CConstaterende datEdam-Volendam
Koppel je AI →
Document · PDF

BpDeBotterSchool- Toelichting.pdf

Raadsplein Bespreekronde Ib 25 november 2021, gemeente Edam-VolendamBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen bestemmingsplan Botterschool.13.233 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omcirkeld (bron: risicokaart.nl)

25

Transport gevaarlijke stoffen Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat in de nabijheid van het plangebied geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. Het plangebied valt dan ook niet binnen het invloedsgebied van een transportroute voor gevaarlijke stoffen. Inrichtingen Op basis van de risicokaart kan worden geconcludeerd dat er geen risicovolle bedrijven of activiteiten (stationaire inrichtingen) in of nabij het plangebied aanwezig zijn. Met andere woorden, het plangebied ligt niet in een invloedsgebied van een risicovolle inrichting. Ook worden door het plan geen risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt. Buisleidingen Binnen het plangebied bevinden zich geen (hogedruk) buisleidingen. Op een afstand van ca. 470 m ten zuiden van de planlocatie ligt een aardgasleiding van Gasunie. De aardgasleiding beschikt niet over een PR 10-6 risicocontour. Met een afstand van ca. 470 m van het plangebied tot de aardgasleiding kan dan ook gesteld worden dat er geen belemmeringen zijn vanwege buisleidingen. Hoogspanningslijnen Het plangebied ligt niet binnen de indicatieve veiligheidszone van een hoogspanningslijn, waarbinnen beperkingen gelden voor nieuwe stralingsgevoelige objecten. Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.2.6 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming zijn de tabellen 1, 2 en 3 vervallen waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek De sloop van de school en de ontwikkeling van 26 woningen heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna, beschermde natuurgebieden en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is door Blom Ecologie B.V. een ecologische QuickScan uitgevoerd (20 februari 2020, Blom Ecologie B.V., zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). Met de QuickScan zijn de volgende conclusies naar voren gekomen. Soortenbescherming De planlocatie heeft mogelijk essentiële betekenis voor beschermde soorten. Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar zowel gebouw- als boombewonende vleermuizen. De potentie voor (massa)winterverblijfplaatsen dienen hierbij meegenomen te worden. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming.

26

Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden mogelijk sprake. Derhalve dient een AERIUSberekening uitgevoerd te worden. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Als gevolg van het plan worden binnen het plangebied wel enkele bomen gekapt. Voor vleermuizen zijn bomen van belang ter navigatie. Om de negatieve effecten te voorkomen worden in en rondom het plangebied 19 nieuwe bomen aangeplant en gewerkt met amberkleurige verlichting. Deze maatregelen zijn afgestemd met het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag heeft aangegeven dat significante negatieve effecten uit te sluiten zijn. Aanvullend vleermuisonderzoek Op basis van de ecologische quickscan kon de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen voor vleermuizen niet worden uitgesloten. Derhalve is een aanvullend vleermuisonderzoek uitgevoerd (6 oktober 2020, Blom Ecologie B.V., zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). Tijdens het onderzoek zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld.

De beoogde ingreep leidt dan ook niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art 3.5, lid 4. Er is geen ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig. Met het aanvullende onderzoek is tevens gelet op het voorkomen van nesten en/of verblijflocaties van andere soorten. Er zijn geen nesten gevonden. De bebouwing en struiken bieden echter wel potentie voor broedgevallen van algemene broedvoegels. Zoals beschreven staat in de Vogelrichtlijn zijn alle vogels in Nederland beschermd tijdens het broedseizoen (indicatief betreft dit de periode 15 maart t/m 15 juli). Om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen werkzaamheden die mogelijk leiden tot verstoring of aantasting van nesten buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden. Stikstofdepositie In de Wet natuurbescherming is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een vergunning vereist is. Verzuring en vermesting is één van die mogelijk negatieve effecten. Voor ieder habitattype binnen een Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie.

Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State uitspraak gedaan omtrent de PAS. De PAS mag niet meer gebruikt worden als basis voor toestemming voor ‘activiteiten’. Hiermee is de PAS buiten werking gesteld. In de nieuwe AERIUS Calculator van oktober 2020 zijn de bezwaren van de Afdeling bestuursrechtspraak zoals verwoord in de uitspraak van 29 mei 2019 weggenomen. Het initiatief gaat in de bouw- en de gebruiksfase gepaard met enige uitstoot van stikstof. Om die reden zijn Aerius-berekeningen uitgevoerd, gebruik makend van de nieuwe AERIUS Calculator (Buro SRO, d.d. 30 maart 2021, bijlagen bij toelichting bijlage 4). Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden. Voor de Natura 2000-gebieden geldt dat er in de bouw- en gebruiksfase geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Daarmee is er geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Met het oog op de Wet natuurbescherming is het plan uitvoerbaar. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect ecologie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

27

4.3 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. 4.3.1 Generiek beleid Op Rijksniveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet wordt elke zes jaar een Nationaal Waterplan vastgesteld. Het Nationaal Waterplan is het rijksplan voor het waterbeleid in Nederland. Op 22 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050.

Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.

28

4.3.2 Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Waterprogramma 2016-2021 Op 16 december 2015 is het Waterprogramma 2016-2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. In het Waterprogramma 2016 – 2021 wordt antwoord gegeven op de vragen:

•

Hoe wordt in de toekomst gezorgd voor veilige dijken, droge voeten en voldoende schoon en gezond water in Hollands Noorderkwartier?

• •

Welke benadering wordt daarvoor gekozen? Welke kosten en inzet gaan daarmee gepaard?

Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) presenteert in het Waterprogramma het beleid, de maatregelen, de programma's en de projecten die ze in de periode 2016 – 2021 gaan uitvoeren. Het Hoogheemraadschap bouwt voort op de regionale Deltavisie en verankert de landelijke Deltabeslissingen. Met het Waterprogramma wordt richting gegeven aan het waterbeheer tussen 2016 en 2021. Dat is nodig, want de klimaatverandering en de veranderende maatschappij dwingen tot aanscherping en heroverweging van onze keuzes. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Veranderende patronen in communicatie en participatie in de maatschappij vragen grotere betrokkenheid en intensievere dialoog met de partners en belanghebbenden. Bovendien zijn er steeds meer partijen betrokken bij het waterbeheer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Keur Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier In 2016 is de Keur Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier' vastgesteld door Het hoogheemraadschap. De regels in de keur zijn onder te verdelen in twee categorieën: gebodsbepalingen en verbodsbepalingen. Met de geboden worden derden verplicht het aan hen toegewezen onderhoud aan waterstaatswerken uit te voeren.

De verboden zijn er om te voorkomen dat wijzigingen worden aangebracht in waterstaatswerken, waardoor ze niet (goed) meer functioneren. Zo is het bijvoorbeeld verboden om zonder toestemming van het Hoogheemraadschap een steiger in het water aan te leggen of een sloot te dempen. De regels uit de keur zijn vastgelegd in het keurdocument. De legger uit dit keurdocument bepaalt waar de geboden en verboden uit de keur van toepassing zijn. 4.3.3 Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In dit kader is op 2 mei 2017 de digitale watertoets ingevuld. Hieruit is gebleken dat de normale procedure gevolgd kan worden. Dit betekent dat het Hoogheemraadschap in overleg met de gemeente zal bekijken hoe in het plan rekening kan worden gehouden de waterhuishoudkundige belangen. De maatregelen die mogelijk genomen moeten worden zijn verwerkt in voorliggende waterparagraaf. Deze waterparagraaf zal ten tijde van de ter inzage legging van voorliggend bestemmingsplan aan het hoogheemraadschap voorgelegd worden.

Planspecifiek Watercompensatie Een ruimtelijke ontwikkeling moet voldoen aan de belangrijkste minimale voorwaarde: het 'standstill beginsel'. Dit beginsel houdt in dat, als gevolg van een ontwikkeling, geen verslechtering van de waterhuishouding mag ontstaan. Op grond van de Algemene regels bij de Keur geldt dat het aanbrengen van nieuw verhard oppervlak zonder vergunning is toegestaan indien de verhardingstoename minder dan 800 m² bedraagt, de aanleg van nieuw verhard oppervlak minder dan 10 % van het oppervlak van het

29

desbetreffende peilvak beslaat en het desbetreffende watersysteem de toename van de piekafvoer kan verwerken. Om te bepalen met hoeveel vierkante meter het verhard oppervlak toeneemt is er een vergelijking gemaakt tussen de bestaande situatie en toekomstige situatie. Door Markus b.v. is een verhardingsbalans opgesteld. Deze is hieronder opgenomen. Uit de balans blijkt dat de toename beperkt is tot (circa) 15 m2.

Waterkeringen Uit het raadplegen van de legger van het hoogheemraadschap Holland Noorderkwartier blijkt dat er binnen het plangebied geen primaire- en/of regionale waterkeringen aanwezig zijn. Riolering De nieuwe woningen worden aangesloten op het bestaande gemeentelijke rioolsysteem. Het hemelwater wordt afgekoppeld en geïnfiltreerd in de bodem of afgevoerd naar de naastgelegen sloten. Hierbij worden geen uitlogende materialen gebruikt. Geconcludeerd wordt dat vanuit het wateraspect geen belemmeringen voortvloeien en het plan op dit onderdeel uitvoerbaar is gebleken.

4.4 Archeologie en cultuurhistorie 4.4.1 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Uit het raadplegen van de archeologische beleidskaart van de gemeente Edam-Volendam blijkt dat het plangebied deel uitmaakt van gronden met de aanduiding 'archeologisch waardevol gebied van de vierde categorie'. Hierbij geldt dat bij plannen met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 40 cm een archeologische onderzoek vereist is.

Met het beoogde plan wordt de oppervlakte van 2.500 m² in combinatie met het reeds verstoorde oppervlak als gevolg van de aanwezigheid van de school niet overschreden. Nader archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. In de planregels is een regeling opgenomen voor het beschermen van de archeologische waarden.

30

4.4.2 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek In en rond het plangebied bevinden zich geen rijks- of gemeentelijke monumenten. Ook andere cultuurhistorisch waardevolle elementen ontbreken. Het voorgenomen plan aan de Hendric Dirckszstraat heeft dan ook geen negatief effect op de cultuurhistorische waarden van het gebied.

4.5 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.5.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 van 10 december 2018 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Het voorliggende bestemmingsplan maakt 26 woningen mogelijk.

Om te bepalen of de verkeersgeneratie die veroorzaakt wordt door de ontwikkeling op een verkeersveilige wijze afgewikkeld kan worden via de Hendric Dirckszstraat is een verkeersonderzoek uitgevoerd (3 maart 2021, Goudappel, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6). In het verkeersonderzoek is aan de hand van de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' de verkeersgeneratie bepaald. Daarbij is voor de stedelijkheidsgraad uitgegaan van 'matig stedelijk' en 'rest bebouwde kom'. Uit statistieken van CBS blijkt dat het personenautobezit in Edam-Volendam 0,99 per woning is. In vergelijking met andere gemeenten met stedelijkheidsgraad ‘matig stedelijk’ is dit 16,8% lager (gemiddeld: 1,19 personenauto per woning). Dit zou het gebruik van minimale verkeersgeneratiekencijfer rechtvaardigen. Desondanks is, bij wijze van ‘worst case’, gerekend met het maximum verkeersgeneratiekencijfer. Voor een tussen- en hoekwoning in Edam is de verkeersgeneratie:

• •

7,5 motorvoertuigbewegingen per woning per weekdagetmaal (weekdag = gemiddelde van 7 dagen); 8,325 motorvoertuigbewegingen per woning per werkdagetmaal.

In de huidige situatie zijn er 26 tussen- en hoekwoningen aan de Hendric Dirckszstraat aanwezig. De verkeersdruk is daarmee: 26 x 8,325 = 217 motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal.

31

De navolgende afbeelding toont de locaties van de bestaande en toekomstige woningen.

Locaties bestaande en toekomstige situatie (bron: Goudappel)

Ook voor de nieuwe 26 tussen- en hoekwoningen geldt een verkeersgeneratie van 217 motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal. Om te bepalen of er in de toekomstige situatie sprake is van een verkeersveilige verkeersdruk op de Hendric Dirckszstraat is er een Wegenscan-toets uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat er sprake is van een acceptabele verkeerssituatie. Verkeersgeneratie bestaande situatie De functie zoals deze aanwezig was is al een tijdje beëindigd. Daarmee kunnen er geen verkeerstellingen meer plaatsvinden. De gemeente Edam-Volendam beschikt ook niet over tellingen. In het ASVV, uitgave van het CROW, zijn geen kengetallen opgenomen voor (speciaal)onderwijs. Om toch te kunnen bepalen wat een gangbare verkeersgeneratie is, is op basis van het aantal leslokalen bepaald middels een vergelijk met een vergelijkbare school bepaald wat de verkeersgeneratie ongeveer zal zijn. Omdat op de Botterschool geen regulier onderwijs werd gegeven is een vergelijk gemaakt met een school die een vergelijkbare vorm van speciaal onderwijs geeft. Uit de bouwtekening is te herleiden dat de Botterschool beschikte over 7 lokalen. Een vergelijking is gemaakt met de Rafaelschool in Utrecht. Deze school beschikt over 21 lokalen voor speciaal onderwijs.

Door de verkeersbewegingen lineair, op basis van het aantal lokalen, te berekenen is inzicht te verkrijgen over welke verkeersgeneratie er ongeveer was bij de Botterschool. De gemiddelde verkeersgeneratie per etmaal bij de Rafaelschool in Utrecht is circa 100 bewegingen. Hiervan uitgaande bedroeg de verkeergeneratie voor de Botterschool (100/21*7) circa 34 verkeersbewegingen per etmaal. Een beperkte bijstelling naar boven toe is te rechtvaardigen gezien de verminderde bereikbaarheid van de Botterschool in vergelijking tot de school in Utrecht. Per saldo is, in vergelijking tot de oude situatie, er sprake van een toename van 183 motorvoertuigen per etmaal. Deze toename is verkeerstechnisch goed inpasbaar. Geconcludeerd kan worden dat het aspect verkeer geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling. 4.5.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste

32

parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 van 10 december 2018 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. Planspecifiek Voor het bepalen het aantal parkeerplaatsen wordt de 'CROW-publicatie 381, Toekomstbestendig parkeren' gebruikt. Hierbij wordt voor de stedelijkheidsgraad uitgegaan van 'matig stedelijk' en 'rest bebouwde kom'. Voor de categorie 'huur, huis, vrije sector' is de minimale parkeernorm 1,6 parkeerplaatsen per woning. Voor de 26 woningen zijn naar boven afgerond minimaal (26x1,6=41,6) 42 parkeerplaatsen nodig. Met de ontwikkeling worden er in totaal 46 parkeerplaatsen mogelijk gemaakt. Van de 46 parkeerplaatsen worden er 23 op het eigen terrein bij de woningen gerealiseerd.

De overige 23 parkeerplaatsen bevinden zich binnen het plangebied in de openbare ruimte. Geconcludeerd kan worden dat het aspect parkeren geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

33

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

5.3 Planregels Voor het opstellen van de planregels is uitgegaan van de gemeentelijke standaard. Op deze wijze beschikt de gemeente over zoveel als mogelijk uniforme plannen. De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:

• • • • •

Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);

34

• •

Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

5.4 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen: Groen De bestemming 'Groen' is opgenomen voor de groenvoorzieningen binnen het plangebied. Daarnaast zijn onder andere kunstwerken, bermen en beplanting, voet- en fietspaden, speelvoorzieningen, water en verharding toegestaan binnen deze bestemming. Ter plaatse van de bestemming 'Groen' mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van deze bestemming worden gebouwd. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m. Tuin De gronden aangewezen met 'Tuin' zijn bestemd voor tuinen met daarbij behorende erkers aan de vooren zijkant van woongebouwen. Daarnaast zijn ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' bijgebouwen toegestaan. Voor deze bestemming geldt dat er uitsluiten ten behoeve van de bestemming bouwwerken gebouwd mogen worden. Voor erkers geldt een maximale diepte van 1 m. De bouwhoogte van de bijgebouwen bedraagt maximaal 3,5 m en zijn voorzien van een plat dak. Verkeer De wegen binnen het plangebied zijn voorzien van de bestemming 'Verkeer'. Daarnaast zijn binnen deze bestemming onder andere nutsvoorzieningen, groen, voet- en fietspaden, parkeerplaatsen, bermen en straatmeubilair toegestaan. Voor de bebouwing geldt dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer dan 8 m mag bedragen.

Wonen Voor de woonfunctie is de bestemming 'Wonen' opgenomen. Binnen deze bestemming zijn woningen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. Voor de woningen geldt dat deze uitsluiten worden gebouwd binnen de bouwvlakken. Op de verbeelding staat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' het aantal woningen per bouwvlak weergegeven. Daarnaast staat op de verbeelding de maximale goot- en bouwhoogte aangegeven. De bijgebouwen worden op een afstand van ten minste 3 m achter de voorgevel van de woning gebouwd, met een maximale bouwhoogte van 3 m. Voor aangebouwde bijgebouwen is onder voorwaarden een dakopbouw toegestaan. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, hebben een maximale bouwhoogte van 2 m. Waarde - Archeologie 3 Op de beleidskaart voor archeologie is het gebied aangewezen als een zogenaamd 4 gebied. Ter bescherming van de archeologische waarden is een regeling op genomen waarmee, indien meer dan 2.500 m2 verstoord wordt op een diepte van meer dan 0,4 meter nader archeologisch onderzoek noodzakelijk is.

35

6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid Wro of naar aanleiding van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 3°van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

•

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;

•

het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;

•

het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek Dit bestemmingsplan heeft gelet op artikel 6.2.1 Bro betrekking op een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan. Er worden immers maximaal 26 woningen gebouwd. De gemeente heeft ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling een anterieure overeenkomst afgesloten met de initiatiefnemer. In deze overeenkomst wordt de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de planschade, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. De overige kosten worden door middel van leges op de initiatiefnemer verhaald. Het bestemmingsplan is hierdoor economisch uitvoerbaar.

36

7 Maatschappelijk uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Participatie In het kader van participatie is op 7 juli 2020 een eerste versie van het plan gepresenteerd aan de buurt. Op 16 maart 2021 is een tweede, digitale, bijeenkomst geweest. Van deze tweede bijeenkomst is een uitgebreid verslag gemaakt. Dit verslag is als bijlage aan het plan toegevoegd, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6.

7.2 Vooroverleg Te zijner tijd zullen eventueel ingediende vooroverlegreacties hier van een gemeentelijke reactie worden voorzien.

7.3 Zienswijzen Met ingang van 22 juli 2021 tot 2 september 2021 heeft het ontwerp bestemmingsplan ‘De Botterschoollocatie’ ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn 6 zienswijzen ingediend. Deze zienswijzen zijn samengevat en voorzien van een inhoudelijke beantwoording in de Nota van beantwoording zienswijzen. Deze nota is als bijlage aan dit bestemmingsplan toegevoegd. Als gevolg van de ingediende zienswijzen zijn de volgende aanpassingen gedaan aan het bestemmingsplan.

•

Bij bouwnummer 10 (noordzijde van het plan) is de bestemming 'Wonen' vergroot. Daarmee is eindigt het achterpad bij bouwnummer 10 en is het achterpad, in lijn met de vereisten vanuit het politiekeurmerk , doorlopend;

•

De regeling in de bestemming Tuin is aangepast. Met de aanpassing wordt juridisch geborgd dat binnen de bestemming Tuin ook voorzien wordt in het benodigd aantal parkeerplaatsen.

37

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EdamVolendam&id=35dc4221-563e-4e1e-8b12-7d83ff013664