CConstaterende datEdam-Volendam
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting_NL.IMRO.0385.BPtunnelpad-ow-01.pdf

Raadsplein Bespreekronde Ib 24 juni 2021, gemeente Edam-VolendamBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen bestemmingsplan Tunnelpad (Kraaiennest) Oosthuizen12.433 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De toekomstige woningen komen in de 1%-letaliteitgebied te liggen. Het plan voorziet in de realisatie 28 woningen. In de dagperiode zullen (gemiddeld) 34 mensen aanwezig zijn, en in de nachtperiode 68 mensen. Vroeger was op de locatie een basisschool gevestigd. In de school waren 15 klaslokalen, wat neer komt op zo’n 360 aanwezigen. In de dagperiode treedt er een significante afname van het aantal aanwezigen op, in de nachtperiode zijn er meer aanwezigen. Door de onderhavige ontwikkeling zal het groepsrisico licht toenemen maar zeker niet leiden tot een overschrijding van de 10% van de oriëntatiewaarde. De hoogte van het groepsrisico is dusdanig dat de verantwoording van het groepsrisico gemotiveerd achterwege kan blijven (artikel 8 lid 1, Besluit externe veiligheid transportroutes). De veiligheidsregio Zaanstad-Waterland heeft op 30 november 2020 een advies uitgebracht (zie bijlage Advies woningbouw Kraaiennest Oosthuizen). De Veiligheidsregio adviseert om: • bouwkundige maatregelen te treffen, waaronder een afschakelbare ventilatie; • gerichte risicocommunicatie aan de toekomstige bewoners over externe calamiteiten en bijbehorende handelingsperspectieven. Conclusie Uit bovenstaande analyse blijkt dat er geen relevante risicobronnen in een straal van 1,5 kilometer aanwezig zijn, met uitzondering van de provinciale weg.

Over deze weg mogen gevaarlijke stoffen getransporteerd worden. Jaarlijks kunnen 100 transporten GF3 over deze weg plaatsvinden. Uit de toepassing van de vuistregels van het HaRT blijkt dat het groepsrisico niet de 10% van de oriëntatiewaarde zal overschrijden, in zowel de huidige als de toekomstige situatie. Uit de beoordeling blijkt dat er in de dagperiode significant minder aanwezigen in het gebied aanwezig zullen zijn. In de nachtperiode zullen er meer mensen aanwezig zijn. Hierdoor kan de verantwoording van het groepsrisico gemotiveerd achterwege blijven. Uit het advies van de Veiligheidsregio wordt geadviseerd wordt om: bouwkundige maatregelen te treffen, waaronder een afschakelbare ventilatie; gerichte risicocommunicatie aan de toekomstige bewoners over externe calamiteiten en bijbehorende handelingsperspectieven.

Projectcode: DOC00120 Versie: 4

Pagina 30 van 43

Bestemmingsplan Tunnelpad Oosthuizen

4.7

Luchtkwaliteit

De wetgeving opgenomen in de ‘Wet luchtkwaliteit bepaalt dat ruimtelijk-economische initiatieven uitgevoerd kunnen worden als aan één of meer voorwaarden wordt voldaan: • • • •

grenswaarden niet worden overschreden; de luchtkwaliteit per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft; het initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit; het initiatief is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

De Wet Luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Onder kleine projecten worden projecten verstaan die de luchtkwaliteit 'niet in betekende mate' verslechteren. Deze projecten worden niet meer beoordeeld op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Draagt een klein project niet of nauwelijks bij aan luchtverontreiniging, dan is er geen belemmering voor. Het ministerie VROM heeft de definitie van 'in betekenende mate' vastgelegd in het Besluit NIBM. Projecten die de concentratie NOx, SO2 of fijnstof met meer dan 3% van de grenswaarde verhogen, dragen in betekenende mate bij aan de luchtvervuiling. Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in de regeling NIBM omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld: • •

Woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen; Kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen.

Het plangebied heeft 28 woningen en wordt dus beschouwd als een klein project. Op basis van deze gegevens kan worden geconcludeerd dat onderzoek naar luchtkwaliteit voor de ontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt niet nodig is en dat de ontwikkeling niet bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Uit de informatie die beschikbaar is via de Monitoringstool NSL blijkt dat de jaargemiddelde concentraties fijn stof en stikstofdioxide in langs wegen in de nabijheid van het plangebied onder de 35 µg/m³ liggen. In het plangebied zal dan ook worden voldaan aan de grenswaarden. Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘luchtkwaliteit’ geen belemmering is voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.8

Ecologie

Voor de realisatie van dit bestemmingsplan worden de gronden binnen het plangebied bouwrijp gemaakt, wordt de bestaande bebouwing gesloopt en diverse bomen en struiken verwijderd. In verband met deze ontwikkeling is een toetsing van de plannen aan de natuurwetgeving en het natuurbeleid noodzakelijk.

4.8.1

Gebiedsbescherming

In het projectgebied zijn geen beschermde natuurgebieden aanwezig. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is ‘Polder Zeevang’ op ca. 1,2 km afstand ten zuidoosten van het projectgebied. Van optische verstoring van soorten in Natura 2000-gebieden is derhalve geen sprake. Gelet op de afstand van het projectgebied tot Natura 2000-gebieden, kan verstoring van soorten in Natura 2000-gebieden door licht en geluid op voorhand worden uitgesloten. Projectcode: DOC00120 Versie: 4

Pagina 31 van 43

Bestemmingsplan Tunnelpad Oosthuizen

Of er sprake is van een substantieel, negatief effect van de voorgenomen ontwikkeling op de stikstofemissie en daarmee op Natura 2000-gebieden is onderzocht door het maken van een AERIUS berekening. AERIUS-berekening Voor de beoogde herontwikkeling van de omgeving van voormalig basisschool ‘t Kraaiennest is een berekening uitgevoerd van de stikstofemissies als gevolg van de bouw en het gebruik. Zie hiervoor bijlage 3. Uit de berekening blijkt dat de kritieke overschrijding van stikstofdepositie van 0.00 mol/ha/j niet wordt overschreden. Stikstof vormt daarom geen belemmering voor het betreffende project en er is geen ontheffing nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Natuurnetwerk Nederland Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde gebied behorende tot het NNN bevindt zich op ca. 380 m. van het gebied. Er is geen nadere toetsing voor NNN noodzakelijk omdat het projectgebied buiten de begrenzing van het NNN ligt en de provinciale omgevingsverordening van de provincie Noord-Holland geen bepalingen ten aanzien van externe werking kent. Houtopstanden Het projectgebied bevindt zich binnen de bebouwde kom. Daarmee is het onderdeel Houtopstanden van de Wet natuurbescherming niet van toepassing.

4.8.2

Soortenbescherming

Voor het projectgebied is een ecologische quickscan en een aanvullend onderzoek uitgevoerd. Beiden zijn als bijlagen in dit bestemmingsplan opgenomen, zie hiervoor respectievelijk bijlage 4 en 5. Vleermuizen Op de locatie zijn meerdere vleermuissoorten waargenomen die het gebied gebruiken als foerageergebied en als vliegroute Deze worden niet als essentieel bevonden. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Huismussen Tijdens het huismusonderzoek zijn deze niet waargenomen in het plangebied en omgeving. Een aanvraag om ontheffing van de Wet natuurbescherming en vervolgstappen is niet nodig Gierzwaluwen Tijdens het gierzwaluwonderzoek zijn geen gierzwaluwen waargenomen die een nestplaats hebben binnen het plangebied, wel aan de rand. Ze maken wel gebruik van het luchtruim boven het plangebied als fourageerplaats. Overig In het plangebied zijn andere soorten aangetroffen die gebruik maken van het gebied, bv. kikkers en egels. Deze diersoorten zijn in Noord-Holland vrijgesteld van ontheffing. Conclusie Geconcludeerd wordt dat de Wet Natuurbescherming geen belemmering is voor de realisatie van het bestemmingsplan.

Projectcode: DOC00120 Versie: 4

Pagina 32 van 43

Bestemmingsplan Tunnelpad Oosthuizen

4.9

Cultuurhistorie en archeologie

4.9.1

Cultuurhistorie

Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Deze wet omvat regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De uitgangspunten uit het Verdrag van Valletta (Malta) blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. Gemeenten zijn hierdoor verplicht aandacht te besteden aan de archeologie op haar grondgebied en dit te verwerken in bestemmingsplannen en andere ruimtelijke instrumenten.

Afbeelding 13: Overzicht van monumenten, waarnemingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 200 m van het plangebied

Het plangebied ligt niet in een beschermd stads- of dorpsgezicht. Het te slopen schoolgebouw is niet aangewezen als een door het Rijk, de provincie of de gemeente beschermd monument.

4.9.2

Archeologie

Het plangebied ligt in het bestemmingsplan ‘’Dorpskernen 2017”. De locatie maakt onderdeel uit van een gebied waar de gronden aangemerkt zijn als ‘’ dubbelbestemming Waarde Archeologie 3’’. Om beter inzicht te krijgen in de mate van de werkelijke archeologische waarden is er archeologisch bureauonderzoek

Projectcode: DOC00120 Versie: 4

Pagina 33 van 43

Bestemmingsplan Tunnelpad Oosthuizen

uitgevoerd. Doel van het onderzoek is het bepalen van mate waarin archeologisch waardevolle vondsten gedaan zouden kunnen worden. Het volledige onderzoek is als bijlage 6 toegevoegd. Door het hele plangebied worden archeologische resten verwacht, omdat de grond sporen van menselijk gebruik kan bevatten. De verwachte datering van de resten betreft de periode Late Middeleeuwen tot en met Nieuwe Tijd. Er worden sporen verwacht in de vorm van funderingen, paalsporen, kuilen, begravingen (dierlijk) en andersoortige sporen dat vondstmateriaal kan bevatten. Tevens kan een cultuurlaag met daarin archeologische artefacten van aardewerk, steen, baksteen, metaal en glas aanwezig zijn. Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied geen nader archeologisch onderzoek geadviseerd, indien ingrepen niet dieper gaan dan 1,0 meter beneden maaiveld. Het heipalenplan wordt beschouwd als een weinig ingrijpende verstoring waarbij een eventueel archeologisch niveau onder de ophoging nog steeds voldoende informatief zal blijven om gedegen onderzoek te kunnen doen in de toekomst. 120 palen met een doorsnede van 25 centimeter worden op een gemiddelde onderlinge afstand van 3 meter geplaatst. Het totaal te verstoren oppervlakte zal 24 m² bedragen.

Het plaatsen van de heipalen zal gebeuren met een techniek waarbij verdrukking van omliggende sedimenten voorkomen zal worden. De gehele ontwikkellocatie wordt door de gemeente vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkelingen. Hierbij geldt de vondsmeldingsplicht. Mochten er tijdens de werkzaamheden vermoedens van aanwezige archeologische indicatoren ontstaan, moet in het kader van de Erfgoedwet (artikel 5.10) hiervan onmiddellijk melding gemaakt worden bij het bevoegd gezag. Conclusie Geconcludeerd wordt dat dit aspect geen belemmering is voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.10 Duurzaamheid Wie tegenwoordig een woning bouwt, doet dit al bijna energieneutraal (EPC 0,4) en bij voorkeur met duurzame materialen. De woningen worden in ieder geval voorzien van een warmtepomp. Het is de ambitie om in de nieuwe wijk, mogelijkheden te scheppen voor een blijvend duurzame wijk. Duurzaamheid zal op verschillende aspecten ruimschoots aandacht krijgen en worden geborgd via de te verlenen omgevingsvergunning.

4.11 Vormvrije M.E.R. beoordeling Het is verplicht om de effecten op het milieu volwaardig onderdeel te laten zijn van de voorbereiding en de besluitvorming over ruimtelijke plannen. Daarvoor is in de Wet milieubeheer de methodiek van de milieueffectrapportage (M.E.R.) opgenomen. Uit het natuuronderzoek blijkt dat de ontwikkeling naar verwachting geen invloed heeft op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. De oppervlakte van onderhavig plangebied bedraagt circa 0,77 hectare en blijft hiermee onder de drempelwaarde van 100 hectare. Het beoogde plan maakt uitsluitend 28 woningen en geen nieuwe bedrijfsbestemmingen mogelijk waardoor de drempelwaarde van 2.000 woningen en de drempelwaarde voor bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² ook niet worden overschreden. De voorgenomen activiteit blijft onder de genoemde drempelwaarden voor stedelijke ontwikkelingsprojecten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit M.E.R. Om die reden kan worden volstaan met een vormvrije M.E.R.

Projectcode: DOC00120 Versie: 4

Pagina 34 van 43

Bestemmingsplan Tunnelpad Oosthuizen

In de aanmeldnotitie wordt een samenvatting gegeven van de onderzoeken die nodig zijn om negatieve invloeden van de ontwikkeling van het gebied op het milieu te voorkomen danwel te repareren en/of voorzieningen te treffen. Uit de onderzoeken zijn geen belemmeringen geconstateerd voor de uitvoering van het bestemmingsplan. De onderzoeken zijn in het bestemmingsplan uitgebreider omschreven. De aanmeldnotitie valt onder de Wet milieubeheer. Dit is een andere procedure en de notitie is dan ook niet als bijlage opgenomen. In de notitie wordt de conclusie getrokken dat het voorgenomen plan niet leidt tot significante nadelige gevolgen voor het milieu zoals bedoeld in artikel 7.17 Wet milieubeheer. Er is daarom geen aanleiding om een M.E.R.-procedure te doorlopen, omdat dit geen aanvullende informatie verschaft voor het beoordelen van de milieueffecten.

Projectcode: DOC00120 Versie: 4

Pagina 35 van 43

Bestemmingsplan Tunnelpad Oosthuizen

5 Waterparagraaf 5.1

Inleiding

Een belangrijk ordenend principe bij ruimtelijke plannen is het waterbeheer: de zorg voor veiligheid tegen overstromingen en voor voldoende en gezond oppervlaktewater. De gemeente dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer van regionale wateren.

5.2

Waterbeleid

In het kader van het verkrijgen van een duurzaam watersysteem hebben Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen in 2001 de Startovereenkomst waterbeleid 21e eeuw (WB'21) ondertekend. Onderdeel van het nieuwe waterbeleid is de “watertoets” de check van ruimtelijke plannen aan de gevolgen voor het watersysteem.

5.2.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water is gericht op het bereiken van een goede ecologische waterkwaliteit in alle Europese wateren. In 2015 moet dat gerealiseerd zijn. De lidstaten moeten in 2009 (inter)nationale stroomgebiedbeheersplannen vaststellen waarin zij aangeven welke maatregelen ze gaan nemen om de doelstelling te halen. De provincie Noord-Holland maakt volledig deel uit van het deelstroomgebied Rijndelta en het daarbinnen begrensde deelstroomgebiedsdistrict Rijn-West. Binnen Rijn-West werkt Noord-Holland samen met alle betrokken waterbeheerders (Rijkswaterstaat, buurprovincies, waterschappen en gemeenten) aan het opstellen van het regionale deel van het genoemde stroomgebiedbeheersplan Rijndelta.

5.2.2

Rijksbeleid

Nationaal Waterplan 2016 Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is in 2016 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: - Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; - Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; - Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; - Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement'; - Nederlanders leven waterbewust. Het kabinet zet de veranderingen in het waterveiligheidsbeleid voort en zal hiertoe een wetsvoorstel met nieuwe normen voor de primaire keringen voorbereiden. Nieuwe normen zijn nodig, omdat de huidige eisen aan primaire keringen grotendeels uit de jaren zestig van de vorige eeuw dateren. Sindsdien zijn het aantal mensen en de economische waarde achter de dijken Projectcode: DOC00120 Versie: 4

Pagina 36 van 43

Bestemmingsplan Tunnelpad Oosthuizen

toegenomen. Ook is nieuwe kennis beschikbaar gekomen over de werking van de keringen en de gevolgen van overstromingen. De doelen op het gebied van waterveiligheid zijn omgerekend naar normspecificaties voor de keringen. Deze zijn niet meer gebaseerd op dijkringen, maar op dijktrajecten. Elk dijktraject krijgt een norm-specificatie die past bij de gevolgen in dat specifieke gebied. De normspecificaties zijn ingedeeld in zes klassen, waarbij de overstromingskans varieert van 1/300 per jaar tot 1/100.000 per jaar. Het Rijk onderkent het belang van verbinden van ruimte en water. Bij het aanpakken van wateropgaven en de uitvoering van watermaatregelen vindt daarom afstemming plaats met andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied, zodat scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of, beter nog, elkaar versterken. Het kabinet streeft daarbij ook naar integrale combinaties, waarbij ruimtelijke inrichting een belangrijke rol speelt bij het oplossen van wateropgaven. Omgekeerd is het van belang om bij ruimtelijke opgaven vroegtijdig rekening te houden met wateropgaven en de veerkracht van watersystemen. De gewenste betere verbinding tussen water en ruimte geldt voor alle opgaven op het gebied van waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit.

Projectcode: DOC00120 Versie: 4

Pagina 37 van 43

Bestemmingsplan Tunnelpad Oosthuizen

5.2.3

Provinciaal beleid

Provinciale Watervisie 2015 De Provinciale watervisie beschrijft de kaders voor waterbeheer in Noord-Holland. De belevingswaarde van het alom aanwezige water en de mogelijkheden die het biedt, het leven met en strijden tegen, dat is wat NoordHolland uniek maakt. Vanuit dit vertrekpunt wil de provincie met het waterbeleid Noord-Holland mooier, bedrijviger en veiliger maken dan het al is, op een haalbare en betaalbare manier. De provincie zet het waterbeleid daarom zo in dat er een impuls vanuit gaat voor de leefomgevingskwaliteit en/of het vestigingsklimaat. Er wordt onderscheid gemaakt in twee thema's, te weten “Veilig” en “Schoon en “Voldoende”. Binnen deze thema's worden doelen gesteld. De doelen voor het thema Veilig zien vooral toe op het in orde zijn van de regionale keringen, het beperken van slachtoffers, economische schade en een adequate rampenbestrijding. Bij dijkversterkingen moet aandacht zijn voor een goede ruimtelijke inpassing. Bij Schoon en Voldoende gaat het er vooral om dat er schoon grondwater moet zijn en schoon en voldoende oppervlaktewater, zwemwater en drinkwater.

5.2.4

Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier

De watertoets moet ervoor zorgen dat bij ruimtelijke plannen en besluiten voldoende rekening wordt gehouden met water en watervoorzieningen. Slim gebruik van water en ruimte kan de leefomgeving van mens en dier verbeteren. En het verkleint de kans op problemen zoals onvoldoende veilige dijken, wateroverlast of een slechte waterkwaliteit. Het resultaat is een ruimtelijk plan dat waterbestendig is. Het watertoetsproces van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier bestaat uit een aantal stappen: 1. De digitale watertoets; 2. Uitwerken waterparagraaf; 3. Overleg Waterschap; 4. Het Wateradvies. De watertoets voor dit plan heeft plaatsgevonden via de Digitale Watertoets. Uit de ingevoerde gegevens volgt dat er sprake is van een ruimtelijk plan dat een geringe invloed heeft op de taken en belangen van het waterschap. In deze fase van de planvorming (bestemmingsplan) kan volgens het waterschap worden volstaan met het automatisch gegeneerd wateradvies. Het doorlopen van de stappen 2 t/m 4 is derhalve niet noodzakelijk voor dit initiatief. Verder is een reactie van het Hoogheemraadschap op het plan hieronder integraal overgenomen. De watertoets is een procesinstrument dat is verankerd in de Wet Ruimtelijke Ordening (WRO), het Besluit Ruimtelijke Ordening (BRO) en het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) 2011.

De bedoeling van het instrument is om wateraspecten van meet af aan mee te nemen bij ruimtelijke plannen en besluiten. Het gaat hierbij om zes thema's: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, wegen, afvalwaterketen en beheer & onderhoud van nieuw en bestaand oppervlaktewater. Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema’s waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt Projectcode: DOC00120 Versie: 4

Pagina 38 van 43

Bestemmingsplan Tunnelpad Oosthuizen

het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels die u op onze website kunt vinden (https://www.hhnk.nl/keur/). Verharding en compenserende maatregelen In zeer beperkte mate sprake is van een toename van de verharding. Omdat dit een dermate klein gevolg heeft voor de waterhuishoudkundige situatie hoeven er geen compenserende maatregelen uitgevoerd te worden. Waterkwaliteit en riolering In het plan wordt een gescheiden riolering aangelegd, waarbij het hemelwater wordt afgekoppeld van de riolering. Dit komt overeen met de basisdoelstelling van het hoogheemraadschap om het hemelwater van nieuwe oppervlakken zoveel mogelijk te scheiden van het afvalwater. Voorwaarde is wel dat het hemelwater als schoon kan worden beschouwd.

Bij voorkeur wordt afstromend hemelwater van verharde oppervlakken eerst voorgezuiverd door een berm, wadi of bodempassage. Binnen het plan is geen sprake van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd. Het is daarom niet doelmatig om het af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (rwzi). Geadviseerd wordt voor de nieuwe ontwikkeling een gescheiden stelsel aan te leggen. Het Hoogheemraadschap adviseert om met het oog op de waterkwaliteit het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink zoveel mogelijk te voorkomen. Grondwater Het plan betekent dat er sprake is van een tijdelijke of permanente grondwateronttrekking en/of -lozing. Het onttrekken van grondwater korter dan zes maanden met een hoeveelheid van minder dan 15.000 m3/per maand in "niet kwetsbaar gebied" en 8.000 m3/per maand in "kwetsbaar gebied" valt onder de algemene regels van de Keur Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 2009. In deze gevallen is geen vergunning voor de onttrekking benodigd, indien de grondwateronttrekking niet gelegen is binnen de waterkering en de bijbehorende beschermingszones. Wel dient ook in deze gevallen een aanvraag watervergunning opgestuurd te worden, die dan als melding bij het hoogheemraadschap fungeert.

Het hoogheemraadschap is net als voor het onttrekken en eventueel in de bodem retourneren van grondwater ook aanspreekpunt als het gaat om het lozen van het onttrokken grondwater op het oppervlaktewater. Voor lozingen op het oppervlaktewater dient een melding te worden gedaan bij het hoogheemraadschap. Voor de eventuele lozing van het bemalingwater op het riool dienen nadere afspraken met de rioolbeheerder, de gemeente, gemaakt te worden. Het HHNK heeft aangegeven dat er naar aanleiding van de watertoets nog opmerkingen zijn wat betreft toename verharding en de compensatie daarvan alsmede met betrekking tot (verplaatsing) van de aanwezige inlaat. Deze zaken moeten worden geregeld conform de wensen van HHNK. Ontwikkelaar heeft over deze punten voortgaand overleg gevoerd met het HHNK. Inhoudelijk is er uiteindelijk overeenstemming op alle punten bereikt. Met de sectie OW van de gemeente is overleg gevoerd over zaken als het kappen/verplaatsen van een boom (ter plaatse van de locatie van de nieuwe inlaat), de aanleg van de parkeerplaatsen en hemelwaterafvoer. Deze afspraken zijn naar tevredenheid in het plan verwerkt.

Projectcode: DOC00120 Versie: 4

Pagina 39 van 43

Bestemmingsplan Tunnelpad Oosthuizen

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de watertoets geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

Projectcode: DOC00120 Versie: 4

Pagina 40 van 43

Bestemmingsplan Tunnelpad Oosthuizen

6 Uitvoerbaarheid 6.1

Inleiding

Conform artikel 3.1.6 van het Bro dient bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de uitvoering van een plan kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de economische uitvoerbaarheid. Bij maatschappelijke uitvoerbaarheid gaat het er om hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen. Bij het tweede gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Tevens is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geregeld dat in het kader van een ruimtelijk plan voor bepaalde bouwplannen de grondexploitatieregeling van toepassing is.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1

Participatie

Er is een participatie-/communicatieplan opgesteld en er zijn twee buurtbijeenkomsten geweest. De eerste op 8 juli 2020. Hier waren 26 geregistreerde belangstellenden met daarbij een afvaardiging van de dorpsraad. Op deze avond is een schets-ontwerp gepresenteerd. De belangrijkste aandachtspunten waren: 1. Ontsluitingsmogelijkheid 2. Parkeergelegenheid 3. Kwetsbare panden in de omgeving 4. Hinder bouwwerkzaamheden De tweede avond is gehouden op 23 september 2020. Hier waren 16 geregistreerde belangstellenden met een afvaardiging van de dorpsraad. Op deze avond is een voorlopig ontwerp gepresenteerd. Deze was opgesteld zoveel als mogelijk rekening houdend met de opmerkingen en aandachtspunten van de eerste bijeenkomst. 1. Streven is zoveel mogelijk toevoeging van parkeerplaatsen zonder saldering van het huidige aanbod en/of dubbelgebruik64 parkeerplaatsen. 2. De huidige ontsluiting wordt heringericht. Er komt geen extra ontsluiting. 3. De gemeente legt nieuwe riolering aan en heeft direct aandacht voor de afwatering van de locatie. 4. Voor een eventueel P&R terrein voor de ijsbaan wordt een afzonderlijk traject gevolgd. 5. Uit onderzoek blijkt dat stikstof en PFAS geen belemmering vormen voor de realisering van het plan. Er is onder andere een discussie gevoerd over de invulling van de locatie voor wat betreft uitstraling, de wijze van afvalophaal, en de ontsluiting.

Toegezegd is dat bij de voorbereiding en tijdens de bouw aandacht is voor de omgeving.

6.2.2

Inspraak

Mede gezien het toegepaste participatietraject maat de gemeente Edam-Volendam geen gebruik van inspraak in het kader van het voorontwerpbestemmingsplan. Belanghebbenden zijn overeenkomstig artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening in de gelegenheid gesteld het ontwerpbestemmingsplan in te zien en zienswijzen in te dienen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.

Projectcode: DOC00120 Versie: 4

Pagina 41 van 43

Bestemmingsplan Tunnelpad Oosthuizen

6.2.3

Wettelijk vooroverleg

Onderhavig plan betreft een kleinschalige, lokale ontwikkeling die niet regionaal afgestemd hoeft te worden volgens de afspraken uit de Regionale Woonagenda. Overeenkomstig het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) is bij de voorbereiding van het bestemmingsplan vooroverleg gevoerd met de besturen van de instanties die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan betrokken zijn. Van de volgende instanties is een reactie ontvangen: 1. Prorail ProRail verzoekt om het aspect trillinghinder te onderzoeken en af te wegen en verwijst in dit verband naar de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. Reactie gemeente Het onderzoeksrapport is als bijlage 7 van het bestemmingsplan opgenomen. Het onderzoek wijst uit dat er geen overschrijdingen van het beoordelingskader voor trillingshinder (de SBR B-richtlijn) worden verwacht. 2. Liander N.V Liander neemt aan dat de bestaande infra van Liander aan westzijde van het plangebied behouden kan blijven en pleit ervoor de bestrating waaronder leidingen liggen uit te voeren in open verharding (tegels/klinkers) op een open fundatielaag. De aansluitleiding in het Tunnelpad dient voor de gasvoorziening van nummer 7. Bij aanvraag tot verwijdering van de aansluiting zal ook de aansluitleiding verwijderd worden.

De aanvraag voor demontage van de aansluiting dient via mijnaansluiting.nl aangevraagd te worden. Reactie gemeente De reactie wordt meegenomen en overlegd bij de uitvoering van de infrastructuur. 3. Omgevingsdienst IJmond Omgevingsdienst IJmond kan zich vinden in het bestemmingsplan behoudens de opmerking over de externe veiligheid dat er geen rekening gehouden is met de Provincialeweg 247 als transportroute. Reactie gemeente De tekst is aangepast. Van de provincie Noord-Holland is geen reactie ontvangen. 4. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Het hoogheemraadschap heeft een opmerking gemaakt over de inlaat, over de compensatie en de kadastrale grenzen. a. Met de gemeente wordt overleg gevoerd over de verplaatsing van de inlaat; b. Er is in principe overeenstemming over de wijze waarop de compensatie wordt uitgevoerd; c. De ontwikkelaar dient een aan aanvraag in om de kadastrale grenzen (indien noodzakelijk) aan te passen.

Projectcode: DOC00120 Versie: 4

Pagina 42 van 43

Bestemmingsplan Tunnelpad Oosthuizen

Reactie gemeente Deze ontwikkelingen komen ten goede van de uitvoering van het bestemmingsplan.

6.2.4

Vaststelling

Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen en er zijn geen zienswijzen ingediend. Wel is het hoofdstuk over de externe veiligheid aangepast. Het plan is ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad. Voor de realisering van het bestemmingsplan wordt gebruik gemaakt van de gemeentelijke coördinatieregeling van paragraaf 3.6.1 van de Wet ruimtelijke ordening. De ontwerp omgevingsvergunning voor het bouwen van de 28 woningen is opgenomen in bijlage 9.

6.3

Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. Er is een koopovereenkomst en een anterieure overeenkomst opgesteld. Partijen zijn het eens over de inhoud. Omdat de gemeente de openbare ruimte gaat aanleggen moet de gemeente een grondexploitatie openen. Dit is een raadsbevoegdheid. Als de raad hiertoe een besluit heeft genomen dan worden de overeenkomsten ondertekend. Gelet op bovenstaande uitleg is het kostenverhaal verzekerd. De ontwikkeling is hiermee economisch uitvoerbaar.

Projectcode: DOC00120 Versie: 4

Pagina 43 van 43

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EdamVolendam&id=de355fde-5335-4882-8b02-8a3ff3eaf7b7