Toelichting verordening VFL definitief_1.docx.pdf
Tekst van het document
Toelichting Verordening fysieke leefomgeving Edam-Volendam INLEIDING Op 1 juli 2022 treedt naar verwachting de Omgevingswet in werking. De Omgevingswet bundelt de wetgeving voor de fysieke leefomgeving. De fysieke leefomgeving omvat in ieder geval bouwwerken, infrastructuur, water, watersystemen, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed, zo blijkt uit de Omgevingswet. De Omgevingswet heeft als doel het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en het gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving worden na invoering van de Omgevingswet samengebracht in één omgevingsplan. Het omgevingsplan bundelt de huidige bestemmingsplannen, de beheersverordeningen, milieuregels en regels uit (andere) lokale verordeningen, die de fysieke leefomgeving wijzigen of direct beïnvloeden. Daarmee wordt de regelgeving voor inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties overzichtelijker en zijn de regels makkelijker te vinden. De regels die in lokale verordeningen staan en betrekking hebben op een wijziging van de fysieke leefomgeving moeten uiteindelijk in het omgevingsplan worden opgenomen. Als tussenstap zijn deze regels in één nieuwe verordening de Verordening fysieke leefomgeving (VFL) samengevoegd.
Vervolgens zal in 2 tranches de regels uit de VFL worden opgenomen in het omgevingsplan EdamVolendam. In deze eerste tranche zijn de regels uit 4 verordeningen opgenomen. Per 1 juli 2022 (na de inwerkingtreding van de Omgevingswet) zullen de regels van 4 verordeningen opgegaan in de VFL. De verordeningen die worden ingetrokken zijn: - Erfgoedverordening gemeente Edam-Volendam - Aansluitverordening Riolering Edam-Volendam - Bouwverordening Edam-Volendam 2019 De verordening die wordt gewijzigd zijn: Algemene plaatselijke verordening Edam-Volendam Aan het einde van de toelichting is een transponeringstabel Verordening fysieke leefomgeving opgenomen. UITGANGSPUNTEN VFL Doel VFL Doel van het VFL is tweeledig. Enerzijds als toetsingsdocument voor de vergunningverlening en anderzijds een gestroomlijnde omzetting van de regels over de fysieke leefomgeving uit de verordeningen in het omgevingsplan. Tranches transformatie verordeningen naar Omgevingsplan
PAGINA 1 VAN 40
Tranche 1: Opstellen VFL: overnemen van de ‘moet-bepalingen’ en ‘mag-bepalingen’ in de VFL. Dit is het autonome spoor ‘VFL’ op basis waarvan de VFL wordt opgesteld: - ‘moet-bepalingen’ worden beleidsneutraal overgenomen in het VFL; - ‘mag-bepalingen’ kan achterblijven in de verordening Tranche 2: Harmoniseren/dereguleren van de ‘moet’-bepalingen‘ en mag-bepalingen’ Dit is het spoor waaraan in de transformatiefase naar het omgevingsplan invulling wordt gegeven. In deze stap wordt geanalyseerd: welke regels worden losgelaten, waar vindt harmonisatie plaats en waar deregulering. Tranche 3: relatie VFL-Omgevingsplan Tijdens de transformatiefase geldt de VFL naast het tijdelijke gedeelte van het omgevingsplan. Bij het opstellen van het omgevingsplan vindt harmonisatie plaats van de regels van het VFL en de andere regels (bruidsschat, bestemmingsregels etc) en worden voornoemde regels inhoudelijk met elkaar in overeenstemming gebracht. Stappen 2 en 3 vinden plaats na de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Wat zijn de (afwegings)kaders voor de VFL? Bij het invoegen van activiteiten uit de verordeningen in de Verordening fysieke leefomgeving is als eerste de vraag beantwoord of de regels betreffende activiteiten in de fysieke leefomgeving uit de huidige verordeningen van de gemeente Edam-Volendam thuishoren in VFL.
Om deze vraag te beantwoorden, zijn de huidige verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving getoetst op basis van de volgende drie categorieën regels waarmee rekening wordt gehouden bij het opstellen van een omgevingsplan. Deze zijn: a. Regels uit verordeningen die niet mogen worden opgenomen in het omgevingsplan. b. Regels uit verordeningen die moeten worden opgenomen in het omgevingsplan; en c. Regels uit verordeningen die mogen worden opgenomen op genomen in het omgevingsplan. Ad a. De regels uit verordening die niet mogen worden opgenomen, zijn regels uit verordeningen die: - niet onder het toepassingsbereik van de Omgevingswet vallen (1.2 van de Omgevingswet), of - niet in overeenstemming zijn met de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (1.3 van de Omgevingswet), of een andere wet waarin het onderwerp uitputtend en met het zelfde motief is geregeld (1.4 van de Omgevingswet) Ad b.
De regels uit verordeningen die opgenomen moeten worden zijn regels waarvoor: - afdeling 2.5 van de Omgevingswet een verplichting tot opname van de regel in het omgevingsplan bevat, of - artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet een verplichting tot opname van een regel in het omgevingsplan bevat, of - de fysieke leefomgeving wijzigt als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van het Omgevingsbesluit Met andere woorden: een moet-bepaling is een regel die een onderdeel van de fysieke leefomgeving wijzigt. Bij het wijzigen van de fysieke leefomgeving gaat het om directe fysieke ingrepen door de mens in de tastbare leefomgeving, zowel boven- als ondergronds. Hierbij gaat het om activiteiten als bouwen en slopen, kappen van bomen, ontsieren van monumenten, aanleggen van een (uit)weg.
PAGINA 2 VAN 40
Ad c. De regels uit de verordeningen die opgenomen “mogen” worden in de VFL, zijn regels die niet een onderdeel van de fysieke leefomgeving wijzigen, maar betrekking hebben op het gebruik. Het gaat dan om gevolgen die voortvloeien uit het gebruik van onderdelen van de fysieke leefomgeving, zoals het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, activiteiten waardoor emissies, hinder of risico’s worden veroorzaakt. De volgende verordening vallen onder de “moet”-bepalingen. Deze bepalingen “moeten” opgenomen worden in het omgevingsplan en dus in de VFL: 1. Aansluitverordening riolering Edam-Volendam - Deze verordening heeft betrekking op een wijziging van de fysieke leefomgeving en moet in het omgevingsplan; - De regels betreffende de activiteiten kunnen beleidsneutraal overgenomen in de VFL en in de transitiefase naar het omgevingsplan overgeheveld en afgestemd met de regels over de aansluiting van huishoudelijk afvalwater uit de bruidsschat; 2.
Bouwverordening gemeente Edam-Volendam 2019 - regels over indeling gebied en het bodemonderzoek voor de activiteit bouwen (artikelen 1.3, 2.1.5, 2.4.1 en 10.6 ) moeten in het omgevingsplan; - de regels kunnen beleidsneutraal overgenomen en in de transitiefase naar het omgevingsplan worden overgeheveld en in overeenstemming gebracht met de instructieregels van het Rijk en de bruidsschat; - de regels over de adviescommissie (Hoofdstuk 9) worden niet opgenomen in de VFL. Daarvoor wordt de Verordening adviescommissie Fysieke Leefomgeving vastgesteld, deze wordt op termijn opgenomen in het omgevingsplan. 3. Erfgoedverordening gemeente Edam-Volendam - Deze verordening heeft betrekking op een wijziging van de fysieke leefomgeving en moet in het omgevingsplan; - De erfgoedverordening wordt beleidsneutraal overgenomen. De volgende verordeningen vallen onder de “mag” bepalingen en kunnen opgenomen worden in de VFL. 4. Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen gemeente Edam-Volendam - Deze verordening reguleert het beheer en het gebruik van de gemeentelijke begraafplaatsen. Het bevat geen regels die gaan over de wijziging van de fysieke leefomgeving. De regels worden niet opgenomen in de VFL. - In het huidige bestemmingsplan zijn en in het toekomstig omgevingsplan worden de locaties (het ruimtelijke gebruik) van de begraafplaatsen vastgelegd.
Hiermee is een goede toedeling van functies geborgd. 5. Marktverordening gemeente Edam-Volendam - Deze verordening reguleert het gebruik van de markten en de vergunning voor een standplaats op de markt. Het bevat geen regels die gaan over de wijziging van de fysieke leefomgeving.
PAGINA 3 VAN 40
-
In het bestemmingsplan zijn en in het toekomstig omgevingsplan worden de locaties (het ruimtelijk gebruik) van de markten vastgelegd. Hiermee is een goede toedeling van functies geborgd.
6. Afvalstoffenverordening 2016 gemeente Edam-Volendam Deze verordening gaat over de aanwijzing van inzameldiensten en hoe en waar het huishoudelijk afval wordt ingezameld. Het betreft geen wijziging van de fysieke leefomgeving. In het toekomstige omgevingsplan dient het ruimtelijk gebruik (plaatsing en gebruik) van afvalcontainers of ondergrondse containers in de openbare ruimte mogelijk te worden gemaakt. Hiermee is het functionele gebruik van de fysieke leefomgeving geborgd. 7. Havenbeheersverordening Edam-Volendam De Havenbeheersverordening reguleert het gebruik en gedragsregels van de haven en bevat geen regels over de wijziging van de fysieke leefomgeving. De locaties (het ruimtelijke gebruik) van de havens zijn in bestemmingsplannen vastgelegd en dit gaat ook gebeuren in het toekomstige omgevingsplan. Hiermee is een goede toedeling van functies geborgd. De volgende verordeningen vallen onder de “moet” en “mag” bepalingen. De “moet” bepalingen moeten opgenomen in het omgevingsplan en dus in de VFL. De “mag” bepalingen kunnen in het omgevingsplan en de VFL opgenomen worden. 8.
Algemene plaatselijke verordening Edam-Volendam (APV) De activiteiten in de APV die betrekking hebben op een wijziging van de fysieke leefomgeving en in het omgevingsplan moetenzijn: - maken of veranderen van een uitweg (artikel 2:12), - omgevingsvergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg (artikel 2:11) - de omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden (artikel 4:10 e.v.) met bijbehorende bomenlijst. - de regels over geluid (meerdere artikelen uit hoofdstuk 4 APV) moeten in het omgevingsplan, omdat de instructieregels bepalen dat regels over geluid opgenomen worden in het omgevingsplan. De regels kunnen beleidsneutraal over. In de transitiefase naar het omgevingsplan worden de regels afgestemd met de regels over geluid uit de bruidsschat en de instructieregels van het rijk. - De regels voor de aanleg ten behoeve van nuts-voorzieningen moeten in het omgevingsplan (grondslag hiervoor is de regel over openbreken van wegen uit de APV (artikel 2:11) die nu wordt opgenomen in de VFL). De regels kunnen beleidsneutraal overgenomen worden in de VFL en in transitiefase naar het omgevingsplan geharmoniseerd met regels van bestemmingsplannen en overig beleid.
De activiteiten in de APV die betrekking hebben op gebruik en de fysieke leefomgeving niet wijzigen en in het omgevingsplan “mogen” worden opgenomen zijn: - de artikelen die gaan over het gebruik (voornamelijk verboden gebruik van de gronden). Deze regels worden op dit moment niet meegenomen in de VFL. Deze regels worden in kader van actualisering van de APV nogmaals getoetst. Bij deze toets wordt gekeken of deze regels iets toevoegen aan de regel van de huidige bestemmingsplannen. In de transitiefase naar het omgevingsplan worden de regels van de dan geldende APV nogmaals tegen het licht gehouden. - de regels die toezien op de standplaatsvergunning. Deze artikelen geven voorwaarde in kader van vergunningverlening voor het gebruik van een standplaats. Dit wijzigt de fysieke
PAGINA 4 VAN 40
leefomgeving niet. Verder zijn de locaties waar de standplaatsen zijn toegestaan (het ruimtelijke gebruik) in het bestemmingsplan vastgelegd en worden mogelijk ook weer meegenomen in het omgevingsplan; Hiermee is de toedeling van functies geborgd. De volgende verordening omvat regels die niet opgenomen mogen worden in het omgevingsplan en dus ook niet in de VFL: 9. Parkeerverordening Edam-Volendam 2020 Deze verordening reguleert het aanwijzingsbesluit parkeerschijfzone en aanwijzingsbesluit vergunning. De grondslag hiervoor is de Wegenverkeerswet. Deze wet gaat niet op in de Omgevingswet en daarom mogen de regels hierover niet in het omgevingsplan. 10. Algemene verordening ondergrondse infrastructuur Edam-Volendam 2017 (AVOI EdamVolendam 2017) De grondslag van de AVOI is de Telecommunicatiewet. Deze wet wordt niet opgenomen in de Omgevingswet en dus mogen de regels in beginsel niet in het omgevingsplan. De VNG is in overleg met de wetgever om het alsnog mogelijk te maken om de regels voor de aanleg van de telecomkabels op te nemen in het omgevingsplan. Op dit moment worden de regels niet opgenomen in de VFL, in de transitiefase naar het omgevingsplan wordt gekeken of de regels alsnog in het omgevingsplan opgenomen dienen te worden. Gelet op bovenstaande worden in het kader van het doel van de VFL de activiteiten opgenomen, die “moeten” worden opgenomen in het omgevingsplan.
De “mag”-bepalingen zijn niet overgenomen in de VFL omdat deze toezien op het specifieke gebruik van een specifieke locatie die de leefomgeving niet wijzigen. Ook zijn er “mag”-bepalingen waar op dit moment niet bepaald kan worden of de activiteit landt in het omgevingsplan, omdat er nog geen omgevingsvisie is. In de tweede en derde tranche van transformatie van de regels naar het omgevingsplan worden deze “mag”-bepalingen nogmaals afgewogen en indien nodig meegenomen. Structuur VFL Het omzetten van de regels is beleidsneutraal. Voor de structuur van de VFL is aangesloten bij de opbouw van de regels van het omgevingsplan, zodat het duidelijk wordt waar de regels uit de VFL in het omgevingsplan behoren. Gelet op de verwijzingen in het tijdelijke omgevingsplan naar de erfgoedverordening wordt in de kop van de artikelen verwezen naar de herkomst van de regelingen. Zo kan in de transitiefase wanneer er naar de erfgoedverordening wordt verwezen in het tijdelijke omgevingsplan, VFL gelezen worden. Voor nu is al wel een belangrijke wijziging ten opzichte van de huidige verordeningen opgenomen. Dit betreft de verwijzingen naar regelgeving. Omdat de VFL inwerking treedt na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarbij een groot aantal wetten en besluiten zal vervallen, wordt in de VFL zoveel mogelijk verwezen naar de Omgevingswet en de bijbehorende AMvB’s of ministeriële regelingen.
In de tweede en derde tranche worden de regels uit de VFL zowel redactioneel als technisch aangepast in het omgevingsplan. Omdat de regels in deze tranche beleidsneutraal zijn opgenomen in de VFL, zijn hierna de toelichting die behoren bij de verordeningen die zijn gewijzigd en ingetrokken opgenomen. Deze toelichting is dan ook nog gebaseerd op de oude regelgeving in plaats van de Omgevingswet; inhoudelijk maakt dit geen verschil. Gedeelte toelichting uit model-Apv (juli 2021) VNG
PAGINA 5 VAN 40
VFL art. 3:11 – Apv art. 2:11 (weg opbreken) VFL art. 3:12 – APV art. 2:12 (uitweg) TOELICHTING Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Eerste lid Omdat voor de toepassing van dit artikel onder andere het begrip ‘weg’ uit de WVW 1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor bijvoorbeeld de aanleg en verandering van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Dit betekent dat in beginsel de vergunningplicht ook geldt voor de zogenaamde ‘eigen wegen’ die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan voor brandweer, ambulance en dergelijke voorschriften gesteld kunnen worden over bijvoorbeeld de wijze van verharding en breedte. Aan artikel 2:11 ligt als motief ten grondslag de behoefte om de aanleg, beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op de bruikbaarheid van die weg. Naast het opleggen van min of meer technische voorschriften kan het ook gewenst zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te houden.
Het is natuurlijk hoogst onwenselijk dat wegen voortijdig aangelegd worden waardoor – door de latere aanleg van zogenaamde complementaire openbare voorzieningen, zoals riolering, water en gasvoorziening en verlichting – de bruikbaarheid van die weg gedurende lange tijd sterk verminderd zal zijn, nog daargelaten dat het veel extra kosten meebrengt. Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft. Zie ook de toelichting bij artikel 2:12. Tweede lid Op het aanleggen of veranderen van een weg is artikel 2.2, eerste lid, onder d, van de Wabo van toepassing als de activiteit verboden is in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. Dat betekent dat de termijnen genoemd in artikel 3.9 van de Wabo van toepassing zijn op deze vergunning. De beslistermijn is 8 weken, de verdagingstermijn zes weken.
Let wel: indien er meerdere activiteiten worden aangevraagd en er één onder artikel 3.10 van de Wabo valt, dan is de uitgebreide procedure van toepassing (beslistermijn van zes maanden met een mogelijkheid tot verdagen van zes weken). De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning die onder de Wabo valt, staan in de Mor. Het gaat dan om de algemene indieningsvereisten uit artikel 1.3 van de Mor. Voor het aanleggen of veranderen van een weg zijn in de Mor geen aanvullende indieningsvereisten opgenomen. In artikel 2:18 van de Wabo is bepaald dat de vergunning alleen kan worden verleend of geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening. De weigeringsgronden staan in artikel 1:8. Indien de activiteit niet is verboden in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is de Wabo niet van toepassing en is het college bevoegd. Wanneer het gaat om normaal onderhoud van de weg is er ingevolge het derde lid geen vergunning nodig: het college hoeft zichzelf geen vergunning te verlenen. Zie verder de toelichting bij het derde lid.
PAGINA 6 VAN 40
Derde lid Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering van hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Er mag van uitgegaan worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg. Vierde lid Het nutsbedrijf zal op grond van artikel 2:11 een vergunning nodig hebben voor het leggen van leidingen en dergelijke in een weg. Dat is niet zo voor telecommunicatiebedrijven en kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde telecommunicatiekabels met een openbare status (telecommunicatie- en omroepnetwerken). Voor deze werken is een regeling getroffen in de Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde (gemeentelijke) telecommunicatieverordening. Vijfde lid In de Wabo is bepaald dat voor deze vergunning een positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen van toepassing is. De VNG ziet geen reden om in gevallen waarin de Wabo niet van toepassing is hiervan af te wijken. Daarom is voor die gevallen het vijfde lid opgenomen. Jurisprudentie Vz. ARRS 10-01-1986, BR 1986, 426 (wegaanleg Gennep).
De voorschriften mogen slechts slaan op datgene wat op de weg zelf betrekking heeft – zoals de grenzen, de afmetingen, het profiel, de hoogte, de wijze van verharding – of wat met die weg ten nauwste verband houdt zoals beplanting en verlichting langs en van de weg, alsmede de (situering van de) langs of in de weg liggende riolering. ABRvS 04-02-2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO2900. Anti-rampalen (voor juwelierswinkel) in het voetgangersgebied van een druk winkelcentrum leveren gevaar op voor de bruikbaarheid van de weg en voor het doelmatig gebruik daarvan in de zin van de APV-bepaling Zutphen. Legalisering van de palen is niet aan de orde. Objecten die in dezelfde winkelstraat staan, zoals fietsen, terrasstoelen en bloempotten, zijn anders dan de twee betonnen palen. Deze kunnen ’s nachts van de openbare weg worden verwijderd. Er is bovendien een aanvaardbaar alternatief. De palen kunnen achter de gevellijn worden gerealiseerd. ABRvS 22-11-2017, ECLI:NL:RVS:2017:3221. Rechthebbenden op een weg hebben slechts alle verkeer, behoudens de beperkingen, bedoeld in artikel 6 van de Wegenwet, te dulden, wanneer de weg openbaar is in de zin van artikel 4 van die wet. In zoverre komt derhalve betekenis toe aan de regeling van de Wegenwet.
Voor zover artikel 2:11 van de APV ertoe strekt dat de rechthebbende op de weg ook openbaar verkeer moet toestaan buiten de reikwijdte van zijn duldplicht ingevolge de Wegenwet, dient die bepaling wegens strijd met de Wegenwet buiten toepassing te blijven. Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg Variant 2 (Vergunningplicht) Algemeen Omdat veel gemeenten aangaven in de praktijk moeite te hebben met de toepassing van een meldingsstelsel is artikel 2:12, variant 2, opgenomen met een eenvoudig vergunningstelsel. Er moet dus een keuze worden gemaakt tussen variant 1 en variant 2. Enkele gemeenten hebben het aangedurfd om de uitweg helemaal uit de APV te schrappen. De achterliggende gedachte is dat voor de aanleg van een uitweg over gemeentegrond (veelal de stoep) ook nog privaatrechtelijk
PAGINA 7 VAN 40
overeenstemming moet zijn tussen gemeente en autobezitter. Bij die overeenkomst wordt dan ook het element verkeersveiligheid meegenomen. In variant 2 geldt voor de uitrit een vergunningplicht. Het is van belang zich te realiseren dat er in variant 2 sprake is van een omgevingsvergunning. De procedure van de Wabo is van toepassing, dat brengt bijvoorbeeld met zich mee dat de lex silencio positivo van afdeling 4.1.3.3. van de Awb van toepassing is. Dit hoeft dan ook niet meer uitdrukkelijk bepaald te worden. De rechtspraak van de Afdeling laat er geen twijfel over bestaan dat een grondeigenaar in beginsel in staat moet worden gesteld om vanaf zijn perceel met een voertuig de openbare weg te bereiken. Alleen om zwaarwegende redenen kan de overheid daaraan in de weg staan. Om dat duidelijk te laten uitkomen is het aantal weigeringsgronden beperkt. Jurisprudentie ARRS 01-09-1977, AB 1977, 366 (Maastricht I), ARRS 08-06-1978, Gst. 1977, 6514 (De Bilt) en ARRS 08-05-1981, AB 1981, nr. 391 (uitwegvergunning Nuth I). Eigenaar dient uitwegen op de weg te gedogen. ARRS 12-07-1982, tB/S III, nr. 356. Als voorschrift aan de vergunning kan onder andere een onderhoudsplicht opgelegd worden. ARRS 20-06-1983, AB 1984, 75 (wegverbreding).
Ontheffing verleend voor de verbreding in het belang van de veiligheid en bruikbaarheid van de weg onder de voorwaarde dat moet worden bijgedragen in de kosten. Kosten van de wegverbreding konden in redelijkheid niet geheel ten laste van appellante komen. ARRS 28-10-1983, Gst. 6774, nr. 12 (APV Vlijmen) en ARRS 01-04-1980, tB/S V, p. 662 (APV Dongen). Via voorschriften aan de vergunning te verbinden kan de wijze waarop wordt uitgewegd worden geregeld. HR 30-09-1987, BR 1988, 212. Weigering uitwegvergunning op basis van de verordeningsbepaling, die in het belang van de verkeersveiligheid is gesteld, strijdt niet met artikel 14 van de Wegenwet. ARRS 11-01-1991, Gst. 6929, nr. 6. Het schrijven van het college dat grond niet in gebruik wordt gegeven, is mede aan te merken als een weigering om een uitwegvergunning te verlenen. Noch het eigendomsrecht, noch de handhaving van het bestemmingsplan kan een rol spelen bij de beslissing gelet op het opschrift van het hoofdstuk waarin het artikel is geplaatst. Rubrica est lex. ABRvS 16-06-1995, Gst. 1996, 7035, 2. Ter bescherming van de veiligheid op de weg en mits opgelegd naar evenredigheid kan een financiële voorwaarde worden verbonden aan een uitwegvergunning. Vz. ABRvS 20-01-1994, Gst. 1995, 7005, 4. Indien de uitweg gedeeltelijk is aangelegd op gemeentegrond, is uitwegvergunning nodig.
Nader onderzocht moet worden of er een privaatrechtelijke eigendomsverhouding ten grondslag ligt aan de eis dat de uitrit moet voldoen aan het bestratingsplan.
PAGINA 8 VAN 40
ABRvS 05-12-1996, Gst. 1997, 7061, 3. Intrekken van een uitwegvergunning kan slechts plaatsvinden op grond van de gronden, genoemd in de APV-bepaling. De voorwaarde tot betaling van een recognitie maakt geen deel uit van de vergunning, zij is gebaseerd op het eigendomsrecht van de gemeente. ABRvS 14-07-1997, AB 1997, 369. Besluit inhoudende dat privaatrechtelijke toestemming voor gebruik van de uitweg is geweigerd, is geen beschikking. De vraag of een vergunning kan worden verleend staat immers los van de vraag of van die vergunning ook gebruik kan worden gemaakt. Appellant is niet ontvankelijk. ABRvS 28-01-2000, Gst. 2000, 7123, 3. Inrit is zonder uitwegvergunning aangelegd, nu de brief dat de inrit in het trottoir zal worden gemaakt, zodra de kosten daarvan aan de gemeente zijn betaald, geen besluit behelst in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, maar slechts een mededeling van feitelijke aard is. ABRvS 04-07-2000, ECLI:NL:RVS:2000:AA6717. Weigering van toestemming voor gebruik van bij gemeente in eigendom zijnde groenstrook naast woning ten behoeve van het maken van een uitweg is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, maar een rechtshandeling naar burgerlijk recht. ABRvS 19-01-2001, ECLI:NL:RVS:2001:AA9700. Aanvragen bouwvergunning en uitwegvergunning moeten naar verschillende maatstaven worden beoordeeld.
Aanvrager heeft bijzonder belang bij uitwegvergunning, nu het college een bouwvergunning heeft verleend voor een garage, namelijk het belang deze ook daadwerkelijk te kunnen gebruiken voor zijn auto. Slechts zeer bijzondere belangen aan de kant van de gemeente zouden de weigering kunnen dragen. Weigering op grond van te verwachten parkeerdruk ten gevolge van uitwegvergunning in de toekomst is niet nader onderbouwd. ABRvS 27-06-2001, JB 2001, 207. Marginale toetsing rechter. De rechtbank heeft de uitwegvergunning ten onrechte vernietigd op basis van een eigen oordeel over veilig en doelmatig gebruik van de weg. De rechter moet zich beperken tot de vraag of de voorgedragen beroepsgronden tot het oordeel leiden dat het college het genomen besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid, dan wel bij beoordeling van de daarvoor in aanmerking komende belangen in redelijkheid niet tot weigering van de gevraagde vergunning heeft kunnen besluiten. KAPPEN VAN BOMEN VFL art. 3:21 – Apv art. 4:11 TOELICHTING VNG Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden In deze bepaling wordt het belangrijkste element geïntroduceerd: de bomenlijst. Het vaststellen van een bomenlijst gebeurt door het college in plaats van door de raad in een bijlage bij de APV. Aanpassingen en wijzigingen kunnen dan veel minder omslachtig worden doorgevoerd.
Bespreekpunt daarbij zou voor de raad wel kunnen zijn in hoeverre de raad nog betrokken kan blijven bij het vaststellen van de lijst. Ook moet hier dan goed worden afgestemd dat de lijst wordt vastgesteld tegelijkertijd met de inwerkingtreding van de APV. Uitgangspunten van deze lijst zijn:
PAGINA 9 VAN 40
-
De verantwoordelijkheid ligt bij de gemeenten zelf: dat wil zeggen voor het inventariseren en actualiseren van het gemeentelijk bomenbestand en het overnemen van de gemeentelijke monumentale bomen die vermeld staan op de landelijke lijst van de Bomenstichting in Utrecht. Duidelijk en inzichtelijk voor de burgers. Zoveel mogelijk de te beschermen bomen verankeren in een bestemmingsplan, op het renvooi van de plankaart of in een landschapsbeleidsplan of bomenplan.
Wabo De vergunning voor het vellen van houtopstanden is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder g, van de Wabo. Soms zal naast deze vergunning nog een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming nodig zijn in verband met de bescherming van vogels en hun nesten in de bomen (artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming). Hoewel daarvoor de provincie het bevoegd gezag is, kan een aanvrager zelf beslissen of wordt aangehaakt bij de omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden (artikel 2.2aa, aanhef en onder b, van het Bor). Dan is de gemeente bevoegd gezag. Er wordt dan dus één omgevingsvergunning verleend of geweigerd. Toepasselijkheid van de lex silencio positivo volgt uit de Wabo. In de Mor zijn indieningsvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning opgenomen. Naast een aantal algemene indieningsvereisten (zie daarvoor de toelichting bij artikel 1:2) zijn er in artikel 7.5 van de Mor nog een aantal speciale indieningsvereisten voor het vellen van houtopstanden opgenomen. Dit artikel 7:5 luidt als volgt: 1. In of bij de aanvraag om een vergunning voor een activiteit, als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de wet, identificeert de aanvrager op de aanduiding als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid, van deze regeling iedere houtopstand waarop de aanvraag betrekking heeft met een nummer. 2.
In of bij de aanvraag, als bedoeld in het eerste lid, vermeldt de aanvrager per genummerde houtopstand: a. de soort houtopstand; b. de locatie van de houtopstand op het voor-, zij- dan wel achtererf; c. de diameter in centimeters, gemeten op 1,30 meter vanaf het maaiveld; d. de mogelijkheid tot herbeplanten, alsmede het eventuele voornemen om op een daarbij te vermelden locatie tot herbeplanten van een daarbij te vermelden aantal soorten over te gaan. Let op: handelen zonder of in strijd met een omgevingsvergunning is een economisch delict op grond van artikel 1a van de WED. Als er sprake is van opzet kwalificeert dit delict als een misdrijf. Zie ook artikel 6:1, derde lid, en de toelichting daarbij. Vierde lid Het vierde lid geeft de burgemeester de bevoegdheid om bij onmiddellijk gevaar het kapverbod buiten werking te stellen. Jurisprudentie ABRvS 16-08-2017, ECLI:NL:RVS:2017:2197. In deze casus was sprake van weigering van een kapvergunning op grond van de lokale Bomenverordening. De eigenaar van het naburige erf had echter gevorderd dat de boom verwijderd moest worden op grond van artikel 5:42 van het BW (boom stond te dicht op de perceelgrens). De Afdeling oordeelde – kort samengevat – dat de vergunning niet geweigerd had mogen worden omdat er in casu strijd was met hogere regelgeving, namelijk 5:42 van het BW.
Voor een weigering van de vergunning op basis van een belangenafweging
P A G I N A 10 V A N 4 0
is daardoor geen plaats meer; de Bomenverordening werd daarom op dit punt buiten toepassing gelaten. Volgens de Afdeling kunnen aan de vergunning voorschriften worden verbonden (vergelijk het vijfde lid). Iepziekte art. 3:22 VFL/art. 4:12 Apv is eigen bepaling zonder toelichting. GELUID art. 3:21/3:22/3:23 e.v. VFL – art. 4:2/4:3/4:5 e.v. Apv TOELICHTING MODELAPV GELUID Afdeling 1. Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting Artikel 4:1 Definities dit is in VFL artikel 1:1 Algemeen Op grond van de Wm moeten inrichtingen die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken over een milieuvergunning beschikken of voldoen aan een AMvB die artikelen met betrekking tot de bescherming van het milieu bevat. Het Activiteitenbesluit milieubeheer biedt de mogelijkheid om in de gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan festiviteiten ter voorkoming of beperking van geluidhinder. Deze afdeling bevat daarover voorschriften. Voor de definitie van begrippen die aan aanpalende regelgeving – waaronder het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Wet milieubeheer – ontleend zijn, wordt aangesloten bij de betekenis uit die regelgeving.
Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten Eerste lid De bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid bedoelde geluidsnormen niet gelden bij collectieve festiviteiten komt voort uit artikel 2.21, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit artikel voorziet erin dat op deze dagen overmatige geluidhinder zo veel mogelijk moet worden voorkomen: De voorschriften gelden niet “voor zover de naleving van deze voorschriften redelijkerwijs niet kan worden gevergd”. Voorbeelden van collectieve festiviteiten zijn carnaval, kermis of culturele, sport- en recreatieve manifestaties. In artikel 4:2 is de uitvoering van de regeling neergelegd bij het college. Er hoeft dus niet jaarlijks een raadsbesluit te worden genomen om te bepalen welke feesten als collectieve festiviteiten worden aangewezen. Het verdient aanbeveling dat het college jaarlijks – in samenspraak met het plaatselijke bedrijfsleven – vaststelt op welke data de betreffende voorschriften uit het Activiteitenbesluit niet van toepassing zijn. Voor de collectieve dagen is geen begrenzing voor het aantal dagen opgenomen. Vaak zal er toch behoefte zijn om vooraf een bepaald maximum aantal festiviteiten vast te stellen. Dit maximum zou door het college kunnen worden vastgelegd in een beleidsregel. Als de raad dit zelf wenst te bepalen, dan dient het maximum te worden vastgelegd in de verordening zelf.
Tweede lid Volgens artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer moet de verlichting bij sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. De bevoegdheid om te bepalen dat deze beperkingen niet gelden bij collectieve festiviteiten staat in artikel 3.148, tweede lid, onder a, van het Activiteitenbesluit. Dit voorschrift is met name bedoeld voor sportverenigingen die buiten de reguliere en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie. Een voorbeeld van een collectieve festiviteit is een sportieve manifestatie waar meerdere
P A G I N A 11 V A N 4 0
sportverenigingen aan mee doen. Ook hier verdient het aanbeveling het college – in samenspraak met de plaatselijke sportverenigingen – vast te laten stellen op welke data de betreffende beperkingen niet van toepassing zijn. In het Activiteitenbesluit wordt net als voor de festiviteiten als bedoeld in het eerste lid geen maximum gesteld voor het aantal collectieve festiviteiten. Kortheidshalve wordt voor de verdere toelichting over dit maximum verwezen naar de bovenstaande toelichting bij het eerste lid. Derde lid De gemeente kan rekening houden met de aard van het gebied door in de verordening gebiedsdifferentiatie toe te passen. De raad kan het grondgebied van de gemeente in de verordening bijvoorbeeld verdelen naar verschillende dorpskernen of wijken. De vaststelling van deze gebieden dient plaats te vinden in een apart besluit waarop bezwaar en beroep volgens de Awb mogelijk is. Van deze mogelijkheid kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt tijdens carnaval, kermissen of culturele, sport- en recreatieve manifestaties. De mogelijkheid van gebiedsdifferentiatie was ook in het oude besluit opgenomen. Wel kan bijstelling van gebieden wenselijk zijn doordat de werkingssfeer van de festiviteitenregeling sterk wordt uitgebreid. Bij de vaststelling van deze gebieden moet er wel rekening mee worden gehouden dat deze de strekking van de regeling niet ondermijnt.
Het onderscheid tussen collectieve en incidentele festiviteiten moet duidelijk blijken. Gebiedsdifferentiatie betekent ook dat het aantal aangewezen dagen of dagdelen per gebied kan verschillen. De artikelen 2.21 en 3.148 van het Activiteitenbesluit milieubeheer kennen alleen gebiedsdifferentiatie voor collectieve festiviteiten. Zesde tot en met het achtste lid In tegenstelling tot het oude Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen biedt het Activiteitenbesluit milieubeheer gemeenten de mogelijkheid om in of krachtens een gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan de collectieve festiviteiten en activiteiten. De basis voor deze bevoegdheid staat in artikel 2.21, tweede lid, onder a. Hierin wordt wel duidelijk gesteld dat het moet gaan om voorwaarden ter voorkoming van geluidhinder. Voor de verlichting bij sportbeoefening is deze mogelijkheid niet in het Activiteitenbesluit opgenomen. De voorwaarden kunnen gaan over bijvoorbeeld beperking van het geluidsniveau, het bepalen van het eindtijdstip of gedragsvoorschriften. De keuze om bepaalde voorschriften wel of juist niet op te nemen in de APV is afhankelijk van de lokale situatie en bestuurlijke prioriteiten. Wanneer er veel (horeca- of andere) inrichtingen dicht bij geluidgevoelige bestemmingen zoals woonwijken liggen kan het wenselijk zijn om beperkende voorwaarden op te nemen.
Anderzijds kan ook gekozen worden om bedrijven meer geluidsruimte te geven en (net als onder het Besluit horeca-, sport- en recreatieinrichtingen milieubeheer) geen voorwaarden in de APV op te nemen. Daarbij is het wel zo dat voortaan de regeling voor collectieve festiviteiten geldt voor àlle type A- en B-inrichtingen onder het Besluit en niet alleen voor horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen. Voor de hoogte van het geluidsniveau in het zesde lid wordt bij het Activiteitenbesluit een suggestie gedaan van 10 of 20 dB(A) hoger dan de reguliere norm. Bij enkele gemeenten wordt een aanvullende norm opgenomen voor lagere frequenties gesteld in dB(C). De reden voor een geluidsnorm met gebruik van een C-filter is het effect van lage bastonen bij hogere geluidsniveaus. Bij de C-filter worden deze lage frequenties sterker meegewogen dan bij een A-filter vanwege de problematiek met lage geluidsfrequenties. Een andere mogelijkheid is, als woningen op grotere
P A G I N A 12 V A N 4 0
afstand van de inrichtingen liggen, een geluidsnorm op een vaste, kortere afstand van de inrichtingen op te nemen. In het zevende lid wordt gesproken over onversterkte muziek. In het Activiteitenbesluit is onversterkte muziek uitgezonderd bij het bepalen van de geluidsniveaus. De reden hiervoor is dat maatregelen ter beperking van de geluidsemissies moeilijk zijn. Dit betekent dat voor onversterkte muziek in principe geen maximum geluidsnorm geldt. Op basis van artikel 2.18, eerste lid, onder f en vijfde lid, van het Activiteitenbesluit hebben gemeenten wel de mogelijkheid om dit in een gemeentelijke verordening aan te passen (zie ook artikel 4:5). De reguliere geluidsnormen gelden niet bij festiviteiten, waardoor bedrijven dan meer geluid mogen produceren. Om de omgeving enige bescherming te bieden en geluidniveaus van onversterkte muziek bij festiviteiten te begrenzen is onversterkte muziek meegenomen in de geluidsnorm. Bij de bepaling van het geluidsniveau wordt in het zevende lid de bedrijfsduurcorrectie bij muziekgeluid buiten beschouwing gelaten. Dit in tegenstelling tot de Handleiding meten en rekenen industrielawaai. Hiervoor wordt aangesloten bij de systematiek en motivatie uit het Besluit: in de handleiding is de correctie geïntroduceerd met het oog op continubedrijven.
Toepassing van de bedrijfsduurcorrectie bij muziekgeluid bij horecabedrijven die bijvoorbeeld om 01.00 uur sluiten brengt met zich mee dat het geluidsniveau in de nachtperiode hoger mag zijn door correctie voor de resterende nachtperiode. Omdat dit niet wenselijk is, is toepassing van de bedrijfsduurcorrectie bij muziekgeluid niet toegestaan. In het achtste lid is een eindtijdstip voor muziekgeluid vastgesteld om te voorkomen dat feesten bij bedrijven zonder wettelijke sluitingstijden (theoretisch) de hele nacht door kunnen gaan. Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten Eerste lid De bevoegdheid voor het vaststellen van het aantal dagen of dagdelen in verband met de viering van incidentele festiviteiten voor inrichtingen in een gemeentelijke verordening staat in artikel 2.21 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Volgens artikel 2.21, eerste lid, onder b, kan de raad bij verordening het aantal dagen of dagdelen aanwijzen waarop individuele inrichtingen voor incidentele festiviteiten vrijstelling kunnen verkrijgen van de geluidsnormen. Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan één of een klein aantal inrichtingen gebonden is. Dit is bijvoorbeeld een optreden met levende muziek bij een café, een jubileum, een personeels- of straatfeest of een ‘vroege vogels’-toernooi. Meerdaagse festiviteiten zijn denkbaar.
In het Besluit is bepaald dat het maximum aantal dagen waarvoor de geluidsnormen niet gelden maximaal twaalf dagen of dagdelen per jaar betreft. Het betreft een maximum: de raad heeft de bevoegdheid om, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden, in dit artikel het aantal te verlagen. In het onderhavige artikel dient de raad in de verordening te bepalen hoeveel dagen of dagdelen in verband met de viering van incidentele festiviteiten per inrichting maximaal zijn toegestaan in de gemeente. Het maximum aantal van twaalf dagen of dagdelen in verband met de viering van incidentele festiviteiten is ongewijzigd in vergelijking met het tot 1 januari 2008 geldende Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer. Wat wel is veranderd, is dat de regeling nu ook geldt voor festiviteiten bij alle andere type A- en B-inrichtingen die onder het Besluit vallen. Dit betekent dat bijvoorbeeld ook detailhandel, kantoren, opslag- en transportbedrijven en metaalelektro-bedrijven een beroep op deze regeling kunnen doen. De enige uitzonderingen waarvoor de regeling niet geldt, zijn de type C-inrichtingen (dat wil zeggen inrichtingen die
P A G I N A 13 V A N 4 0
vergunningplichtig blijven of vallen onder het Besluit landbouw milieubeheer of Besluit glastuinbouw). Tweede lid Volgens artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer moet bij inrichtingen de verlichting voor sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. Op basis van het tweede lid van artikel 3.148 kan hiervan worden afgeweken. Dit kan bijvoorbeeld als sportverenigingen buiten de reguliere competities en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie bij het houden van een veteranentoernooi of een ‘vroege vogels’-toernooi. Volgens het Activiteitenbesluit is het maximum aantal dagen waarvoor de beperkingen voor de verlichting niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per jaar. Kortheidshalve wordt voor de verdere toelichting over dit maximum verwezen naar de bovenstaande toelichting bij het eerste lid. Volgens de toelichting bij het Activiteitenbesluit blijft ook bij gebruik van artikel 3.148, tweede lid, de algemene zorgplicht met betrekking tot lichthinder en duisternis voor de sportinrichtingen gelden, al is enige mate van hinder is bij incidentele activiteiten aanvaardbaar. De beoordeling of sprake is van onaanvaardbare lichthinder in geval van de viering van een festiviteit is aan het bevoegd gezag.
Zesde tot en met het tiende lid In tegenstelling tot het oude Besluit horeca-, sport en recreatie-inrichtingen biedt het Activiteitenbesluit gemeenten de mogelijkheid om bij of krachtens een gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan de incidentele festiviteiten. De basis voor deze bevoegdheid staat in het tweede lid van artikel 2.21. Voor de algemene toelichting over de mogelijkheid om voorwaarden te stellen bij festiviteiten en de toelichting bij het zesde tot en met het tiende lid wordt kortheidshalve verwezen naar bovenstaande toelichting bij artikel 4:2, zesde tot en met het achtste lid. Net als bij de collectieve festiviteiten geldt de regeling voor incidentele festiviteiten voor àlle type A- en Binrichtingen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer in plaats van alleen voor horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen zoals onder het oude besluit. In 2016 is er, onder meer met het kenniscentrum Infomil, gesproken over de betekenis van het woordje ‘in’ in artikel 2:21, eerste lid, onder b, van het Activiteitenbesluit. Conclusie is dat de wetgever daarmee niet heeft bedoeld dat het hier alleen over de binnenruimte van een inrichting gaat. ‘in de inrichting’ kan dus ook slaan op bijvoorbeeld een bij een inrichting behorend terras in de open lucht.
Dat betekent dat de bepaling in het negende lid van dit artikel, die de incidentele activiteiten wel beperkt tot de binnenruimte, niet bindend is voor de raad. De raad kan dus dit artikel aanpassen en zodoende bepalen dat de incidentele activiteit ook in de buitenruimte van de inrichting mag plaatsvinden. Er zijn redenen om incidentele festiviteiten te beperken tot de binnenruimte. Geluid vanuit de binnenruimte is eenvoudiger beheersbaar. De VNG kiest er daarom voor om deze bepaling ongewijzigd te laten. Het tegenargument daarbij is dat het voor de doelstelling van dit artikel niet bepalend is waar het geluid wordt geproduceerd, zolang de normen maar niet worden overschreden. Zoals hiervoor al genoemd: de wet laat de raad de ruimte om deze bepaling zo te herschrijven dat incidentele activiteiten ook kunnen plaatsvinden in de buitenruimte van een inrichting. In het negende en tiende lid wordt de mogelijkheid om muziekgeluid te produceren bij een festiviteit beperkt tot binnen de gebouwen van de inrichting. Gebouwen hebben over het algemeen een
P A G I N A 14 V A N 4 0
bepaalde geluiddempende werking. Op het buitenterrein zijn minder mogelijkheden voor het beperken van geluidemissies. Daarbij is het zo dat de regeling niet langer alleen geldt voor horeca, sport- en recreatie-inrichtingen, maar ook voor alle andere type A- en B-inrichtingen, wat met name een belasting kan geven voor woningen met diverse bedrijven in de omgeving die op verschillende momenten festiviteiten organiseren. Voor muziekgeluid op buitenpodia of het buitenterrein van horecagelegenheden bij evenementen, kan dit in de evenementenvergunning worden geregeld. Artikel 4:5 Onversterkte muziek Dit artikel sluit aan op de artikelen 2.17, 2.17a, 2.18, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het artikel is alleen gericht op onversterkte muziek vanuit inrichtingen en niet buiten inrichtingen. Of er sprake is van een inrichting, wordt bepaald door de Wet milieubeheer. In het Activiteitenbesluit is onversterkte muziek uitgezonderd van de algemene geluidsniveaus. Gemeenten hebben, in artikel 2.18, eerste lid, onder f, juncto vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, expliciet de bevoegdheid gekregen om voor onversterkte muziek regels op te nemen in de APV. Door het feit dat de hinderbeleving van onversterkte muziek zeker niet lager is dan die van versterkte muziek, dient deze op gelijke wijze te worden beschermd.
De geluidswaarden kunnen door de gemeenten zelf worden bepaald. Het kan zijn dat u er de voorkeur aan geeft hogere waarden vast te stellen, bijvoorbeeld vanwege oude, meer gehorige panden. Deze keuze is aan de gemeente. Gemeenten kunnen op basis van artikel 2.20 voor geluid maatwerkvoorschriften vaststellen. Er kan op basis van de artikelen 2.20 en 2.17, 2.17a, 2.19 en 2.19a (en dus indirect artikel 2.18) voor gekozen worden om ook maatwerkvoorschriften vast te stellen voor onversterkte muziek. Deze kunnen dan mogelijk wel afwijken van hetgeen in de APV gesteld wordt. Dit kan verwarrend zijn voor bedrijven die meer of minder geluid mogen produceren bij versterkte (maatwerkvoorschriften) dan bij onversterkte muziek (APV). Om de geluidsnormen voor versterkte muziek gelijk te kunnen maken aan onversterkte muziek, is dit artikel op genomen. Om vooral amateurgezelschappen in niet professionele oefenruimtes de kans te geven tot het hobbymatig beoefenen van onversterkte muziek, is voor hen in het tweede lid een mogelijkheid gecreëerd om een aantal uur in de week uitgezonderd te zijn van de geluidsniveaus. In het derde lid wordt gesproken over ‘oefenen’. Op deze manier worden festiviteiten en optredens voor publiek uitgesloten. Er is sprake van oefenen als men muziek maakt zonder dat er publiek aanwezig is.
De genoemde geluidsniveaus in het tweede lid (tabel) zijn niet van toepassing op: a. het geluid ten behoeve van het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, alsmede geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden; b. het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire inrichtingen; c. het ten gehore brengen van muziek vanwege het oefenen door militaire muziekcorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee uren per week op militaire inrichtingen. Jurisprudentie ABRvS 16-10-2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE8977. Weigering ontheffing om voor onbepaalde tijd eens in de twee weken op dinsdag- of donderdagavond van 19.00 tot 21.30 uur luide hardrockmuziek af te spelen op eigen muziekinstallatie, blijft in hoger beroep in stand. Het opnemen van geluidsnormen in de verordening is een zaak van de gemeentelijke wetgever. Rb. Zutphen 05-07-2002, ECLI:NL:RBZUT:2002:AE5178. Voorlopige voorziening. Vergunning onder voorschriften wordt verleend voor het houden van een besloten buurtfeest voor ongeveer 25
P A G I N A 15 V A N 4 0
personen. Omvang en karakter van het buurtfeest zijn – naar voorlopig oordeel – dusdanig te achten dat daarvan in redelijkheid geen geluidhinder als bedoeld in artikel 4.1.5 (oud) van de APV valt te verwachten. ABRvS 12-12-2001, ECLI:NL:RVS:2001:AE0239. Verlening ontheffing, onder voorschriften, voor het ten gehore brengen van carillonmuziek. Vier keer per dag twee minuten en wekelijks op woensdagof zaterdagmiddag maximaal 45 minuten. De norm van 75 dB(A) ter plaatse van woningen is niet voldoende onderbouwd. Het uitgangspunt dat het carillon in het winkelgebied moet worden gehoord geeft geen, althans onvoldoende blijk dat de belangen van de appellant, die tussen de toren en het winkelgebied woont, bij de besluitvorming in voldoende mate zijn afgewogen. Vz. ARRS 17-08-1990, AB, 1991, 44. Weigering ontheffing voor geluidversterking bij geloofsverkondiging. Grote zorgvuldigheid bij uitoefening grondrecht. ABRvS 03-06-1996, JG 97.0148. Het aan- of afslaan van een CV installatie is niet aan te merken als het verrichten van een handeling in de zin van het APV-artikel. Zie ook VNG ledenbrief Lbr. 97/144 van 13 augustus 1997 (Periodieke wijziging model-APV (01)). ABRvS 10-03-1995, JG 95.0206. Vergunningverlening voor het ten gehore brengen van mechanische muziek in winkelstraten. Overlast voor omwonenden. ABRvS 07-06-1994, JG 94.0290.
Ontheffing van verbod tot veroorzaken geluidhinder in verband met spelen op trompet. ABRvS 25-11-1991, ECLI:NL:RVS:1991:BL2009. Geluidsvergunning voor feesttent, waarin met ontheffing van burgemeester alcohol wordt geschonken, is gelijk te stellen aan geluidsvergunning voor horeca-inrichting. Vz. ABRvS 02-11-1990, ECLI:NL:RVS:1990:BL3378. Weigering vergunning voor rijden met geluidswagen. Carillonmuziek. Waar in het verleden over het bespelen van carillons, en dan vooral voor zover dit als geluidsoverlast werd ervaren, geregeld “succesvol” geprocedeerd werd (bijvoorbeeld ABRvS 19-122001, BR 2002, 58, p. 319 en ABRvS 28-06-2006, ECLI:NL:RVS:2006:AX9468), zal dit vanwege de wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet langer mogelijk zijn; uitsluitend als een gemeente dit in een verordening regelt, kunnen aan onversterkte muziek in het algemeen en carillons in het bijzonder nog voorwaarden gekoppeld worden. ABRvS 13-07-2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1448. Klokgelui Tilburgse pastoor. De gemeenteraad kan krachtens zijn autonome regelgevende bevoegdheid regels stellen met betrekking tot de duur en het geluidsniveau van klokgelui ter gelegenheid van oproepen tot belijden van godsdienst. Deze bevoegdheid moet niet worden opgevat als grondslag om het in artikel 6 van de Grondwet gewaarborgde recht tot het vrij belijden van de godsdienst te beperken.
Dit grondrecht betekent niet dat er absolute vrijheid bestaat tot kerkklokgelui van elke duur en met elk geluidsvolume; de raad kan bij verordening regels stellen om excessen te voorkomen. Artikel 4:6 Overige geluidhinder
P A G I N A 16 V A N 4 0
Door in het eerste lid de zinsnede ‘een inrichting’(in de zin van de Wm ) op te nemen wordt de afbakening direct vastgelegd. Een inrichting in de zin van de Wm heeft ofwel een milieuvergunning nodig (waarin geluidsvoorschriften zijn opgenomen), ofwel zij valt onder de algemene regels op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer. In deze algemene regels zijn ook geluidsvoorschriften opgenomen. In de praktijk zullen vooral de Zondagswet, Wet Geluidhinder, Wom, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit en het Bouwbesluit 2012 een afbakeningsdiscussie opleveren. Daarom is gekozen om deze wetten afzonderlijk te benoemen in het derde lid. De provinciale milieuverordening is toegevoegd aan dit lid. In een provinciale milieuverordening kunnen namelijk zogenaamde milieubeschermingsgebieden worden aangewezen, waaronder stiltegebieden. Voor deze stiltegebieden kunnen bij provinciale milieuverordening regels over het voorkomen en beperken van geluidhinder worden gesteld, waaronder verbodsbepalingen. De provinciale milieuverordening gaat in dit geval voor de gemeentelijke verordening. Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, AMvB of een provinciale verordening wordt voorzien.
De term ‘onderwerp’ in artikel 122 van de Gemeentewet betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het derde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Zie uitgebreid daarover onder het kopje Afbakeningsbepalingen in de Algemene Toelichting. Artikel 4:6 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de andere regelingen niet voorzien. Onder andere valt te denken aan: - een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een kermis, een heidefeest, een braderie, een rally, enzovoort; - het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of muziek maken of mededelingen doen; - het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten; - het gebruik van diverse geluidproducerende recreatietoestellen; - het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers en heistellingen; - het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen, enzovoort; - overige handelingen waardoor geluidoverlast ontstaat. Voorts kunnen onder artikel 4:6 vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt door het beoefenen van ‘lawaaiige’ hobby’s, het voortdurend bespelen van muziekinstrumenten, het gebruiken van elektro-akoestische apparatuur, het laten draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, enzovoort.
Met name voor deze vormen van geluidhinder ontbreken algemeen geldende criteria of normen. Dit behoeft ook niemand te verwonderen: de bron van geluidhinder is niet een bepaalde, aanwijsbare inrichting of gedraging. In beginsel kan het elke gedraging betreffen. Van geval tot geval zal daarom moeten worden nagegaan in welke situatie en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder, en welke maatregelen kunnen worden genomen. Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een zekere mate van (geluid)hinder als onvermijdelijk zal moeten worden aanvaard. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met voorschriften.
P A G I N A 17 V A N 4 0
Toelichting Erfgoedverordening gemeente Edam-Volendam Inleiding Naast een monumentenvergunningprocedure voor rijksmonumenten wordt het bestemmingsplan als instrument gebruikt om het gemeentelijk cultureel erfgoed te beschermen. Dit cultuurgoed krijgt via een dubbelbestemming ´Waarde – Edams-Volendams erfgoed´ (WR-EV) een vaste positie binnen het bestemmingsplan waardoor de ruimtelijke kwaliteiten op het gebied van cultuurhistorie, architectuurhistorie en landschap integraal beheersbaar worden. In de Erfgoedverordening wordt een koppeling gemaakt met het bestemmingsplan. Er wordt als het ware een koppeling gelegd tussen de Wet ruimtelijke ordening en de Woningwet, zodat een dekkend regime ontstaat. Daarnaast wordt het vergunningsvrij bouwen binnen het cultureel erfgoed uitgesloten, doordat in de Erfgoedverordening de begripsbepaling ´gemeentelijk monument´ is uitgebreid. Het voordeel van dit systeem is, dat een integrale bescherming op maat mogelijk is (in het bestemmingsplan). Dit in tegenstelling tot de traditionele fragmentarische en objectgerichte aanpak. Bouwstenen De relevante bouwstenen van het bestemmingsplan voor de toepassing van de Erfgoedverordening zijn de verbeelding bij het bestemmingsplan, de planregels en de cultuurhistorische rapporten. Op de verbeelding is aangegeven welke objecten en gebieden zijn geselecteerd voor bescherming.
De planregels zijn verbonden aan een omgevingsvergunning. In de planregels wordt tevens verwezen naar de onderliggende rapporten die de gekozen bescherming motiveren. De toets van plannen aan cultuurhistorische waarden vindt bij het gemeentelijk erfgoed plaats via de omgevingsvergunning. Naast de reguliere welstandstoets aan de ´redelijke eisen van welstand´ vindt in de bestemmingsplantoets de afweging op grond van cultuurhistorie plaats. De onderbouwing is vormgegeven in de cultuurhistorische rapporten waarin de waarden zijn beschreven. Het rapport dient te worden geraadpleegd bij beslissingen op stedenbouwkundig niveau, bij de beoordeling van de omgevingsvergunning. Elk rapport moet worden beschouwd als een op zichzelf staand product. Niettemin moeten alle rapporten die samen de Erfgoedverordening inhoud geven, als één totaalonderzoek worden beschouwd. Vandaar dat ze als onderdeel van het bestemmingsplan in de inspraak worden gebracht en de bijbehorende procedures zullen doorlopen. De algemene uitgangspunten zoals in artikel 4 van de Erfgoedverordening zijn opgenomen zijn onderverdeeld in twee categorieën: 1. behoud zonder ontwikkeling; 2. behoud door zorgvuldige ontwikkeling. De eerste categorie behoud is de meest wenselijke, de tweede categorie komt pas in beeld wanneer volledig behoud niet tot de mogelijkheden behoort.
Binnen de twee categorieën is een onderverdeling gemaakt van het meest optimale uitgangspunt naar het minst wenselijke scenario. Bij de beoordeling van de plannen zal dan ook opeenvolgend een afweging worden gemaakt, waarbij het eerst genoemde uitgangspunt prevaleert boven het tweede. Bij deze afweging zal zorgvuldig gemotiveerd moeten worden waarom het bovenstaande uitgangspunt niet haalbaar blijkt. Dubbelbestemming ´Waarde – Edams-Volendams erfgoed´
P A G I N A 18 V A N 4 0
De dubbelbestemming ´Waarde – Edams-Volendams erfgoed´ ligt op bouwwerken en gebieden met een bijzondere cultuurhistorisch waardevolle identiteit waaraan voorwaarden en uitgangspunten zijn gekoppeld. Binnen de dubbelbestemming is op de bestemmingsplanverbeelding een specificatie van beschermingsniveaus aangeduid. Binnen deze beschermingsniveau´s staat behoud van de cultuurhistorische waarde voorop. Beschermingsniveaus Een van de grote voordelen van de Erfgoedverordening is de mogelijkheid van gradaties in beschermingsniveau. Dit wil zeggen dat niet het volledige cultureel erfgoed dezelfde bescherming krijgt, maar dat verschil in het beheer gemaakt wordt. Stedenbouwkundige structuren vragen om een ander beschermingsniveau dan architectonisch waardevolle objecten. Dit houdt in dat binnen de dubbelbestemming ´Waarde – Edams-Volendams erfgoed´ een aantal verschillende beschermingsgradaties zijn opgenomen, te weten: - karakteristiek waardevol bouwwerk; - beeldbepalend bouwwerk; - stolp; - waardevol cultuurhistorisch element; - cultuurhistorisch attentiegebied. Juridische koppeling De bescherming van het erfgoed wordt in feite gevormd door de weigeringsgronden die geformuleerd zijn in artikel 2.10, 2.11, 2.12 en 2.18 van de Wabo (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht).
Het praktische beheer wordt deels geregeld in het bestemmingsplan en deels door de koppeling aan artikel 2, 3 en 4 van de Erfgoedverordening. Dankzij deze laatste manoeuvre is voor de karakteristiek waardevolle bouwwerken, beeldbepalende bouwwerken, stolpen, waardevolle cultuurhistorische elementen alsmede voor de cultuurhistorische attentiegebieden, artikel 5, lid 3, sub a Bijlage II Bor (Besluit omgevingsrecht) van kracht. Dit betekent dat vergunningsvrije bouwwerken vergunningplichtig worden. Voordelen Erfgoedverordening De voordelen van de erfgoedverordening ten opzichte van het traditioneel aanwijzen van gemeentelijke monumenten: - het is een integrale benadering van beschermen waardoor verschillende onderwerpen via één systeem beschermd en inzichtelijk zijn; - er is geen langdurige totstandkoming door het aanwijzingsproces van gemeentelijke monumenten. Dit is geïntegreerd in de vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan; - er is bescherming mogelijk op verschillende niveaus; - het is een ontwikkelingsgerichte benadering, waarbij cultuurhistorie binnen de belangenafweging wordt meegenomen; - het sluit aan bij de landelijke regelgeving; - het bestemmingsplan wordt in een vroeg stadium geraadpleegd, waardoor een vroegtijdige afstemming ontstaat; - het bestemmingsplan is een flexibel en degelijk toetsingsinstrument. Het laat veel ruimte open voor nader beleid.