CConstaterende datEdam-Volendam
Koppel je AI →
Document · PDF

BpDeBotterSchool-VG01_Vleermuis..t27TeEdam - Vleermuisonderzoek.pdf

Raadsplein Bespreekronde Ib 25 november 2021, gemeente Edam-VolendamBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen bestemmingsplan Botterschool.3.664 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Vleermuisonderzoek aan de Hendric Dirckszstraat 27 te Edam Aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming

1

Colofon

Status:

Definitief

Project:

BE/2020/070

Datum:

6 oktober 2020

Samensteller(s):

ir. ing. K.J. Rebergen

Collegiale toets:

ing. G. Fairhurst

Opdrachtgever:

BURO SRO B.V. ’t Goylaan 11 3525 AA Utrecht Contactpersoon:

dhr. T. Oostrom

Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. © Blom Ecologie B.V. / Buro SRO B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.

2

Inhoud

1 Inleiding ......................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding en doel

5

1.2 Plangebied

6

1.3 Werkzaamheden

6

1.4 Te verwachten soorten en functies

7

1.5 Kader Wet natuurbescherming

8

2 Methode .......................................................................................................................................... 9 2.1 Theoretisch kader

9

2.2 Praktische uitvoering

10

2.3 Inventarisaties

13

2.4 Specifieke omstandigheden

14

3 Resultaten ..................................................................................................................................... 15 3.1 Vleermuizen

15

3.2 Overige soorten

16

4 Conclusie ...................................................................................................................................... 17 4.1 Vleermuizen

17

4.2 Overige soorten

17

4.3 Vervolgstap(pen)

17

5 Bronnen ......................................................................................................................................... 18 Bijlage 1 Overzicht waarnemingen ............................................................................................. 19

3

4

1 Inleiding 1.1

Aanleiding en doel Aan de Hendric Dirckszstraat 27 te Edam is een schoolgebouw met speelplein gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing op de planlocatie te saneren, een aantal bomen te kappen en hier nieuwbouwwoningen te realiseren. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd van ‘maatschappelijk’ naar ‘wonen’. Gezien de beoogde ingreep mogelijk leidt tot de aantasting van beschermde natuurwaarden is een oriënterend onderzoek uitgevoerd naar de potentie van de planlocatie en mogelijke negatieve effecten ten gevolge van de beoogde ingreep (Fairhurst, 2019).

Figuur 1.1

De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Hendric Dirckszstraat 27 te Edam (bron kaartmateriaal: arcgis.com).

Op basis van het oriënterende onderzoek kon de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van zowel boom- als gebouwbewonende vleermuizen niet worden uitgesloten. Om vast te stellen of de bebouwing en bomen op de planlocatie daadwerkelijk een functie hebben voor vleermuizen was aanvullend onderzoek noodzakelijk. Buro SRO B.V. heeft Blom Ecologie B.V. verzocht dit aanvullend onderzoek uit te voeren. In voorliggende rapportage worden de bevindingen beschreven. Onderzoeksdoel In dit aanvullende onderzoek zijn de volgende onderzoeksvragen centraal gesteld: •

Zijn vleermuizen aanwezig in het plangebied?

•

Op welke wijze maken de vleermuizen gebruik van het plangebied? Zijn in het plangebied vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig?

•

Hebben de voorgenomen activiteiten een negatief effect op de voorkomende soorten en/of de functionaliteit van verblijfplaatsen en leefomgeving van vleermuizen?

5

1.2

Plangebied De planlocatie is gelegen aan de Hendric Dirckszstraat 27 te Edam (figuur 1.2). Het betreft een voormalig schoolgebouw met een gymzaal, fietsenstalling, speelplein en een achterliggend grasveld met een aantal solitaire bomen. Het gebouw is opgetrokken uit gemetselde muren en bestaat, met behoudens van de gymzaal, uit één bouwlaag. Het gebouw heeft een spouwmuur en een aantal open stootvoegen. Het dak betreft een platbitumen dak met een metalen daklijst, houten boeiboord en anti-klimbeveiliging. In het rapport: ‘Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan de Hendric Dirckszstraat 27 te Edam’ is het plangebied en de omgeving nader toegelicht (Fairhurst, 2019).

Figuur 1.2

1.3

Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

Werkzaamheden De beoogde ontwikkeling betreft het saneren van het schoolgebouw ten behoeve van de realisatie van nieuwbouwwoningen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • saneren van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • kappen van bomen en struiken: kapwerkzaamheden; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

6

1.4

Te verwachten soorten en functies Uit het oriënterend onderzoek (Fairhurst, 2019) is gebleken dat de bebouwing en de bomen op de planlocatie geschikt zijn als verblijfplaats van vleermuizen (tabel 1.1). De bebouwing op de planlocatie is geschikt als verblijfplaats van vleermuizen geschikt als zomer-, kraam- en paarverblijfplaatsen voor gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. De bomen hebben potentie voor soorten als rosse vleermuis, watervleermuis, gewone grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis. De bebouwing op de planlocatie is tevens mogelijke geschikt als massawinterverblijfplaats voor vleermuizen Tabel 1.1

De te verwachten beschermde gebouwbewonende soorten op de planlocatie op basis van de uitgevoerde quickscan (bron quickscan). 1 Betreft een inschatting op basis van de quickscan

(visuele inspectie en deskstudie) gerelateerd aan de beoogde ingreep (paragraaf 1.3). 2 Mogelijk dienen wel mitigerende maatregelen te worden getroffen om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen, dit is dan duidelijk beschreven in de quickscan. Soort Huismus Gierzwaluw Vleermuizen Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger Rosse vleermuis Watervleermuis Gewone grootoorvleermuis Gewone grootoorvleermuis (Massa)winterverblijfplaats gewone dwergvleermuis Essentiel foerageergebied Essentiele vliegroute Spreeuw (cat. 5) Huiszwaluw (cat. 5) Steenmarter

Figuur 1.3

Potentie Nee, geen toegankelijke dakruimte Nee, geen geschikte openingen Ja Ja, geschikte gebouwen Ja, geschikte gebouwen en bomen Ja, geschikte gebouwen Ja, geschikte bomen Ja, geschikte bomen Ja, geschikte gebouwen en bomen Nee, geen toegankelijke zolder Ja, hoge bebouwing met mogelijk thermische bufferende vermogen Nee Nee Nee, geen toegankelijke dakruimte Nee, geen overstek Nee, geen geschikte openingen

Overtreding Wet nb1 Nee2 Nee2 Mogelijk Mogelijk Mogelijk Mogelijk Mogelijk Mogelijk Mogelijk Nee2 Mogelijk

Mogelijk Nee2 Nee2

Open stootvoegen en openingen in het boeiboord leiden mogelijk naar een geschikte rust- en verblijfplaats voor vleermuizen.

7

Figuur 1.4

In een aantal (solitaire) bomen zijn tevens openingen aangetroffen, welke tot potentie voor boombewonende vleermuizen leidt.

1.5

Kader Wet natuurbescherming De soortenbescherming van Wet natuurbescherming valt op grond van internationale verdragen

en

nationaal

beschermde

soorten,

uiteen

in

drie

verschillende

beschermingsregimes. Deze beschermingsregimes betreffen de Vogelrichtlijn (art. 3.1), Habitatrichtlijn (art. 3.5) en de nationaal beschermde soorten (art. 3.10). Vleermuizen vallen onder de bescherming van de Habitatrichtlijn. Naar aanleiding van de beoogde ingreep (paragraaf 1.3) kan overtreding van de volgende verbodsbepalingen optreden: Wnb, art 3.5 lid 2 en 4 (Habitatrichtlijnsoorten) Lid 2: Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren Lid 4: Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid (alle vleermuissoorten) te beschadigen of te vernielen.

8

2 Methode 2.1

Theoretisch kader Ten behoeve van ecologische onderzoek naar een aantal beschermde soorten in Nederland zijn door experts richtlijnen opgesteld. Deze richtlijnen zijn in zekere mate juridische kaders gaan vormen bij de toetsing van onderzoeken op juistheid en volledigheid. Voor vleermuizen geldt het Vleermuisprotocol (NGB, 2017) als richtlijn. De richtlijnen worden met enige regelmaat door de opstellers geëvalueerd en indien noodzakelijk aangepast. De uitgangspunten zoals deze zijn geformuleerd in de richtlijnen vormen de basis voor het soortspecifieke onderzoek wat wordt uitgevoerd door Blom Ecologie B.V. In tabel 2.1 wordt voor de desbetreffende beschermde gebouwbewonende soorten beknopt weergeven wat de onderzoeksperioden en methode zijn. Tabel 2.1 Samenvatting van de uitgangspunten ten behoeve van vleermuisonderzoek zoals deze zijn geformuleerd in het Vleermuisprotocol (NGB, 2017). Vleermuizen Kraamverblijfplaats: Aantoonbaar door onderzoek in de periode (10 mei) 15 mei t/m 15 juli (20 juli) (2x veldbezoek). Indien meerdere soorten worden meegenomen kan het aantal veldbezoeken oplopen tot 3. Onderzoek is visueel en gericht op in- of uitvliegende individuen. Onderzoek wordt uitgevoerd m.b.v. een batdetector. Zomerverblijfplaats: Aantoonbaar door onderzoek in de periode (1 april) 15 mei t/m 15 augustus (1 december) (2x veldbezoek).

De periode is sterk afhankelijk van de soort, indien meerdere soorten worden meegenomen kan het aantal veldbezoeken oplopen tot 3. Onderzoek is visueel en gericht op in- of uitvliegende individuen. Onderzoek wordt uitgevoerd m.b.v. een batdetector. Paarverblijfplaats: Aantoonbaar door onderzoek in de periode (15 juli) 15 augustus t/m 1 oktober (1 november) (2x veldbezoek). De periode is sterk afhankelijk van de soort, indien meerdere soorten worden meegenomen kan het aantal veldbezoeken oplopen tot 3. Onderzoek is visueel en gericht op in- of uitvliegende individuen, territoriaal gedrag en sociale geluiden. Onderzoek wordt uitgevoerd m.b.v. een batdetector. Winterverblijfplaats: Onvolledig inspecteerbare winterverblijfplaatsen kunnen voor de gewone dwergvleermuis onderzocht worden door zwermbezoeken in de periode 1 augustus t/m 10 september (2x veldbezoek). Onderzoek wordt uitgevoerd met een batdetector eventueel in combinatie met een warmtebeeldcamera. Voor overige soorten met inspecteerbare verblijfplaatsen 1 locatie bezoek in de periode 1 december t/m 1 maart. Essentieel foerageergebied1: Aantoonbaar door onderzoek in de periode (1 april) 15 april t/m 1 oktober (1 november) (2x veldbezoek). De periode is sterk afhankelijk van de soort, indien meerdere soorten worden meegenomen kan het aantal veldbezoeken oplopen tot 3.

Onderzoek is visueel en gericht op foeragerende individuen. Onderzoek wordt uitgevoerd m.b.v. een batdetector.

Vervolg op volgende pagina.

9

Essentiële vliegroute1: Aantoonbaar door onderzoek in de periode (1 april) 15 april t/m 1 oktober (1 november) (2x veldbezoek). De periode is sterk afhankelijk van de soort, indien meerdere soorten worden meegenomen kan het aantal veldbezoeken oplopen tot 3. Onderzoek is visueel en gericht op migrerende individuen. Onderzoek wordt uitgevoerd m.b.v. een batdetector eventueel in combinatie met een zaklamp of warmtebeeld. (Kennisdocument gewone dwergvleermuis, BIJ12 & Vleermuisprotocol, maart 2017) Onder een essentieel foerageergebied wordt verstaan een foerageergebied dat van wezenlijk belang is voor het functioneren van de voortplantingsplaats of rustplaats wanneer er geen alternatieve foerageergebieden zijn om eventuele aantasting daarvan op te vangen. Onder een essentiële vliegroute wordt verstaan een vliegroute die van wezenlijk belang is als er geen goede alternatieve vliegroute is om vanuit de voortplantingsplaats of rustplaats een essentieel foerageergebied te bereiken of omvliegen vanuit de voortplantingsplaats of rustplaats naar een essentieel foerageergebied via een alternatieve route teveel energie kost (o.a. uitspraak RvS 201708426/1/R2, 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2169). 1

2.2

Praktische uitvoering De praktische uitvoering valt uiteen in standaardprocedure tijdens elk veldbezoek, de reactieve onderzoekswijze die gehanteerd wordt en, indien van toepassing, de aanvullende onderzoeksmethodes. Procedure Op basis van de te verwachten soorten en de relatieve potentie voor deze soorten binnen het plangebied wordt het aanvullende onderzoek ingericht. Voorafgaand aan de daadwerkelijke uitvoering wordt bekeken vanaf welke posities de planlocatie (gevels/daken/dakranden met potentie) het meest efficiënt (strategisch) kan worden onderzocht. De strategische punten, looproute en zichtlijnen zijn

afhankelijk van de aanwezigheid van

obstructies,

struiken/bomen, verlichting en diverse typen van bebouwing. Tevens zijn deze afhankelijk van de te onderzoeken soortgroep. In figuur 2.1 worden de strategische punten en de meest gebruikte looproutes weergeven.

10

Figuur 2.1

De potentie voor boom- en gebouwbewonende vleermuizen (Fairhurst, 2019).

Figuur 2.2

Overzicht van de strategische punten op de planlocatie. Met name tijdens de 2 rondes t.a.v. kraamverblijfplaats (avond) zijn 2 medewerkers ingezet.

11

De procedure tijdens ieder veldbezoek is als volgt: 1. Bepalen strategische punten voorafgaand aan start onderzoek. 2. Overleg met collega(‘s) over bezetting strategische punten en looproutes. Als het een vervolgronde betreft worden de resultaten van de eerdere rondes hierin meegenomen; 3. Controle gevels op aanwezigheid van uitwerpselen onder en/of tegen de gevels. Eventueel navraag bij bewoners op (recente) activiteit van vleermuizen1; 4. Start/uitvoering onderzoek/bezetting strategische punten en uitvoering conform reactieve onderzoekswijze; 5. Afronding onderzoek, bespreken met collega(’s) van tussentijds resultaat, eventuele onduidelijkheden over verblijfplaatsen en waarnemingen worden in dit stadia goed ondervangen. Op basis van uitwerpselen kan vaak een goede eerste indruk worden verkregen waar grotere

1

verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn.

Reactieve onderzoekswijze Binnen de kaders van het Vleermuisprotocol (tabel 2.1) is de onderzoekswijze vormvrij. Afhankelijk van omstandigheden zoals de relatieve potentie, ervaring, moment van onderzoek

het

aantal

onderzoekers,

en

dergelijke,

worden

door

de

diverse

onderzoeksbureaus op verschillende wijze onderzoek uitgevoerd. Aangezien de te onderzoeken soorten veelal voorkeur hebben voor bepaalde type verblijfsplaatsen en leefgebied wordt door Blom Ecologie B.V. reactief onderzoek uitgevoerd. Dit type onderzoek houdt vast aan strategische punten en looproutes waarbij het geobserveerde gedrag van de te onderzoeken soort en de lokale omstandigheden leidend zijn voor de keuze van de strategische punten of looproute en de verblijfsduur per punt. De strategische punten worden bepaald op locatie voorafgaand aan de start van een onderzoek door een visuele beoordeling op de actuele potentie voor de soort in kwestie. Deze punten kenmerken zich door goed overzicht binnen het plangebied en zicht op zoveel mogelijk potentiële in- of uitvliegopeningen. Het aanvullend vleermuisonderzoek wordt uitgevoerd door een combinatie van strategische punten en looproutes. Tijdens het eerste veldbezoek (zowel in het voorjaar als najaar) worden strategische punten ingenomen. Op het moment dat er sprake is van uitvliegende vleermuizen beweegt de onderzoeker zich in tegenovergestelde richting (dus de vleermuis tegemoet) naar het volgende strategische punt om zo een eventueel tweede of daaropvolgende uitvliegend individu, en uiteindelijk zo mogelijk de kolonieverblijfplaats, te lokaliseren. Hierbij blijft de nadruk op de bebouwing die binnen het plangebied valt.

Tijdens de vervolgonderzoeken wordt per seizoen de strategische punten ingenomen waar op dat moment de hoogste trefkans is. Afhankelijk van het doel van het aanvullend onderzoek (e.g. kraamverblijfplaatsen, functioneel leefgebied e.d.) wordt de nadruk gelegd op strategische punten (zomerverblijfplaatsen, vliegroutes) of strategische looproutes (paarverblijfplaatsen, winterzwermverblijfplaatsen). Voor alle onderzoeken geldt dat tijdens de rondes de keuze van strategische punten en/of looproutes beïnvloed worden door veranderende omstandigheden. Dit kan zijn een plotselinge verandering van windrichting, sterke toename of afname van windkracht, defecte straatverlichting en dergelijke.

12

Het aantal factoren die bepalen waarom een onderzoeker juist de ene richting meer op kijkt dan de andere of er juist voor kiest af te wijken van een gebruikelijke route (door bijv. buurtbewoners die de onderzoeker aan de praat houden, bewoners die honden uitlaten of dergelijke) zijn niet of nauwelijks definieerbaar. De wijze van onderzoek verschilt, met in achtneming van de randvoorwaarden van het Vleermuisprotocol, dus per datum, per loopronde en per moment. Er is derhalve geen sprake van vaste transecten maar veel eerder van diverse looproutes naar strategische punten waarbij de frequentie van stilstaan en beweging afhankelijk zijn van de omstandigheden op dat moment. Aanvullende onderzoeksmethodes Tijdens het onderzoek wordt gebruik gemaakt van een aanvullende onderzoeksmethodes. Deze aanvullende onderzoeksmethodes zijn niet opgenomen in de richtlijnen voor het aanvullend onderzoek maar ze leveren waardevolle informatie die gebruikt wordt voor het interpreteren van de onderzoeksresultaten van de reguliere inventarisatiemethode. De warmtebeeldcamera (type Pulsar Helion XP28) wordt specifiek ingezet tijdens het vleermuisonderzoek. Het inzetten van de warmtebeeldcamera is met name waardevol voor de lokalisatie van grootschalige verblijfplaatsen zoals kraamverblijfplaatsen en massa winterverblijfplaatsen.

De warmtebeeldcamera wordt vooral gebruikt ter ondersteuning van de waarnemingen die eerder met de batdetector zijn gedaan en is gericht op het lokaliseren van de verblijfplaats (op grotere) hoogte. Daarnaast kan een warmtebeeld camera gebruikt worden voor het lokaliseren van vleermuizen die boven de boomtopen vliegen. Door het gebruik van de warmtebeeldcamera kan een gevel nauwkeurig onderzocht worden en gedrag van de vleermuizen gevolgd worden zonder dat er sprake is van verstoring door licht zoals het geval is als er gebruik gemaakt wordt van zaklampen.

2.3

Inventarisaties Veldbezoeken De planlocatie is 5x bezocht door medewerkers van Blom Ecologie B.V. (tabel 2.2). Tijdens deze bezoeken zijn de planlocatie en de directe omgeving onderzocht op de aanwezigheid van vleermuizen. Tijdens het onderzoek is met name gelet op foeragerende/communicerende vleermuizen. Tevens is gelet op de veelgebruikte structuren door vleermuizen voor het bepalen van het functioneel leefgebied. Tabel 2.2

Veldbezoeken op de planlocatie, met per veldbezoek welke functies onderzocht worden en het aantal waarnemers dat is ingezet. De weersomstandigheden voldeden aan de minimumcriteria zoals opgenomen in het Vleermuisprotocol (2017).

Veldbezoek

Functie

Aantal pers.

Datum

Zon ▼ ▲

Tijd

Weersomstandigheden

Vleermuizen 1 Vleermuizen 2 Vleermuizen 3 Vleermuizen 4 Vleermuizen 5

Kraam + zomer Kraam + zomer Kraam + zomer Paar Paar

1 2 2 1 1

04-06-2020 22-06-2020 08-07-2020 05-08-2020 02-09-2020

21.56 05.20 22.00 21.24 20.25

21.45-00.00 02:15-05:30 22.00-00.00 22.15-02.00 21.30-02.00

6/8, droog, 1-2 Bft, 10˚C 0/8, droog, 0-1 Bft, 14˚C 8/8, droog, 0-1 Bft, 15˚C 1/8, droog, 0-1 Bft, 20˚C 1/8, droog, 0-1 Bft, 15˚C

13

Gebruikte materialen Het vleermuisonderzoek is uitgevoerd met behulp van een verrekijker en batdetector, type Petterson 240x. Dit type batdetector is heterodyne en heeft een time expansion functie. De time expansion functie maakt het mogelijk de geluidopnames te vertragen waardoor nauwkeurige analyse van de hoogfrequent geluiden uitgevoerd kunnen worden. Geluidswaarnemingen zijn eventueel opgenomen met een opnameapparaat van het merk Roland, type R-07. Indien inventarisatie in het veld niet mogelijk was zijn geluiden geanalyseerd met behulp van de software BATSOUND.

2.4

Specifieke omstandigheden De optimale onderzoeksperiode voor paarverblijfplaatsen gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis loopt van 15 augustus – 1 oktober. De suboptimale perioden loopt van 15 juli tot 1 november. De onderzoeksronde op 5 augustus 2020 valt buiten de optimale, maar nog binnen de suboptimale periode. In onderstaande figuur 2.3 is aangegeven dat beide soorten al vanaf medio juni (afhankelijk van de weersomstandigheden) baltsgedrag kunnen vertonen. Op 5 augustus 2020 was het 20˚C, droog en weinig wind. Het is hierdoor zeer aannemelijk dat eventuele paarterritoria aanwezig binnen het plangebied, waargenomen zouden zijn.

Figuur 2.3

Aanbevolen inventarisatieperiodes en inventarisatiesrondes voor de verschillende methoden van vleermuizen. (bron Brochure Met vleermuizen overweg).

14

3 Resultaten 3.1

Vleermuizen Waarnemingen, soorten en aantallen Tijdens de onderzoeksrondes zijn in totaal een drietal soorten waargenomen binnen of in de directe nabijheid van het plangebied (tabel 3.1). Waargenomen soorten betreffen de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), laatvlieger (Eptesicus serotinus) en watervleermuis (Myotis daubentonii). De meest waargenomen soort betrof de gewone dwergvleermuis. Tijdens de voorjaarsrondes werden laatvliegers voornamelijk foeragerend waargenomen. Tijdens de najaarsrondes betrof dit met name overvliegende individuen. Tabel 3.1

Waarnemingen en aantallen van vleermuizen gedurende de veldbezoeken.

Veldbezoek

Soort

Aantal

Gedrag

Vleermuis 1 04-06-2020

Gewone dwergvleermuis Gewone dwergvleermuis

5 1

Foeragerend Overvliegend

Vleermuis 2 22-07-2020

Gewone dwergvleermuis Gewone dwergvleermuis Laatvlieger

2 1 3

Foeragerend Overvliegend Foeragerend

Vleermuis 3 08-07-2020

Gewone dwergvleermuis Laatvlieger

3 4

Foeragerend Overvliegend

Vleermuis 4 05-08-2020

Gewone dwergvleermuis Gewone dwergvleermuis Watervleermuis

2 5 1

Foeragerend Overvliegend Overvliegend

Vleermuis 5 02-09-2020

Gewone dwergvleermuis Laatvlieger

3 2

Overvliegend Overvliegend

Verblijfplaatsen Gedurende het onderzoek zijn geen verblijfplaatsen van soorten vleermuizen vastgesteld. Tevens waren er geen indicaties voor een massawinterverblijfplaats (zwermgedrag). Vliegroutes en foerageergebieden Gedurende het vleermuisonderzoek is aannemelijk essentieel foerageergebied en een essentiële vliegroute vastgesteld. De watergang aan de westzijde in combinatie met de bomenlaan (buiten de planlocatie) wees uit dat er gedurende de veldbezoeken een groot aantal vleermuizen deze gang passeerden. Tevens zijn er tijdens alle veldbezoeken foeragerende vleermuizen waargenomen boven deze watergang. Tijdens sommige veldbezoeken zijn deze vleermuizen zelfs 2 uur lang foeragerend gezien. In figuur 3.1 wordt deze vliegroute en foerageergebied weergegeven.

15

Figuur 3.1 Essentieel foerageergebied en (essentiële) vliegroutes (verantwoording: het kaartmateriaal is vervaardigd in QGIS).

3.2

Overige soorten Naast de te onderzoeken soorten waarvoor het voorliggend onderzoek is uitgevoerd zijn tijdens de veldbezoeken overige soorten waargenomen. De volgende vogelsoorten zijn gedurende de veldbezoeken waargenomen: grutto, bosuil (in verte), merel, grauwe gans, nijlgans, scholekster, zwarte kraai, fazant, wilde eend, meerkoet, blauwe reiger, koolmees, Turkse tortel, houtduif. Deze waarnemingen bestaan met name uit overvliegende, rustende of foeragerende vogels. De bosuil (cat. 5 vogelsoort) is in de verte overvliegend waargenomen. Van deze soort zijn geen nesten of territorium vastgesteld.

16

4 Conclusie 4.1

Vleermuizen In de periode juni – september 2020 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen binnen het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het Vleermuisprotocol (NGB, 2017). Tijdens het onderzoek zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld. De beoogde ingreep leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art 3.5, lid 4 (wegnemen vaste rust- en/of verblijfplaatsen). Er is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming benodigd voor de beoogde ontwikkeling.

4.2

Overige soorten Het onderzoek beperkte zich in beginsel tot het vaststellen van de aan- dan wel afwezigheid van vleermuizen. Tijdens het onderzoek is tevens gelet op nesten en/of verblijflocaties van andere soorten op de planlocatie. Dergelijke nesten zijn niet aangetroffen. De bebouwing en struiken bieden echter wel potentie voor broedgevallen van algemene broedvogels. Zoals beschreven staat in de Vogelrichtlijn zijn alle vogels in Nederland beschermd tijdens het broedseizoen (indicatief betreft dit de periode 15 maart t/m 15 juli). Om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen werkzaamheden die mogelijk leiden tot verstoring of aantasting van nesten buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden.

4.3

Vervolgstap(pen) Mits de Algemene zorgplicht en de maatregelen die zijn beschreven in de quickscan rapportage (Fairhurst, 2020) in acht worden genomen zijn er geen vervolgstappen noodzakelijk. In de toekomstige situatie mag geen lichtuitstraling plaatsvinden richting de westzijde van de planlocatie. Dit betreft aannemelijk een essentiële vliegroute voor vleermuizen.

17

5 Bronnen BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone grootoorvleermuis Plecotus auritus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rosse vleermuis Nyctalus noctula, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Watervleermuis Myotis daubentonii, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Fairhurst, G., 2020. Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan de Hendric Dirckszstraat 27 te Edam. Blom Ecologie B.V., Waardenburg. NGB, Zoogdiervereniging en GaN, 2017. Vleermuisprotocol, versie maart 2017 Rijkswaterstaat Dienst Weg- en Waterbouwkunde. Met vleermuizen overweg. Delft.

Gebruikte websites www.arcgis.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.sovon.nl www.vleermuisprotocol.nl www.zoogdiervereniging.nl

18

Bijlage 1 Overzicht waarnemingen

Figuur 1

Essentieel foerageergebied en (essentiële) vliegroutes (verantwoording: het kaartmateriaal is vervaardigd in QGIS).

19

20

WW.BLOMECOLOGIE.NL

21

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EdamVolendam&id=fe094115-4389-46c7-859a-4e4ff505a9fc