Regels beheersverordening Edam Zuid 1e herziening_2021_10_01.pdf
Tekst van het document
2.18.3.4 Voorwaarden vergunning Voor zover de in artikel 2.18.3.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal, kan de vergunning worden verleend, indien aan de vergunning één van de volgende verplichtingen wordt verbonden: a. b. c.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
33
Artikel 2.19 Waarde - Archeologie 3 2.19.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en) en besluitsubvlakken, mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden. 2.19.2 Bouwregels 2.19.2.1 Algemeen Op en in de gronden als bedoeld in artikel 2.19.1 mag ten behoeve van de andere bestemmingen en besluitsubvlakken, met inachtneming van de daarvoor geldende regels, uitsluitend worden gebouwd, indien de bouwactiviteit betreft: a. b. c. d.
vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing op de bestaande plaats, waarbij de oppervlakte op of onder het peil niet wordt vergroot; een bouwwerk dat wordt gebouwd zonder graaf- of heiwerkzaamheden die dieper gaan dan 0,40 meter onder peil; een bouwwerk met een oppervlakte van maximaal 2.500 m²; een bouwwerk met een oppervlakte van meer dan 2.500 m² en met graaf- of heiwerkzaamheden die dieper gaan dan 0,40 meter onder peil, mits: 1. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, en 2. de aanwezige archeologische waarden, gelet op het onder 1 bedoelde rapport, door het bouwen niet wezenlijk worden geschaad, met dien verstande dat ter voorkoming van mogelijke schade, aan de vergunning de volgende verplichtingen kunnen worden gebonden: i. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de aanwezige archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; ii.
de verplichting tot het doen van opgravingen, of de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
2.19.2.2 Bouwverbod Indien uit het onder artikel 2.19.2.1 onder d onder 1 bedoelde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in artikel 2.19.2.1 onder d onder 2 genoemde verplichtingen veilig te stellen, dan wordt de vergunning geweigerd. 2.19.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 2.19.3.1 Verboden werk en werkzaamheden Het is verboden, behoudens het bepaalde in artikel 2.19.2, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op en in de in artikel 2.19.2.2 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te (laten) voeren, over een oppervlakte van 2.500 m² of meer: a. b. c. d. e. f. g.
het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,40 meter onder peil, waaronder begrepen het aanleggen van drainage; het verlagen van de bodem en afgraven van gronden, dieper dan 0,40 meter onder peil; het graven of anderszins aanbrengen van watergangen en waterpartijen, dieper dan 0,40 meter onder peil; het verlagen van het waterpeil; het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen en de daarmee verband houdende constructies; het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en het rooien van diepwortelende beplantingen, waarbij de stobben worden verwijderd; het ophogen en egaliseren van gronden.
34
2.19.3.2 Toegestane werken en werkzaamheden Het in artikel 2.19.3.1 gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden: a. b. c. d. e.
in het kader van het normale beheer en onderhoud; in het kader van het uitvoeren van een bouwplan als bedoeld in artikel 2.19.2; in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige; gelegen binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk; waarmee is of mag worden begonnen op het tijdstip van onherroepelijk worden van de vaststelling van het plan.
2.19.3.3 Toetsingcriterium bij vergunningverlening De werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden als bedoeld in artikel 2.19.3.1, zijn slechts toelaatbaar, indien: a.
b.
die werken of werkzaamheden, dan wel de directe of indirecte gevolgen daarvan, niet zullen leiden tot een verstoring van één of meer archeologische waarden van de betreffende gronden, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind, en; vooraf door aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie is overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.
2.19.3.4 Voorwaarden vergunning Voor zover de in artikel 2.19.3.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal, kan de vergunning worden verleend, indien aan de vergunning één van de volgende verplichtingen wordt verbonden: a. b. c.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
35
Artikel 2.20 Waarde - Archeologie 4 2.20.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en) en besluitsubvlakken, mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden. 2.20.2 Bouwregels 2.20.2.1 Algemeen Op en in de gronden als bedoeld in artikel 2.20.1 mag ten behoeve van de andere bestemmingen en besluitsubvlakken, met inachtneming van de daarvoor geldende regels, uitsluitend worden gebouwd, indien de bouwactiviteit betreft: a. b. c. d.
vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing op de bestaande plaats, waarbij de oppervlakte op of onder het peil niet wordt vergroot; een bouwwerk dat wordt gebouwd zonder graaf- of heiwerkzaamheden die dieper gaan dan 0,40 meter onder peil; een bouwwerk met een oppervlakte van maximaal 500 m²; een bouwwerk met een oppervlakte van meer dan 500 m² en met graaf- of heiwerkzaamheden die dieper gaan dan 4 meter onder peil, mits: 1. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, en 2. de aanwezige archeologische waarden, gelet op het onder 1 bedoelde rapport, door het bouwen niet wezenlijk worden geschaad, met dien verstande dat ter voorkoming van mogelijke schade, aan de vergunning de volgende verplichtingen kunnen worden gebonden: i. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de aanwezige archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; ii. de verplichting tot het doen van opgravingen, of de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
2.20.2.2 Bouwverbod Indien uit het onder artikel 2.20.2.1 onder d onder 1 bedoelde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in artikel 2.20.2.1 onder d onder 2 genoemde verplichtingen veilig te stellen, dan wordt de vergunning geweigerd. 2.20.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 2.20.3.1 Verboden werk en werkzaamheden Het is verboden, behoudens het bepaalde in artikel 2.20.2, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op en in de in artikel 2.20.2.2 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te (laten) voeren, over een oppervlakte van 500 m² of meer: a. b. c. d. e. f. g.
het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,40 meter onder peil, waaronder begrepen het aanleggen van drainage; het verlagen van de bodem en afgraven van gronden, dieper dan 4 meter onder peil; het graven of anderszins aanbrengen van watergangen en waterpartijen, dieper dan 4 meter onder peil; het verlagen van het waterpeil; het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen en de daarmee verband houdende constructies; het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en het rooien van diepwortelende beplantingen, waarbij de stobben worden verwijderd; het ophogen en egaliseren van gronden.
2.20.3.2 Toegestane werken en werkzaamheden Het in artikel 2.20.3.1 gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden:
36
a. b. c. d. e.
in het kader van het normale beheer en onderhoud; in het kader van het uitvoeren van een bouwplan als bedoeld in artikel 2.20.2; in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige; gelegen binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk; waarmee is of mag worden begonnen op het tijdstip van onherroepelijk worden van de vaststelling van het plan.
2.20.3.3 Toetsingcriterium bij vergunningverlening De werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden als bedoeld in artikel 2.20.3.1, zijn slechts toelaatbaar, indien: a.
b.
die werken of werkzaamheden, dan wel de directe of indirecte gevolgen daarvan, niet zullen leiden tot een verstoring van één of meer archeologische waarden van de betreffende gronden, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind, en; vooraf door aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie is overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.
2.20.3.4 Voorwaarden vergunning Voor zover de in artikel 2.20.3.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal, kan de vergunning worden verleend, indien aan de vergunning één van de volgende verplichtingen wordt verbonden: a. b. c.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
37
Artikel 2.21 Waterstaat - Waterkering 2.21.1 Bestemmingsomschrijving De op de verbeelding voor ‘Waterstaat – Waterkering’ aangewezen gronden zijn primair bestemd voor: a. b.
dijken en dijkbermen ten behoeve van de waterkering en de waterbeheersing; voor zover de op de verbeelding voor: o verkeersdoeleinden; o verblijfsgebied; o water; o groenvoorzieningen; o maatschappelijke doeleinden; o woondoeleinden; o erven; o tuin;
aangewezen gronden mede de bestemming waterkering is gegeven, zijn deze gronden primair bestemd voor de in de lid 1 genoemde doeleinden en secundair voor de a t/m b genoemde bestemmingen, een en nader voor zover deze de waterkerende functie van de betreffende gronden niet bedreigen of aantasten. 2.21.2 Bouwregels Op de lid omschreven gronden mogen slechts gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden gebouwd indien: a. b.
dit is toegestaan volgens de in lid 2.21.1 genoemde bestemmingen; vooraf van de dijkbeheerder is verklaard, dat zij tegen het bouwen daarvan geen bezwaar heeft.
38
3 Algemene regels Artikel 3.1 Gebruik van gronden en bouwwerken a. b.
c.
d. e.
Het is verboden gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in dit plan gegeven bestemming(en), de doeleindenomschrijving en de overige regels. Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruiken of te laten gebruiken voor o seksinrichtingen o speelautomatenhallen o inrichtingen ten behoeve van het verstrekken van verdovende middelen vallende onder de Opiumwet o opslag van (meer dan 10.000 kg) vuurwerk o het gebruik van vrijstaande bijgebouwen als zelfstandige woning o het gebruik voor automatenhal o het gebruik als ligplaats voor woonschepen en horecaschepen o als opslagplaats van bagger en grondspecie o als uitstallings-, opslag-, stand- of ligplaats voor kampeer- en verblijfsmiddelen o de opslag van vaten, kisten, al dan niet voor gebruik geschikte voer-vaar-ofmvliegtuigen en machines of onderdelen daarvan, oude en nieuwe bouwmaterialen, afval, puin, zand, grind en brandstoffen Onder strijdig gebruik wordt niet verstaan: 1. vormen van gebruik in lid 2 die verenigbaar zijn met het doel waarvoor de grond ingevolge de bestemming, de doeleindenbeschrijving en/of de overige regels mag worden gebruikt 2.
het opslaan van bouwmaterialen, puin en specie in verband met normaal onderhoud, dan wel verwezenlijking van de bestemming; Het aantal woningen bedraagt maximaal het aantal woningen zoals aanwezig ten tijde van vaststelling van de beheersverordening; Afwijkingsmogelijkheid
Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in lid a indien strikte toepassing van het verbod leidt tot beperkingen in het meest doelmatigengebruik die niet door dringende reden wordt gerechtvaardigd.
39
Artikel 3.2 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
40
Artikel 3.3 Bestaande afstanden en andere maten 1.
2.
Indien afstanden tot en hoogten, inhoud, diepte, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet, op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan meer bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toelaatbaar worden aangehouden. In die gevallen dat afstanden tot en hoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet, op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van de beheersverordening minder bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toelaatbaar worden aangehouden.
41
Artikel 3.4 Hoogte-aanduidingen 1. 2. 3.
4.
5.
De goothoogte van een gebouw mag niet groter zijn dan de verbeelding aangeeft. Indien op de verbeelding geen goothoogteaanduiding is ingeschreven, geldt de ten tijde van de terinzagelegging oorspronkelijke goothoogte; dan wel de maximaal toelaatbare bouwhoogte van het bepaalde in lid 5 van dit artikel; Indien op de verbeelding geen goothoogteaanduiding is ingeschreven, geldt de ten tijde van de terinzagelegging van de oorspronkelijke plannen bestemmingsplan Edam Zuid en bestemmingsplan Atletiekbaan opgenomen nokhoogte; danwel de maximaal toelaatbare bouwhoogte van het bepaalde in lid 5 van dit artikel; de in lid 1 en 2 bedoelde hoogten mogen worden overschreden door antenneinstallaties, mits deze voldoen aan het bepaalde in lid 5, schoorstenen, liftkokers, zonnepanelen, trappenhuizen en andere ondergeschikte bouwdelen, tenzij in hoofdstuk 3 anders is bepaald, met dien verstande dat als op de verbeelding de goothoogte is aangegeven deze tevens mag worden overschreden door hellende dakvlakken, topgevelsmen dakkapellen.
De maximaal toelaatbare bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag tenzij in hoofdstuk 3 of de overige regels anders is bepaald- ten hoogste bedragen: o van erf- en terreinafscheidingen op gronden met de bestemming Tuin en/of Wonen-Erf, vóór de voorgevelrooilijn 1.00 meter achter de voorgevelrooilijn 2.00 meter o de erf- en terreinafscheidingen elders 2.00 meter van lichtmasten en voorzieningen ten behoeve van de geleiding, o beveiliging en regeling van het verkeer 9.00 meter o van overig straatmeubilair 6.00 meter o speeltoestellen 5.00 meter o van vrijstaande antennes voor radioamateurs ten behoeve van o telecommunicatie m.u.v. schotelantennes en zonder apparatuurkast 15.00 meter o van vlaggenmasten 6.00 meter o van tuinmeubilair 2.00 meter o van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde 3.00 meter
42
Artikel 3.5 Afwijkingsbevoegdheden Burgemeester en wethouders kunnen, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, afwijken van: a. b.
afwijking van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%. overschrijding van bouwgrenzen niet zijnde bestemmingsgrenzen, voorzover zulks van belang is voor een technisch of esthetisch betere realiseren van bouwwerken dan wel voorzover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen echter niet meer dan 3.00 meter bedragen en het bouwvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot.
43
Artikel 3.6 Bouwregel Ondergronds bouwen is toegestaan voor zover gelegen binnen een bouwvlak als opgenomen in de beheersverordening Edam-Zuid, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. b.
ondergrondse bouwdiepte bedraagt maximaal 3,5 meter onder peil; ondergronds bouwen mag geen onevenredige nadelige gevolgen hebben voor de waterhuishouding en/of archeologische waarden.
44
Artikel 3.7 Monumenten a. b. c.
ter plaatse van het besluitsubvlak ‘provinciaal monument' zijn de gronden mede bestemd voor een provinciaal monument. ter plaatse van het besluitsubvlak ‘rijksmonument' zijn de gronden mede bestemd voor een rijksmonument. ter plaatse van het besluitsubvlak ‘tuin bij gemaal’ zijn de gronden mede bestemd voor het gebruik als tuin.
45
Artikel 3.8 Proceduregels Bij toepassing van een wijzigingsbevoegdheid is de openbare uniforme voorbereidingsprocedure van toepassing van de Algemene wet bestuursrecht zoals die wet gold op het moment van de vaststelling van deze beheersverordening.
46
Artikel 3.9 Parkeren en laden en lossen 3.9.1 Voorwaardelijke verplichting parkeren a.
b.
voor parkeren geldt dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen dan wel voor het toestaan van een andere planologische gebruiksactiviteit, voldoende parkeergelegenheid moet worden gerealiseerd en in stand wordt gehouden, waarbij voldoende betekent dat wordt voldaan aan de normen in beleidsregels die zijn neergelegd in gemeentelijk parkeerbeleid dan wel (bij ontbreken daarvan): de gemiddelde parkeerkencijfers voor matig stedelijke gebieden als bedoeld in de meest actuele CROWpublicatie: Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie (of vergelijkbare nieuwe titel). bij een omgevingsvergunning kan het bevoegd gezag afwijken van het bepaalde onder a indien het voldoen aan die regels door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, er een bijzonder gemeentelijk belang mee is gemoeid of op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.
3.9.2 Laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen a. b.
Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde sub a: 1. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of 2. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.
47
4 Overgangs- en slotbepalingen 4.1 Overgangsbepalingen 4.1.1 Overgangsregeling bouwen 4.1.1.1 Algemeen Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. b.
gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan;
4.1.1.2 Afwijking Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde inartikel 4.1.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in paragraaf 4.1.1.1 met maximaal 10%; 4.1.1.3 Uitzondering artikel 4.1.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan; 4.1.2 Overgangsregeling gebruik 4.1.2.1 Algemeen Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; 4.1.2.2 Strijdig gebruik Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in artikel 4.1.2.1 te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; 4.1.2.3 Onderbroken gebruik Indien het gebruik, bedoeld inartikel 4.1.2.2, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten; 4.1.2.4 Uitzondering artikel 4.1.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder
begrepen de overgangsbepalingen van dat plan;
48
4.2 Slotregeling Dit plan kan worden aangehaald als: “Beheersverordening Edam-Zuid eerste herziening”.
49