Inventarisatie bruidsschat.pdf
Tekst van het document
Dergelijke gebruikswijzigingen zijn ook middels een kruimelontheffing toegestaan. Wijzigingsbevoegdheid is dan overbodig. Wellicht beter via binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. Ontheffing is tot nu toe altijd nog verleend. Toets brandveiligheid is eveneens onderdeel van het Bouwbesluit. Ontheffing wellicht overbodig.
Overkapping met loungefunctie toegestaan ter plaatse van de aanduiding garage. Gebruiksmogelijkheden moeten worden aangepast. 10
Implementatie Omgevingswet dakterrassen
Algemeen Nieuw Volendam Wonen Wonen-1. Aan de achterzijde ligt een bouwstrook per woning verschillend qua diepte. Wonen-1. In het voorerf zijn erfafscheidingen toegestaan tot een hoogte van 1m. Bouwen binnen het bouwvlak
Wonen-2. Erfbebouwing vrijstaande woningen in tuin is maximaal 6m2. Sport-Stadion de aanwezige horeca op het moment van inwerkingtreding van nieuw volendam is positief bestemd. Verdere uitbreiding is niet toegestaan Algemeen
Alle dakterrassen zijn in het bestemmingsplan onder het overgangsrecht gebracht. Dit kan geen tweede keer. Op dakterrassen wordt ook niet gehandhaafd. Doel was de verrommeling van de achterkanten weg te nemen. Dakterrassen zijn toegestaan tot 2,5 m vanuit de achtergevel. Deze regel is zeer slecht uitvoerbaar en met name aan de achterzijde van het Zuideinde (evenkant) wordt nog steeds medewerking verleend aan grotere dakterrassen. Deze regeling moet worden geëvalueerd. - De regeling onder Wonen-Dijkwoningen is niet geheel sluitend ter hoogte van de Edammerweg en Julianaweg in relatie tot de daar aanwezige kelders. Regeling B&B ontbreekt Voorgesteld wordt de diepte van de bouwstrook voor de straatgerichte woningen in het achtererfgebied te vergroten naar een diepte van 4 m in lijn met de vergunningsvrije mogelijkheden. In de zaak Karveel 5 is een voorstel gedaan en nieuw ‘beleid’ gevormd om privacyschermen in de voortuin mogelijk te maken. Regeling overnemen in omgevingsplan. Door het isoleren van woningen in het kader van duurzaamheid komen woningen doorgaans een aantal cm buiten het bouwvlak. IN het afwijkingenbeleid is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor afwijkingen conform beleid, maar wellicht kan dit een plaats krijgen in het omgevingsplan middels een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid ofwel bij recht. Regeling is achterhaald en sluit niet meer aan bij de praktijk.
6m2 was tbv het tuinhuisje voor de hark. Vandaag de dag veel vraag naar lounge-overkappingen. Na datum van inwerkingtreding zijn verscheidene horecaruimtes, restaurants en barren nieuw aangebracht. Recent heeft het college weer ingestemd met een businesslounge omdat mijn voor een gezonde FC is.
-
-
-
De regeling onder Wonen-Dijkwoningen is niet geheel sluitend ter hoogte van de Edammerweg en Julianaweg in relatie tot de daar aanwezige kelders. Nieuw volendam sluit qua begrippen inzake erfbebouwing niet aan op de Wabo. Bijbehorend bouwwerk. Termen als aanbouw, uitbouw, bijgebouw en overkapping is achterhaald Bij de tuinkamerwoning moet aan de tuinkant een algeheel bouwverbod worden neergelegd, m.u.v. een beperkte bouwmogelijkheid inzake het aspect loungen en de aanbouw aan de directe gevel.
11
Implementatie Omgevingswet Dorpskernen 2016 Bijgebouwen moeten op 3 m afstand vanaf de voorgevel worden gerealiseerd Binnen de bestemming tuin zijn erfafscheidingen toegestaan tot een hoogte van 1m Binnen de bestemming tuin en wonen zijn parkeervoorzieningen/inritten niet opgenomen. Bouwen binnen het bouwvlak
Bestemming bedrijf
Algemeen
Buitengebied Zeevang 2016 Onder de bestemming wonen zijn bouwregels opgenomen voor bijbehorende bouwwerken Onder de bestemming maatschappelijk is wonen niet toegestaan Waterrijk 1b Algemeen
Geregeld wordt vanwege de stedenbouwkundige opzet van bepaalde wijkjes op dit onderdeel afgeweken. Dit is met name van toepassing op inbreilocaties. Inherent aan het vrijstaand wonen in dergelijke linten is het realiseren van hekwerken en toegangspoorten van 2 m hoog om zo de veiligheid in het buitengebied te kunnen garanderen De meeste vrijstaande woningen in Zeevang parkeren op eigen erf en vragen ook altijd een inritvergunning aan. Omdat parkeren niet is toegestaan binnen de bestemming tuin en wonen levert dit elke keer een afwijking op. Door het isoleren van woningen in het kader van duurzaamheid komen woningen doorgaans een aantal cm buiten het bouwvlak. IN het afwijkingenbeleid is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor afwijkingen conform beleid, maar wellicht kan dit een plaats krijgen in het omgevingsplan middels een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid ofwel bij recht. De bestemming bedrijf ligt ook op de weg met bouwvlak en al. Voorts wordt er geregeld dat er 60% van het bouwvlak mag worden bebouwd. Dit is bij de beoordeling van een aanvraag niet meer te bepalen voor een heel cluster van bedrijven. - Veel binnenplanse ontheffingen opgenomen in het bestemmingsplan, welke vaak bij recht worden gegeven; Er wordt niet met een eenduidig begrip gewerkt.
In de regels wordt de ene keer gesproken over bijbehorende bouwwerken en de andere keer weer over bijgebouwen en uitbreidingen. Uniformiteit aanbrengen Voorts is onder de bouwregels aangegeven dat ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding- kaakberg’ mogen bouwwerken voor woondoeleinden worden gebruikt. Dit sluit niet aan op de bestemmingsomschrijving. Onder begrippen ontbreekt een definitie van bebouwingsgebied en achtererfgebied.
De knip: scheiden van technisch en ruimtelijk bouwen Met de Omgevingswet (via de wijziging van artikel 5.1 in de Invoeringswet) wordt bouwen in een technisch en ruimtelijk deel gescheiden. Dat levert twee activiteiten op: de technische bouwactiviteit en de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk. Deze scheiding noemen we 'de knip'. Of een bouwtechnische vergunning nodig is, wordt beoordeeld aan de hand van de regels uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Of voor het ruimtelijk deel een vergunning nodig is, is afhankelijk van de gemeente. De regels hiervoor worden opgesteld in het omgevingsplan.
12
Implementatie Omgevingswet Technische bouwactiviteit
De technische bouwactiviteit gaat over de toets van een aanvraag aan de regels voor de technische bouwkwaliteit uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Bijvoorbeeld de constructieve veiligheid van een bouwwerk. Door de knip zijn er meer technische bouwactiviteiten vergunningvrij omdat ruimtelijke randvoorwaarden niet langer een rol spelen.
Omgevingsplanactiviteit die bestaat uit het bouwen
De toets van het bouwen van een bouwwerk voor het ruimtelijk bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk aan het omgevingsplan noemen we een omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk. Voorbeelden zijn de bouwhoogte en het bebouwingspercentage. Maar ook regels over het uiterlijk van een bouwwerk (welstand) en de functietoedeling in het omgevingsplan.
Vergunningvrije categorieën
Zowel voor de technische bouwactiviteit als voor de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk heeft het Rijk vergunningvrije gevallen aangewezen: - vergunningvrije (technische) bouwactiviteiten - vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten Wat de gevolgen zijn van knip tussen de bouwactiviteit en omgevingsplanactiviteit valt buiten de reikwijdte van de bruidsschat en daarmee buiten de inventarisatie.
13
Implementatie Omgevingswet Bruidsschat bouw Overgangsrecht voor (voorbeschermde) gemeentelijke monumenten Een gemeentelijke verordening kan een gemeentelijk monument of archeologisch monument aanwijzen. De verordening kan ook regels bevatten die het monument beschermd in de periode dat de aanwijzing in procedure is (voorbescherming). In de bruidsschat is overgangsrecht voor deze voorbescherming geregeld. Het overgangsrecht houdt in dat sommige bruidsschatregels deze monumenten beschouwen als gemeentelijk monument en voorbeschermd gemeentelijk monument. De omschrijving van die begrippen staat in het Bbl en geldt ook in het omgevingsplan. Dit overgangsrecht geldt totdat het omgevingsplan de functieaanduiding 'gemeentelijk monument' geeft. Of totdat het omgevingsplan een voorbeschermingsregel heeft die voorafgaat aan de functieaanduiding. Het overgangsrecht vervalt ook als de gemeente afziet van de aanwijzing als monument.
Geen strijd met ruimtelijke regels Naast de rijksregels die via de bruidsschat in het omgevingsplan belanden, komen er ook ruimtelijke regels in het omgevingsplan. Ruimtelijke regels zijn afkomstig uit de 'oude' bestaande ruimtelijke regelgeving. Bijvoorbeeld regels uit bestemmingsplannen of inpassingsplannen. Die ruimtelijke regels staan in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. De rijksregels in de bruidsschat kunnen in strijd zijn met de ruimtelijke regels in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Als dit zo is, dan geldt de bruidsschatregel niet. Tenzij het een regel is in paragraaf 22.2.7.3 van het omgevingsplan. Die afdeling gaat over bijbehorende bouwwerken en erfof terreinafscheidingen. De regels in die afdeling gelden altijd, ongeacht wat er eventueel in het omgevingsplan anders over is bepaald.
14
Implementatie Omgevingswet Weigeringsbesluiten Door de afwijzingsbesluiten te inventariseren kan in beeld worden gebracht welke ontwikkelingen absoluut niet zijn gewenst. Op zich worden er maar weinig verzoeken/aanvragen afgewezen. In de jaren 2018, 2019 en 2020 (t/m 16.10) omvat dit maar 5,6 %. Bij de behandeling van een vooroverleg wordt meestal gewerkt naar een oplossing welke wel ruimtelijk uitvoerbaar is. Van de officiële aanvragen is in deze jaren slechts 2,65 % daadwerkelijk afgewezen. Waarvan bijna de helft vanwege een negatief advies van de welstandscommissie. (Zie bijlage 4 voor een volledig overzicht) Waar wordt dan uiteindelijk de grens getrokken? Op zich betreft het vaak op zichzelf staande verzoeken, waarbij elk verzoek op zijn eigen merites is geweigerd. Kijkende naar de afgelopen drie jaar betreffen de afwijzingen doorgaans de volgende bouwactiviteiten:
het toestaan van paardenbakken op agrarische gronden; het toestaan van horeca in een detailhandel bestemming; het wijzigen van bijgebouwen naar woningen; het toevoegen van woningen op agrarische- en/of bedrijfskavels; het bebouwen van waardevolle tuinen in het beschermd stadgezicht; het bouwen van dakkapel op bijgebouwen in het beschermd stadsgezicht; het overschrijden van de maximale hoeveelheid erfbebouwing; het bouwen van overkappingen/bijbehorende bouwwerken op gronden met de bestemming tuin; het toevoegen van nieuwe bedrijfswoningen op industrieterreinen of bestaande bedrijfswoningen verhuren als zelfstandige woning; het toestaan van nieuwe gebruiksfunctie, waarbij niet kan worden voldaan aan de gestelde parkeernorm.
15
Implementatie Omgevingswet Cultureel erfgoed Artikel 22.23 van de bruidsschat bepaalt dat als er regels worden gesteld voor archeologisch onderzoek er een vrijstellingsgrens geldt van 100 m2. Dit is om te voorkomen dat bij ieder klein plannetje een archeologisch rapport moet worden overgelegd. Als de raad zelf andere (strakkere of minder strakke) regels stelt, gelden die. Hiermee grijpt de wet terug op het vroegere artikel 41a van de Monumentenwet, dat hetzelfde regelde. Ook in het tijdelijke omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, geldt deze regel. Zie Artikel 22.23 lid 2: ‘In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte.’ De vraag die nu gesteld moet worden is: zijn in gemeente Edam-Volendam afwijkende regels vastgesteld in de bestemmingsplannen? Deze vraag beantwoorden we bevestigend. De andere vraag die we ons dan eigenlijk vervolgens moeten stellen is: willen wij ook in het toekomstige omgevingsplan nog steeds (die) afwijkende regels vaststellen? Dat wordt in de analysefase beantwoord.
Archeologisch beleid toegepast in de huidige bestemmingsplannen Op 8 oktober 2015 is in de toenmalige gemeente Edam-Volendam het archeologisch beleid vastgesteld, met bijbehorende archeologische beleidskaart. Dit beleid is in de meeste bestemmingsplannen geïmplementeerd. In hoeverre dit daadwerkelijk is gebeurd wordt hieronder toegelicht. Hierbij zal ook melding worden gemaakt van bijzonderheden (dus bijv.: is het consequent toegepast, of: zijn er afwijkingen of onjuistheden). De vastgestelde criteria zijn: -
eerste categorie tweede categorie derde categorie vierde categorie vijfde categorie zesde categorie zevende categorie
meer dan 0 m2 (dus alle bodemroering) meer dan 50 m2 en 40 cm diepte meer dan 500 m2 en 40 cm diepte meer dan 2500 m2 en 40 cm diepte meer dan 10.000 m2 en 50 cm diepte meer dan 500 m2 en 4 m diepte vrij van archeologiecriteria
Het gaat dus altijd om een en-bepaling, de ontwikkeling moet aan beide criteria voldoen. Oorgat e.o. (vastgesteld 19-01-2012) Beleid is niet geïmplementeerd. Afwijkende normen. >50 m2 en dieper dan 35 cm. Deze normen komen in het beleid niet voor. Voor overige werkzaamheden >35 cm, geen oppervlakte vastgesteld. Oude Kom Volendam 2012 (vastgesteld 17-10-2013) Beleid is geïmplementeerd. - In afwijking van vastgesteld beleid is Waarde- Archeologie 1 hier >50m2 en >40 cm. Op grond van het beleid zou dit dus Waarde – Archeologie 2 moeten zijn. Dit komt in meerdere bestemmingsplannen voor, beleid wordt niet consequent toegepast. Dit moet worden gecorrigeerd. Waarde - Archeologie 1: >0 m2, alle bodemroering; Waarde - Archeologie 2: >50 m2 en >40 cm, etc. - Bovendien is de en-bepaling in art. 17.2 niet duidelijk geformuleerd. - In artikel 17.3.1. staat ‘..over een oppervlakte van 50 m2 of meer .. ‘’. Dat is fout. Dat moet zijn meer dan 50 m2.
16
Implementatie Omgevingswet Europaplein/ Zeestraat e.o. (vastgesteld 18-03-2020) Beleid is geïmplementeerd. - In afwijking van vastgesteld beleid is Waarde- Archeologie 1 hier >50m2 en >40 cm. Moet W-A 2 zijn. - 15.2.1 En-bepaling niet duidelijk geformuleerd. - 15.3.1 50 m2 of meer moet zijn meer dan 50 m2. Nieuw-Volendam (vastgesteld 08-09-2020) Beleid is niet geïmplementeerd. De Broeckgouw (vastgesteld 14-09-2017) In dit bestemmingsplan zijn geen archeologieregels opgenomen. Het gebied beslaat precies dat deel dat op de archeologische beleidskaart ‘wit’ = archeologievrij is; zevende categorie. Strikt genomen is het beleid dus wel geïmplementeerd, want op basis van dit beleid zijn geen regels voor archeologie opgenomen. Slobbeland (ontwerp, 06-05-2020) Beleid is geïmplementeerd. Dezelfde fouten. - Waarde-Archeologie 2 moet zijn 3, en W-A 3 moet zijn Waarde-Archeologie 4; - 12.2.1 en 13.2.1 En-bepaling is niet duidelijk geformuleerd; - 12.3.1 en 13.3.1 Oppervlakte van 2.500 m² of meer, moet zijn meer dan 2500m2. Beschermd Stadsgezicht Edam (vastgesteld 14-12-2017) Beleid is geïmplementeerd. - W-A 1, 2, 3 en 4 zijn goed. W-A 5 moet 6 zijn. - Alle en-bepalingen zijn onduidelijk geformuleerd. - Ook bij alle categorieën staat xxm2 of meer: moet zijn meer dan xx m2. Dezelfde fouten dus. Industrieterrein Oosthuizerweg (vastgesteld 14-09-2016) Beleid is geïmplementeerd.
- W-A 1 moet 6 zijn. (2 en 3 kloppen wel). - En-bepalingen goed geformuleerd. - Bij werkzaamheden ‘…. geen bouwwerken zijnde…’ ontbreken de oppervlaktebegrenzingen. Julianaweg e.o. (vastgesteld 18-01-2018) Beleid is geïmplementeerd. - W-A 1 moet 2 zijn; W-A 2 moet 4 zijn. - En-bepalingen goed geformuleerd. - Bij ‘.. anders dan …’ ontbreken oppervlaktegrenzen. Buitengebied Edam-Volendam beheersverordening (vastgesteld 29-10-2015) Beleid is niet geïmplementeerd. Wel is een voorontwerp Buitengebied gemaakt en aan bewoners en betrokkenen gepresenteerd. Daarin was het beleid wel geïmplementeerd. De regels daarvan zijn nu niet te checken. Op een inloopavond zijn de archeologische regels met de bewoners bediscussieerd. Dat was een levendige discussie: voorkomen moet natuurlijk worden dat bewoners bij normale (agrarische of ploeg)werkzaamheden archeologisch onderzoek moeten verrichten. Helaas is aan het voorontwerp geen vervolg gegeven.
17
Implementatie Omgevingswet Beheersverordening Edam-Zuid (vastgesteld 17-05-2018) Beleid geïmplementeerd. Dezelfde fouten. - En-bepaling bij bouwregels onduidelijk geformuleerd (het staat er wel, maar nauwelijks te begrijpen voor een buitenstaander). - W-A 3 en 4 moet zijn W-A 4 en 6. - Ook hier staat bij beide categorieën bij ‘…… het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden …… ‘ weer ‘een oppervlakte van xxx m2 of meer’, dit moet zijn ‘meer dan xxx m2’. Beheersverordening Lange Weeren (vastgesteld 14-03-2017) Beleid geïmplementeerd. - Wordt geen categorisch nummer gegeven, zou W-A 3 moeten zijn; - En-bepaling niet goed geformuleerd. Anders, maar niet goed; - Ook weer: xx m2 of meer, moet zijn: meer dan xx m2. In de voormalige gemeente Zeevang is op 12 juni 2007 de Beleidsnota archeologie vastgesteld. De criteria op de daarbij horende archeologische beleidskaart wijken af van die in de beleidsnota. Daarnaast is er een categorie opgenomen voor water, die niet in de rangschikking wordt meegenomen. Bij toepassing wordt ambtelijk uitgegaan van de criteria op de kaart. De vastgestelde criteria zijn hier: - eerste categorie - tweede categorie - derde categorie - vierde categorie - vijfde categorie - zesde categorie - Categorie water
meer dan 0 m2 meer dan 50 m2 en 35 cm diepte meer dan 50 m2 en 40 cm diepte meer dan 500 m2 en 40 cm diepte meer dan 10.000 m2 en 40 cm diepte vrij van archeologie meer dan 500 m2
Ook hier gaat het om een en-bepaling, de ontwikkeling moet aan beide criteria voldoen, behalve bij water. Dorpskernen 2016 (vastgesteld 13 april 2017) Dit beleid is geïmplementeerd en goed geformuleerd. Buitengebied 2015 (vastgesteld 13 april 2017) Hier is het beleid van voormalig gemeente Zeevang wel geïmplementeerd, maar de categorieën kloppen niet/ wijken af van bp Dorpskernen. W-A 5 zou 4 moeten zijn en W-Z 6 zou 5 moeten zijn. Dit komt doordat er ook een categorie water is opgenomen. Deze staat wel in de beleidskaart, maar krijgt geen categorisch nummer. In dit bp krijgt hij ineens wel een categorisch nummer. Dit moet worden gecorrigeerd. Ofwel Water krijgt ook een ‘categorie’ (en dat heeft dan consequenties voor Dorpskernen, ofwel Water krijgt geen categorisch nummer, maar gewoon de aanduiding Waarde –Archeologie Water [bijv.]). - De formulering is wel in orde, maar anders dus dan die in Dorpskernen.
18
Implementatie Omgevingswet Vergunningsvrije bouwmogelijkheden (Vergunningplichten met betrekking tot bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken) In het tijdelijk deel van het omgevingsplan worden zowel bestemmingsplannen als de bruidsschat opgenomen. De bestemmingsplannen kunnen op onderdelen in strijd zijn met de bruidsschat. Om die reden is in de bruidsschat bepaald dat de regels van afdeling 22.2, m.u.v. paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 niet van toepassing zijn zover die regels in strijd zijn met de regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan opgenomen in de bestemmingsplannen. Paragraaf 22.2.7.3 (artikel 22.36 t/m 22.39) omvat de regels inzake vergunningsvrij bouwen voor wat betreft een bijbehorend bouwwerk, een erf- of perceelafscheiding en het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg. In artikel 5.1 lid 1 Omgevingswet is het verbod opgenomen om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplan activiteit uit te voeren (ruimtelijke vergunning). In artikel 5.1 lid 2 is het verbod opgenomen om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit uit te voeren. (technische vergunning) In de Amvb het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna Bbl) is vervolgens in artikel 2.15 d, 2.15 da en 2.15 db aangegeven voor welke bouwactiviteiten, deze vergunningplicht geldt en de uitzonderingen op deze vergunningsplicht.
Al met al komt het erop neer dat de bouwwerken zoals die vergunningsvrij waren onder artikel 2, Bijlage II Bor ook bouwtechnisch vergunningsvrij zijn. Het was ook een beetje vreemd dat een dakkapel in het achterdak vergunningsvrij was en derhalve niet bouwtechnisch werd getoetst, maar een dakkapel in het voordakvlak wel. Met deze regeling is dat nu aangepast. In het Bbl is onder artikel 2.15f de vergunningsvrij omgevingsplanactiviteiten opgenomen. Dit artikel komt overeen met artikel 2, Bijlage II Bor met uitzondering van het bijbehorend bouwwerk en de erfafscheidingen hoger dan 1 m. Deze bouwwerken zijn niet meer opgenomen in artikel 2.15f ofwel bij wet geregeld. Het bijbehorend bouwwerk en de erfafscheiding van 1 m tot maximaal 2 m is geregeld in bovengenoemd artikel 22.36 onder paragraaf 22.2.7.3 van de bruidsschat. Deze bouwwerken zijn op grond van dit artikel in de bruidsschat vergunningsvrij gemaakt. Dit artikel kun je dus zelf aanpassen. Middels de voorrangsbepaling opgenomen in artikel 22.1 gaat dit artikel voor op de regels uit het bestemmingsplan. Deze regeling in de bruidsschat in combinatie met het Bbl omvat het volledige artikel 2, Bijlage II Bor. Artikel 3 Bijlage II Bor is opgenomen in artikel 22.29 van de bruidsschat. Aan dit artikel is ten opzichte van artikel 3 Bor de erf- of perceelafscheiding vanaf 1 m tot 2m toegevoegd.
Kijkende naar de voorrangsbepaling onder artikel 22.1 is artikel 22.29 van de bruidsschat niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in de oude bestemmingsplannen. Hoe dit moet worden gelezen is nog niet duidelijk. Komt het bouwwerk overeen met de regels van de bruidsschat en het bestemmingsplan, is het bouwwerk dan vergunningsvrij? Of als de regeling uit het bestemmingsplan niet overeenkomt met de bruidsschat is het niet vergunningsvrij. Dat laatste zou een beperking zijn ten opzichte van de huidige situatie, waarbij dergelijke bouwwerken de bouwactiviteit altijd vergunningsvrij was en men uitsluitend een omgevingsvergunning nodig had voor de activiteit handelen in strijd met regels van RO. 19
Implementatie Omgevingswet De huidige regeling inzake vergunningsvrij bouwen is dus één op één overgenomen in het Bbl en de bruidsschat. Bij het overnemen van de bruidsschat zullen er wellicht beperkt wat wijzigingen optreden. Dit zal weinig gevolgen hebben voor de hoeveelheid aanvragen. Eén van de kleine wijzigingen is de mogelijkheid om dakkapellen in het voordakvlak vergunningsvrij te kunnen realiseren in de kern Zeevang. Doordat de bestemmingsplannen voor Zeevang geen regeling bevatten inzake de bouw van dakkapellen, worden dakkapellen in het voordakvlak vergunningsvrij bij inwerkingtreding van de Omgevingswet. Zoals hierboven reeds is aangegeven, verandert er bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet in eerste instantie niet veel inzake het vergunningsvrij bouwen. Het huidige artikel 2, Bijlage 2 Bor is opgenomen in het Bbl, met uitzondering van het bijbehorend bouwwerk en erfafscheidingen. Deze twee bouwwerken zijn tezamen met het huidige artikel 3, Bijlage II Bor opgenomen in de bruidsschat. Bij het opstellen van het definitieve omgevingsplan zal er gekeken moeten worden in hoeverre je de regels uit de bruidsschat wilt verruimen of beperken. De regels inzake vergunningsvrij bouwen dienen te worden samengevoegd met de bestemmingsplan bouwregels inzake de betreffende bouwwerken.
Waarna de keuze zal moeten worden gemaakt in hoeverre de werkzaamheden vergunningsvrij, vergunningsplichtig of meldingsplichtig moeten worden gemaakt. Voor de betreffende bouwwerken zal één geïntegreerde regeling in het definitieve omgevingsplan moeten worden opgenomen.
Toegepast op gemeente Edam-Volendam Vergunningsvrije verklaringen
Gemiddeld worden er 24 verklaringen vergunningsvrij op jaarbasis afgegeven. Veel burgers vragen geen verklaring aan, wellicht in verband met de te betalen leges (€ 89,-) Vaak probeert men via de Wabomail of telefonisch een uitspraak te ontlokken in hoeverre een en ander vergunningsvrij kan worden gebouwd. Van het aantal afgegeven verklaringen betreft 80 % een bijbehorend bouwwerk of erfafscheiding. Deze regels komen dus vanaf het rijk naar de gemeente. Al met al wordt + 8% van de hoeveelheid verleende omgevingsvergunning als vergunningsvrij verklaard. Uiteindelijk moet er een keuze worden gemaakt in hoeverre de vergunningsvrije bouwmogelijkheden moeten worden verruimd en wat hier de gevolgen van kunnen zijn (bv. , klimaatadaptatie, duurzaamheid, leges en toename van informatieverzoeken ofwel dienstverlening). Een overzicht is in bijlage 5 terug te lezen.
Wabomail
Op het moment dat er meer vergunningsvrij zal worden gemaakt, zullen de informatieverzoeken toenemen en vraagt dit iets van onze dienstverlening. Voor het jaar 2020 zijn er + 2400 mails afgehandeld vanuit de Wabomail, een algemene mailbox waar een verscheidenheid aan verzoeken en vragen op binnen komt. Deze vragen variëren van het opvragen van stukken tot het informeren naar de bouwmogelijkheden, vergunningsvrije mogelijkheden en de stand van zaken van lopende aanvragen etc. 2+ fte heeft hier een dagtaak aan om deze stroom van mails te verwerken en te beantwoorden. De meeste vragen gaan over wat men mag bouwen op grond van het bestemmingsplan en in hoeverre een en ander vergunningsvrij is. Op het moment dat er meer werkzaamheden zullen worden vrijgelaten in het omgevingsplan, zal dit meer vragen genereren. De kosten van deze dienstverlening worden voor nu niet in rekening gebracht.
20
Implementatie Omgevingswet Verandering in milieuregelgeving Onder de Omgevingswet verdwijnt het begrip 'inrichting' uit de Wet milieubeheer (Wm). Het wordt vervangen door een regulering per milieubelastende activiteit. De rijksregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Maar er kunnen ook andere regels gelden, die bijvoorbeeld in het omgevingsplan staan.
Definitie inrichting Er is sprake van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer als voldaan is aan 2 voorwaarden; 1)
Door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zeker begrenzing pleegt te worden verricht;
2) De activiteit moet zijn aangewezen als milieuvergunningplichtig in bijlage 1 van het Besluit omgevingsrecht (op grond van artikel 1.1 lid 4 Wet milieubeheer).
Definitie Milieubelastende activiteit Een milieubelastende activiteit is een activiteit die nadelige gevolgen kan veroorzaken niet zijn de een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringstechnisch werk of een waterontrekkingsactiviteit. De Omgevingswet wijst deze activiteiten als aparte activiteiten aan.
Verschil met huidige begrip inrichting Het maakt voor de geldigheid van de milieuregels van het Bal meestal niet meer uit: •of een activiteit een bedrijfsmatige omvang heeft •hoe lang de activiteit duurt (vertaling van pleegt te worden verricht) •of de activiteit op een vaste plek plaatsvindt De milieubelastende activiteit verschilt van het begrip inrichting uit de Wet milieubeheer en ook van het begrip inrichting uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De milieubelastende activiteit omvat onder het Bal ook activiteiten buiten inrichtingen waarvoor nu al algemene regels gelden, zoals: •lozingen van afvalwater in rioolstelsels en in de bodem •omgaan met afvalstoffen (storten, verbranden, nuttig toepassen) •toepassing van warmte- en koudeopslag De gemeenten heeft samen met Omgevingsdienst IJmond de RUD-bedrijven bekeken en vertaald naar de nieuwe situatie om zo een beeld te krijgen welk bedrijf straks onder rijskregels valt en welke in het omgevingsplan wellicht geregeld mag of moet worden, zie bijlage 2.
21
Implementatie Omgevingswet Algemene Bepalingen Zoals hiervoor is aangegeven vervalt het begrip inrichting en wordt met de inwerkingtreding van de Omgevingswet het begrip milieubelastende activiteit geïntroduceerd. Bijna iedere milieubelastende activiteit valt onder de bruidsschat. Uitzonderingen zijn wonen, bouw- en sloopwerkzaamheden, activiteiten in de openbare buitenruimte, doorgaand verkeer (weg, water of sport), bepaalde evenementen en mobiele installaties. In het Bal zijn milieubelastende activiteiten aangewezen waarvoor rijksregels gelden. Voor milieubelastende activiteiten die niet in het al zijn aangewezen gelden geen algemene rijksregels. Voor die activiteiten kan de gemeente regels opnemen in het omgevingsplan.
Verschil toepassingsbereik Bkl en toepassingsbereik bruidsschat De instructieregels van het Bkl voor geluid, trillingen en geur zijn, kort gezegd, van toepassing op alle activiteiten, anders dan wonen en doorgaand verkeer die geluid, trilling of geur veroorzaken. Het toepassingsbereik van de instructieregels in de paragrafen geluid, trillingen en geur van het Bkl is ruimer.
Bescherming van het milieu De bescherming van het milieu is nu geregeld in de Wet milieubeheer. De oogmerken voor de milieubelastende activiteit zoals genoemd in artikel 22.42 Invoeringsbesluit Omgevingswet komen grotendeels overeen met het doel van de Wet milieubeheer. Artikel 22.42 Invoeringsbesluit Omgevingswet sluit aan bij de oogmerken genoemd in artikel 4.22 Omgevingswet voor het stellen van rijksregels: ‘..het beschermen van het milieu, waaronder het beschermen van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, het zuinig gebruik van energie en grondstoffen en een doelmatig beheer van afvalstoffen. Andere milieuaspecten als externe veiligheid, geluid, trilling en geur vallen hier ook onder’. De algemene regels in artikel 22.42 Invoeringsbesluit Omgevingswet zijn een concretisering van artikel 4.22 Omgevingswet. Bij de activiteiten in afdeling 22.3 milieubelastende activiteiten zullen niet steeds alle oogmerken of milieuthema’s een rol spelen en zullen zeker niet alle milieuaspecten bij een activiteit terugkomen in meer uitgewerkte regels. Als voor een bepaald oogmerk geen nader uitgewerkte regels in het omgevingsplan zijn opgenomen, geldt wel de specifieke zorgplicht van artikel 22.42 Invoeringsbesluit Omgevingswet.\
Algemene zorgplicht en specifieke zorgplicht Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt er een algemene zorgplicht, een algemeen verbod en een specifieke zorgplicht. Deze zorgen er voor dat de overheid, bedrijven en burgers samen verantwoordelijk zijn voor een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. De algemene zorgplicht in de artikelen 1.6, 1.7 en 1.7a Omgevingswet is een vangnetbepaling als er geen specifieke decentrale regels of rijksregels van toepassing zijn. De specifieke zorgplicht is concreter en richt zich op specifieke activiteiten. Zowel in het Bal als in het Bbl staan specifieke zorgplichten. De specifieke zorgplichten zijn algemene regels die direct gelden. 22
Implementatie Omgevingswet Ook in het omgevingsplan kunnen zorgplichten worden opgenomen voor activiteiten die niet op rijksniveau als milieubelastend worden gekwalificeerd maar wel op lokaal niveau in het omgevingsplan. In artikel 22.44 van de bruidsschat is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten opgenomen. De tekst lijkt erg op de tekst van de specifieke zorgplicht in het Bal, alleen heeft de bruidsschat twee toevoegingen: -
de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit moet zoveel mogelijk worden beperkt of voorkomen (ook wel vervoermanagement genoemd)
-
de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in het door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.
Deze twee bepalingen zijn ook van toepassing op de milieubelastende activiteiten die onder het Bal vallen. Het is de bedoeling dat de regels ten aanzien van de specifieke zorgplicht in het omgevingsplan een plek krijgen, het draagt bij aan het waarborgen van de gezondheid en de veiligheid. De specifieke zorgplicht is handhaafbaar.
Maatwerkvoorschriften Artikel 22.45 Invoeringsbesluit Omgevingswet geeft drie verschillende onderwerpen waarvoor een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld: -
specifieke zorgplicht (art. 22.42 Invoeringswet Omgevingswet)
-
informeren over een ongewoon voorval (art. 22.49 Invoeringswet Omgevingswet)
-
gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval (art. 22.50 Invoeringswet Omgevingswet).
Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift moeten de instructieregels van het Bkl worden gevolgd (paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 Bkl).
Toegepast op Edam-Volendam Nu is er niets geregeld ten aanzien van de specifieke oogmerken uit artikel 22.42 Invoeringsbesluit Omgevingswet. Door deze artikelen over te nemen in het omgevingsplan kun je bijvoorbeeld vervoermanagement als aandachtspunt in VTH strategie terug laten komen. Of donkertebeleid in de buitengebieden.
23
Implementatie Omgevingswet Thema energiebesparing De milieubelastende activiteiten die in afdeling 3.2 van het Bal zijn aangewezen, de bedrijfstakoverstijgende activiteiten vallen onder de werkingssfeer van deze paragraaf. Het gaat hier om de: - stookinstallaties, - natte koeltorens, - windturbines, - koelinstallatie met kooldioxide, koolwaterstoffen of ammoniak, - bodemenergiesysteem, - opslagtank voor gassen, opslagtank voor vloeistoffen en tankcontainer of verpakking die wordt gebruikt als opslagtank voor vloeistoffen, - opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking, - opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik - opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik - opslaan van vaste minerale anorganische meststoffen - opslaan, mengen scheiden en verdichten van bedrijfsafval of gevaarlijk afval voorafgaand aan inzameling of afgifte - op of in de bodem brengen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke stoffen buiten stortplaatsen - verbranden van afvalstoffen anders dan in een ippc-installatie - zuiveringsvoorziening voor ingezameld of afgegeven afvalwater - oppervlaktebehandeling met oplosmiddelen ippc - afvangen kooldioxide voor ondergrondse opslag - het op of in de bodem brengen van meststoffen - graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit - graven in bodem met een kwaliteit
boven de interventiewaarde bodemkwaliteit - saneren van de bodem - opslaan van grond of baggerspecie - toepassen van bouwstoffen - toepassen van grond of baggerspecie Onder het stelsel van de Omgevingswet zijn bovengenoemde activiteiten meestal onderdeel van een grotere milieubelastende activiteit. Als de richtingaanwijzer in het Bal de energiemodule aanwijst voor een bepaalde activiteit en daarbij ook een activiteit uit afdeling 3.2 van het Bal plaats vindt, dan is de energiemodule ook van toepassing op de activiteit uit afdeling 3.2 die dan een functioneel ondersteunende activiteit is. De regels van de energiebesparing in de bruidsschat gelden voor milieubelastende activiteiten waarbij het energieverbruik van alle milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die de milieubelastende activiteit functioneel ondersteunen, in het voorgaande jaar gezamenlijk kleiner is dan 50.000kWh aan elektriciteit en 25.000m³ aardgasequivalenten aan brandstoffen. Hierbij moeten de activiteiten die in afdeling 3.2 van het Bal zijn geregeld ook worden meegenomen. Concreet: als bijvoorbeeld een supermarkt of horecagelegenheid een activiteit uit afdeling 3.2 van het Bal verricht, dan gelden ook daarvoor de energiebesparingsregels van dit omgevingsplan, tenzij het energieverbruik van de activiteiten op de locatie, gezamenlijk niet boven de drempel uitkomt.
24
Implementatie Omgevingswet Activiteiten uit afdeling 3.2 van het Bal die zelfstandig boven de drempel kunnen uitkomen zoals de zuiveringsvoorziening waren in de regel onder het oude recht een inrichting, zodat het logisch is dat daarvoor de energiebesparingsregels van de omgevingsplanregels van rechtswege gelden. Het artikel in de bruidsschat vervangt artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het Bal kent ook bepalingen betreffende energiebesparing. Zowel het Bal als het artikel in de bruidsschat verwijst naar de erkende maatregelen die in de Omgevingsregeling zijn opgenomen.
Thema zwerfafval Het artikel in de bruidsschat over zwerfafval, artikel 22.53 Invoeringsbesluit Omgevingswet is een nadere invulling van de specifieke zorgplicht uit het omgevingsplan of uit artikel 2.11 van het Bal. Dit artikel geldt ook voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten. Tenzij het aspect zwerfafval al in een voorschrift van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is geregeld. Dan gaat de omgevingsvergunning voor de regel uit het omgevingsplan (voorrangsbepaling van artikel 22.1 lid 2 Invoeringsbesluit)
25
Implementatie Omgevingswet Thema Geluid Geluid is nu geregeld in de Wet geluidhinder, Activiteitenbesluit milieubeheer, gemeentelijke APV en Beleidsregels vaststellen hoger waarde Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder zijn landelijk geldende regels opgenomen voor bedrijfsmatige activiteiten en voor verkeer. In de APV zijn normen ogenomen voor overige activiteiten (bijvoorbeeld hoofdstuk 4). Al deze regels moeten straks opgenomen worden in het omgevingsplan. Het omgevingsplan moet erin voorzien dat het geluid door een activiteit op een geluidsgevoelig gebouw aanvaardbaar is.
Bruidsschat geluid De geluidregels in de bruidsschat omgevingsplan gelden grofweg voor alle milieubelastende activiteiten die onder de Wet milieubeheer als een inrichting werden aangemerkt. Voor de regels over geluid hebben we te maken met het toepassingsbereik van afdeling 22.3 'Milieubelastende activiteiten' en het toepassingsbereik van paragraaf 2.3.4 'Geluid' van deze bruidsschat.
Toepassingsbereik afdeling 22.3 'Milieubelastende activiteiten' Voor het aspect geluid vallen alle activiteiten met een geluidemissie onder de afdeling 22.3 milieubelastende activiteiten bruidsschat omgevingsplan. Uitzonderingen daarop zijn:
wonen
het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein
een milieubelastende activiteit die iemand in hoofdzaak verricht in de openbare buitenruimte
doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen.
het houden van een evenement waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening (in Edam-Volendam is dat geregeld in hoofdstuk 4van de APV)
een milieubelastende activiteit met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos, die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk is als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)
Dit staat in artikel 22.41 bruidsschat omgevingsplan. Deze uitzonderingen vervangen het begrip inrichting uit de Wet milieubeheer en de categorieën uit Bijlage 1 van het Besluit omgevingsrecht.
Toepassingsbereik paragraaf 22.3.4 'Geluid' De regels voor geluid in paragraaf 22.3.4 'Geluid' bruidsschat omgevingsplan richten zich op de bescherming van de gezondheid en het milieu. Het toepassingsbereik van deze regels zit gekoppeld aan geluidgevoelige gebouwen én aan activiteiten.
Geluidgevoelige gebouwen De regels richten zich op de bescherming van geluidgevoelige gebouwen. Hierop zijn vier uitzonderingen:
Geluidgevoelige gebouwen op een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein met een geluidproductieplafond, artikel 22.54 lid 2 onder a bruidsschat). 26
Implementatie Omgevingswet
Tijdelijke geluidgevoelige gebouwen die de overheid na inwerkingtreding van de Omgevingswet via het nieuwe deel omgevingsplan of via een omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit mogelijk heeft gemaakt (artikel 22.55 lid 2 onder a jo. artikel 22.55, lid 1 bruidsschat).
Geprojecteerde of in aanbouw zijnde woningen die de overheid mogelijk heeft gemaakt voor inwerkingtreding van de Omgevingswet. Dat gebeurde via een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan (artikel 22.55 lid 2 bruidsschat).
Niet-geluidgevoelige gevels (artikel 22.54 lid 2 onder c bruidsschat).
Uitzondering op activiteiten Het toepassingsbereik van afdeling 22.3 'Milieubelastende activiteiten' is voor het aspect geluid nog verder ingeperkt. Dit staat in artikel 22.54 bruidsschat. De regels over geluid in de bruidsschat zijn niet van toepassing op de volgende activiteiten:
een verplaatsbaar mijnbouwwerk
spoorvoertuigen op een spoorwegemplacement
Voor de activiteit detailhandel zijn de geluidregels bruidsschat alleen van toepassing als één van de onderstaande voorwaarden geldt:
Er is (zijn) één of meer elektromotoren aanwezig met een gezamenlijk vermogen van meer dan 1,5 kW. Motoren met een vermogen minder dan 0,25 kW tellen niet mee
Er is (zijn) één of meer stookinstallaties aanwezig met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 130 kW.
Omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten De regels uit de bruidsschat gelden in principe ook voor activiteiten met een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. Wel blijven daar, op basis van het overgangsrecht, de bestaande vergunningvoorschriften gelden. Deze vergunningvoorschriften gaan voor in die gevallen dat deze voorschriften hetzelfde regelen als de bruidsschat. Dit staat in artikel 22.1, lid 2 bruidsschat. Gezien de regels over geluid in de bruidsschat, heeft dat voornamelijk betrekking op immissiewaarden. De bruidsschat geluid kent specifieke regels in welke gevallen er een geluidonderzoek moet worden verricht. Bij een aantal activiteiten wordt bepaald dat er een rapport van het geluidonderzoek moet worden ingediend. Het gaat daarbij onder meer om het bepaalde omstandigheden ten gehore brengen van muziekgeluid en transportactiviteiten in de avond- en nachtperiode. De ervaring heeft geleerd dat er in gevallen waarvoor bij de specifieke bepalingen een plicht is opgenomen tot het indienen van een akoestisch rapport, doorgaans problemen zijn te verwachten bij toetsing aan de geluidwaarden. Er bestond ook een specifieke mogelijkheid om bij besluit ook voor andere activiteiten een geluidsonderzoek te eisen. Deze mogelijkheid heeft de gemeente nog steeds, via het maatwerkvoorschrift op grond van artikel 22.43 Invoeringsbesluit.
De gemeente moet aannemelijk maken dat het geluidsniveau of het maximale geluidsniveau meer bedraagt dan de waarden die gelden voor de activiteit op grond van het omgevingsplan of omgevingsvergunning. Denk hierbij aan de gevallen waarin gelet op de te verwachten bronvermogens en afstanden tot gevoelige gebouwen het aannemelijk is dat de normen zullen worden overschreden. 27
Implementatie Omgevingswet Thema trilling In afdeling 2.9, art. 2.23 van het Activiteitenbesluit milieubeheer staan de maximale trillingssterkten die veroorzaakt mogen worden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten door degene die een inrichting type A of een inrichting type B drijft. In het artikel wordt verwezen naar waarden in tabel 2 van de Meet- en beoordelingsrichtlijn deel B, “Hinder voor personen in gebouwen” van de Stichting Bouwresearch Rotterdam. De maximale trillingssterkten gelden niet voor geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten gelegen op een gezoneerd industrieterrein. De regels in het Activiteitenbesluit gelden voor continue trillingen. Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift zowel hogere als lagere trillingssterkten toelaten. De trillingssterkten mogen niet lager zijn dan de streefwaarden voor de gebouwfunctie ‘wonen’ in de beoordelingsrichtlijn. De Omgevingswet bevat geen direct werkende regels voor de bescherming van trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van bedrijven. De regels hiervoor moeten worden opgenomen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna, Bkl) staan instructieregels hiervoor. De bruidsschat bevat in afdeling 22.3.5 (artt. 22.83 tot en met 22.89) artikelen over trillingen.
Net als in de huidige situatie geldt ook in de bruidsschat dat trillinggevoelige gebouwen op gezoneerde industrieterreinen zijn uitgezonderd. Ook tijdelijke bouwwerken zijn uitgezonderd van de maximale trillingssterkten. Er is sprake van een eerbiedigende werking van eerder verleende omgevingsvergunningen op dit onderdeel. Tabel 22.3.9 van de bruidsschat bevat de maximale waarden voor continue trillingen in trillinggevoelige ruimten. Deze komen overeen met de waarden voor de activiteit ‘wonen’ in Tabel 2 van de Meet- en beoordelingsrichtlijn deel B waarnaar het Activiteitenbesluit nu verwijst. De regels voor trillingen die veroorzaakt worden door milieubelastende activiteiten, moeten in het omgevingsplan opgenomen worden. In § 5.1.4.4 van het Bkl staan instructieregels voor het toelaten van activiteiten die trillingen veroorzaken in het omgevingsplan. In artikel 5.80 en 5.81 van het Bkl is aangegeven wat verstaan wordt onder trillinggevoelige gebouwen (onder meer woonfuncties en onderwijsfuncties) en trillinggevoelige ruimten (verblijfsruimten in een trillinggevoelig gebouw). In het Bkl is ook de tabel met maximale waarden voor continue trillingen opgenomen. Ook bevat het Bkl een artikel met standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen (art. 5.87a). Zolang het omgevingsplan niet is aangepast aan bovenstaande instructieregels, gelden de artikelen uit de bruidsschat.
Het Bkl bevat instructieregels voor trillingen in het omgevingsplan. Als op een locatie een activiteit wordt toegestaan die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dan moet het omgevingsplan regels bevatten voor trillingen. Wanneer de regels van de bruidsschat ongewijzigd worden overgenomen in het nieuwe deel, blijft het beschermingsniveau gelijk aan het huidige beschermingsniveau zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit. Maar dan zijn er geen regels voor herhaald voorkomende trillingen. Bovendien wordt er dan geen gebruik gemaakt van de mogelijkheden om lokaal af te wijken van de standaard waarden.
28
Implementatie Omgevingswet Welke ruimte is er voor bestuurlijke afweging/ maatwerk? In het Bkl is aangegeven dat in het omgevingsplan afgeweken mag worden van de standaardwaarden als sprake is van activiteiten op een bedrijventerrein. Deze hogere waarden mogen de grenswaarde (zijnde de standaardwaarde vermenigvuldigd met de factor 1.8) niet overschrijden. Ook in geval van zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen kan een omgevingsplan hogere waarden bevatten (art. 5.89 van het Bkl). Dan geldt de grenswaarde niet. De instructieregels gelden niet voor trillingen die veroorzaakt worden door de activiteiten ‘wonen’ of ‘doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen’. Het bevoegd gezag mag dus in die gevallen zelf bepalen of hier maximale trillingssterkten aan worden verbonden. Advies: eerst trilling opnemen in het tijdelijk deel. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet bepalen of trilling op bepaalde bedrijventerreinen een probleem vormen (waarschijnlijk niet, want klachten zijn tot nu toe niet bekend).
29
Implementatie Omgevingswet Thema Bodem Het thema bodem verandert behoorlijk. Het heeft een eigen aanvullingswetgevingsspoor met Aanvullingswet bodem en Aanvullingsbesluit bodem en Aanvullingsregeling bodem. De regels van de bruidsschat met betrekking tot bodem komen uit het Aanvullingsbesluit bodem. Het aanvullingsspoor bodem zorgt ervoor dat bodem en ondergrond een integraal onderdeel worden van de Omgevingswet. Het aanvullingsspoor bodem heeft 3 pijlers. 1) Preventie: het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting. 2) Toedeling van functies: het meewegen van bodemkwaliteit als het gaat om de kwaliteit van de leefomgeving, in relatie tot het gebruik hiervan. 3) Beheer historische verontreinigingen: het op een duurzame en doelmatige manier beheren van historische verontreinigingen. Elke pijler gebruikt instrumenten uit de Omgevingswet. De nieuwe regels komen in de plaats van de bestaande regels voor het beheer van bodemkwaliteit, zoals de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit en het Besluit uniforme saneringen. De verplichtingen uit een aantal EU-richtlijnen zijn het kader voor de 3 pijlers. Bijvoorbeeld de Kaderrichtlijn water en de Grondwaterrichtlijn.
Voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting Het voorkomen van nieuwe verontreinigingen en aantastingen is de eerste pijler. Hiervoor is de zorgplicht een belangrijk uitgangspunt. Ook zitten in deze pijler algemene regels voor burgers en bedrijven. Deze regels staan in het Aanvullingsbesluit bodem.
Meewegen van bodemkwaliteit bij toedelen functies De tweede pijler gaat over bodemkwaliteit als onderdeel van de afweging van alle aspecten van de fysieke leefomgeving. Deze afweging is onder andere nodig bij de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Deze instrumenten helpen een balans te vinden tussen milieu- en gezondheidsrisico’s enerzijds en maatschappelijk gewenste activiteiten anderzijds. Dat is nodig als bodem of grondwater van mindere kwaliteit zijn. Voor grondwater blijft de gebiedsgerichte aanpak gelden zoals afgesproken in het Convenant Bodem en Ondergrond (2016 - 2020). Regels over het meenemen van bodemkwaliteit in de afweging worden via het Aanvullingsbesluit bodem opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Beheren van historische verontreinigingen Om de gezondheid van mensen, planten en dieren te beschermen, moeten we verstandig omgaan met historische verontreinigingen. Dat is de derde pijler. Onder de Wet bodembescherming was de beschikking het belangrijkste instrument bij het omgaan met historische verontreinigingen. Alleen in bepaalde gevallen werd gewerkt met algemene regels, zoals het Besluit uniforme saneringen. De nieuwe wet draait dit om. Onder de Omgevingswet gelden vooral algemene regels. Alleen als het gaat om een uitzondering, is maatwerk nodig. Dan kan een vergunning worden aangevraagd. Gemeenten en provincies krijgen hierbij een belangrijke rol. Zij zijn verantwoordelijk voor de bodemkwaliteit en grondwater. Zij krijgen daarom veel mogelijkheden voor eigen beleid. Lokale en regionale regels worden straks vastgelegd in het omgevingsplan of in de omgevingsverordening (provincie). 30
Implementatie Omgevingswet Instructieregels bodem in het Besluit kwaliteit leefomgeving In het Bkl komen een aantal instructieregels voor het omgevingsplan. Het gaat om regels over: -toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie -nazorg na saneren
Bruidsschat bodem De bruidsschat bodem kent verschillende activiteiten waarvan 1 niet van toepassing is op gemeente Edam-Volendam, namelijk saneren van de bodem in het gebied de Kempen. Naast de specifieke zorgplicht op basis van artikel 22.44 die van toepassing is op bodem, is ook de activiteit toelaten bouwen op bodemgevoelige locaties opgenomen in de bruidsschat. De regels die hierbij zijn opgenomen gaan over het verplichte bodemonderzoek als onderdeel van de aanvraagvereisten bij een vergunning. Waarbij de omgevingsvergunning alleen mag worden verleend als de interventiewaarde niet wordt overschreden. De andere activiteiten zijn; -
Nazorg na saneren van de bodem
-
Kleinschalig graven boven de interventiewaarde bodemkwaliteit
-
Activiteiten op een locatie met een historische bodemverontreiniging zonder aanvaardbaar risico.
Nazorg na saneren van de bodem
Deze paragraaf regelt dat de eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie, waarvoor onder het Besluit uniforme saneringen een isolatielaag is aangebracht, alle maatregelen moet nemen om deze isolatielaag in stand te houden, te onderhouden of te vervangen. Door een bedoelde of onbedoelde handeling kan het resultaat van de bodemsanering ongedaan worden gemaakt, waardoor bij het dagelijks gebruik van de locatie blootstelling en contactmogelijkheden met de verontreinigde bodem kunnen ontstaan. De maatregelen kunnen bestaan uit het herstellen van de afdeklaag als deze bijvoorbeeld door werkzaamheden op de locatie beschadigd is geraakt of een te geringe dikte heeft gekregen. Ook onder de Omgevingswet is het gewenst dat leeflagen in stand worden gehouden of dat gebruiksbeperkingen in acht worden genomen. De paragraaf nazorg gaat over de situatie dat de Omgevingswet in werking is getreden. Momenteel wordt op provinciaal niveau uitgezocht in hoeverre de reeds beschikte nazorglocaties onder het overgangsrecht vallen en daarmee niet onder de werkingssfeer van de bruidsschat. Dit zou gaan om 38 locaties. Gemiddeld gezien komen er in gemeente Edam-Volendam per jaar 3 tot 4 vier nazorglocaties bij. Het Bkl kent een instructieregel die de gemeente verplicht om regels te stellen voor het in stand houden van afdeklagen en andere beschermende voorzieningen.
De bruidsschatregels voor nazorg geven invulling aan deze verplichting met bepalingen die zijn afgeleid van de overeenkomstige bepalingen uit het huidige Besluit Uniforme Saneringen (BUS). De bruidsschatregel kan niet worden geschrapt in verband met de instructieregel in het Bkl maar kan wel worden aangepast.
31
Implementatie Omgevingswet Kleinschalig graven bodem de interventiewaarde bodemkwaliteit
Deze paragraaf heeft betrekking op het graven in de bodem in een omvang kleiner dan 25 m³ (ook wel kleinschalig grondverzet genoemd) en richt zich op locaties waarbij reeds via besluitvorming onder de Wet bodembescherming of via het Besluit bodemkwaliteit is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is met 1 of meerdere stoffen boven de interventiewaarde bodemkwaliteit in een omvang groter dan 25m³. Denk bij kleinschalig grondverzet aan hovenierswerk graafwerkzaamheden voor het planten van bomen of het plaatsen van ondergrondse containers en straatmeubilair of het realiseren van en huisaansluiting bij kabels en leidingen. Bij deze werkzaamheden zijn de negatieve gevolgen meestal beperkt. Het Bal kent regels voor de milieubelastende activiteit graven in de bodem met een kwaliteit beneden de interventiewaarde bodemkwaliteit en boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. Deze zijn alleen van toepassing als het bodemvolume waarin gegraven wordt groter is dan 25m³. Het rijk wil met de inwerkingtreding van de omgevingswet en geen regels meer stellen voor kleinschalig grondverzet. Dus voor de hierboven omschreven werkzaamheden kent het Bal geen regels. De regels in de bruidsschat zorgen voor een voorzetting van de regels die nu onder de Wet bodenbescherming gelden.
De regels gelden voor locaties waarbij via eerdere besluitvorming is vastgesteld dat de interventiewaarde bodemkwaliteit is overschreden. In gemeente Edam-Volendam gaat het om 1 locatie: aan de Papaberstraat 19 te Volendam. Deze locatie kent een beschikking ernstig, niet spoedeisend, en is terug te vinden op de huidige bodemkwaliteitskaart. De bodemkwaliteitskaart gaat straks op in het omgevingsplan. De gemeente kan afwijkende of aanvullende regels stellen en zelf normen stellen in het omgevingsplan op het gebied van bodem, vergelijkbaar met het gebiedspecifiek beleid uit het Besluit bodemkwaliteit. Er is een landelijk project ‘Bodembeheer van de toekomst, Samen de diepte in’ is een project om lokale overheden te activeren om aan de slag te gaan met het verwerken van bodem & ondergrond in de Omgevingswet. Daarnaast heeft het project tot doel om de beschikbare kennis en geleerde lessen die in het project worden opgedaan te ontsluiten, zodat deze voor iedereen beschikbaar is. De auteurs van de website verzorgen een staalkaart bodem, een standaard set regels voor in het omgevingsplan. Indien mogelijk met de planning, is het raadzaam hun input af te wachten.
Het laatste onderwerp op het gebied van bodem in de bruidsschat gaat over de activiteit op een locatie waar voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet onder de Wet bodembescherming een beschikking ernst, geen spoed is vastgesteld (historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico) . Degene die op deze locatie een activiteit verricht moet maatregelen nemen om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken of de verontreiniging ongedaan te maken. Deze activiteit komt in gemeente EdamVolendam vijf keer voor.
32
Implementatie Omgevingswet Thema Geur Milieu-inhoudelijke onderwerpen worden straks geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna Bal). Alleen zijn er voor milieubelastende activiteiten over geur niet veel algemene rijksregels geformuleerd. De reden hiervan is dat de aanpak van geur met name op lokaal niveau speelt.
Geurveroorzakende activiteiten op rijksniveau Bij een klein aantal activiteiten zijn wel maatregelen opgenomen om geuremissie te beperken. Deze staan in hoofdstuk 4 van het Bal en het zijn met name locatie-onafhankelijke regels. De maatregelen zijn dus gericht op het beperken van emissies naar de lucht. Emissies naar de lucht zijn vaak de veroorzaker van geurhinder, daarom dragen die maatregelen bij aan beperken van geurhinder. De maatregelen die in het Bal staan: 1) Afvoer bovendaks en omhooggericht bij 6 verschillende activiteiten (limitatief) -
Grafische processen (art. 4.178 Bal)
-
Aanbrengen van lagen op metaal (art. 4.202 Bal)
-
Smelten en gieten van metalen (art. 4.217)
-
Reinigen, coaten en lijmen van diverse materialen (art. 4.347 Bal)
-
Mestbehandelingsinstallatie (art. 4.862 Bal)
-
Werkzaamheden met verplaatsbaar mijnbouwwerk (art. 4.1226 Bal)
2) Maatregelen polyesterharsverwerking (art. 4.401 Bal) 3) Maatregelen mestbehandelingssysteem (art. 4.863 Bal) 4) Maatregelen werkzaamheden met verplaatsbaar mijnbouwwerk (art. 4.1126 Bal) De beoordelingsregels voor geur voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit staan in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Er zijn bedrijven in gemeente Edam-Volendam die de verschillende activiteiten als hiervoor omschreven.
33
Implementatie Omgevingswet Geurveroorzakende activiteiten op lokaal niveau Voor een aantal activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. Hiervoor staan instructieregels in het Bkl. Dit geldt voor: -
Rioolwaterzuiveringsinstallaties (hierna RWZI)
-
Het houden van landbouwhuisdieren
-
Andere agrarische activiteiten
Het Besluit kwaliteit leefomgeving schrijft voor dat gemeenten in hun omgevingsplan een bebouwingscontour moeten vastleggen indien de gemeente de vergunningplichtige activiteiten RWZI en houden van landbouwhuisdieren op hun grondgebied hebben. Binnen de bebouwingscontour geldt een 'hoge bescherming', daarbuiten een 'lage bescherming' (artikel 5.97 Bkl). Het basisbeschermingsniveau, de maximale geurwaarden die veroorzaakt mag worden, staat in artikel 5.100 lid 1 Bkl.
Concreet toegepast op Edam-Volendam: RWZI:
Er is in Oosthuizen een rioolwaterzuiveringsinstallatie. Daar zijn wel geurgevoelige gebouwen in de omgeving. Dit bedrijf is onderdeel van het takenpakket van de OD IJmond. Het betreft de RWZI Oosthuizen aan Beestdijkje 4
Het houden van landbouwhuisdieren:
De veehouderijen met landbouwhuisdieren vallen nu onder de regels van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna Wgv) en het Activiteitenbesluit. Voor een aantal diercategorieën moet er op grond van de Wgv een geurberekening worden gemaakt. De Wgv geldt niet voor hobbydieren of dieren die geen landbouwhuisdieren zijn (bv honden, katten, wormen, dierentuindieren) Het houden van landbouwhuisdieren is volgens artikel 3.200, eerste lid onder b van het Besluit activiteiten leefomgeving aangewezen als een milieubelastende activiteit. Let op, onder het houden van landbouwhuisdieren wordt niet verstaan: -
10 stuks rundvee die als landbouwhuisdieren worden gehouden
-
15 varkens die als landbouwhuisdieren worden gehouden
-
350 kippen die als landbouwhuisdieren worden gehouden
-
25 overige landbouwhuisdieren, met uitzondering van pelsdieren. Denk hierbij aan geiten of paarden.
Aantal landbouwhuisdieren boven het hierboven genoemde aantallen is dus wel milieubelastend. Functioneel ondersteunende activiteiten worden ook als milieubelastend aangewezen. Artikel 3.202 van het Bal geeft aantallen van landbouwhuisdieren waardoor je vergunningplichtig wordt:
34
Implementatie Omgevingswet Aanwijzing vergunningplichtige gevallen art. 3.202 Bal: Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.200, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het houden van: a. meer dan 200 melkkoeien van 2 jaar en ouder, kalfkoeien van 2 jaar en ouder of zoogkoeien van 2 jaar en ouder; b. meer dan 340 stuks vrouwelijk jongvee jonger dan 2 jaar, fokstieren jonger dan 2 jaar, melkkoeien van 2 jaar en ouder, kalfkoeien van 2 jaar en ouder of zoogkoeien van 2 jaar en ouder; c. meer dan 50 paarden van 3 jaar en ouder of pony’s van 3 jaar en ouder; d. meer dan 50 schapen van 1 jaar en ouder of geiten; e. meer dan 2.500 kippen, kalkoenen, eenden of parelhoenders; f. meer dan 50 vleesvarkens van 25 kg en meer, opfokberen van 25 kg en meer en jonger dan 7 maanden of opfokzeugen van 25 kg en meer; g. meer dan 50 kraamzeugen, guste zeugen, dragende zeugen en opfokzeugen van 25 kg en meer; h. meer dan 500 gespeende biggen van minder dan 25 kg; i. meer dan 50 vleeskalveren jonger dan 1 jaar, overig vleesvee vanaf spenen en jonger dan 2 jaar of overig rundvee van 2 jaar en ouder; of j. meer dan 50 overige landbouwhuisdieren.