving (VFL).16.847 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Geleidelijke implementatie van bestemmingsplannen is enerzijds een voordeel omdat de cultuurhistorische onderzoeken die ten grondslag liggen aan het systeem niet gelijktijdig hoeven

P A G I N A 19 V A N 4 0

worden uitgevoerd. Anderzijds zijn de cultuurhistorisch waardevolle objecten en gebieden tot aan de actualisatie niet beschermd. Waardering en onderbouwing Door middel van het format “Cultuurhistorisch rapport”, zoals opgenomen in Bijlage A zal een beschrijving van een pand of object worden opgesteld en gewaardeerd. Het monumentennummer is straks een belangrijke, uniforme, door de gemeente toe te wijzen code. Bovendien is dit nummer een ingang om het cultuurhistorische rapport van het betreffende object later terug te vinden. Het Monumentennummer bestaat uit de vier eerste letters van de plaatsnaam, plus vier (vrije) letters van de straat in combinatie met het “huisnummer”. Ter verduidelijking 2 voorbeelden: het perceel Haven 2 te Volendam krijgt als nummer: “VOLE-HAVN 2”. Het nummer van het perceel Oorgat 38 in Edam wordt dan: “EDAM-ORGT 38”. Het is wel de bedoeling om een eenmaal gekozen of gebruikte afkorting van een bepaalde straat consequent te gebruiken. De betekenis van de onderdelen 2 t/m 6 van het format spreken voor zichzelf. Het bestuursorgaan vult deze gegevens in en controleert die, alvorens het betreffende bureau de beschrijving opstelt. De onderdelen 7 t/m 20 van het cultuurhistorisch rapport hebben betrekking op de aspecten die van belang zijn om vast te leggen bij een potentieel gemeentelijk monument.

Waar het gaat om de objecten tevens zijnde gebouwen, of onderdelen daarvan, kent de gemeentelijke Erfgoedverordening een indeling van: - karakteristiek waardevol bouwwerk, d.w.z. een bouwwerk met een hoge cultuurhistorische en/of architectonische waarden waarvan het exterieur van het gebouw, dan wel delen daarvan, zoals omschreven in het betreffende cultuurhistorisch rapport bescherming geniet in gevolge een dubbelbestemming in het bestemmingsplan; - beeldbepalend bouwwerken, d.w.z. een bouwwerk met een gemiddelde cultuurhistorische en/of architectonische waarden waarvan het exterieur van het gebouw, zoals omschreven in het betreffende cultuurhistorisch rapport bescherming geniet in gevolge een dubbelbestemming in het bestemmingsplan; - stolp, d.w.z. een specifieke verschijningsvorm van een beeldbepalend bouwwerk, tenzij in gevolge het voor de onroerende zaak opgestelde cultuurhistorisch rapport sprake is van een karakteristiek waardevol bouwwerk. Om te kunnen spreken van de kwalificatie “hoge cultuurhistorische en/of architectonische waarden” zal de waardebepaling van het object moeten uitkomen bij een score tussen de 14 t/m 20 punten volgens onderstaande puntenverdeling. Voor de kwalificatie “gemiddelde cultuurhistorische en/of architectonische waarden” geldt in dit verband een score van tussen 8 t/m 13 punten.

Puntenverdeling Nr Omschrijving Toelichting Maximale score 7 Functie Van belang vanwege cultuurhistorische aspecten 1 punt vanwege het (voormalige) gebruik.

P A G I N A 20 V A N 4 0

8

Bouwjaar

19

Stijl/gaafheid

10

Stijl/gaafheid

11

Stijl/gaafheid

12

Stijl/gaafheid

13

Stijl/gaafheid

14

Stijl/gaafheid

15

Historisch belang

16

Historisch belang

17

Historisch belang

18

Historisch belang

19

Historisch belang

20

Historisch belang

Waardestelling gehele object

Hierbij is gekozen als ‘peildatum’ objecten vóór of na 1960 (ouder dan 50 jaar of niet. Van belang vanwege de architectonische gaafheid van het exterieur. Van belang vanwege een bepaalde stijl of bouwtrant. Van belang vanwege bijzondere esthetische kwaliteiten (zoals gevelindeling, bijzondere detaillering, materiaal- en/of kleurgebruik etc.) Van belang vanwege een unieke (bouw)techniek of (bouw)type. Van belang vanwege een bekende architect en/of de plaatselijke, regionale en/of landelijke architectuurgeschiedenis. Van belang vanwege de oorspronkelijkheid of de bijzonderheid van (een onderdeel van) het exterieur. Van belang vanwege het feit dat het object samen met andere delen of objecten (gebouwen, hekwerken, entree, tuin) een karakteristiek historisch complex of historische stedenbouwkundige structuur vormt. Van belang vanwege het feit dat het object als onderdeel van een historisch gegroeid stedelijk gebied, lint of landelijk gebied daarin beeldbepalend is. Van belang vanwege de bijzondere betekenis van het object voor het aanzien van een streek, stad, dorp of wijk (oriëntatiepunt). Van belang vanwege het feit dat het object deel uitmaakt van een gebied met een grote continuïteit, waardoor het historische patroon van verkaveling, wegen en waterlopen goed geconserveerd is gebleven.

Van belang vanwege de historische herinne-ringen verbonden aan het object in de ruimste zin van het woord (feiten, gebeurtenissen, eigenaren/bewoners, beroepen etc.). Van belang vanwege een plaatselijke, regionale of landelijke historische ontwikkeling (op sociaal, cultureel, technisch, bestuurlijk, economisch gebied etc.).

2 punten 1 punt 1 punt 4 punten 1 punt 1 punt 1 punt 1 punt

1 punt

1 punt 1 punt

2 punten

2 punten

20 punten

De onderdelen 8, 11, 19 en 20 zijn zodanig relevant voor de uiteindelijke waardebepaling, dat aan deze aspecten meer gewicht is toegekend door ook een hogere score mogelijk te maken.

P A G I N A 21 V A N 4 0

De criteria op basis waarvan de beoordeling wordt gemaakt zijn allemaal gesteld in de vorm van “Ja of Nee”. Indien aan een criterium wordt voldaan (antwoord = “Ja”), dan geldt voor vraag 8 per definitie een score van 2 punten. Bij de vragen 19 en 20 is een score mogelijk, die varieert van 1 of maximaal 2 punten per onderdeel, dat afhangt van de feitelijke waardering. Het onderscheid dat hierbij wordt gemaakt is “gemiddeld van belang” of “in hoge mate van belang”, dat leidt tot een score van respectievelijk 1 of 2 punten voor die onderdelen. Bij vraag 11 is een maximum van 4 punten haalbaar, dat tevens afhangt van de feitelijke waardering. De totale, score per object is bepaald op maximaal 20 punten. De score of waardebepaling vindt plaats na de beoordeling in het veld (de beschrijving). Hierbij geldt in de relatie tot de erfgoedverordening de volgende onderverdeling.

I

II 19

Omschrijving Karakteristiek waardevol bouwwerk

Score 14 t/m 20

Beeldbepalend bouwwerk Geen status

8 t/m 13 0 t/m 7

Bestemmingsplanregeling Artikel 1 - begrippen 1.beeldbepalend bouwwerk: een bouwwerk met een gemiddelde cultuurhistorische en/of architectonische waarde, dat wil zeggen een cultuurhistorische waardestelling met een score van 8 tot en met 13 punten, en waarvan het exterieur van het gebouw/bouwwerk, zoals omschreven in het als bijlage toegevoegde cultuurhistorisch rapport ‘Inventarisatie’, als gemeentelijk monument bescherming geniet in gevolge de dubbelbestemming ‘Waarde–Edams-Volendams erfgoed’; 2.boerderij: Veelal van oorsprong voor agrarisch doel (inclusief wonen) opgericht gebouw op een grotendeels vierkante plattegrond, bestaande uit één bouwlaag met een piramidevormig dak; 3.bouwhistorisch onderzoek: een onderzoek naar de ontstaansgeschiedenis en ontwikkeling van een gebouw of ensemble met een nadruk op de fysieke samenstelling, conform de ‘Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek’ van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; 4.contra-expertise: een deskundigenadvies met daarin een afweging van de cultuurhistorische waarde ten opzichte van de bouwtechnische staat van het object, zoals aangegeven in een bouwhistorisch onderzoek; 5.cultureel erfgoed: alle materiële getuigenissen uit het verleden die de samenleving van belang vindt om te conserveren, te onderzoeken, te presenteren en over te informeren;

P A G I N A 22 V A N 4 0

6.cultuurhistorisch attentiegebied: een gebied gekenmerkt door een ruimtelijke, cultuurhistorische en/of architectonische waarde, zoals omschreven in het als bijlage toegevoegde cultuurhistorisch rapport ‘Cultuurhistorische verkenning’, en dat bescherming geniet in gevolge de dubbelbestemming “Waarde–Edams-Volendams erfgoed”; 7.cultuurhistorische waarde: de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat bouwwerk of gebied; 8.cultuurhistorische waardestelling: een toegekende samenhangende waardestelling op het gebied van algemene historische waarden en/of de ensemblewaarden en/of de architectuurhistorische waarden en/of de bouwhistorische waarden en/of de waarden vanuit de gebruikshistorie, toegekend aan een zaak en/of object en/of gebied, vastgelegd in een cultuurhistorisch rapport, met als mogelijke uitkomsten na beoordeling: -

een bouwwerk met een hoge cultuurhistorische en/of architectonische waarden: een uitkomst c.q. score van 14 tot en met 20 punten;

-

een bouwwerk met een gemiddelde cultuurhistorische en/of architectonische waarden: een uitkomst c.q. score van 8 tot en met 13 punten;

-

een bouwwerk met een lage cultuurhistorische en/of architectonische waarden en zonder specifieke status: een uitkomst c.q. score van 0 tot en met 7 punten.

9.cultuurhistorisch rapport: onderzoek waarin de algemene historische waarden en/of de ensemblewaarden en/of de architectonische waarden en/of de bouwhistorische waarden en/of de waarden vanuit de gebruikhistorie zijn geïnventariseerd en vastgelegd en door middel waarvan op basis van het puntensysteem op de onderdelen 7 tot met 20 van het cultuurhistorisch rapport een score haalbaar is van 0 tot en met 20 punten. 10.karakteristiek waardevol bouwwerk: een bouwwerk met een hoge cultuurhistorische en/of architectonische waarde, dat wil zeggen een cultuurhistorische waardestelling met een score van 14 tot en met 20 punten, en waarvan het exterieur van het gebouw/bouwwerk, zoals omschreven in het als bijlage toegevoegde cultuurhistorisch rapport ‘Inventarisatie’, als gemeentelijk monument bescherming geniet in gevolge de dubbelbestemming ‘Waarde-Edams-Volendams erfgoed’; 11.monumentencommissie: de op basis van artikel 15 Monumentenwet 1988 ingestelde commissie met als taak het college op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de erfgoedverordening en het monumentenbeleid (inclusief het Planologisch Erfgoedregime en de mede hierop gebaseerde bestemmingsplannen); 12.

puntensysteem en maximale score cultuurhistorisch rapport Nr Omschrijving Toelichting Maximale score 7 Functie Van belang vanwege cultuurhistorische aspecten 1 punt vanwege het (voormalige) gebruik.

P A G I N A 23 V A N 4 0

8

Bouwjaar

19

Stijl/gaafheid

10

Stijl/gaafheid

11

Stijl/gaafheid

12

Stijl/gaafheid

13

Stijl/gaafheid

14

Stijl/gaafheid

15

Historisch belang

16

Historisch belang

17

Historisch belang

18

Historisch belang

19

Historisch belang

20

Historisch belang

Waardestelling gehele object

Hierbij is gekozen als ‘peildatum’ objecten vóór of na 1960 (ouder dan 50 jaar of niet. Van belang vanwege de architectonische gaafheid van het exterieur. Van belang vanwege een bepaalde stijl of bouwtrant. Van belang vanwege bijzondere esthetische kwaliteiten (zoals gevelindeling, bijzondere detaillering, materiaal- en/of kleurgebruik etc.) Van belang vanwege een unieke (bouw)techniek of (bouw)type. Van belang vanwege een bekende architect en/of de plaatselijke, regionale en/of landelijke architectuurgeschiedenis. Van belang vanwege de oorspronkelijkheid of de bijzonderheid van (een onderdeel van) het exterieur. Van belang vanwege het feit dat het object samen met andere delen of objecten (gebouwen, hekwerken, entree, tuin) een karakteristiek historisch complex of historische stedenbouwkundige structuur vormt. Van belang vanwege het feit dat het object als onderdeel van een historisch gegroeid stedelijk gebied, lint of landelijk gebied daarin beeldbepalend is. Van belang vanwege de bijzondere betekenis van het object voor het aanzien van een streek, stad, dorp of wijk (oriëntatiepunt). Van belang vanwege het feit dat het object deel uitmaakt van een gebied met een grote continuïteit, waardoor het historische patroon van verkaveling, wegen en waterlopen goed geconserveerd is gebleven.

Van belang vanwege de historische herinne-ringen verbonden aan het object in de ruimste zin van het woord (feiten, gebeurtenissen, eigenaren/bewoners, beroepen etc.). Van belang vanwege een plaatselijke, regionale of landelijke historische ontwikkeling (op sociaal, cultureel, technisch, bestuurlijk, economisch gebied etc.).

2 punten 1 punt 1 punt 4 punten 1 punt 1 punt 1 punt 1 punt

1 punt

1 punt 1 punt

2 punten

2 punten

20 punten

P A G I N A 24 V A N 4 0

13. stolp: een specifieke verschijningsvorm van een beeldbepalend bouwwerk, tenzij in gevolge het voor de onroerende zaak opgestelde cultuurhistorische rapport sprake is van een karakteristiek waardevol bouwwerk; 14. waardevol cultuurhistorisch element: object of bouwwerk, niet zijnde een gebouw, met cultuurhistorische waarde, zoals omschreven in het als bijlage toegevoegde cultuurhistorisch rapport, en dat als gemeentelijk monument bescherming geniet ingevolge de dubbelbestemming “Waarde-Edams-Volendams erfgoed”. Artikel X – Waarde – Edams-Volendams erfgoed x.1 Bestemmingsomschrijving 1. De voor ‘Waarde – Edams-Volendams erfgoed’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en) mede bestemd voor de bescherming van het op die gronden aanwezige cultureel erfgoed. 2. De voor ‘Waarde – Edams-Volendams erfgoed’ aangewezen gronden kennen de volgende onderverdeling van het op die gronden aanwezige cultureel erfgoed, waarbij het onder 1 t/m 5 genoemde erfgoed overeenkomstig het bepaalde in de gemeentelijke Erfgoedverordening de status heeft van gemeentelijk monument: 3.

ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – karakteristiek waardevol bouwwerk’: karakteristiek waardevol bouwwerk, met dien verstande dat sprake is van een bouwwerk met een hoge cultuurhistorische en/of architectonische waarde waarvan het exterieur van het gebouw/bouwwerk, zoals omschreven in het in bijlage ‘X’ opgenomen cultuurhistorisch rapport, wordt beschermd; 4. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – beeldbepalend bouwwerk’: beeldbepalend bouwwerk, met dien verstande dat sprake is van een bouwwerk met een gemiddelde cultuurhistorische en/of architectonische waarde en waarvan het exterieur van het gebouw/bouwwerk, zoals omschreven in het in bijlage ‘X’ opgenomen cultuurhistorisch rapport, wordt beschermd; 5. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – stolp’: stolp, met dien verstande dat sprake is van een bouwwerk met een gemiddelde cultuurhistorische en/of architectonische waarde en waarvan het exterieur van het gebouw/bouwwerk, zoals omschreven in het in bijlage ‘X’ opgenomen cultuurhistorisch rapport, wordt beschermd; 6.

ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – waardevol cultuurhistorisch element’: waardevol cultuurhistorisch element, met dien verstande dat sprake is van een object of bouwwerk met cultuurhistorische en/of architectonische waarde, zoals omschreven in het in bijlage ‘X’ opgenomen cultuurhistorisch rapport, dat wordt beschermd; 7. ter plaatse van de aanduiding ‘cultuurhistorisch attentiegebied’: cultuurhistorisch attentiegebied, met dien verstande dat sprake is van een gebied gekenmerkt door een samenhangende ruimtelijke, cultuurhistorische en/of architectonische waarde, zoals omschreven in het in bijlage ‘X’ toegevoegde cultuurhistorisch rapport en dat wordt beschermd.

P A G I N A 25 V A N 4 0

x.2 Bouwregels 1. Op de voor ‘Waarde – Edams-Volendams erfgoed’ aangewezen gronden, voor zover het daarbij gaat om beschermde gemeentelijke monumenten, mag uitsluitend worden gebouwd indien: bebouwing mogelijk is krachtens de onderliggende bestemming en -

de bestaande cultuurhistorische waardestelling niet wordt aangetast door wezenlijke veranderingen in het stedenbouwkundige en architectonische beeld, bepaald door situering, massa, kapvorm, hoogtematen, gevel- en raamindeling en gevelafwerking met kleur en materiaalgebruik, zulks met inbegrip van waardevolle details en

-

de bouwwerkzaamheden niet strijdig zijn met:

-

de toegekende cultuurhistorische waardestelling zoals neergelegd in het in bijlage ‘X’ opgenomen cultuurhistorisch rapport;

-

de van toepassing zijnde algemene uitgangspunten zoals opgenomen in artikel 4 van de Erfgoedverordening.

1. In afwijking van het bepaalde in lid a mag ter plaatse van de aanduiding ´specifieke bouwaanduiding – beeldbepalend bouwwerk´: 2. het bouwwerk geheel worden vernieuwd met inachtneming van de toegekende cultuurhistorische waardestelling en voor zover de gemeentelijke monumentencommissie en/of Noordhollandse welstandscommissie positief adviseert; 3. het bouwwerk gedeeltelijk worden vernieuwd of gewijzigd in afwijking van de toegekende cultuurhistorische waardestelling en voor zover de gemeentelijke monumentencommissie en/of Noordhollandse welstandscommissie positief adviseert. 4. In afwijking van het bepaalde in lid a mag ter plaatse van de aanduiding ´specifieke bouwaanduiding – stolp´ het bouwwerk geheel of gedeeltelijk worden vernieuwd in de vorm van een boerderij, bepaald door de grootte van het oorspronkelijke vloeroppervlak, de afmetingen van het authentieke vierkant en de aangegeven goot- en bouwhoogte. 5. In afwijking van het bepaalde in lid a mag ter plaatse van de aanduiding ´cultuurhistorisch attentiegebied´, met uitzondering van de daar aanwezige karakteristiek waardevolle bouwwerken, beeldbepalende bouwwerken en waardevol cultuurhistorische elementen: 6. bestaande bouwwerken c.q. hoofdgebouwen geheel of gedeeltelijk worden vernieuwd conform de onderliggende bestemming, met inachtneming van: 1.

de toegekende cultuurhistorische waardestelling zoals neergelegd in het Bijlage X, deelrapport X opgenomen cultuurhistorisch rapport; 2. de van toepassing zijnde algemene uitgangspunten zoals opgenomen in artikel 4 van de Erfgoedverordening.

P A G I N A 26 V A N 4 0

1. Geheel nieuwe bouwwerken c.q. hoofdgebouwen worden gebouwd conform de onderliggende bestemming; 1. de toegekende cultuurhistorische waardestelling zoals neergelegd in het Bijlage X, deelrapport X opgenomen cultuurhistorisch rapport; 2. de van toepassing zijnde algemene uitgangspunten zoals opgenomen in artikel 4 van de Erfgoedverordening. x.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan, mits gebouwd wordt krachtens de onderliggende bestemming, een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel x.2 onder a, voor: 1. het gedeeltelijk vernieuwen van een karakteristiek waardevol bouwwerk of waardevol cultuurhistorisch element, mits 1. de werkzaamheden binnen de cultuurhistorische waardestelling blijven dan wel een kwalitatieve bijdrage aan de genoemde waarden leveren en; 2. er geen wezenlijke veranderingen worden aangebracht in het stedenbouwkundige en architectonische beeld en; 3. de gemeentelijke monumentencommissie en/of Noordhollandse welstandscommissie positief adviseert. 4. Voor zover het voor een goede besluitvorming van belang is, kan het college de aanvrager verzoeken een restauratieplan van het object te overleggen. 2. het restauratieplan, bedoeld in lid a, onder 4 bestaat uit: 1. een beschrijving van de technische staat van het monument, waarbij de gebreken van het monument nauwkeurig staan vermeld; 2.

overzichts- en detailfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument en zijn gebreken; 3. tekeningen van de bestaande toestand van het gemeentelijk monument en tekeningen waarop de voorgenomen herstelwerkzaamheden of wijzigingen staan aangegeven. 4. Een op de onder 1 bedoelde beschrijving gebaseerd bestek of werkomschrijving per onderdeel van de toe te passen constructies, materialen, afwerkingen en kleuren alsmede van de wijze van verwerking daarvan; 5. Een begroting die niet ouder is dan twee jaar en is gespecificeerd in hoeveelheden uren, materialen, stelposten en onderaannemers, en; 6. In voorkomende gevallen rapporten inzake bouwfysische, bouwhistorische, constructieve, decoratieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten. x.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden 1. een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument kan worden verleend, indien: 1. de directe of indirecte gevolgen van de in de aanvraag genoemde werken en/of werkzaamheden niet leiden tot een verandering en/of aantasting van het gemeentelijk monument; 2. de gemeentelijke monumentencommissie en/of Noordhollandse welstandscommissie positief adviseert. 3.

Voor zover het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, dan wel de directe of indirecte gevolgen van de in de aanvraag genoemde werken en/of

P A G I N A 27 V A N 4 0

werkzaamheden, wel leiden tot een verandering en/of aantasting van een gemeentelijk monument, kan aan de omgevingsvergunning de verplichting tot het treffen van maatregelen worden verbonden, waardoor de toegekende cultuurhistorische waardestelling van het betreffende monument kan worden behouden. x.5 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk Een omgevingsvergunning voor het slopen van een gemeentelijk monument kan worden verleend, indien: 1. voor zover het bouwwerken betreft die als karakteristiek waardevol bouwwerk of waardevol cultuurhistorisch element zijn aangeduid, ingevolge artikel x.3 onder a is afgeweken van de bouwregels; 2. voor zover het bouwwerken betreft die als beeldbepalend bouwwerk zijn aangeduid, medewerking conform artikel x.2 onder b mogelijk is; 3. voor zover het bouwwerken betreft die als stolp zijn aangeduid, medewerking conform artikel x.2 onder c mogelijk is; 4. voor zover het werken betreft die als cultuurhistorisch attentiegebied zijn aangeduid, medewerking conform artikel x.2 onder d mogelijk is. x.6 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van de Wet ruimtelijke ordening het bestemmingsplan te wijzigen door: 1.

de gebieden of bouwwerken ter plaatse van de aanduidingen ‘specifieke bouwaanduiding – karakteristiek waardevol bouwwerk’, ‘specifieke bouwaanduiding – beeldbepalend bouwwerk’, ´specifieke bouwaanduiding – stolp´, ‘specifieke bouwaanduiding - waardevol cultuurhistorische element’, ‘cultuurhistorisch attentiegebied’, de voormelde aanduiding geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van een contra-expertise is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen cultuurhistorische waardestelling (meer) aanwezig zijn, dan wel deze waarden niet meer als zodanig bescherming behoeven; 2.op terreinen en hun opstallen alsnog de aanduidingen ‘specifieke bouwaanduiding – karakteristiek waardevol bouwwerk’, ‘specifieke bouwaanduiding – beeldbepalend bouwwerk’, ´specifieke bouwaanduiding – stolp´, ‘specifieke bouwaanduiding - waardevol cultuurhistorisch element’, ‘cultuurhistorische attentiegebied’, te leggen, indien de noodzaak hiertoe blijkt uit een nader cultuurhistorisch rapport; 3. de bestemming ‘Waarde – Edams-Volendams erfgoed’ naar ligging wordt verschoven of naar omvang wordt vergroot of verkleind en in voorkomend geval wordt verwijderd, voor zover de noodzaak hiertoe blijkt uit een nader cultuurhistorisch rapport of contra-expertise. Erfgoedverordening Edam-Volendam

Bijlage A (formulier voor beschrijven monumenten) GEMEENTE EDAM–VOLENDAM Cultuurhistorisch rapport

objecten gemeente Edam–Volendam

P A G I N A 28 V A N 4 0

1) 2)

Monumentennummer Datum rapport

3) 4) 5)

Naam complex / object Straatnaam Plaats

6)

Kadastrale gegevens

Gemeente: Sectie: Nummer:

Foto object

7)

8)

9)

Functie Is het object van belang vanwege zijn (voormalige) functie?

NEE

JA

Toelichting

Bouwjaar Is object van vóór 1960?

NEE

JA

Score: Toelichting

Stijl/Gaafheid Is het object van belang wegens de architectonische gaafheid van het exterieur?

NEE

JA

Score: Toelichting

Score 10)

Is het object een goed voorbeeld van een bepaalde stijl of bouwtrant? Score:

11)

Bezit het object bijzondere esthetische kwaliteiten (zoals gevelindeling, bijzondere detaillering, materiaal- en/of kleurgebruik etc.)? Score:

12)

Vertegenwoordigt het object een uniek(e) (bouw)techniek of (bouw)type?

13)

Neem het object een belangrijke plaats in het oeuvre van een bekende architect en/of de plaatselijke, regionale en/of landelijke architectuurgeschiedenis?

Score:

Score

P A G I N A 29 V A N 4 0

14)

15)

Is het object van belang vanwege de oorspronkelijkheid of de bijzonderheid van (een onderdeel van) het exterieur? (Plaatselijk) historisch belang Vormt het object samen met andere delen of objecten (gebouwen, hekwerken, entree, tuin) een karakteris-tiek historisch complex of historische stedenbouwkundige structuur?

NEE

JA

Score: Toelichting

Score: 16)

Is het object als onderdeel van een historisch gegroeid stedelijk gebied, lint of landelijk gebied daarin beeldbepalend? Score:

17)

Heeft het object een bijzondere betekenis voor het aanzien van een streek, stad, dorp of wijk (oriëntatiepunt)? Score:

18)

19)

Maakt het object deel uit van een gebied met een grote continuïteit, waardoor het historische patroon van verkaveling, wegen en waterlopen goed geconserveerd is gebleven? (Plaatselijk) historisch belang Zijn aan het object historische herinneringen verbonden in de ruimste zin van het woord (feiten, gebeurtenissen, eigenaren/bewoners, beroepen etc.)?

NEE

JA

Score Toelichting

Score: 20)

Is het object van belang vanwege een plaatselijke, regionale of landelijke historische ontwikkeling (op sociaal, cultureel, technisch, bestuurlijk, economisch gebied etc.)? Score totaal onderdelen 7 t/m 20

Score: Score totaal:

Overige foto’s

P A G I N A 30 V A N 4 0

Toelichting Bouwverordening Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen Bouwwerk en gebouw De definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt gebruik van de als bekend veronderstelde term bouwwerk. De inhoud van de term bouwwerk wordt bepaald door de begripsomschrijving in de Model Bouwverordening (MBV) en de jurisprudentie. De Woningwet maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen gebouwen en bouwwerken, niet zijnde een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald in artikel 1 van de Woningwet. Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente Algemeen Sinds 1 juli 2008 geldt de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In afwijking van de daarvoor geldende Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) moet op grond van de nieuwe wet ook een bestemmingsplan worden vastgesteld voor de bebouwde kom. Ook bestaat de mogelijkheid een beheersverordening vast te stellen, indien voor het betreffende gebied geen grote veranderingen worden verwacht. Een beheersverordening vervangt een bestemmingsplan. Op grond van overgangsrecht dient uiterlijk op 1 juli 2013 een bestemmingsplan nieuwe stijl of beheersverordening te gelden voor alle gebieden van de gemeente. De bouwverordening voorziet in hoofdstuk 2 in de stedenbouwkundige bepalingen voor gebieden waar geen bestemmingsplan geldt.

Het vaststellen van een bestemmingsplan voor de bebouwde kom kan gevolgen hebben voor dit artikel en de daarop gebaseerde kaartbijlagen. Wanneer voor de bebouwde kom een bestemmingsplan wordt vastgesteld, dient te worden bezien of en in hoeverre artikel 1.3 van de bouwverordening daarop moet worden afgestemd of wellicht overbodig is geworden. Het is toegestaan op grond van artikel 1.3 voor verschillende gebieden binnen de gemeente een andere variant uit de MBV vast te stellen met voor elk gebied een eigen kaartbijlage. Zie hiervoor ook paragraaf 2.5 van deze toelichting. Hoofdstuk 2. De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen Algemeen Regeling omgevingsrecht De indieningvereisten staan vermeld in artikel 7.2 van de Regeling omgevingsrecht (Mor). De Mor vervangt op dit punt het Besluit indieningvereisten aanvraag bouwvergunning.

P A G I N A 31 V A N 4 0

De indiening van de in art. 7.2 Mor en andere voor de beoordeling van de aanvraag noodzakelijke gegevens kan het bevoegd gezag verlangen op grond van art. 4.2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto art. 4.4 Besluit omgevingsrecht (Bor). Wet BIBOB De Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur (BIBOB), Stb. 2002, 347, en het daaraan gekoppelde Besluit BIBOB, Stb. 2003, 180 zijn per 1 juni 2003 in werking getreden (Stb. 2003, 216) en nadien gewijzigd, laatstelijk in 2011. Deze wet houdt in dat na ontvangst van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, door het bevoegd gezag wordt beoordeeld of over de aanvrager een integriteitadvies wordt gevraagd bij het Bureau BIBOB. Dit bureau ressorteert onder het ministerie van Justitie en is bevoegd om onderzoek te doen naar de antecedenten van de aanvrager - zowel natuurlijke als rechtspersonen - en naar de herkomst van de gelden waarmee het bouwproject wordt gefinancierd. Een negatief advies kan voor het bevoegd gezag aanleiding zijn de omgevingsvergunning te weigeren. Het vragen van een advies door het bevoegd gezag is facultatief. Indien een advies bij het Bureau BIBOB wordt gevraagd, schort de termijn voor de behandeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen met maximaal acht weken op (4 weken + verlenging 4 weken); artikelen. 15 en 31 Wet Bibob).

Algemene wet bestuursrecht De Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft algemene regels voor het rechtsverkeer tussen burger en overheid. Ook de rechtsbescherming tegen besluiten van de overheid is in de Awb opgenomen. De Awb is bij de voorbereiding van besluiten van belang voor de te volgen procedure. Dit geldt onder meer voor de gevallen waarin Afdeling 3.4 over de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Wet ruimtelijke ordening Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter vervanging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). Beoogd was om met de invoering van de Wro de stedenbouwkundige voorschriften uit de bouwverordening, inclusief de regeling betreffende het parkeren, geleidelijk zijn werkingskracht te laten verliezen. Met de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (Stb. 2008, 180) werd aanvankelijk de mogelijkheid om stedenbouwkundige bepalingen op te nemen in de bouwverordening geschrapt. Hiervan werd in eerste instantie afgezien omdat destijds te veel vragen bestonden of en over de wijze waarop het parkeren in het bestemmingsplan zou kunnen worden geregeld. Dit betrof met name het parkeernormenartikel (2.5.30). De betreffende bepaling uit de Invoeringswet is nooit inwerking getreden.

Het geleidelijk laten verliezen van de werkingskracht van de stedenbouwkundige voorschriften uit de bouwverordening is echter op 29 november 2014 door de Reparatiewet BZK 2014 geregeld door een aantal wijzigingen in de Woningwet. Zie hiervoor de toelichting bij paragraaf 2.5. Op 1 november 2014 is het ‘Besluit tot wijziging diverse algemene maatregelen van bestuur in verband met permanent maken Crisis- en herstelwet’ (Wijzigingsbesluit) in werking getreden (Stb.2014, 333) . Hierdoor werd het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd. Daarin werd (de reeds bestaande mogelijkheid) expliciet vastgelegd om ‘interpreterende’ beleidsregels vast te stellen voor de uitoefening van een bevoegdheid in een bestemmingsplan. Deze mogelijkheid kan worden gebruikt bij het regelen van het ‘parkeren’ in het bestemmingsplan.

P A G I N A 32 V A N 4 0

Artikel 3.1.2 Bro maakt duidelijk dat een bestemmingsplan regels kan bevatten waarvan de uitleg bij het gebruik van een bevoegdheid afhankelijk wordt gesteld van later vast te stellen beleidsregels. Deze bepaling is toegevoegd om buiten twijfel te stellen dat net als in een gewone verordening ook in een bestemmingsplan regels kunnen worden gesteld die een zekere interpretatieruimte laten die later aan de hand van beleidsregels kan worden ingevuld. Hierbij is echter wel de nodige voorzichtigheid geboden, gelet op de vereiste rechtszekerheid in de bestemmingsplanjurisprudentie: de bestemmingsplanregels moeten voldoende concreet zijn. Met de wijziging van het Bro wordt tegemoet gekomen aan de wens uit de praktijk om de in een bestemmingsplan op te nemen parkeernorm via beleidsregels verder uit te werken en om te kunnen (blijven) werken met een parkeerfonds, net zoals dat nu gebeurt via de regeling in de bouwverordening. Bij het opnemen van een parkeernormenregeling in een bestemmingsplan kan gewerkt worden met de mogelijkheid om af te wijken van een parkeereis door het verlenen van een (binnenplanse) omgevingsvergunning. Dan wordt aan een voorwaardelijke verplichting een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid verbonden waaraan voorwaarden worden verbonden.

Bijvoorbeeld dat van een gestelde parkeereis op eigen terrein kan worden afgeweken indien de parkeerbehoefte elders kan worden opgevangen. Veel gemeenten werken al met een parkeerfonds. Die praktijk kan op deze wijze, ook bij een parkeernormenregeling die is opgenomen in een bestemmingsplan, worden gecontinueerd. In het Wijzigingsbesluit is niet expliciet voorzien in de mogelijkheid zogenoemde voorwaardelijke verplichtingen in een bestemmingsplan op te kunnen nemen omdat het werken met voorwaardelijke verplichtingen in een bestemmingsplan inmiddels gemeengoed is geworden. De mogelijkheid om hiermee te werken is inmiddels in een ruime hoeveelheid jurisprudentie bevestigd. Nu duidelijk is dat een regeling over het parkeren ook in het bestemmingsplan kan worden opgenomen, en de grondslag in de Woningwet voor de stedenbouwkundige bepalingen in de bouwverordening door de Reparatiewet BZK 2014 definitief is weggenomen (zie de toelichting bij paragraaf 2.5), zullen de stedenbouwkundige voorschriften uit de bouwverordening, net als andere delen van de bouwverordening, geleidelijk via overgangsrecht ‘uitsterven’. Daarmee zal de bouwverordening als instrument op termijn verdwijnen.

Het is dan ook raadzaam voor gemeenten om ervoor te zorgen dat de stedenbouwkundige regelingen en dan met name de parkeernormenregeling uit uw bouwverordening voor 1 juli 2018 worden ondergebracht in de bestemmingsplannen binnen de gemeente. Informatie over de manier waarop dat kan kunt u vinden via Platform31 ( http://www.platform31.nl/ ) of Rho (http://www.rho.nl/). Zie bijvoorbeeld het supplement Op Dezelfde leest: ‘Parkeren en bestemmingsplan’ van 2011/2. Voor nieuwe bestemmingsplannen hebben gemeenten echter geen tijd tot 1 juli 2018 om dit te regelen. Hier moet nu meteen al een keuze in het bestemmingsplan gemaakt worden ten aanzien van de regeling van de nu vervallen onderwerpen in de bouwverordening. Voor op korte termijn vast te stellen bestemmingsplannen ontbreekt vaak de voorbereidingstijd daarvoor. Dit is met name het geval bij de regeling van het parkeren. Vandaar dat een modelbepaling is ontworpen, die vergelijkbaar is met de huidige parkeernormenbepaling in de bouwverordening en die in het

P A G I N A 33 V A N 4 0

bestemmingsplan kan worden opgenomen. Deze is te vinden op de website van Rho adviseurs: http://www.rho.nl/. ‘Parkeernormregelingen’ zijn verder te vinden op http://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/roo/?. Zie bijvoorbeeld http://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO... en http://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.... WOB en de openbaarheid van gegevens aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen De aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen ligt op grond van art. 3.8 Wabo voor een ieder ter inzage. Bij het indienen van een verzoek om een omgevingsvergunning voor het bouwen kan de aanvrager gemotiveerd verzoeken bepaalde gegevens niet openbaar ter inzage te leggen. De gegevens die op grond van de Wabo ter inzage liggen zijn de zakelijke gegevens die nodig zijn bij de beoordeling van het ingediende bouwplan. De gegevens die de gemeente inwint op grond van de Wet BIBOB liggen niet ter inzage. Deze gegevens hebben een persoonlijk karakter. Zij betreffen de antecedenten van de aanvrager, van degene die bouwt en van degene die in het te bouwen bouwwerk bepaalde activiteiten onderneemt. Deze gegevens zijn gevoelig voor misbruik en liggen niet ter inzage. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) introduceert de omgevingsvergunning.

De bouwvergunning maakt deel uit van de omgevingsvergunning en wordt in de MBV aangeduid als omgevingsvergunning voor het bouwen (art. 2.1 Wabo). De Wabo heeft gevolgen voor de vergunningen en ontheffingen van de bouwverordening. De MBV is met de 13e serie van wijzigingen ‘Wabo-proof’ gemaakt. Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek Inleiding De artikelen over het bodemonderzoek in de MBV hebben tot doel te bevorderen dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel 2.4.1 bevat het verbod tot bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel is een uitvoerige toelichting geplaatst waarin de hele route van een bodemonderzoek wordt beschreven, de van toepassing zijnde normen en de relatie wordt aangeduid met de voorschriften uit de Woningwet en de Regeling omgevingsrecht. De hierna vermelde toelichting per artikellid is beknopt. Een uitvoeriger beschrijving van het hele proces staat vermeld in de toelichting bij artikel 2.4.1. Beide toelichtingen moeten in combinatie met elkaar worden gelezen. Lid 1 Uit de systematiek van NEN 5740:2009+A1:2016nl volgt dat voorafgaand aan het milieuhygiënisch bodemonderzoek eerst een vooronderzoek volgens NEN 5725 wordt uitgevoerd - ook wel historisch onderzoek genoemd - ten behoeve van het formuleren van de onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein.

Indien het vooronderzoek naar de historie en de

P A G I N A 34 V A N 4 0

bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie onverdacht is, kan het bevoegd gezag op basis van het derde lid besluiten af te wijken van de verplichting tot het uitvoeren van het verkennend onderzoek. Het bodemonderzoek volgens NEN 5740:2009+A1:2016nl is niet toereikend om asbest in grond te onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707:2015nl ontwikkeld. Lid 3 De mogelijkheid om geen onderzoeksgegevens op te vragen wordt geboden door artikel 4.4, lid 2 Bor. Er komt geen afzonderlijk besluit tot het afwijken, geen beschikking. De omgevingsvergunning van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is er immers op gericht alles in één brede omgevingsvergunning te regelen. Lid 4 Bouwwerken met een beperkte instandhoudingtermijn kunnen velerlei zijn, van klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze categorie betekent niet dat in alle gevallen kan worden afgeweken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport. De gemeente kan hiervoor beleid ontwikkelen. Lid 5 De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van deze werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt gesignaleerd. Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden overgelegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen.

Daarom behoort dit onderzoek tot de bescheiden die ook later kunnen worden ingediend. Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond Algemeen In het tweede lid van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op te nemen over het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In het derde lid van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze voorschriften betrekking dienen te hebben. Het woord uitsluitend in de redactie van dit derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening niet is toegestaan. De indieningvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, waartoe het bodemonderzoek behoort, staan in de Regeling omgevingsrecht. De structuur is als volgt: Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet een onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus artikel 2.4 onder d. van de Regeling omgevingsrecht. Artikel 4.4, lid 2 van het Bor bepaalt dat gegevens en bescheiden waarover het bevoegd gezag al beschikt, niet opnieuw behoeven te worden verstrekt. Dit geldt in beginsel ook voor gegevens die zijn verstrekt in de periode dat de Wabo nog niet in werking was getreden, en die als

P A G I N A 35 V A N 4 0

archiefbescheiden in bewaring worden gehouden als bedoeld in artikel 3 van de Archiefwet 1995. Uit het algemene bestuursrecht volgt dat het bevoegd gezag wel gehouden is de volledigheid en actualiteit te toetsen van de gegevens en bescheiden die de aanvrager niet bij de aanvraag verstrekt, omdat deze al in het bezit van het bevoegd gezag zijn. Indien blijkt dat de ingediende bescheiden (waaronder het bodemonderzoeksrapport) onvoldoende zijn en dit gebrek niet kan worden opgelost door het stellen van een voorwaarde bij de vergunningverlening, wordt de aanvrager in overeenstemming met artikel 4:5 van de Awb in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen. Indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kan het bevoegd gezag in een voorwaarde bij de omgevingsvergunning bepalen dat de desbetreffende gegevens en bescheiden alsnog moeten worden verstrekt voordat met de bouw mag worden begonnen. Tevens wordt hierbij een termijn gesteld en een exacte aanduiding welke gegevens en bescheiden worden verlangd, aldus de Regeling omgevingsrecht. De gezondheidsrisicos voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk vormen in deze benadering het onderscheidend criterium. Veiligheid en gezondheid zijn immers sinds de invoering van de Woningwet in 1901 belangrijke grondslagen van de wet.

Gelet op de uitgangspunten van de Woningwet, kan de schade voor het milieu geen motief zijn voor de voorschriften in de bouwverordening met betrekking tot het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond. Dit in tegenstelling tot de Wet bodembescherming waarbij het herstel van de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, plant en dier centraal staat. Met de inwerkingtreding van de Wabo is dit onderscheid minder van belang. Deze wet verenigt in een overkoepelend vergunningstelsel milieueisen, bouw- en sloopeisen. Zie artikel 6.2, sub c van de Wabo. Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen Het doel van het artikel is en blijft: Het doel van de voorschriften is dat niet wordt gebouwd op een bodem die dusdanig verontreinigd is, dat hierdoor gevaar voor de gezondheid van personen ontstaat. Wat verstaan moet worden onder ‘bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven’ wordt in de Memorie van toelichting bij de Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven. Het betreft hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen verblijven, bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te genieten. Bij ‘enige tijd’ moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per (werk)dag.

Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een meer structureel (over een langere periode dan één dag) twee of meer uren verblijven van dezelfde mensen in het gebouw. Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen of kweken van land- en tuinbouw producten evenals gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes en gebouwen voor de waterhuishouding of -zuivering, worden in de Memorie van toelichting genoemd als voorbeelden van bouwwerken waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen verblijven. De omstandigheid dat in deze bouwwerken wel eens mensen

P A G I N A 36 V A N 4 0

aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten van over het algemeen kort durende werkzaamheden, zoals onderhoudswerkzaamheden, maakt die gebouwen nog niet tot gebouwen die feitelijk zijn bestemd voor het verblijven van mensen. In de Nota naar aanleiding van het verslag (TK, 1997-1996, 24809, nr. 5, p. 6) wordt naar aanleiding van Kamervragen verder opgemerkt dat een recreatiewoning (in termen van het Bouwbesluit een logiesverblijf) onder het begrip ‘voortdurend of nagenoeg voortdurend verblijven van mensen’ valt, terwijl dit niet geldt voor een schuur of garage bij een woning. Bouwwerken die de grond niet raken Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra verdieping op een gebouw. De Memorie van toelichting noemt in dit kader ook vergunningplichtige inpandige verbouwingen, werkzaamheden aan een fundering of het maken van een kelder als voorbeeld. Indien de bouwwerkzaamheden gepaard gaan met een functiewijziging kan echter onverminderd bodemonderzoek worden geëist. Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van bodemverontreiniging Burgemeester en wethouders zijn het bevoegde gezag om te beslissen of bij niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging mag worden gebouwd.

Gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders van de gemeenten, die daartoe zijn aangewezen, zijn het bevoegde gezag ten aanzien van de te nemen saneringsmaatregelen, indien sprake is van een ernstig geval van verontreinigde grond zijn. Bij Besluit aanwijzing bevoegd gezag gemeenten Wet bodembescherming (Besluit van 12 december 2000) zijn gemeenten aangewezen die voor de toepassing van delen van deze wet worden gelijk gesteld met een provincie (art. 88, zevende lid Wet bodembescherming). Het gevolg is dat de provincie bevoegd gezag is en dat de vier grote steden op grond van de Wbb plus nog 25 aangewezen gemeenten bevoegd gezag zijn krachtens genoemd Besluit. Met de invoering van de Waterwet is het waterbodembeheer van de Wet bodembescherming overgegaan naar de Waterwet. Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijk? Indien noch uit een bodemonderzoek noch op basis van een redelijk vermoeden kan worden gesteld dat sprake is van een ernstig geval van verontreiniging geldt er voor de omgevingsvergunning voor het bouwen geen aanhoudingsverplichting en moet het bevoegd gezag beslissen op de bouwaanvraag. Het feit dat geen sprake is van een ernstig geval van verontreiniging neemt echter niet weg dat toch sprake kan zijn van een verontreiniginggraad waarbij gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers van het bouwwerk.

Hoewel het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen in deze gevallen formeel kan weigeren, zal echter veelal volstaan kunnen worden met het stellen van aanvullende voorwaarden dat bepaalde voorzieningen worden getroffen. Zie hiervoor de toelichting onder artikel 2.4.2 van MBV. Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt een aanhoudingsverplichting totdat het bevoegde gezag als bedoeld in de Wet bodembescherming een saneringsplan heeft goedgekeurd.

P A G I N A 37 V A N 4 0

Zodra het saneringsplan is goedgekeurd dient een beslissing te worden genomen op de bouwaanvraag. Ook in deze gevallen zal de vergunning in de regel verleend kunnen worden onder de voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de bouwwerkzaamheden, de op grond van het goedgekeurde saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden getroffen. Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel van het bevoegd gezag toch nog sprake is van een onaanvaardbare verontreiniginggraad, zijn meestal overzichtelijke gevallen. Op korte termijn en zonder de noodzaak van saneringsonderzoek is aan te geven op welke wijze het verontreinigingprobleem kan worden ondervangen. In dit soort niet ernstige gevallen hoeft de conclusie, dat het terrein verontreinigd is, niet te leiden tot weigering van de omgevingsvergunning voor het bouwen. In de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen kan aangegeven worden op welke wijze het terrein gesaneerd moet worden en - in relatie tot de bouw - op welk tijdstip. Als saneringsvoorwaarden valt te denken aan: -

de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en dampremmende laag wordt aangebracht;

-

de voorwaarde, dat een bepaald deel van de bodem wordt afgegraven en afgevoerd, alsmede het aanbrengen van een schone bodemlaag;

-

de voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het grondwater wordt aangebracht en gedurende een aantal jaren na de totstandkoming van het bouwwerk in stand wordt gehouden.

Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in principe een verantwoordelijkheid van de aanvrager om omgevingsvergunning voor het bouwen is. Het kan in het belang van de aanvrager zijn, als deze bij het overleggen van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen voor het bouwen op een verontreinigde bodem tevens aangeeft hoe deze de sanering denkt te laten plaatsvinden. Ook bouwaanvragen waarbij sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging kunnen op grond van dit artikel worden afgedaan. Transpositietabel en wijzigingstabel Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL) Edam-Volendam Onderwerp

Nieuw artikel VFL

Gebaseerd op

Definities

Artikel 1.1

Definities uit de verordeningen zijn samengevoegd en daar waar nodig gestroomlijnd en aangepast met het oog op de Omgevingswet

P A G I N A 38 V A N 4 0

Toepassingsbereik

Artikel 1.2

n.v.t

Indeling van het gebied van de gemeente

Artikel 2.1

Artikel 1.3 Bouwverordening

Gemeentelijk monument

Artikel 2.2

Artikel 2 Erfgoedverordening

Bomenlijst

Artikel 2.3

Artikel 4:11 lid 1 en 2 APV

Weigeringsgronden

Artikel 3.1

Artikel 1:8 APV (deels)

Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

Artikel 3.2

Artikel 1:6 APV

Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem Bodemonderzoek

Artikel 3.3

Artikel 2.4.1 Bouwverordening

Artikel 3.4

Artikel 2.1.5 Bouwverordening

Voorschriften omgevingsvergunning voor het bouwen Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften Verbodsbepaling

Artikel 3.5

Artikel 2.4.2 Bouwverordening

Artikel 3.6

Artikel 10.6 Bouwverordening

Artikel 3.7

Artikel 3 Erfgoedverordening

Algemene uitgangspunten ten behoeve van onderhoud, herstel of wijzigen aan gemeentelijke monumenten Aanvraag om vergunning

Artikel 3.8

Artikel 4 Erfgoedverordening

Artikel 3.9

Artikel 5 Erfgoedverordening

Vergunning voor beschermde rijksmonumenten (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Omgevingsvergunning maken of veranderen van een uitweg (APV)

Artikel 3.10

Artikel 6 Erfgoedverordening

Artikel 3.11

Artikel 2.11 APV

Artikel 3.12

Artikel 2.12 APV

Aansluitvergunning

Artikel 3.13

Artikel 2 Aansluitverordening Riolering

P A G I N A 39 V A N 4 0

Vangetbepaling

Artikel 3.14

Het verkrijgen van de aansluitvergunning/ de aanvraag Het weigeren van de aansluitvergunning Intrekken, wijzigingen of vervallen van de aansluitvergunning Uitvoering aanleg of wijziging van een aansluitleiding Zorgplicht

Artikel 3.15

Hardheidsclausule

Artikel 3.20

Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden Bestrijding van iepziekte

Artikel 3.16 Artikel 3.17

Artikel 3 Aansluitverordening Riolering Artikel 4 Aansluitverordening Riolering Artikel 5 Aansluitverordening Riolering Artikel 6 Aansluitverordening Riolering

Artikel 3.18

Artikel 7 Aansluitverordening Riolering

Artikel 3.19

Artikel 3.21

Artikel 10 Aansluitverordening Riolering Artikel 11 Aansluitverordening Riolering Artikel 4:11 APV

Artikel 3.22

Artikel 4:12 APV

Aanwijzing collectieve festiviteiten Melding incidentele festiviteiten Onversterkte muziek

Artikel 3.23

Artikel 4:2 APV

Artikel 3.24

Artikel 4:3 APV

Artikel 3.25

Artikel 4:5 APV

Geluidhinder in de openlucht Overige geluidhinder

Artikel 3.26

Artikel 4:5b APV

Artikel 3.27

Artikel 4:6 APV

Beslistermijn

Artikel 4.1

Artikel 1:2 APV

Voorschriften en beperkingen Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing Termijnen

Artikel 4.2

Artikel 1:4 APV

Artikel 4.3

Artikel 1:5 APV

Artikel 4.4

Artikel 1:7 APV

P A G I N A 40 V A N 4 0

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EdamVolendam&id=060e2592-f221-4127-b70b-b2cc32be0cd8