BP Bungalows Krommert 18 Oosthuizen incl. bijlagen.pdf
Tekst van het document
Ontwerpbestemmingsplan Herontwikkeling De Watering aan De Krommert te Oosthuizen
Planstatus:
ontwerp
Identificatiecode:
NL.IMRO.0385.bpHerWatering-ow01
Datum:
22 april 2022
Contactpersoon Plannen-makers:
Dhr. C. Vaartjes en mevr. I. van Malsen
Kenmerk Plannen-makers:
PM20016
Opdrachtgever:
Bart de Jong projectontwikkeling
Pagina 2 Bestemmingsplan Herontwikkeling Watering
Inhoudsopgave 1
Inleiding ........................................................................................................................................... 4 Aanleiding en doelstelling ........................................................................................................ 4 Leeswijzer ................................................................................................................................ 4
2
Het plan ........................................................................................................................................... 5 Ligging van het plangebied ...................................................................................................... 5 Beschrijving plan...................................................................................................................... 6
3
Beleidsmatige onderbouwing ........................................................................................................ 10 Rijksbeleid ............................................................................................................................. 10 Provinciaal ............................................................................................................................. 12 Gemeentelijk beleid ............................................................................................................... 17
4
Milieutechnische uitvoerbaarheid .................................................................................................. 19 Milieueffectrapportage ........................................................................................................... 19 Bedrijven en milieuzonering .................................................................................................. 20 Geluidhinder .......................................................................................................................... 20 Ecologie ................................................................................................................................. 21 Bodemkwaliteit....................................................................................................................... 23 Luchtkwaliteit ......................................................................................................................... 24 Externe Veiligheid .................................................................................................................. 25 Archeologie en cultuurhistorie ............................................................................................... 28 Waterhuishouding ..................................................................................................................
29 Verkeer en parkeren .............................................................................................................. 32 Energietransitie en Duurzaamheid ........................................................................................ 34
5
Juridische planbeschrijving ............................................................................................................ 35 Plansystematiek..................................................................................................................... 35 Opzet van de regels .............................................................................................................. 35 De bestemmingen.................................................................................................................. 36
6
Maatschappelijk en economische uitvoerbaarheid........................................................................ 37 Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................... 37 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ......................................................................................... 37
7
Bijlagen .......................................................................................................................................... 39
Pagina 3 Bestemmingsplan Herontwikkeling Watering
1 Inleiding Aanleiding en doelstelling Aan De Krommert (nr. 1, 18 en 25) staat een maatschappelijk centrum die door verscheidene maatschappelijke instanties gebruikt wordt. De gemeente heeft deze locatie verkocht ten bate van woningbouw. In de regio is er een tekort aan woningen voor senioren en starters. Daarom is er een onderzoek opgestart om te achterhalen wat de wensen zijn van senioren en starters en wat mogelijk was in de omgeving. Naar aanleiding van dat onderzoek is besloten te focussen op senioren en zijn hun woonwensen geanalyseerd. Voor de analyse zijn geïnteresseerden in het project en senioren uit de omgeving geïnterviewd en of geënquêteerd. De senioren gaven aan een ruime gelijkvloerse woning met een prettige maar niet te grote buitenruimte te willen. Zij vinden het belangrijk om een berging voor hun fiets te hebben en veiligheid staat voor hen voorop. De initiatiefnemers zijn voornemens het pand te slopen en op de locatie 22 koopwoningen te realiseren. Deze woningen zijn bungalows geschikt voor senioren die gelijkvloers willen wonen. In aansluiting op het behoefteonderzoek van de gemeente zijn de 22 woningen energiezuinig, met slaapkamer op de begane grond en zijn de achtertuinen afgesloten. Eventueel kan een verdieping gerealiseerd worden als gastenruimte of hobbyruimte.
De woningen op de locatie zijn niet toegestaan op basis van de geldende bestemming ‘maatschappelijk’. Een nieuw bestemmingsplan is nodig om de beoogde woningbouw op de locatie planologisch en juridisch mogelijk te maken. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hier in.
Leeswijzer Onderhavig bestemmingsplan bestaat naast deze inleiding uit een beschrijving van het beoogde plan in hoofdstuk 2. In hoofdstuk 3 wordt verantwoord waarom het plan past binnen het beleid van de gemeente. In hoofdstuk 4 wordt de milieutechnische uitvoerbaarheid van het plan toegelicht. Hoofdstuk 5 bevat de juridische planbeschrijving. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 de maatschappelijk en economische uitvoerbaarheid toegelicht. Na de toelichting volgen de regels inclusief de bijlagen en de verbeelding van het bestemmingsplan.
Pagina 4 Bestemmingsplan Herontwikkeling Watering
2 Het plan Ligging van het plangebied Het plangebied is gelegen aan De Krommert te Oosthuizen. Oosthuizen is een kleine kern die sinds 2016 onderdeel uitmaakt van de gemeente Edam-Volendam en wordt omringd door de plaatsen Edam, Purmerend en Hoorn. Oosthuizen wordt omgeven door agrarisch cultuurlandschap van de NoordHollandse polder en is gelegen vlakbij het water van het Markermeer. Het gebied kenmerkt zich door lintdorpjes in lijn met het verkavelingspatroon. Het plangebied aan De Krommert (nr. 1, 18 en 25) bestaat uit een perceel van 5.409 m2. Het perceel wordt begrensd door water aan de noordoostelijke en noordwestelijke zijde (De Watering genoemd). Aan de overige zijden wordt het begrensd door woonhuizen aan de Krommert.
Figuur 1. Uitsnede luchtfoto, plangebied in rode cirkel. (Bron: Google Earth)
Figuur 2. Uitsnede luchtfoto met globale plangrens. (Bron: Google Earth)
Pagina 5 Bestemmingsplan Herontwikkeling Watering
Beschrijving plan In de huidige situatie is het plangebied aan De Krommert 1-18-25 bebouwd met twee gebouwen. Het Kruisgebouw en ‘de Watering’. In het verleden is het ‘Kruisgebouw’ gebruikt als buitenschoolse-opvang. Het Cultureel Centrum de Watering was een lagere school en had daarnaast de functies van een centrum voor lokale theateroptredens, een peuterspeelzaal en in het achterste deel was een sporthal en kantine gevestigd. De locatie is door de gemeente Edam-Volendam in de zomer van 2019 verkocht ten behoeve van woningbouw. In het dorp is veel behoefte aan seniorenappartementen en betaalbare woningen en appartementen voor starters en eenoudergezinnen. Voor de herontwikkeling van De Watering is een visie voor het plangebied opgesteld. Uit de analyse ten bate van de visie kwam naar voren dat de locatie geschikt is voor woningen ten behoeven van senioren. Het plan bestaat uit 22 grondgebonden bungalows met optioneel een verdieping. De bungalows zijn nader onderverdeeld in de volgende typen: • 4 vrijstaande bungalows • 8 twee-onder-een-kap bungalows • 10 rij- hoek bungalows.
Figuur 3. Situatieschets plan. (Bron: architect Ruben Wennekers)
Stedebouw Het plan bestaat uit 22 bungalows met een woonoppervlakte van circa 107 m2 tot 120 m2. De woningen verschillen in grootte en zullen worden uitgevoerd met verschillende gevelafwerkingen. De tuinen zijn gesitueerd op het zuidwesten of kijken uit over het water. Senioren hebben behoefte aan een veilige Pagina 6 Bestemmingsplan Herontwikkeling Watering
leefomgeving. Daarom zijn de woningen met hun keuken georiënteerd op het erf, zodat de bewoners zicht hebben op wat er gebeurt in hun omgeving. Daarnaast zijn de achtertuinen allemaal afgesloten. Er is in dit plan gekozen voor een erfstructuur. Hierdoor wordt voorkomen dat er sprake zal zijn van ‘rondrijden’, door de bestaande wijk. De woningen De bungalows zijn levensloopgeschikte woning, dit zijn woningen waarbij de woonkamer, keuken, toilet, badkamer/douche en tenminste 1 slaapkamer op dezelfde verdieping liggen. (Conform Woonvisie Edam-Volendam 2017 2021) De plattegrond van de bungalows zijn geoptimaliseerd, mede met hulp van reacties via het participatieproces. De bungalows zijn toegankelijk via de voorzijde van de bungalow. De bungalow heeft een keuken-woonkamer met openslaande deuren naar de tuin/patio. De sanitaire voorzieningen bestaan uit een badkamer en een apart toilet. Vanaf de voorzijde van het huis is ook de inpandige berging toegankelijk. De bungalows hebben een optionele verdieping. Op de verdieping bevinden zich extra ruimtes die door de eigenaar naar wens zijn in te vullen. De bungalows krijgen een moderne uitstraling en zijn onderhoudsarm.
Figuur 4. Plattegrond van de woning met optionele verdieping. (Bron: architectenbureau Ruben Wennekers)
Infrastructuur Ten behoeve van de bereikbaarheid van de woningen in het plangebied zal de huidige straat in het plangebied die verbonden is met de Krommert verlengd worden. Aan de zuidwestzijde blijft de bestaande weg en parkeerstrook aan de westzijde gehandhaafd evenals de loopbrug naar de Gerrit van Heemskerkstraat. Vanuit verkeerskundig oogpunt is eenzijdige ontsluiting voor onderhavig plan voldoende. Door de gehanteerde erfstructuur wordt er intimiteit en veiligheid geboden aan de toekomstige bewoners. Door de erfstructuur wordt tevens voorkomen dat de nieuwe weg als alternatieve doorsteek naar de achterliggende woningen gebruikt wordt, dat een ongewenste extra verkeerdruk oplevert. Bezonning Omwonenden hebben tijdens het participatietraject aangegeven zorgen te hebben over vermindering van licht -en zoninval in hun woning door voorgenomen ontwikkeling. Ten behoeve van het plan is een Pagina 7 Bestemmingsplan Herontwikkeling Watering
schaduwstudie gemaakt (zie bijlage 10). Uit de studie blijkt dat de ontwikkeling niet zorgt dat de bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november op gevels van woningen in de omgeving minder wordt dan 3 uur. Hiermee voldoet het plan aan de ‘strenge’ TNO-norm die stelt dat er ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in bovengenoemde periode in het midden vensterbank binnenkant raam mogelijk moeten zijn. Deze norm kan alleen worden toegepast op gevels die direct zon kunnen ontvangen. Uit de Schaduwstudie blijkt dat de schaduwwerking in de toekomstige planologische situatie binnen de ‘strenge’ TNO-norm valt. De toekomstige situatie zorgt er niet voor dat de bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november op gevels in de omgeving minder wordt dan 3 uur. Er is geen onevenredige hinder.
Pagina 8 Bestemmingsplan Herontwikkeling Watering
Figuur 5. Impressies toekomstige woningen. (Bron: architect Ruben Wennekers)
Welstand Het stedenbouwkundig plan voor deze ontwikkeling is voorgelegd aan de welstandscommissie. Het plan is twee keer behandeld, op 22-06-2020 en 06-07-2020. De welstandscommissie staat positief tegenover de ontwikkeling. In de welstandsnota (hoofdstuk 7) is geregeld dat voor grotere (her)ontwikkelingen aparte welstandscriteria geformuleerd moeten worden die als aanvulling op de welstandsnota door de gemeenteraad vastgesteld moeten worden. Voor de ontwikkeling zijn derhalve nieuwe criteria opgesteld, zie bijlage 1. De uiteindelijke omgevingsvergunning voor het bouwen zal getoetst worden aan deze criteria. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat niet voldaan kan worden aan de gestelde criteria.
Pagina 9 Bestemmingsplan Herontwikkeling Watering
3 Beleidsmatige onderbouwing Rijksbeleid In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van het geldende beleidskader dat relevant is voor het plangebied. Paragraaf 3.1 belicht het rijksbeleid. Het provinciaal/regionaal beleid wordt weergegeven in paragraaf 3.2 en het gemeentelijk beleid in paragraaf 3.3. 3.1.1 Wet ruimtelijke ordening / Omgevingswet Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Deze gaat uit van een scheiding tussen beleid en normstelling (juridische verankering). Het beleid wordt opgenomen in structuurvisies. Normstelling vindt plaats in het bestemmingsplan en/of in algemene regels die overgenomen moeten worden in bestemmingsplannen. Streekplannen en planologische kernbeslissingen zijn vanaf 1 juli 2008 gelijkgesteld aan structuurvisies. Het overgangsrecht van de Wro regelt dat concrete beleidsbeslissingen van Rijk en provincie overgenomen moeten worden in bestemmingsplannen. Op 1 juli 2022 treedt de Omgevingswet in werking. De Omgevingswet staat voor een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke omgeving. De Omgevingswet bundelt wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. De nieuwe wet zorgt voor minder en overzichtelijkere regels, een samenhangende benadering van de leefomgeving, ruimte voor lokaal maatwerk en betere en snellere besluitvorming.
3.1.2 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld; deze is op 15 september 2020 bekend gemaakt. In de NOVI zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) wordt door deze nieuwe omgevingsvisie vervangen. De NOVI is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers. De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Het is de eerste integrale nationale beleidsvisie conform de Omgevingswet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de NOVI vastgesteld onder de Wet ruimtelijke ordening als structuurvisie. De inrichting van de NOVI sluit aan op de voorwaarden die op basis van de Omgevingswet aan de visie worden gesteld. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de Omgevingswet bedoeld. De NOVI heeft als toekomstperspectief een duurzame leefomgeving waarbij de kwaliteiten van de omgeving worden behouden en versterkt. Daarnaast bestaan de Nederlandse uitdagingen van de ruimtelijke inrichting in een klimaatbestendige delta en zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte in Nederland.
Dit kan worden bereikt door goede samenwerking tussen de verschillende betrokken instanties. De opgaven die voortkomen uit de nationale belangen van het Rijk zijn vertaald in vier integrale prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie 2. Duurzaam economisch groeipotentieel 3. Sterke en gezonde steden en regio’s 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Binnen deze prioriteiten zal aandacht zijn voor de onderlinge verwevenheden en spanningen daartussen en voor thema’s en opgaven die daar dwars doorheen lopen, zoals leefomgevingskwaliteit, gezondheid, cultureel erfgoed, water, bodem en (nationale) veiligheid. Pagina 10 Bestemmingsplan Herontwikkeling Watering
Binnen de prioriteiten hanteert het Rijk drie afwegingsprincipes die helpen om beleidskeuzes te maken: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal 3. Afwentelen wordt voorkomen Planspecifiek De ontwikkeling vindt plaats binnen stedelijk gebied in de gemeente Edam-Volendam in de kern Oosthuizen. Het plan betreft de ontwikkeling van grondgebonden woningen. Er is sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik binnen bestaand stedelijk gebied. Het raakvlak met het rijksbeleid is nihil en er ontstaat geen strijdigheid met de Omgevingsvisie. 3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd en is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ hieraan toegevoegd. Overheden dienen op grond van het gewijzigde Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren om tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkeling te komen. Een zorgvuldige benutting van de beschikbare ruimte voor verschillende functies vraagt om een goede onderbouwing van nut en noodzaak van een nieuwe stedelijke ruimtevraag en een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. De ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in artikel 3.1.6 van het Bro.
Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. In de nieuwe systematiek worden de huidige definities niet gewijzigd. Ten aanzien van de “treden” van de Ladder zijn er wel wijzigingen: in de nieuwe Ladder zijn de treden 1 en 2 samengevoegd en trede 3 is geschrapt, waardoor er geen sprake meer is van verschillende treden. In artikel 1.1.1 Bro worden relevante begrippen gedefinieerd. Een woningbouwontwikkeling valt onder de definitie van stedelijke ontwikkeling als deze groter is dan 12 woningen. De Ladder stelt dat voldaan wordt aan de Ladder als de woningbouwontwikkeling voorziet in een behoefte en gepland is binnen bestaand stedelijk gebied. Planspecifiek Voorliggend plan voorziet in de behoefte aan grondgebonden woningen. De gemeente Edam – Volendam is in het Regionale Actieprogramma Wonen (RAP) voor de regio 'Amstelland-Meerlanden, Amsterdam, Zaanstreek-Waterland' (voorheen: stadsregio Amsterdam) opgenomen. Het RAP geeft aan dat er op dit moment een tekort is aan harde plannen. Er is nog ruimte, of beter gezegd, noodzaak voor het vaststellen van nieuwe plannen. Op gemeentelijk niveau is de woningbehoefte in beeld gebracht in de (concept) Woonvisie 2022-2025.
Onze woningbouwopgave: • 2022‐2025: bouw 115 tot 150 woningen per jaar Plancapaciteit 130% van behoefte Lokale behoefte en vestigers Monitoren ontwikkeling vraagdruk • Prioriteit 1: levensloopgeschikte woningen voor senioren (+ andere groepen) • Prioriteit 2: Betaalbare (koop)woningen voor starters • Mix van verschillende woningtypen + prijsklassen per locatie • Woningbouw in elke kern, aandacht voor Edam, Beets, Middelie en Kwadijk • In de eerste plaats bouwen op inbreidingsplekken, maar uitbreiding op termijn noodzakelijk (behoefte, klimaatadaptatie, niet te veel verdichten)
Pagina 11 Bestemmingsplan Herontwikkeling Watering
Betaalbare huur: • 2022‐2025: +125 sociale huurwoningen (minimaal) • deel opgave na 2025 naar voren halen, gezien huidige marktdruk • Vooral in de drie grote kernen: aandacht voor Edam + Oosthuizen • Minimaal 30% sociale en/of middeldure huur per locatie (doelgroepenverordening) • Nieuwbouw vooral kleinere, levensloopgeschikte woningen • Snel extra woonruimte bieden: tijdelijke contracten, toewijzing via loting • Behoefte middeldure huur: Eerst via particuliere investeerders, anders in gesprek met corporaties
Bovenstaand overzicht maakt duidelijk dat er voldoende vraag is naar woningen in de gemeente en ook specifiek in Oosthuizen. Er is een woningbouwtekort door de berekende behoefte van 130% aan benodigde plancapaciteit. Voorliggend plan sluit dan ook aan op een kwantitatieve behoefte. Daarnaast sluit het plan ook aan op de kwalitatieve behoefte. Er worden levensloopbestendige woningen gemaakt met alle voorzieningen op de begane grond. De woningen zijn daardoor zeer geschikt voor onder andere senioren. Zoals bovenstaand aangetoond is er specifiek vraag naar levensloopgeschikte woningen. H Tot slot is het een binnenstedelijke ontwikkeling gezien de ligging van de planlocatie. Het plan past daarmee in de ladder van duurzame verstedelijking omdat de behoefte regionale en lokale behoefte aangetoond is en de woningbouw wordt binnenstedelijk opgelost.
Provinciaal 3.2.1 Omgevingsvisie NH2050 - Balans tussen economische groei en leefbaarheid De Omgevingsvisie NH2050 – “Balans tussen economische groei en leefbaarheid” is de opvolger van de Structuurvisie 2040 uit 2010. De Omgevingsvisie is op 19-11-2018 door Provinciale Staten van de provincie Noord-Holland vastgesteld. De Omgevingsvisie is een van de kerninstrumenten van de Omgevingswet. De Omgevingswet integreert een groot deel van de wetgeving op het gebied van ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. De huidige wettelijk verplichte provinciale plannen (Structuurvisie, het Provinciaal Verkeer- en Vervoerplan, het Milieubeleidsplan en de Watervisie) komen te vervallen en gaan op in één integrale omgevingsvisie voor de fysieke leefomgeving met onderliggende programma’s. In de Omgevingsvisie legt de provincie vast welke provinciale belangen een rol spelen bij de ruimtelijke ordening. De visie dient als leidraad voor de manier waarop de ruimte zich de komende dertig jaar zou moeten ontwikkelen. De Omgevingsvisie NH2050 is in co-creatie tot stand gekomen met continue inbreng van een groot aantal partijen, professionals en inwoners. Sturingsfilosofie De provincie hanteert het principe ‘lokaal wat kan, regionaal wat moet’. De opgave bepaalt het schaalniveau, de samenstelling van samenwerkende partijen en de tijdspanne.
De provincie is terughoudend met het opstellen van regels.
Pagina 12 Bestemmingsplan Herontwikkeling Watering
Hoofdambitie De hoofdambitie zoals die geformuleerd is in de Omgevingsvisie NH2050 is tot een balans te komen tussen economische groei en leefbaarheid. Een economisch vitale provincie draagt bij aan het welzijn, en een leefbare provincie draagt bij aan economische vitaliteit. Dit evenwicht staat ten dienste van duurzame ontwikkeling: toekomstige generaties moeten ook profiteren van de keuzes die gemaakt worden. De provincie zet met deze visie een richting uit om houvast te bieden naar de toekomst. Die richting bestaat uit het benoemen van een aantal bewegingen naar de toekomst, ontwikkelprincipes en waar nodig randvoorwaarden en regels. Ambities • Een gezonde en veilige leefomgeving in de hele provincie Hiermee wordt een woon-werkomgeving bedoeld waar mensen zo min mogelijk worden blootgesteld aan ongezonde stoffen en veiligheidsrisico’s en die een gezonde levensstijl ondersteunt. • Natuur en biodiversiteit: natuurinclusief ontwikkelen Om de biodiversiteit in Noord-Holland op peil te houden zullen toekomstige ontwikkelingen (verstedelijking, landbouw, klimaatmaatregelen) zoveel mogelijk natuurinclusief moeten zijn. Daarmee leveren ze een bijdrage aan behoud en vergroting van de biodiversiteit. Hierbij gaat het niet alleen om de kwantiteit (hectares) maar ook om de kwaliteit (soortenrijkdom, toegankelijkheid).
• Duurzame en vernieuwende economie Economische ontwikkelingen dienen qua aard, omvang en vorm aan te sluiten bij de regio of plek. Een duurzame economie houdt rekening met en bouwt voort op de kenmerken en karakteristieken van de locatie. De activiteiten zijn bij voorkeur vernieuwend, circulair en schoon en dragen bij aan een gezonde en duurzame leefomgeving. • Toekomstbestendige landbouw in Noord-Holland Er is in de land- en tuinbouw een omslag gaande naar een adaptieve kringlooplandbouw, die meer rekening houdt met behoud en versterking van biodiversiteit en bodem- en waterkwaliteit. Om de regionale kwaliteiten te versterken en innovatie te stimuleren, bieden we ruimte voor experimenten. Indien nodig wordt ruimte geboden aan schaalvergroting. • Klimaatadaptatie Essentieel is dat wij zowel het landelijk als het stedelijk gebied beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering. Dat vergt aanpassingen in zowel de ruimtelijke inrichting als het watersysteem. We zorgen ervoor dat we voldoende zijn voorbereid op wateroverlast, hittestress, verdroging, verzilting en de gevolgen van een overstroming. Nieuwe ontwikkelingen moeten klimaatbestendig en waterrobuust zijn. • Energietransitie De provincie stuurt op een energietransitie met een maximale opwekking van duurzame energie voor de volledige energievraag in Noord-Holland in 2050.
Om dit doel van een klimaatneutraal Noord-Holland in 2050 te bereiken, is een optimale mix nodig van energiebesparing en allerlei vormen van duurzame energie. Op weg naar 2050 houden we daarom oog voor alle nieuwe technologieën – ook buiten de energiesector – die daaraan een bijdrage kunnen leveren.
•
Ontwikkeling van stad en land De locatiekeuze voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen staat onder invloed van de effecten van klimaatverandering, van bereikbaarheid, behoud van landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten en van de energie-infrastructuur.
Pagina 13 Bestemmingsplan Herontwikkeling Watering
•
•
De woningbouwbehoefte wordt vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends. Nabijheid van functies is een belangrijk duurzaamheidsprincipe. Daarbij wordt in het ontwerp rekening gehouden met voldoende afvoermogelijkheden van (regen)water, voldoende groen in en om de stad, en optimale verkeersontsluiting met multimodale knooppunten. Uitgangspunt is – en daarop zal het verkeers- en vervoersnetwerk worden geoptimaliseerd – dat men zich effectief, veilig en efficiënt kan verplaatsen, waarbij de negatieve gevolgen van de mobiliteit op klimaat, gezondheid, natuur en landschap steeds nadrukkelijk meegewogen worden. Daarbij heeft men zo veel mogelijk keuzevrijheid in het bepalen van zijn of haar vervoerswijze. Metropoolregio Amsterdam: dynamiek in balans houden Door de grote economische dynamiek zijn woon- en werklocaties vooral nodig in het zuidelijk deel van Noord-Holland, de Metropoolregio Amsterdam, met Amsterdam als zwaartepunt. Het is nodig om hierin te investeren juist ook uit oogpunt van benutting van de agglomeratiekracht. De grote economische dynamiek betekent dat de druk op het metropolitane landschap groot is, terwijl dat bijzonder belangrijk is voor het vestigingsklimaat. Zorgvuldigheid is dus geboden.
Noord-Holland Noord: ontwikkeling unieke kracht en kwaliteit Het noordelijk deel van Noord-Holland beschikt over bijzondere eigen kenmerken en kwaliteiten, zoals (meer) rust, ruimte, groen, natuur en (gezonde) lucht. Om deze kwaliteiten te waarborgen is dynamiek en ontwikkeling in Noord-Holland Noord nodig. Verstedelijking nabij knooppunten van openbaar vervoer en in de omgeving van historische binnensteden en de nodige voorzieningen komt daarvoor het meest in aanmerking.
Planspecifiek In de digitale versie van de Omgevingsvisie zijn diverse kaarten opgenomen gebaseerd op ‘bewegingen voor ontwikkelingen’: dynamisch schiereiland, metropool in ontwikkeling, sterke kernen & sterke regio’s, nieuwe energie en natuurlijk & vitaal landelijke omgeving. Door in de interactieve kaart op het plangebied te klikken wordt aangegeven wat het relevante beleid is uit de Omgevingsvisie NH2050 voor het plangebied. Leefomgevingskwaliteit Algemeen wordt gesteld dat overal wordt voldaan aan de wettelijk basiskwaliteit voor een gezonde en veilige leefomgeving voor mens, plan en dier. Dit betekent voor het plangebied: 1. Ontwikkelingen en beheer zijn passend bij de waarden, de karakteristieken en het draagvermogen van het landschap. 2. Nieuwe ontwikkelingen zijn zo veel mogelijk natuurinclusief. 3. Nieuwe ruimtelijk-economische ontwikkelingen worden zo veel mogelijk ruimtelijk geclusterd op locaties nabij OV-, weg-, energie- en data-knooppunten. 4. Bij nieuwe ontwikkelingen worden de effecten op de ondergrond meegewogen. Voorliggend plan bevindt zich in een woonwijk en sluiten aan op de bestaande infrastructuur. De woningen worden energiezuinig gebouwd met zonnepanelen op het dak. Beweging 1: Dynamisch schiereiland Het plangebied ligt niet nabij kust- of dijkgebied. De voorwaarden van dynamisch schiereiland zijn daarom niet van invloed op voorgenomen planontwikkeling.
Beweging 2: Metropool in ontwikkeling Het plangebied bevindt zich in de invloedssfeer van de metropool Amsterdam. Dit betekent voor het plangebied: Pagina 14 Bestemmingsplan Herontwikkeling Watering
8. Wonen en werken worden zoveel mogelijk binnenstedelijk gerealiseerd en geconcentreerd. 9. Om de groei van het verkeer in goede banen te leiden moet worden geïnvesteerd in alle verkeersnetwerken, het regionaal OV en fietsnetwerk en auto, waarbij de grotere behoefte aan ruimte voor regionaal verkeer boven interregionaal en doorgaand verkeer wordt gefaciliteerd. 10. Versterken van het landschap als onderdeel van het metropolitaan systeem. 8-10: Voorliggende plan ziet toe op het creëren van woningen binnen bestaand stedelijk gebied nabij bestaande mobiliteitsvoorzieningen. Beweging 3: Sterke kernen, sterke regio’s Het plangebied ligt niet rondom Hilversum of in het noordelijke deel van Noord-Holland waarop deze beweging van toepassing is. De voorwaarden van Sterke kernen – sterke regio’s zijn daarom niet van invloed op voorgenomen planontwikkeling. Beweging 4: Nieuwe energie Voor heel Noord-Holland is de ambitie dat: 14. De regionale optimale energiemix voor opwekking van hernieuwbare energie in de ondergrond, op de bovengrond en in de bebouwde omgeving past bij de regionale landschappelijke en gebiedskwaliteiten en de economische kansen. 15. Vraag en aanbod van hernieuwbare energie wordt zodanig gebundeld dat sprake is van efficiënte benutting van bestaande en nieuwe energie-infrastructuur en van restwarmte. In voorliggend plan worden de woningen energiezuinig gebouwd.
Achter de opstaande rand van het platte dak worden bij elke woning zonnepanelen bevestigd. De woningen sluiten daarmee aan bij de energieambitie van de provincie. Beweging 5: Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving Voor heel Noord-Holland gelden de ambities: 18. De agrifoodsector wordt gefaciliteerd bij de duurzame en economische ontwikkeling. 19. Natuurlijke processen zijn richtinggevend voor inrichting en beheer van nieuwe en bestaande natuurgebieden. 20. Om een robuust ecosysteem te realiseren worden verbindingen tussen natuurgebieden verbeterd en functies slim gepositioneerd. Daarnaast ligt het plangebied in veenweidegebied en geldt de ambitie: 21. Het landgebruik en de waterpeilen worden in balans gebracht met de draagkracht van het veenweidegebied. Voorgenomen planontwikkeling vindt plaats binnen een woonwijk op een voormalig maatschappelijk perceel. De ambities van de provincie op het vlak van de landelijke omgeving raken daarom voorliggend plan nihil. 3.2.2 Provinciaal Omgevingsverordening Op 22 oktober 2020 hebben de Provinciale Staten de Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld. De Omgevingsverordening NH2020 geldt vanaf 17 november 2020 en vervangt alle bestaande verordeningen die betrekking hebben op de leefomgeving, zoals de Provinciale Ruimtelijke Verordening, de Provinciale Milieuverordening, de Waterverordeningen en de Wegenverordening.
In de Omgevingsverordening NH2020 zijn regels samengevoegd op het gebied van natuur, milieu, mobiliteit, erfgoed, ruimte en water. Hierdoor is het makkelijker geworden om te zien welke regels waar gelden.
Pagina 15 Bestemmingsplan Herontwikkeling Watering
De provincie wil met de omgevingsverordening ontwikkelingen, zoals woningbouw en de energietransitie, mogelijk maken en zet in op het beschermen van mooie en bijzondere gebieden in Noord-Holland. We zoeken naar een evenwichtige balans tussen economische groei en leefbaarheid. De belangrijkste belangrijke ambities voor Noord-Holland, zoals omschreven in de Omgevingsvisie, zijn verankerd in de nieuwe Omgevingsverordening Noord-Holland. Planspecifiek In de Provinciale Omgevingsverordening zijn diverse kaarten opgenomen. Hierin is aangegeven welke functie onderhavig plangebied heeft. Aan de hand hiervan kan worden bepaald welke voorwaarden worden gesteld aan ruimtelijke ontwikkelingen binnen de functie. Het gaat voor het plangebied om de volgende kaarten en aanduidingen: Voor het plangebied zijn de bepalingen voor de algehele provincie en landelijk gebied van toepassing. De Groene Ruimte De groene ruimte gaat over Natuurnetwerk Nederland (NNN) en natuurverbindingen, UNESCOerfgoederen, bufferzones, weidevogelleefgebieden en landbouw. Rondom de bebouwing van de kern Oosthuizen ligt weidevogelleefgebied. Het plangebied valt niet in of grenst niet aan weidevogelgebied. De bepalingen voor weidevogels zijn daarom niet van toepassing. De Blauwe Ruimte De blauwe ruimte gaat over waterkeringen en strandzones in de provincie. Nabij het plangebied liggen geen beschermde waterkeringen.
Figuur 6. Plangebied nabij kruis en beschermd weidevogelgebied.
Energie Binnen de provincie worden kleinschalige oplossingen voor duurzame energie aangemoedigd. De woningen worden voorzien van eigen zonnepanelen om energie op te wekken. Voorliggend plan sluit daarmee aan op de ambitie van de provincie op het gebied van energie. Pagina 16 Bestemmingsplan Herontwikkeling Watering
Gemeentelijk beleid De kern Oosthuizen is onderdeel van de voormalige gemeente Zeevang. Sinds januari 2016 is gemeente Zeevang door gemeentelijke herindelingen tot de gemeente Edam-Volendam gaan behoren. Voor het huidige beleid dient gekeken te worden naar het beleid van de voormalige gemeente Zeevang tenzij het door een nieuwer beleid van de gemeente Edam-Volendam vervangen is. 3.3.1 Structuurvisie Zeevang 2040 De gemeentelijke Structuurvisie Zeevang 2040 ‘Vitaal perspectief’ (verder: structuurvisie) is op 17 december 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. De structuurvisie heeft betrekking op de functies wonen, werken, recreatie, natuur water en voorzieningen. Hierbij wordt aangegeven dat de hoofdopgaven binnen de gemeente de zorg voor een duurzaam landbouwkundig gebruik (als drager van het landschap), behoud en ontwikkeling van natuurwaarden, een optimale waterhuishouding, verbeteren van recreatieve mogelijkheden (wandel-fietsroutes), bescherming van cultuurhistorische patronen en elementen, en de woningbouwopgave zijn. Planspecifiek Het voorliggende plan betreft een functiewijziging van maatschappelijk naar wonen. Hierbij wordt de bebouwing gesloopt om plaats te maken voor 22 woningen. De woningen zijn gelijkvloers ingericht voor de doelgroep senioren en sluiten aan bij de woningmarktambitie van de gemeente.
3.3.2 Duurzaamheidsagenda Edam-Volendam Om de ambities en besparingsdoelstellingen, zoals vastgesteld in het Programmaplan 2017-2022 en de door de Raad vastgestelde Koersnotitie Klimaat en Duurzaamheid (15 december 2016) te halen, zijn de volgende thema's gerold die effectief en kansrijk: 1. Energie; 2. Circulaire Economie; 3. Klimaatadaptatie; 4. Duurzaam toerisme; en 5. Duurzame gemeentelijke organisatie Voor de korte termijn (tot ca. 2022) zijn de volgende kansrijke maatregelen toepasbaar in de verschillende sectoren: • Energiebesparing in de bestaande woningbouw. Dit is de belangrijkste bron voor het totale energieverbruik in Edam-Volendam. Door toepassingen van eenvoudige maatregelen, zoals isolatie en installatie van energiezuinige apparatuur is het mogelijk het energiegebruik met minimaal 10% te reduceren. De benodigde investeringen zijn in minder dan 10 jaar terug te verdienen. • Energiebesparing in de industrie. Ook als is de bijdrage aan het energieverbruik van de industriesector in Edam-Volendam relatief gering. Naar aanleiding van verschillende (landelijke) onderzoeken en ramingen wordt een energiebesparingspotentieel van 10% verwacht. • Energiebesparing in de utiliteitsbouw. De kantoren in Edam-Volendam bestaan voor 50% uit bouwwerken van 1980 of ouder. Het is een uitdaging deze te renoveren tot toekomstbestendige kantoren.
Door toepassing van eenvoudige maatregelen met een terugverdientijd van minder dan 10 jaar, kan het energieverbruik in de utiliteit naar verwachting met 7,5% worden gereduceerd. • Energiebesparing publieke gebouwen. Door monitoring van het gemeentelijk energieverbruik en hier adequaat op te anticiperen, is het mogelijk om tegen minimale investeringen het energieverbruik in bestaande gebouwen met 5-10% te reduceren (energiebeheer gebouwen, isolatie, verlichting, warmtepompinstallatie). Pagina 17 Bestemmingsplan Herontwikkeling Watering
•
Verkeer en vervoer. Door technologische ontwikkelingen neemt het brandstofgebruik van voertuigen steeds verder af . Elektrisch vervoer zal naar verwachting sterk gaan groeien.
Planspecifiek In voorliggend plan worden de woningen energiezuinig gebouwd, waarbij elke woning zonnepanelen op het dak heeft. De zonnepanelen worden achter de opstaande rand van het platte dak verborgen vanwege esthetische redenen. Tevens krijgen de woningen, conform de Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET) geen aardgasaansluiting. Tot slot zullen de woningen moeten voldoen aan de normen van de BENG (bijna energie neutrale woningen). Als onderdeel van de toetsing van de omgevingsvergunning voor het bouwen zal daar op getoetst worden. 3.3.3 Bestemmingsplan Dorpskernen 2016 Het bestemmingsplan voor de locatie is ‘Dorpskernen 2016’ van de gemeente Edam-Volendam. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 13 april 2017. Planspecifiek Onderstaand is een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan weergeven. De uitsnede toont dat het huidig toegestaan gebruik maatschappelijk, verkeer en groen is. De beoogde woningbouw is niet toegestaan op de locatie. Om de ontwikkeling te realiseren is een nieuw planologisch beleidskader nodig. Voorliggend plan voorziet in het nieuwe planologische kader.
Figuur 7. Uitsnede vigerend bestemmingsplan met in rood de globale plangrens. (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Pagina 18 Bestemmingsplan Herontwikkeling Watering
4 Milieutechnische uitvoerbaarheid Een bestemmingsplan moet voorzien in een goede ruimtelijke ordening, zoals de Wro ex art 3.1 stelt. De invulling van dit vereiste is in de jurisprudentie verder gepreciseerd. Onderstaand is per woon- en omgevingsaspect beoordeeld of en wat voor een wijziging er optreedt en of een goed woon- en leefklimaat voor zowel de omgeving als het plangebied zelf gegarandeerd is.
Milieueffectrapportage Toetsingskader Per 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) gewijzigd en in lijn gebracht met de Europese richtlijn hieromtrent (nr. 85/337/EEG). Voor deze wetswijziging kon bij de vraag of er een milieueffectrapport (MER) moest worden gemaakt, dan wel een mer-beoordeling moest worden uitgevoerd, worden volstaan met een toets aan de activiteiten en de bijbehorende getalsmatige grenzen uit het Besluit m.e.r. (bijlage C en D). Omdat de Europese richtlijn geen getalsmatige grenzen kent voor mer-plichtige activiteiten, zijn deze getalsmatige grenzen niet meer 'hard', maar hebben ze meer een indicatieve waarde. Concreet betekent dit dat bij de vraag of er een m.e.r. of een mer-beoordeling dan wel een planmer moet worden uitgevoerd, niet zonder meer kan worden uitgegaan van de getalsmatige grenzen in kolom 2 van bijlage C en D, maar dat meer in algemene zin beoordeeld moet worden of er sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen, waardoor het opstellen van een MER noodzakelijk zou zijn.
Een planmer is wettelijk verplicht wanneer: • Het plan kaders stelt voor activiteiten in het plangebied waarvoor een (project-)mer noodzakelijk is, dan wel waarvoor beoordeeld moet worden of een (project-)mer noodzakelijk is; • Een bestemmingsplan activiteiten mogelijk maakt die kunnen leiden tot significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden (dan is een passende beoordeling noodzakelijk). Bij een planmer gaat het om besluiten uit kolom 3 van bijlage C en D van het Besluit m.e.r. Een projectmer of besluit-mer betreft een besluit op grond waarvan geen nader besluit mer- of (beoordelings-) plichtig besluit meer nodig is. Het plan schept dus geen kader meer voor een mer-(beoordelings)plichtig besluit. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een bestemmingsplan wat in directe zin woningbouw mogelijk maakt waarvoor een mer-plicht geldt, of om een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een veehouderij (met aanzienlijke milieugevolgen). Het betreft hier besluiten uit kolom 4 van bijlage C en D van het Besluit m.e.r. De wetswijziging van 1 april 2011 heeft tot gevolg dat ook onder de drempelwaarden beoordeeld moet worden of een mer-procedure doorlopen moet worden. Dit geldt zowel voor besluiten uit kolom 4 als voor besluiten (plannen) uit kolom 3 (planmer). Ingeval het project onder de drempelwaarde valt is deze beoordeling vormvrij.
Dit betekent dat deze beoordeling via de officiële mer-beoordelingsprocedure kan geschieden, maar in veel gevallen zal een beoordeling in de toelichting bij het plan voldoende zijn. Planspecifiek Voorliggend plan valt in categorie D11.2 ‘Stedelijk ontwikkelingsproject’. Het plan overschrijdt de getalsmatige grenzen van het Besluit m.e.r. (kolom C en D) niet. Deze grenzen zijn: Tabel 1. Categorie D11.2 met getalsmatige grenzen. (Bron: bijlage D van Besluit milieueffectrapportage) D 11.2
De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met In gevallen waarin de activiteit betrekking inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Pagina 19 Bestemmingsplan Herontwikkeling Watering
Dit betekent dat er sprake is van een vormvrije mer beoordeling. Voor voorliggend plan kan op basis van de in hoofdstuk 2 beschrijving van het plan en hoofdstuk 4 de milieutechnische uitvoerbaarheid voldoende inzicht gegeven worden in de kenmerken, plaats en de potentiële milieugevolgen van het plan.
Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen), worden hinder en gevaar beperkt of voorkomen en wordt het voor bedrijven of woonfuncties mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Om dit gestandaardiseerd te kunnen beoordelen zijn in de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering richtafstanden opgesteld. Deze afstanden geven voor gemiddelde bedrijfssituaties aan op welke afstand geen hinder is te verwachten. De meer verfijnde afstemming voor de beperking of voorkoming van milieuhinder vindt vervolgens plaats in het kader van de Wet milieubeheer. In de brochure wordt onderscheid gemaakt in verschillende omgevingstypen. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor andere gebieden, zoals drukke woonwijken, gemengde gebieden en landelijke gebieden. De betreffende VNG-publicatie vormt geen wettelijk kader. De in de publicatie opgenomen afstanden betreffen richtafstanden. Planspecifiek Het plangebied is in een woonwijk gelegen. Binnen een straal van 70 meter zijn er geen bedrijven te vinden.
Op iets meer dan 70 meter afstand ligt ten noordwesten van het plangebied de supermarkt PLUS aan de Raadhuisstraat. Een supermarkt heeft een afstand van 10 meter tot gevoelige bestemmingen. Er wordt derhalve voldoende afstand tussen de twee functies aangehouden. Gezien bovenstaande kan worden gesteld dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor onderhavig plan.
Geluidhinder In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt ernaar gestreefd om de geluidhinder als gevolg van spoor-, wegverkeer of industrie te beperken. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er normen gesteld tot welke maximale geluidsniveaus geluidgevoelige functies belast mogen worden. De Wgh geeft tevens aan in welke situaties middels onderzoek aangetoond moet worden of aan deze normen voldaan kan worden. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening en bijbehorende jurisprudenties zijn aanvullende onderzoeksverplichtingen gesteld. Planspecifiek Om te bepalen of de geluidsnormen voor de 22 nieuwe woningen niet overschreden worden is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 2. De conclusie van het akoestisch onderzoek luidt: De geluidbelasting op de gevels van nieuw te realiseren woningen aan De Krommert te Oosthuizen bedraagt ten gevolge van het wegverkeer op de N509 maximaal Lden=34 dB. De voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai, deze is 48 dB, wordt niet overschreden. Het plan voldoet aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder. Uit voorgaande conclusie blijkt dat het aspect geluidhinder geen belemmering vormt voor voorliggend plan.
Pagina 20 Bestemmingsplan Herontwikkeling Watering
Ecologie Natuur is een gevoelige functie die beschermd moet worden tegen negatieve effecten. Per 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Floraen faunawet en de Boswet. De nieuwe Wet natuurbescherming (Natuurwet) voorziet in vereenvoudigde regels ter bescherming van de natuur, in decentralisatie van bevoegdheden naar provincies en in een goede aansluiting op het omgevingsrecht. Er wordt beter aangesloten op de Europese regelgeving en er wordt een duidelijker onderscheid gemaakt tussen soorten die Europees beschermd zijn en Nationaal beschermde soorten. Met de Wet natuurbescherming komt de bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij ruimtelijke ingrepen in principe bij de provincies te liggen. Dit is conform het bestuursakkoord natuur waarin is aangegeven dat de decentralisatie van de taken en bevoegdheden op het vlak van de natuurwetgeving haar beslag zal krijgen in de Wet natuurbescherming. Provincies nemen hiermee de taak over die tot nu toe werd uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). Daarmee is de provincie bevoegd gezag voor de toetsing van werkzaamheden en activiteiten (hierna genoemd ‘handelingen’) bij Natura 2000-gebieden (de gebiedsbeschermingsbepalingen) en dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen).
Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.4.1 Flora en Fauna In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet bepaald worden of een plan geen nadelige effecten heeft voor beschermde plant- en diersoorten in en nabij het plangebied. Indien de ontwikkeling verstoring of uitroeiing van beschermde soorten kan inhouden dient onderzocht te worden of eventuele soorten aanwezig zijn. Wanneer dit het geval is moet tevens aangetoond worden middels welke ingrepen deze verstoring voorkomen wordt dan wel gecompenseerd. Planspecifiek Voor de locatie wijzigt de bestemming van Maatschappelijk naar Wonen. Bij het wijzigen van de bestemming en het transformeren van een locatie moet beoordeeld worden of er geen beschermde gebieden en of soorten benadeeld worden als gevolg van de planontwikkeling. Om dit te beoordelen is een Toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming uitgevoerd, zie bijlage 3. De conclusie van het onderzoek luidt: Beschermde soorten Op basis van deze quickscan wordt geconstateerd dat de panden potenties herbergt voor vleermuizen. Voor andere beschermde soorten zijn geen potenties aanwezig. Door middel van gericht veldonderzoek kan worden vastgesteld of de genoemde soorten al dan niet aanwezig zijn. Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming in het kader Natura 2000 en NNN is niet aan de orde.
Een voortoets is daarom niet nodig. Weidevogelleefgebied kent geen externe werking. In het kader van de stikstofproblematiek is wel nadere toetsing met betrekking tot stikstofdepositie noodzakelijk. Aanbevelingen • Onderzoek naar vleermuizen uitvoeren (5 bezoeken in periode half mei- 1 oktober conform het vleermuisprotocol 2017). • Uitvoeren van een stikstofberekening. Op basis van de conclusies van de toetsing is er een veldonderzoek naar Vleermuizen gedaan, zie bijlage 4. Het onderzoek concludeert dat er geen verblijfplaatsen van vleermuizen zijn vastgesteld in het plangebied. Er werd sporadisch door Gewone dwergvleermuizen op de locatie gefoerageerd. Slechts
Pagina 21 Bestemmingsplan Herontwikkeling Watering
eenmaal werd een Ruige dwergvleermuis overvliegend waargenomen. Buiten het plangebied is een regelmatig gebruikt foerageergebied van vleermuizen aanwezig. Het nader onderzoek naar vleermuizen is tijdens bezoek 1, 2 en 3 met twee personen uitgevoerd. Ondanks de omvang van het gebouw zijn grote delen ongeschikt. Zo heeft de gymzaal een aluminiumwand en hebben delen van de muren in het geheel geen of ongeschikte spouwgaten. Ook zijn delen ongeschikt door uitbundige begroeiing naast het gebouw (zie foto). Daarmee valt ruim de helft al af door ongeschiktheid. Het resterende is dus met twee personen onderzocht. Daarbij is strategisch gepost op twee zones (zie onderstaande luchtfoto). Na de uitvliegtijd is rondom het gebouw geïnventariseerd.
Foto bestaande bebouwing met ongeschikte delen voor vleermuizen
Luchtfoto met in rood gebied waar door twee personen is geïnventariseerd naar vleermuizen. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is, gelet op bovenstaande conclusie, niet nodig. Het aspect Flora en Fauna voert derhalve geen belemmering voor onderhavig plan. Pagina 22 Bestemmingsplan Herontwikkeling Watering
4.4.2 Stikstofdepositie Op 15 juni 2015 is het Programma Aanpak Stikstof (PAS) vastgesteld. Het PAS bevat maatregelen die leiden tot een afname van stikstofdepositie en maatregelen die leiden tot een versterking van de natuurwaarden in de Natura 2000-gebieden. Een gedeelte van de toekomstige afname van stikstofdepositie kan vervolgens worden opgevuld door economische activiteiten die leiden tot een toename van stikstofdepositie. In de praktijk blijkt echter de afname van stikstofdepositie als gevolg van de maatregelen niet gegarandeerd te kunnen worden. Daarom heeft op 29 mei 2019 de Raad van State een uitspraak gedaan. Hierin oordeelt de Raad dat het PAS niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt. Het uitgangspunt is sindsdien nog steeds dat voor nieuwe initiatieven aangetoond moet worden dat er geen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofemissies en deposities ontstaan als gevolg van het initiatief. Het instrument waarmee de stikstof berekend kan worden is de AERIUS Calculator (update april 2020). Planspecifiek Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een beschermd gebied zoals het Natuur Netwerk Nederland, Natura 2000, weidevogelgebied of strategische natuur.
Om vervolgens te beoordelen of de beoogde ontwikkeling geen belasting voor nabijgelegen natuurgebieden oplevert door extra stikstofbelasting is een Aeriusberekening uitgevoerd, zie bijlage 5. De conclusie van het onderzoek luidt: Mede op basis van de conclusies van de toetsing is vervolgens een Aeriusberekening uitgevoerd. Voor de berekening is uitgegaan van uitstoot in de gebruiksfase en in de aanlegfase. De resultaten van de berekening zijn dat er geen overschrijding is op nabijgelegen Natura 2000 gebieden hoger dan 0,00mol/ha/j is. Zie ook onderstaand resultaat van de berekening. Gezien deze conclusie is dus dat het aspect stikstof geen belemmering vormt voor voorliggend plan.
Uitsnede rapportage Aeriusberekening. Gezien bovenstaande conclusies vormt het aspect Flora en Fauna geen belemmering voor voorliggend plan.
Bodemkwaliteit Het is wettelijk geregeld (Wbb en bouwverordening) dat bouw pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen, als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Indien sprake is van een verdachte locatie dient onderzocht te worden in welke mate de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Planspecifiek Voor de locatie wijzigt de bestemming van Maatschappelijk naar Wonen. Om te bepalen of de milieuhygiënische bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is een bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 6. De conclusie van het onderzoek luidt: Pagina 23 Bestemmingsplan Herontwikkeling Watering
Het bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5740 richtlijnen voor een niet-verdachte locatie. De hypothese voor het onderzoek is echter, dat er licht verhoogde gehalten van zware metalen en of PAK in de mogelijk puin houdende grond aanwezig zijn. Het veldwerk is, door KIWA gecertificeerde medewerkers, uitgevoerd onder het procescertificaat BRL SIKB 2000, conform de VKB protocollen 2001 en 2002. In de bovengrond zijn lichte verhogingen van kobalt, lood, minerale olie en of som PAK geconstateerd. In de mengmonsters van de ondergrond zijn geen verhogingen van de onderzochte stoffen aangetroffen. In het grondwater is een lichte verhoging van barium aangetroffen. De hypothese dat in de grond licht verhoogde gehalten verontreinigende stoffen aanwezig zijn, wordt in het onderzoek bevestigd. De hypothese dat in het grondwater geen verhoogde concentraties aanwezig zijn, behalve mogelijk van nature verhoogde concentraties, wordt in het onderzoek eveneens bevestigd. De aangetroffen verhogingen zijn dusdanig gering of verklaarbaar uit omgevingsfactoren, dat voor het instellen van een vervolgonderzoek geen aanleiding wordt gezien. Op de locatie bestaan, op grond van de resultaten van dit onderzoek, geen risico's voor de volksgezondheid of de ecologie bij elk beoogd gebruik. Gezien bovenstaande conclusies bestemmingsplan.
vormt
het
aspect bodem geen belemmering
voor
het
Luchtkwaliteit Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. Tabel 2. Grenswaarden maatgevende stoffen Wet luchtkwaliteit.
Toetsing van Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10)
Fijn stof (PM2,5)
Grenswaarde
jaargemiddelde concentratie Uurgemiddelde (mag max. 18 keer per jaar worden overschreden) jaargemiddelde concentratie 24-gemiddelde concentratie (mag max. 35 keer per jaar worden overschreden) jaargemiddelde concentratie
40 µg / m³ 200 µg / m³
Advieswaarde (WHO) 40 µg / m³
40 µg / m³ 50 µg / m³
20 µg / m³
25 µg / m³
10 µg / m³
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen, uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens, rekening gehouden met de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM (Niet in Betekenende Mate) en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden
Pagina 24 Bestemmingsplan Herontwikkeling Watering
hoeft te worden getoetst. Dit kan het geval zijn wanneer een project een effect heeft van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10. Planspecifiek Een plan voldoet in de regel aan het NIBM criterium als het minder dan 1.500 woningen betreft dan wel als er sprake is van een BVO van maximaal 100.000 m 2. Voorliggend plan blijft ruim onder het criterium. Nader onderzoek in het kader van luchtkwaliteit is dan ook niet noodzakelijk. Voorts is de huidige situatie ten aanzien van de luchtkwaliteit in beeld gebracht. Hiervoor is de site https://www.nsl-monitoring.nl geraadpleegd.
Concentratie stikstof, plangebied nabij pijl (bron: NSL Monitoringstool)
Concentratie PM10 fijnstof, plangebied nabij pijl (bron: NSL Monitoringstool)
Concentratie PM 2,5 fijnstof, plangebied nabij pijl (bron: NSL Monitoringstool) De concentraties blijven op basis van de NSL monitoringstool onder de wettelijk vereiste gemiddelde concentraties. De WHO en GGD hanteren advieswaarden voor fijn stof (PM 10) van 20 microgram per kuub, en 10 microgram per kuub voor PM 2,5 wat lager ligt dan de wettelijke grenswaarden. Voorliggend plan is getoetst aan het wettelijk vereiste. Gelet op het bovenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen beletsel voor dit plan
Externe Veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid
Pagina 25 Bestemmingsplan Herontwikkeling Watering
en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s: • risicovolle (Bevi-)inrichtingen; (Bevi staat voor Besluit externe veiligheid inrichtingen) • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Deze begrippen worden hieronder toegelicht. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour.
Bij groepsrisico is niet een contour bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Bij groepsrisico wordt gewerkt met een oriëntatiewaarde en niet met een grenswaarde. Hoe meer mensen dicht op de bron zijn bij een bepaalde calamiteit, hoe groter het effect. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) stelt dat bij elk bestemmingsplan, waar een relevant groepsrisico aanwezig is, dit risico moet worden verantwoord, ook wanneer dit onder de oriëntatiewaarde ligt. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico des te zwaarder de verantwoording is. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven.