CConstaterende datEdam-Volendam
Koppel je AI →
Document · PDF

TOE Bijlage 7 Quickscan flora en fauna Kwadijk ong. Kwadijk_1

Raadsvergadering 13 juni 2024, gemeente Edam-VolendamBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen bestemmingsplan Bufferwoningen Kwadijk.9.301 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan natuurwaardenonderzoek Kwadijk ongenummerd Kwadijk

Effectbeoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming, Bijzonder Provinciaal Landschap, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000

Colofon Quickscan natuurwaardenonderzoek Kwadijk ongenummerd Kwadijk

Effectbeoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming, Bijzonder Provinciaal Landschap, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000

Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten BTW-ID: NL001388212B56 E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0543-451142 / 0614-435700

Opdrachtgever:

BJZ

Abonnementhouder van de Nationale Databank Flora en Fauna

Projectnummer en versie: 725 versie 1.0 Ligging plangebied: Kwadijk ongenummerd Kwadijk Auteur: H. van Gijn

Status: definitief Rapportdatum: 10-10-2022; aangevuld 5-7-2023 Veldwerk uitgevoerd door: Ing. P. Leemreise

1

Inhoudsopgave Samenvatting ..................................................................................................................................................... 3 Hoofdstuk 1

Inleiding .................................................................................................................................... 5

Hoofdstuk 2

Het plangebied ......................................................................................................................... 6

2.1 Situering ................................................................................................................................................... 6 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................... 6 Hoofdstuk 3

Voorgenomen activiteiten........................................................................................................ 7

3.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 7 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden ................ 7 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer ............................................................................................................... 8 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied .................................................................................................... 8 Hoofdstuk 4

Toetsingskaders ........................................................................................................................ 9

4.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 9 4.2 Wet natuurbescherming; Natura 2000 .................................................................................................... 9 4.3 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming ....................................................................................... 9 4.4 Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland ......................................................................... 10 Hoofdstuk 5

Gebiedsbescherming .............................................................................................................. 11

5.1 Algemeen ............................................................................................................................................... 11 5.2 Natuurnetwerk Nederland ..................................................................................................................... 11 5.3 Natura 2000............................................................................................................................................ 12 5.4 Bijzonder Provinciaal Landschap ............................................................................................................ 15 5.5 Slotconclusie........................................................................................................................................... 16 Hoofdstuk 6

Soortenbescherming .............................................................................................................. 16

6.1 Verwachting en bureauonderzoek ......................................................................................................... 17 6.2 Methode ................................................................................................................................................. 17 6.3 Resultaten .............................................................................................................................................. 18 6.4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep............................................................................... 21 6.5 Historische gegevens en overige bronnen ............................................................................................. 24 6.6 Volledigheid van het onderzoek............................................................................................................. 24 Hoofdstuk 7

Conclusies ............................................................................................................................... 25

2

SAMENVATTING Er zijn plannen voor het uitbreiden van de woonkern Kwadijk, gemeente Edam-Volendam. De uitbreiding is gesitueerd aangrenzend aan het zuidelijke deel van de woonkern en ligt tussen Kwadijk en Oude Gouw. Deze rapportage dient als een actualisatie van een eerder uitgevoerde Quickscan Natuurwaardenonderzoek op deze locatie uitgevoerd door Natuurbank Overijssel1. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 1 september 2022 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland.

Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde gebieden: Het plangebied behoort niet tot het Bijzonder Pronvinciaal Landschap, Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Bijzonder Provinciaal Landschap en Natuurnetwerk Nederland, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het BPL en NNN (geen externe werking). Als gevolg van de bouwwerkzaamheden, is enig geluid mogelijk waarneembaar tijdens de bouwwerkzaamheden. Dit effect is kortstondig en vindt alleen plaats gedurende de bouwperiode van enkele weken. Gelet op de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied en het feit dat de bouwactiviteiten plaatsvinden op een nog grotere afstand van het Natura 2000-gebied kan ook verstoring door licht worden uitgesloten. Tevens staan er ook nog enkele woningen en ligt de verharde weg Kwadijk tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied. Het is niet aannemelijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een negatief effect op de instandhoudingsdoelstelling van het Natura 2000-gebied. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden.

Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de gebruiksfase. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen worden uitgesloten. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rustof verblijfplaats in het plangebied, maar gebruiken het wel als foerageergebied. Het plangebied vormt functioneel leefgebied van kleine modderkruiper, bittervoorn en blankvoorn. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet verstoord, beschadigd of vernield worden.

Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het verstoren, beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien het plangebied bouwrijp gemaakt wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd 1

Quickscan Natuurwaardenonderzoek Land van Kwadijk, gemeente Zeevang (projectnummer 725) 3

grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dienen ze weggejaagd te worden of weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien niet voorkomen kan worden dat een beschermd dier gedood wordt, dient een ontheffing aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een kleine modderkruiper, bittervoorn en blankvoorn gedood. Voor deze vissoorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `doden’. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende foeragerende diersoorten af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties. Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: • Werkzaamheden afstemmen op de voortplantingsperiode van vogels; • Geen beschermde amfibieën of zoogdieren doden; • Stikstofberekening uitvoeren;

4

HOOFDSTUK 1

INLEIDING Er zijn plannen voor het uitbreiden van de woonkern Kwadijk, gemeente Edam-Volendam. De uitbreiding is gesitueerd aangrenzend aan het zuidelijke deel van de woonkern en ligt tussen Kwadijk en Oude Gouw. Deze rapportage dient als een actualisatie van een eerder uitgevoerde Quickscan Natuurwaardenonderzoek op deze locatie uitgevoerd door Natuurbank Overijssel2. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied.

Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming (soorten en Natura 2000-gebied) en de Omgevingsverordening Noord-Holland (Natuurnetwerk Nederland).

Doel van deze rapportage: De Quickscan natuurwaardenonderzoek is uitgevoerd als één van de verschillende (milieu)onderzoeken in het kader van besluitvorming binnen de Ruimtelijke Ordening (doorgaans het wijzigen van het bestemmingsplan) of het aanvragen van een Omgevingsvergunning. Het onderzoek is uitgevoerd om antwoord te kunnen geven op de vraag: is er sprake van een goede ruimtelijke ordening (is de voorgenomen activiteit uitvoerbaar?). Het is nadrukkelijk geen ecologisch werkprotocol dat opgesteld wordt om te voorkomen dat de Wet natuurbescherming overtreden wordt als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De Wet natuurbescherming is tijdens de uitvoering van voorgenomen activiteiten altijd van toepassing en het is aan de uitvoerende partijen om de noodzakelijke zorgvuldigheid te betrachten tijdens de uitvoering. Om een goed ecologisch werkprotocol op te kunnen stellen is meer detailinformatie vereist, zoals de planning in uitvoering, in te zetten materieel en informatie over type bebouwing, bouwwijze, materiaalgebruik etc.

2

Quickscan Natuurwaardenonderzoek Land van Kwadijk, gemeente Zeevang (projectnummer 725) 5

HOOFDSTUK 2

HET PLANGEBIED

2.1 Situering Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Edam-Volendam, tussen Kwadijk en Oude Gouw te Kwadijk. Het plangebied ligt aangrenzend aan het zuidelijke deel van de woonkern Kwadijk en wordt omgeven door stedelijk- en landelijk gebied. Op onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart.

Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid (bron: ruimtelijkeplannen.nl).

2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bestaat uit agrarisch cultuurland en een watergang. Het agrarisch cultuurland, tijdens het veldbezoek in gebruik als grasland, bestaat uit een soortenarme vegetatie van Engels raaigras en wordt intensief beheerd (bemesten, maaien en afvoeren maaisel). De watergang loopt in het oostelijke deel van het plangebied. Er is geen beplanting en geen bebouwing in het plangebied aanwezig. Het plangebied grenst aan agrarisch cultuurland, watergangen en verharde weg. Op onderstaande luchtfoto is de begrenzing van het plangebied aangegeven. Voor een verbeelding van de huidige situatie wordt verwezen naar de fotobijlage.

Begrenzing van het plangebied; deze wordt met de gele lijn aangeduid (bron luchtfoto: ruimtelijkeplannen.nl). 6

HOOFDSTUK 3

VOORGENOMEN ACTIVITEITEN

3.1 Algemeen Het voornemen bestaat om nieuwe woningen in het plangebied te realiseren. De nieuw te realiseren woningen bestaan uit 13 vrijstaande woningen, 6 twee-onder-een-kapwoningen, 3 drie-onder-eenkapwoningen, 10 rug aan rug woningen, 2 rij hoekwoningen, 2 rij tussenwoningen en 8 beneden/boven woningen. De aanwezige watergang wordt gedempt en er wordt een nieuwe watergang aangelegd. Tevens worden er groenstroken en wegen in het plangebied aangelegd. Op onderstaande afbeelding is een plattegrond van het wenselijk eindbeeld weergegeven.

Verbeelding van het wenselijk eindbeeld (bron: La4sale Amsterdam).

De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming: • Dempen watergang; • Bouwrijp maken bouwplaats; • Bouwen woningen; • Aanleggen groenstroken en watergang; • Aanleggen ontsluitingswegen en verharding;

3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: 7

Mogelijke tijdelijke invloeden: • Verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden; Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; • Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; • Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten;

3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt alleen gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals sloop- en bouwwerkzaamheden en het dempen van een watergang. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: Om de effecten van een voorgenomen activiteiten goed in beeld te kunnen brengen, is het soms van belang ook buiten het plangebied te kijken. In voorliggend geval grenst het plangebied aan agrarisch cultuurland, watergangen en verharde weg. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is groter dan het plangebied. 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Er zal er sprake zijn van geluid en optische verstoring tijdens de uitvoering van de voorgenomen activiteiten in een strook van ca. 200 meter open landschap rondom het plangebied. Om de effecten van de voorgenomen ontwikkeling volledig in beeld te kunnen brengen, dient ook buiten het plangebied gekeken te worden.

Er is gekozen voor een uitbreiding van het onderzoeksgebied met 200 meter in open agrarisch cultuurland, omdat dit een reële verstoringsafstand is voor nestelende weidevogels. Indien in dit rapport gesproken wordt over plangebied wordt onderstaand onderzoeksgebied bedoeld.

Begrenzing van het onderzoeksgebied; deze wordt met de rode lijn aangeduid (bron luchtfoto: ruimtelijkeplannen.nl).

8

HOOFDSTUK 4

TOETSINGSKADERS

4.1 Algemeen In dit Hoofdstuk worden de diverse toetsingskaders toegelicht waaraan het initiatief getoetst wordt. 4.2 Wet natuurbescherming; Natura 2000 Het gebiedsbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming. 4.3 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten.

In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.): • lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; • lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; • lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; • lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.); • lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; • lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; • lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; • lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: • onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; • onderdeel b.

de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of

9

•

onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit ontheffingsplicht artikel 3.10 uit de Wet natuurbescherming. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wn een ontheffing te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wet natuurbescherming. Er is dan geen ontheffing nodig.

4.4 Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is verankerd. De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Noord-Holland zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Noord-Holland

10

HOOFDSTUK 5

GEBIEDSBESCHERMING

5.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteiten op Natura 2000gebied, het Natuurnetwerk Nederland en Bijzonder Provinciaal Landschap. 5.2 Natuurnetwerk Nederland Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (verder NNN genoemd). De beoordeling of de voorgenomen activiteit past in het NNN, dient met name uitgevoerd te worden in de afweging van een ‘goede ruimtelijke ordening’ als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is daarbij niet direct van belang. Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor het gehele NNN. Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij"-regime vast gelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan. De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden.

Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van toepassing blijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken) Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor grootschalige ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: her-begrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het ‘nee, tenzij’-principe en de overige spelregels hebben is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening van Noord-Holland. Er is door toepassing van de spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt. Ligging t.o.v. het Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op minimaal 27 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren.

Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.

11

27 meter afstand tussen het plangebied en de gronden die tot NNN behoren

Ligging van Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode lijnen aangeduid. Gronden die tot Natuurnetwerk Nederland behoren worden met de groene kleur op de kaart aangeduid (bron: ruimtelijkeplannen.nl).

Beschermingsregime De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking. Toetsing aan provinciaal beleid Omdat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland.

5.3 Natura 2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Beschermingsregime De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 2 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: • de leefgebieden van vogels; • de natuurlijke habitats of habitats van soorten (art. 2.1 Wet natuurbescherming);

12

De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op (art. 2.3 Wet natuurbescherming). In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Ligging van het plangebied t.o.v. Natura-2000 Het plangebied ligt op minimaal 38 meter afstand van Natura 2000-gebied.

Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, is Polder Zeevang. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.

38 meter afstand tussen het plangebied en de gronden die tot Natura 2000 behoren

Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode lijnen aangeduid. Gronden die tot Natura 2000 behoren worden met de lichtblauwe kleur aangeduid (bron: pdok.nl).

Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten De Polder Zeevang is een kenmerkend open veenweidegebied met veel open water, dat ligt tussen de plaatsen Purmerend, Oosthuizen en Edam. De polder is een vlak, open en waterrijk veenweidelandschap. Dit veengebied heeft een kenmerkende verkaveling in lange stroken, die loodrecht op de ontginningsassen staan. De percelen zijn door smalle sloten gescheiden. Stormvloeden waren aanleiding voor het opwerpen van de eerste dijken. Aan de Zuiderzeezijde brak de dijk soms door waaraan diverse doorbraakkolken 13

(braken) herinneren. Afgezien van dijken en kaden is er geen reliëf aanwezig. De polder wordt gekenmerkt door een systeem van langwerpige open ruimten, met onderling zeer verschillende kavelrichtingen. De open ruimte wordt begrensd door de lintdorpen Warder, Middelie en Kwadijk. Het gebied bestaat verder overwegend uit open grasland op veengrond met sloten en weteringen. (bron: Synbiosys Alterra). Het Natura2000-gebied is een Vogelrichtlijngebied en vormt functioneel leefgebied voor kwalificerende nietbroedvogelsoorten (zie onderstaande tabel).

Kwalificerende niet-broedvogelsoorten Polder Zeevang (bron: Natura2000.nl/gebieden/polder-zeevang-doelstelling).

In het aangrenzende Natura 2000-gebied zijn territoria vastgesteld voor smient, kievit en grutto (NDFF, 2022). Het plangebied ligt op minimaal 38 meter afstand van Natura 2000-gebied Polder Zeevang. Als gevolg van de bouwwerkzaamheden, is enig geluid mogelijk waarneembaar tijdens de bouwwerkzaamheden. Dit effect is kortstondig en vindt alleen plaats gedurende de bouwperiode van enkele weken. Tevens zijn de soorten kievit, smient en grutto niet gevoelig voor verstoring door geluid maar wel voor verstoring door licht (zie onderstaande afbeelding (Synbiosys Alterra, 2022). Gelet op de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied en het feit dat de bouwactiviteiten plaatsvinden op een nog grotere afstand van het Natura 2000-gebied kan verstoring door licht worden uitgesloten. Tevens staan er ook nog enkele woningen en ligt de verharde weg Kwadijk tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied. Het is niet aannemelijk dat dit verstoringseffect leidt tot een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied Polder Zeevang.

14

Overzicht effecten op soorten en/of habitattypen. De selectie is uitgevoerd op gebied 'Polder Zeevang' en activiteit 'Woningbouw' (bron: Synbiosys Alterra).

Beoordeling stikstof (ontwikkelfase) Per 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering van kracht. Dat houdt in dat stikstofemissie welke ontstaat tijdens de ontwikkelfase, niet beoordeeld hoeft te worden op mogelijk negatieve effecten op Natura 2000-gebied. Wel dient de gebruiksfase beoordeeld te worden. Beoordeling stikstof (gebruiksfase) Als gevolg van de bewoning van de woningen, neemt het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied toe, ten opzichte van de referentiesituatie. Als gevolg van de functieverandering, wordt het plangebied niet meer bemest. Vermoedelijk is er sprake van een afname van stikstofemissie vanuit het plangebied. Om het effect van stikstofemissie, gedurende de gebruiksfase, inzichtelijk te krijgen, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden.

5.4 Bijzonder Provinciaal Landschap Het plangebied ligt aangrenzend aan gronden die behoren tot het Bijzonder Provinciaal Landschap (deelgebied Zeevang). Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Bijzonder Provinciaal Landschap in de omgeving van het plangebied weergegeven.

15

Ligging van Bijzonder Provinciaal Landschap in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode lijnen aangeduid. Gronden die tot Bijzonder Provinciaal Landschap behoren worden met de roze kleur op de kaart aangeduid (bron: ruimtelijkeplannen.nl).

Beschermingsregime De bescherming van het BPL kent geen externe werking. Toetsing aan provinciaal beleid Omdat het plangebied buiten het BPL ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Bijzonder Provinciaal Landschap.

5.5 Slotconclusie Het plangebied behoort niet tot het Bijzonder Provinciaal Landschap, Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Bijzonder Provinciaal Landschap en Natuurnetwerk Nederland, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het BPL en NNN (geen externe werking). Als gevolg van de bouwwerkzaamheden, is enig geluid mogelijk waarneembaar tijdens de bouwwerkzaamheden. Dit effect is kortstondig en vindt alleen plaats gedurende de bouwperiode van enkele weken. Gelet op de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied en het feit dat de bouwactiviteiten plaatsvinden op een nog grotere afstand van het Natura 2000-gebied kan ook verstoring door licht worden uitgesloten. Tevens staan er ook nog enkele woningen en ligt de verharde weg Kwadijk tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied. Het is niet aannemelijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een negatief effect op de instandhoudingsdoelstelling van het Natura 2000-gebied. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden.

Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de gebruiksfase. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen worden uitgesloten.

16

HOOFDSTUK 6

SOORTENBESCHERMING

6.1 Verwachting en bureauonderzoek Uit de bureaustudie (bronnenonderzoek & NDFF) zijn geen veldbiologische gegevens naar voren gekomen die bruikbaar zijn voor deze studie. Het plangebied bestaat uit agrarisch cultuurland en een watergang. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een potentieel geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het plangebied mogelijk tot functioneel leefgebied van sommige algemene en weinig kritische diersoorten uit onderstaande soortgroepen: • vogels; • vleermuizen; • grondgebonden zoogdieren; • amfibieën; • vissen; Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als reptielen, libellen, vissen, dag- en nachtvlinders, bladmossen, sporenplanten, haften en kreeftachtigen omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die (soms) moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren, reptielen en voor planten.

6.2 Methode In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 1 september 2022 tijdens de daglichtperiode (ochtend) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x50) en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. De onderzoeker beschikte tevens over een warmtebeeldcamera (Helion Pulsar xq28). Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • veldbezoek door ervaren ecoloog; • aanvullend bronnenonderzoek (o.a. internet); • NDFF; Specifieke relevante literatuurbronnen zijn o.a. • Atlas van de amfibieën en reptielen van Nederland; • Atlas van de zoogdieren van Nederland; • Nieuwe atlas van de Nederlandse flora; Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. Doorgaans hebben vogels geen bezet nest meer gedurende deze tijd van het jaar en de eerste zomergasten zijn al vanuit het broedgebied vertrokken naar de overwinteringsgebieden.

In het plangebied is gekeken en geluisterd naar vogels, (oude) nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke 17

kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek, maar matig geschikt voor onderzoek naar voortplantingslocaties. Nog maar weinig grondgebonden diersoorten hebben zogende jongen in deze tijd van het jaar. Wel benutten veel grondgebonden zoogdieren de voortplantingsplaats als vaste rustplaats buiten de voortplantingsperiode. Er is in het plangebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het plangebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Vleermuizen De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen. Vleermuizen bezetten de zomerverblijfplaatsen in deze tijd van het jaar. Er is in het plangebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- verblijfplaatsen van vleermuizen. Het plangebied is bezocht op een moment op de dag dat vleermuizen niet foerageren en geen lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute.

De mogelijke betekenis van het plangebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. Amfibieën De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën en onderzoek naar voortplantingswateren. De meeste amfibieën hebben de voortplanting voltooid en hebben de voortplantingswateren verlaten. Amfibieën zitten overdag meest weggekropen in holen en gaten in de grond, of onder strooisel, bladeren, takken, rommel of opgeslagen goederen. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het plangebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten. Vissen De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar vissen. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het plangebied voor beschermde vissen en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten.

Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van beschermde vissoorten.

6.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en vermoedelijk nestelen er ieder voorjaar vogels in het agrarisch cultuurland, de watergangen en oevers. Vogelsoorten die mogelijk in het plangebied nestelen zijn kievit, tureluur, gele kwikstaart, graspieper, wilde eend en krakeend. Het plangebied vormt geen essentieel foerageergebied voor vogels waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is zoals van steenuil en huismus. 18

Als gevolg van het bouwrijp maken van het plangebied tijdens de voortplantingsperiode wordt mogelijk een vogel gedood en een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Als gevolg van het inrichten van het plangebied als woonwijk, gaat foerageergebied van verschillende vogelsoorten verloren. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Bouwrijp maken plangebied; - Bebouwen en verharden plangebied; Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen, maar het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende algemene- en weinig kritische grondgebonden zoogdiersoorten als aardmuis, veldmuis, haas en vos. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied als foerageergebied, terwijl aardmuizen en veldmuizen er waarschijnlijk ook en vaste rust- en voortplantingsplaats bezetten. Gelet op de inrichting en de afstand tot bos en het ontbreken van geschikte rust- en voortplantingsplaatsen zoals houtstapels, takkenbossen, toegankelijke bebouwing en holenbomen wordt het plangebied niet tot functioneel leefgebied van kleine marterachtigen en egel beschouwd. Als gevolg van het bouwrijp maken van het plangebied wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en voortplantingsplaats beschadigd en vernield.

Als gevolg van het inrichten van het plangebied als woonwijk, gaat foerageergebied van verschillende grondgebonden zoogdiersoorten verloren. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Bouwrijp maken plangebied; - Bebouwen en verharden plangebied; Vleermuizen • Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen potentiële rust- of voortplantingsplaatsen in het plangebied waargenomen. Potentiële vaste rust- of voortplantingsplaatsen, zoals gebouwen, andere bouwwerken en holenbomen ontbreken in het plangebied. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats verstoord, beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; • Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk foerageren laatvlieger, meervleermuis en watervleermuis rond het agrarisch cultuurland en de watergang. Gelet op de inrichting, het gevoerde beheer en de kleine oppervlakte, wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd.

Door het dempen van de watergang neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende vleermuissoorten af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Dempen watergang;

19

• Vliegroute Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als functioneel leefgebied voor amfibieënsoorten als meerkikker, kleine watersalamander, bruine kikker en gewone pad. Amfibieën benutten de watergang en oevers als foerageergebied en mogelijk bezetten ze er een (winter)verblijfplaats. Het plangebied wordt niet als functioneel leefgebied van zeldzame amfibieënsoorten als kamsalamander, rugstreeppad of poelkikker beschouwd. Er zijn ook geen waarnemingen van deze soorten opgenomen in de Nationale Databank floraen fauna (NDFF, 2022). Geschikt voortplantingsbiotoop ontbreekt in het plangebied.

Door het uitvoeren van grondverzet wordt mogelijk een amfibie gedood en een (winter)rustplaats beschadigd en vernield. Als gevolg van de functieverandering wordt de functie van het plangebied als foerageergebied van amfibieën niet aangetast. Het huidige plangebied wordt niet beschouwd als functioneel leefgebied van rugstreeppadden. Het is niet uitgesloten dat de soort er zich gaat vestigen in de bouwfase. Dit aspect speelt geen rol in de effectbeoordeling zoals die nu voor ligt, wel wordt nog kort ingegaan op deze soort in de volgende paragraaf. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Uitvoeren grondverzet; Vissen In de Nationale Databank flora- en fauna zijn geen beschermde vissoorten in de watergang en in directe omgeving van het plangebied opgenomen (NDFF, 2022). Mogelijk behoort de watergang wel tot functioneel leefgebied van kleine modderkruiper, bittervoorn en blankvoorn. Door het dempen van de watergang wordt mogelijk een kleine modderkruiper, bittervoorn en blankvoorn gedood. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Dempen watergang; Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het plangebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten.

20

6.4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Als gevolg van het bouwrijp maken van het plangebied tijdens de voortplantingsperiode wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd en vernield. Van de in het plangebied nestelende soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het verstoren/beschadigen/vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. De betekenis van het plangebied als foerageergebied is niet beschermd. Aantasting leidt niet tot wettelijke consequenties. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen daarom buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridische beschouwd wel plaats vinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.

Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Bouwrijp maken plangebied buiten de voortplantingsperiode (of broedvogelscan uitvoeren); Vleermuizen • Verblijfplaatsen Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; • Essentieel foerageergebied Door het dempen van de watergang neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen af. Echter wordt er geen essentieel foerageergebied van vleermuizen aangetast. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; • Essentiële Vliegroute Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op (essentiële) vliegroutes3 van vleermuizen.

Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. 3

Vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd wanneer deze essentieel zijn voor het kunnen functioneren van de verblijfplaats van een vleermuis. Niet ieder lijnvormig element waar langs vleermuizen vliegen is een essentiële vliegroute. 21

Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Grondgebonden zoogdieren Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaatsen’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt geen vrijstelling. De betekenis van het plangebied als foerageergebied is niet beschermd. Aantasting leidt niet tot wettelijke consequenties. Mits geen grondgebonden zoogdieren (opzettelijk) gedood worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren gedood worden, dient een ontheffing van de verbodsbepalingen (doden) aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een toepasbare en goedgekeurde gedragscode. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.

Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen, mits er geen beschermde gedood worden; Amfibieën Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd amfibie gedood en wordt mogelijk een (winter)rustplaats beschadigd of vernield. Voor de beschermde amfibieën, die een (winter)rustplaats in het plangebied bezetten geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde amfibiesoorten geldt geen vrijstelling. Mits er geen amfibieën (opzettelijk) gedood worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren gedood worden, dient een ontheffing van de verbodsbepalingen (doden) aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een toepasbare en goedgekeurde gedragscode. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Mogelijk vestigen rugstreeppadden zich in het plangebied tijdens de bouwfase. Om te voorkomen dat de soort zich gaat vestigen in het plangebied en vanwege de beschermde status voor problemen kan zorgen, wordt geadviseerd tijdig maatregelen te treffen die voorkomen dat de soort zich gaat vestigen in het plangebied.

Dat kan bijvoorbeeld door het plaatsen van amfibieënschermen. Dit geldt overigens voor alle beschermde dieren die zich kunnen vestigen op bouwterreinen. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen, mits er geen beschermde dieren gedood worden; Vissen Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een kleine modderkruiper, bittervoorn en blankvoorn gedood. Voor deze vissoorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `doden’. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen;

22

Overige soorten Het plangebied behoort niet tot functioneel leefgebied van andere beschermde flora- of faunasoorten. Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk.

23

In onderstaande tabel worden de wettelijke consequenties samengevat weergegeven. Soortgroep

Functie

Beschermde soorten planlocatie

Verbodsbepalingen (Wet natuurbescherming)

Aandachtspunt

Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdieren Vogels

Foerageergebied

Diverse soorten

Geen

Vaste rust- en voortplantingsplaats Doden van dieren

Diverse soorten

Niet van toepassing; functie is niet beschermd Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Art. 3.10 lid 1a

Foerageergebied

Diverse soorten

Vogels

Bezette nesten (niet jaarrond beschermd)

Diverse soorten

Niet van toepassing; functie is niet beschermd Art. 3.1 lid 2

Vogels

Jaarrond beschermde nest- en rustplaats Doden van dieren

Niet aanwezig

Niet van toepassing

Diverse soorten

Art. 3.1 lid 1

Niet aanwezig

Niet van toepassing

Vleermuizen

Rust- of voortplantingsplaats Foerageergebied

Diverse soorten

Geen

Vleermuizen Vleermuizen

Vliegroute Doden van dieren

Amfibieën

Foerageergebied

Niet aanwezig Niet van toepassing Diverse soorten

Niet van toepassing; er wordt geen essentieel foerageergebied aangetast Niet van toepassing Niet van toepassing

Geen

Amfibieën

Vaste rustplaats

Diverse soorten

Amfibieën Amfibieën

Voortplantingsplaats Doden van dieren

Niet aanwezig Diverse soorten

Niet van toepassing; functie wordt niet aangetast Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Niet van toepassing Art. 3.10 lid 1a

Vissen

Doden van dieren

Diverse soorten

Overige soorten

Dieren en overige functies

Niet aanwezig

Vogels

Vleermuizen

Diverse soorten

Geen Geen dieren doden of ontheffing aanvragen Geen Geen bezette nesten negatief beïnvloeden of ontheffing aanvragen Geen Geen bezette nesten negatief beïnvloeden of ontheffing aanvragen Geen

Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Niet van toepassing

Geen Geen

Geen Geen Geen dieren doden of ontheffing aanvragen Geen Geen

Samenvatting van de wettelijke consequenties. Soortgroep

Vaste rust- Voortplanplaats tingsplaats

Vliegroute Essentieel (vleermuizen) foerageergebied

Wettelijke consequenties

Nader onderzoek vereist

Grondgebonden zoogdieren Vogels

Ja

Ja

n.v.t.

Nee

Ja

Nee

Nee

Ja

n.v.t.

Nee

Ja

Nee

Vleermuizen Amfibieën

Nee Ja

Nee Nee

Nee n.v.t.

Nee Nee

Nee Ja

Nee Nee

Vissen

Ja

Nee

n.v.t.

Nee

Nee

Nee

Ontheffing vereist Nee, tenzij dieren gedood worden Nee, tenzij vogels gedood, bezette nesten verstoord, beschadigd of vernield worden Nee Nee, tenzij dieren gedood worden Nee, vrijstelling

Vereenvoudigde samenvatting van de wettelijke consequenties per diergroep.

6.5 Historische gegevens en overige bronnen Er zijn geen historische gegevens van het plangebied bekend. 6.6 Volledigheid van het onderzoek Het onderzoek is volledig uitgevoerd met geschikte weersomstandigheden.

24

HOOFDSTUK 7

CONCLUSIES De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Noord-Holland een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist of er dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode om ze te mogen verstoren en om opzettelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Voor het doden van beschermde diersoorten geldt geen vrijstelling van de verbodsbepalingen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Het plangebied behoort niet tot het Bijzonder Pronvinciaal Landschap, Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied.

Vanwege de ligging buiten het Bijzonder Provinciaal Landschap en Natuurnetwerk Nederland, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het BPL en NNN (geen externe werking). Als gevolg van de bouwwerkzaamheden, is enig geluid mogelijk waarneembaar tijdens de bouwwerkzaamheden. Dit effect is kortstondig en vindt alleen plaats gedurende de bouwperiode van enkele weken. Gelet op de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied en het feit dat de bouwactiviteiten plaatsvinden op een nog grotere afstand van het Natura 2000-gebied kan ook verstoring door licht worden uitgesloten. Tevens staan er ook nog enkele woningen en ligt de verharde weg Kwadijk tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied. Het is niet aannemelijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een negatief effect op de instandhoudingsdoelstelling van het Natura 2000-gebied. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de gebruiksfase. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen worden uitgesloten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EdamVolendam&id=7662a813-b8c9-417a-ab3a-44f9c4ad76e5