Bijlagen bij de toelichting.pdf
Tekst van het document
Waterrijk fase 3B en 3C
bestemmingsplan Waterrijk fase 3B en 3C
Inhoudsopgave
Bijlagen bij de toelichting
3
Bijlage 1
Beeldkwaliteitsplan fase 3C
4
Bijlage 2
Watertoets
11
Bijlage 3
Verkennend bodem- en waterbodemonderzoek
29
Bijlage 4
Verkennend natuuronderzoek
200
Bijlage 5
Onderzoek stikstofdepositie
222
Bijlage 6
Verkeersonderzoek
244
Bijlage 7
Akoestisch onderzoek
251
Bijlage 8
Aanmeldnotitie m.e.r.
342
Bijlage 9
Nota van beantwoording wettelijk vooroverleg
344
Bijlage 10
Nota van beantwoording zienswijzen
352
2
Inhoudsopgave (vastgesteld)
bestemmingsplan Waterrijk fase 3B en 3C
Bijlagen bij de toelichting
Bijlagen bij de toelichting (vastgesteld)
3
bestemmingsplan Waterrijk fase 3B en 3C
Bijlage 1 Beeldkwaliteitsplan fase 3C
4
Bijlagen bij de toelichting (vastgesteld)
Waterrijk - Oosthuizen beeldkwaliteitsplan fase 3C 09-02-2021
1
Beeldkwaliteit fase 3C Oosthuizen Inleiding Fase 3C is het gebied nabij de school, grenzend aan de bestaande woonbuurt ten zuidwesten van de Seevancksweg. In het stedenbouwkundig ontwerp is gekozen voor een meer verdichte bebouwing rond de school. Deze keuze vraagt om een andere stedenbouwkundige typologie, afwijkend van de stedenbouwkundige typologie die reeds is in Waterrijk is gerealiseerd en nog wordt gerealiseerd (fase 3B). Een enigszins andere stedenbouwkundige opzet vraagt om een aanvulling op het beeldkwaliteitsplan. In het bouwveld (3C) tegenover De MFA wordt gedacht aan een meer traditionele stedenbouwkundige opzet met voorzijden aan de weg en aanééngesloten achtertuinen in combinatie met semi-openbare parkeerkoffers. Gedacht wordt aan rijwoningen en tweekapwoningen. Binnen deze opzet zijn ook beneden-bovenwoningen denkbaar. Naast deze meer traditionele stedenbouwkundige opzet is tevens een opzet denkbaar met een hofstructuur. Dit is bouwvorm gericht op een specifieke doelgroep met een gesloten bouwblok met daarbij collectief groen aan de binnenzijde van het bouwcluster. Ook wordt dit bouwvlek 3C grenzend aan de MFA wordt het mogelijk gemaakt ook appartementen te bouwen. Appartementen zijn hier denkbaar omdat deze goed kunnen aansluiten op de maat en schaal van het school / buurtgebouw en de openheid van het landschap.
Daarnaast is een grotere diversiteit aan woningtypen gewenst.
Beeldkwaliteit blijft gelden 2
Voor fase 3C blijft het beeldkwaliteitsplan Waterrijk kracht. Dit betekent in hoofdlijn het realiseren van woningen met een landelijke beeldtaal zoals omschreven. Gebouwen hebben altijd kappen en behouden een kleinschalige uitstraling. De architectuur sluit aan op het reeds gerealiseerde beeld in Waterrijk.
Aanvulling op de beeldkwaliteit In aanvulling op het bestaande beeldkwaliteitsplan is deze allonge opgesteld, zodat de woningen in fase 3C ook een aansluiting kunnen vinden met aangrenzende woonwijk aan de overzijde van de Seevancksweg. Dit betekent dat anders dan in de gerealiseerde fasen van Waterrijk, repetitie van woningen naast elkaar is toegestaan zoals de tweekapwoningen langs de Seevancksweg en Grote Woud. Daarbij is het toegestaan een dominante/repeterende nokrichtingen van woningen te kiezen. Woningtypen hoeven niet te worden gemengd zoals deze zijn gemengd in de eerdere bouwfasen. De repetitie geldt niet voor de zogenaamde notaris-woning. Het plaatsen van een notaris-woning in een buurtje met meer repetitie is niet toegestaan.
Appartementen In afwijking op de eerdere fasen en fase 3B is het in fase 3C mogelijk appartementen te realiseren. Het bestemmingsplan staat maximaal 3 kleinschalige appartementengebouwen toe met een maximaal footprint van 750 m2 per gebouw. De maximale goothoogte bedraagt 12 meter, de maximale bouwhoogte 16 meter. Voor de appartementen geldt dat ook deze gebouwen moeten passen binnen de gestelde beeldkwaliteitsregels voor Waterrijk. De nieuwe school en de gebouwen van de Prinsenstichting zijn hier voorbeelden van. Voor het ontwerpen van de appartementen gelden de oude kaaspakhuizen die eens in Oosthuizen stonden als referentie. Het idee is met de nieuwe appartementen gebouwen deze sfeer uit het verleden op te roepen. De architectuur is niet historiserend, maar bedoeld als een knipoog naar het verleden. Beelden van de pakhuizen zijn bijgevoegd. De gebouwen voldoen aan de volgende uitgangspunten: • • • • • • •
de gebouwen hebben een simpele hoofdvorm met zadeldak of een samenstelling van simpele hoofdvormen met zadeldak de gebouwen hebben topgevels of een zadeldak met overstek en licht getint boeideel de gebouwen zijn alzijdig georiënteerd de gebouwen hebben een herkenbare, gemetselde plint tot de eerste of tweede bouwlaag de gebouwen hebben gevels waarvan delen zijn uitgevoerd in hout of houtachtige materialen de gebouwen hebben gevels met een ritmische indeling van de ramen de gebouwen hebben buitenruimte die zodanig zijn gesitueerd dat ze geen afbreuk doen aan het hoofdvolume van het gebouw
3
4
Referentiebeelden Kaaspakhuizen Oosthuizen
5
Voorbeeld van buitenruimten die geen afbreuk doen aan het hoofdvolume van het gebouw. Gebouwen in relatie tot de natuur.
Voorbeeld Kaaspakhuis Sint Pancras (gemetselde plint tot en met de tweede bouwlaag)
Referentiebeelden fase 3C
februari 2021
bestemmingsplan Waterrijk fase 3B en 3C
Bijlage 2 Watertoets
Bijlagen bij de toelichting (vastgesteld)
11
Watertoets Waterrijk Oosthuizen Projectnummer: 367481 Referentienummer: SWNL0267629 Datum: 21-10-2020
Waterrijk Oosthuizen Fase 3
Definitief
Opdrachtgever: BPD Ontwikkeling B.V. Postbus 51.262 1007 EG AMSTERDAM
Sweco De Holle Bilt 22 3732 HM De Bilt Postbus 203 3730 AE De Bilt
T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl
Sweco Nederland B.V. Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt
Maaike Leppink Adviseur Water en Governance T +31 88 811 67 88 M +31 6 57 02 73 07
Verantwoording Titel
Waterrijk Oosthuizen
Subtitel
Fase 3
Projectnummer
367481
Referentienummer
SWNL0267629
Revisie
D01
Datum
21-10-2020
Auteur
Maaike Leppink, Thomas Braaksma
E-mailadres
maaike.leppink@sweco.nl
Gecontroleerd door
Johan Wit
Paraaf gecontroleerd
Goedgekeurd door
Jeroen Muijsers
Paraaf goedgekeurd
2 (9)
Inhoudsopgave 1
Inleiding .................................................................................................................. 4
1.1
Aanleiding ................................................................................................................ 4
1.2
Leeswijzer ................................................................................................................ 4
2
Uitgangspunten en randvoorwaarden ................................................................. 5
2.1
Geografische ligging plangebied ............................................................................. 5
2.2
Stedenbouwkundig plan .......................................................................................... 5
3
Beschrijving huidige situatie ................................................................................ 7
3.1
Opbouw watersysteem ............................................................................................ 7
3.2
Peilbesluit ................................................................................................................ 7
3.3
Bodemopbouw ......................................................................................................... 8
3.4
Geohydrologie ......................................................................................................... 9
3.5
Waterveiligheid ...................................................................................................... 10
3.6
Riolering ................................................................................................................. 10
3.6.1
Huishoudelijk afvalwater .....................................................................................................10
3.6.2
Omgaan met hemelwater ....................................................................................................10
4
Toekomstige situatie ........................................................................................... 12
4.1
Waterhuishouding .................................................................................................. 12
4.1.1
Watersysteem .....................................................................................................................12
4.1.2
Compensatie .......................................................................................................................13
4.1.3
Riolering ..............................................................................................................................15
4.2
Beheer en onderhoud ............................................................................................ 15
5
Conclusie .............................................................................................................. 17
3 (9)
1
Inleiding
1.1 Aanleiding BPD Ontwikkeling is voornemens om ten zuidoosten van de kern Oosthuizen nieuwbouw te realiseren van circa 360 woningen. Dit is verwoord in het plan ‘Waterrijk’. De ontwikkeling is opgeknipt in drie fases, zie figuur 1. In fase 1 zijn 50 woningen gerealiseerd. In fase 2 worden 88 woningen gerealiseerd. Deze fase is op moment van schrijven in uitvoering. Voor fase 3 zijn 222 woningen gepland. Fase 3A (59 woningen) is middels een uitwerkingsplan mogelijk gemaakt. Voor de overige 163 woningen wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld
Figuur 1 Fasering ontwikkeling
Voor het gehele plan is in 2009 een waterplan1 opgesteld dat als onderlegger geldt voor de complete ontwikkellocatie. Voor fase 3 dient een nieuw bestemmingsplan opgesteld te worden, aangezien het aantal te realiseren woningen omhoog gaat. Vanwege deze wijziging is het noodzakelijk om een nieuwe watertoets op te stellen. Dit rapport betreft de watertoets voor fase 3 en geeft tevens de geactualiseerde oppervlaktes voor het gehele plangebied (fase 1 t/m 3) om te verzekeren dat het gehele plangebied waterneutraal wordt ontwikkeld. 1.2 Leeswijzer Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en gehanteerde ontwerpuitgangspunten. Hoofdstuk 3 geeft een meer inhoudelijke beschrijving van de waterhuishoudkundige en bodemkundige situatie. Hoofdstuk 4 gaat in op de toekomstige situatie en een toets op de gehanteerde ontwerpuitgangspunten.
1 Waterstructuur Waterrijk, Oosthuizen. (2008). Grontmij.
4 (9)
2
Uitgangspunten en randvoorwaarden
2.1
Geografische ligging plangebied
In figuur 2 is de globale ligging van het plangebied weergegeven. Het plan ligt ten zuiden van Oosthuizen in de polder De Zeevang. Aan de oostkant wordt het plan begrensd door de spoorlijn Hoorn-Purmerend, aan de westkant door polder De Beemster. Het plangebied is circa 60 ha groot.
Figuur 2 Ligging plangebied
2.2 Stedenbouwkundig plan Voor Waterrijk fase 3 is een nieuw stedenbouwkundig plan opgesteld. Dit stedenbouwkundig plan is in figuur 2 opgenomen. Naast 222 woningen bevat het plan
5 (9)
tevens MFA De Groote Molen (reeds gebouwd en in gebruik) en dagbesteding Prinsenstichting. Verder is in het plan veel ruimte gelaten voor groen en water.
Figuur 2: Stedenbouwkundig plan Waterrijk fase 3
6 (9)
3
Beschrijving huidige situatie
3.1 Opbouw watersysteem Figuur 3 is een uitsnede van de leggerkaart van HHNK. Hierin is de categorie van de diverse watergangen weergegeven. De meeste watergangen in het plangebied zijn tertiair, wat inhoudt dat deze voornamelijk een bergende functie hebben. Deze watergangen zijn niet van groot belang voor de aan-/afvoer van water. De meeste waterlopen binnen het plangebied zijn tevens tertair doordat ze gelegen zijn binnen een particuliere peilafwijking met slechts 1 belanghebbende.
Figuur 3: Uitsnede legger (bron: HHNK)
Aan de noordzijde van het plangebied is een poldergemaal geplaatst. Verder is ter hoogte van de Prinsenstichting een VOPO-pomp geplaatst. In het plangebied zijn verder een aantal dammen en onderleiders aangelegd, ten behoeve van de scheiding tussen de peilgebieden.
3.2 Peilbesluit Het (hoofd)watersysteem van polder de Zeevang heeft in het vigerende peilbesluit een dynamisch peil van NAP-2,33 meter. Dit peilgebied wordt door het hoogheemraadschap bemalen door 2 gemalen bij resp. Warder en Middelie. Naast dit hoofdpeilgebied zijn er diverse andere peilgebieden en particuliere peilafwijkingen die hun overtollig water uitslaan op het peilgebied van NAP-2,33 meter. Het plangebied wordt in de bestaande situatie door verschillende gemaaltjes bemalen. In de uiteindelijke situatie zal het grootse deel van het plangebied Waterrijk aangesloten worden op het stedelijk waterpeil NAP-2,80 meter waar een groot deel van het bestaande stedelijk gebied van Oosthuizen reeds in ligt. In het vigerende peilbesluit is met de begrenzing van peilgebied 5801-14 reeds ingespeeld op de ontwikkeling van Waterrijk.
7 (9)
Figuur 4 Peilbesluit
3.3 Bodemopbouw In figuur 5 en figuur 6 is een overzicht opgenomen van de bodemopbouw van het plangebied. De eerste meters onder het maaiveld bestaan uit holocene afzettingen. Hiervan bestaat de bovenste 1,4 meter uit veen, de tweede laag (-1,4 tot -11,0 m) bestaat uit klei. Vanaf 11,0 meter onder het maaiveld bestaat de grond uit zand.
8 (9)
Figuur 6 Hydrogeologie
Figuur 5 Lithologie
3.4 Geohydrologie Tijdens grondwaterstandmetingen in de periode 2009 t/m 2019 was de grondwaterstand circa 0,3 m-mv (circa NAP -2,40 m). Deze waarde ligt onder het zomer- en winterpeil. Aangenomen wordt dat de grondwaterstand ter plaatse van de meting wordt beïnvloed door de onderbemalen watergangen met een niveau van circa NAP -2,70 m. Tijdens de veldwerkzaamheden is de grondwaterstand bepaald op NAP -2,4 m (circa 0,2 m –mv). De gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) is aangehouden op NAP -2,80 m. De maximale stijghoogte in het eerste watervoerende pakket is op basis van de waterstanden uit de database van TNO, DINO aangehouden op NAP -2,50 m. Er is dus sprake van een lichte kwelsituatie. De gemeente geeft in het GRP (2018-2023) als uitgangspunt mee dat projectontwikkelaars bij nieuwbouw zorg dragen voor voldoende ontwatering. Dit dient binnen het nieuwbouwproject gerealiseerd te worden en mag problemen niet afwentelen naar de omgeving. In bebouwd gebied streeft de gemeente naar een voldoende ontwateringsdiepte. In Tabel 1 is de basisdefinitie weergegeven van minimale ontwateringsdiepten bij nieuwbouw. Tabel 1 Geadviseerde minimale ontwateringsdiepte bij nieuwbouw (bron: SBR, publicatie 99)
Functie Woningen zonder kruipruimte Woningen met kruipruimte* Tuinen/Groenvoorzieningen Hoofdwegen
Minimaal benodigde ontwatering 0.5 m 0.7 m 0.5 m 1.0 m
* t.o.v. onderkant vloer; ** t.o.v. de kruin van de weg
9 (9)
In de regio zijn deze ontwateringsdiepten niet altijd mogelijk. Op deze locaties is drooglegging bepalend voor de ontwateringsdiepten. Drooglegging is het verschil tussen het maaiveld en het gehandhaafde peil. Door de bodemdaling problematiek in de regio blijft ontwatering een punt van aandacht, ook na oplevering van nieuwbouw. 3.5 Waterveiligheid Polder de Zeevang wordt omringd door een primaire waterkering langs het Markermeer en verder door regionale keringen langs de boezemwaterlopen van de Schermerboezem (zoals de Beemsterringvaart). Nabij het plangebied bestaat de regionale waterkering langs het Westeinde uit een damwand langs het boezemwater. In het plangebied zijn geen regionale waterkeringen aanwezig. Wel zijn er peilscheidingen tussen de NAP-2,33 en het NAP-2,80 meter peilgebieden die aandacht behoeven en in stand gehouden moeten worden. 3.6
Riolering
3.6.1 Huishoudelijk afvalwater De kern Oosthuizen is grotendeels voorzien van een gemengd rioolstelsel. Een deel van het gebied is voorzien van een voormalig verbeterd gescheiden stelsel (VGS). Dit stelsel is recent omgebouwd naar een gescheiden stelsel, wat inhoudt dat hemelwater rechtstreeks naar het oppervlaktewater wordt afgevoerd. Het afvalwater van Oosthuizen wordt via meerdere gemalen afgevoerd naar de RWZI gelegen aan het Beetsdijkje, circa 500 m ten noorden van Oosthuizen aan de westkant van de N247. Door de ontwikkeling van Waterrijk, neemt de afvalwaterhoeveelheid toe. Gemaal Doelewoud (nabij het plangebied) heeft afvoercapaciteit beschikbaar voor circa nog eens 450 woningen. De gerealiseerde woningen in fase 1 zijn hierop aangesloten. Voor fase 2 (en 3) wordt een nieuw gemaal geplaatst. Dit gemaal voert via een nieuwe persleiding af en wordt aangesloten op de afgaande persleiding van gemaal Doelewoud. De gemeente streeft naar een gescheiden inzameling van afval- en hemelwater, door waar mogelijk en doelmatig verhard oppervlak af te koppelen. Bij nieuwbouw dient een gescheiden stelsel aan te worden gelegd voor de inzameling van afval- en hemelwater. 3.6.2 Omgaan met hemelwater In het GRP zijn diverse uitgangspunten voor hemelwater geformuleerd. Voor het omgaan met hemelwater wordt de voorkeursvolgorde ‘vasthouden-bergen-afvoeren’ gehanteerd.
Dit betekent dat er zo veel mogelijk water vastgehouden moet worden, door middel van bijvoorbeeld holle straatprofielen en het inrichten van parken en plantsoenen voor waterberging. Voor het afvoeren van hemelwater is gescheiden inzameling het uitgangspunt. Om water te kunnen vasthouden wordt ingezet op een waterrobuuste inrichting. Dat houdt in dat er voldoende ruimte voor groen en extra oppervlaktewater wordt gereserveerd. Beide componenten hebben tevens een positief effect op de leefbaarheid van het gebied. Naast het verminderen van wateroverlast is er ook een positief effect op bijvoorbeeld hittebestendigheid. De gemeente heeft in het GRP ontwerpuitgangspunten geformuleerd. Voor het ontwerp van het maaiveld en ondergrondse stelsels dienen actuele ruimtelijke en hydraulische analyses
10 (9)
te worden gehanteerd. Voor nieuwe rioolstelsels dient als vertrekpunt een ontwerpbui met een frequentie van voorkomen van eenmaal per twee jaar (bui 08 uit de landelijke Leidraad Riolering, ca. 20 mm in één uur) te worden gehanteerd. In aanvulling daarop moet ook worden doorgekeken naar een ontwerpbui met een frequentie van voorkomen van eenmaal per tien jaar (bui 10 uit de landelijke Leidraad Riolering, ca. 30 mm in één uur). In de nadere uitwerking van het rioleringsplan zal hierop getoetst worden. Als de maatregelen om deze bui te verwerken niet leiden tot significant hogere kosten, dienen deze in overweging te worden genomen.
11 (9)
4
Toekomstige situatie
4.1
Waterhuishouding
4.1.1 Watersysteem In overleg met HHNK en de gemeente is besloten om het stedelijk peil van -2,80 NAP toe te passen in het plangebied. De nieuwe watergangen in het plangebied worden NAP -2,80 m. De bestaande watergang ter hoogte van de Prinsenstichting blijft gehandhaafd op NAP 2,33 m. De bestaande watergang ten oosten van het plangebied blijft tevens gehandhaafd op NAP -2,33 m.
Figuur 7: Inrichting Fase 3
De bestaande doodlopende watergang ten noorden van het plangebied (groen aangegeven in figuur 7) wordt in waterpeil verlaagd en aangesloten op het NAP-2,80 meter waterpeil. Hierbij dient het profiel ook verdiept te worden en adviseert het hoogheemraadschap om de waterloop aan de westzijde ook te verbinden met de duiker van het bestaande stedelijk watersysteem om goede doorstroming en afvoer te realiseren. In figuur 7 staat dit middels een inspectieput op de bestaande duiker aangegeven. Door het aanleggen van de waterloop aan de oostzijde van het plangebied ontstaat er een lange peilscheiding die voldoende robuust moet worden aangelegd om kwel e.d. te
12 (9)
voorkomen. Het slotenpatroon is hier op aangepast en dient bij de verdere uitwerking van het plan nog nader te worden afgestemd met het hoogheemraadschap. Gezien de stedelijke functie van het peilgebied Waterrijk en inspelend op de toekomst en het veranderende klimaat dient de gemaalcapaciteit voldoende groot te zijn. Het hoogheemraadschap stelt voor om het gemaal een capaciteit te geven van 400 m3/h. Tussen fase 3a en 3 wordt een zinkerconstructie aangebracht t.b.v. de waterverbinding. Het hoogheemraadschap adviseert om deze van licht kunststof materiaal uit te voeren. Om de in- en uitstroom van deze zinker te kunnen onderhouden is het belangrijk dat deze bereikbaar is voor onderhoudsvoertuigen. De waterloop breedte van 6 meter is een minimale obstakelvrije waterbreedte die benodigd is voor varend onderhoud. Dit betekent dat er binnen dit profiel geen particuliere steigers mogelijk zijn. Dit aspect dient ook goed gecommuniceerd te worden naar de toekomstige bewoners. Tevens dient er voor ieder vaartracé een maaiboot te waterlaatplaats en maaisel ophaalplekken worden gerealiseerd. Voor de duikers in de doorgaande hoogwatersloot tussen fase 3 en 3a dient nader bekeken te worden wat de minimale benodigde natte profiel moet worden. De kunstwerken in deze sloot kunnen niet doorvaarbaar gemaakt worden.
Daarnaast dient er nog aandacht te zijn voor inlaten naar het NAP-2,80 meter peilgebied. Deze kunstwerken zijn nodig t.b.v. peilhandhaving en doorstroming. Ten oosten van het plangebied ligt een kavel die momenteel wordt onderbemalen via een zinker en een VOPO pomp t.p.v. de Prinsenstichting. Door de ontwikkeling van Waterrijk zal deze VOPO pomp worden verwijderd. In figuur 7 is de bestaande VOPO pomp t.p.v. de Prinsenstichting aangegeven. Tevens is het perceel dat momenteel wordt onderbemalen weergegeven. Onderzocht zal worden of de VOPO pomp op het agrarisch perceel geplaatst kan worden. Bij de nadere uitwerking van het plan zal in overleg met HHNK, gemeente en de perceeleigenaar de locatie van de VOPO pomp nader worden uitgewerkt. De watergangen in het plangebied krijgen allen de functie stedelijk water (behoudens de hoogwatersloten). Conform de Keur van het HHNK zijn deze watergangen minimaal 6,0 m breed (op de waterlijn) en 1,0 m diep. Taluds mogen niet steiler zijn dan 1:2. Afhankelijk van de grondslag is een flauwer talud gewenst (bijvoorbeeld in zandgrond, in verband met het inzakken van de oevers). Verder is wellicht een geringere waterdiepte en waterbreedte wenselijk. Dit is het geval bij de watergangen parallel aan de Seevancksweg. Hier is de diepte aangehouden op 0,8 m, in verband met de stabiliteit van de weg.
Voor de afvoer van water dient te worden uitgegaan van duikers met een minimale diameter van 800 mm. Een gevulde duiker bestaat uit circa 25% lucht.
4.1.2 Compensatie Een toename in verhard oppervlak resulteert in een snellere afvoer van neerslag, wat resulteert in een hogere peilstijging van het oppervlaktewater. Om deze negatieve effecten op de werking van het oppervlaktewatersysteem te voorkomen, bestaat er een compensatieplicht voor verhard oppervlak. HHNK heeft twee belangrijke uitgangspunten
13 (9)
geformuleerd over de watercompensatie in het beheergebied. Dit zijn ‘dempen is graven’ en ‘wateropgave in eigen plangebied oplossen’ (niet afwentelen). In de Keur van het HHNK staat dat er compensatieplicht geldt in de volgende gevallen; • 10% watercompensatie van de toename in verhard oppervlak, wanneer er meer dan 800m2 en minder dan 2.000m2 verhard oppervlak wordt aangebracht; • Maatwerkberekening bij verhardingstoename boven de 2.000m2. Voor Waterrijk is destijds een maatwerkberekening uitgevoerd, waarin is gesteld dat er een compensatie-eis ligt van 12% van het nieuwe verhard oppervlak. Per fase is gekeken naar de veranderingen t.o.v. de hoeveelheid verhard oppervlak en oppervlaktewater. Het verhard oppervlakte bestaat uit de toekomstige verhardingen, dakoppervlaktes en 40% verharding van het uitgeefbaar terrein. Op basis van bovenstaande uitgangspunten is gekeken naar de benodigde compensatie, waaruit ten slotte een tekort (positief getal) of overschot (negatief getal) volgt. In de laatste tabel is een totaaloverzicht gemaakt, waaruit blijkt dat er in beide peilgebieden een licht overschot aan te graven water wordt behaald.
Fase 1 Verhard oppervlak Compensatie (12%)
Huidig [m²] -2,33 m -2,80 m 114
Toekomstig [m²] -2,33 m -2,80 m 10.810 1.297
Water Dempen (D) Graven (G) Compensatie (D-G)
-
195 202 -7
Tekort/Overschot
-
1.290
Fase 2 Verhard oppervlak Compensatie (12%)
Huidig [m²] -2,33 m -2,80 m -
Toekomstig [m²] -2,33 m -2,80 m 2.282 18.788 275 2.255
Water Dempen (D) Graven (G) Compensatie (D-G)
185 1.710 -1.525
3.710 -3.710
Tekort/Overschot
-1.250
-1.455
14 (9)
Fase 3 Verhard oppervlak Compensatie (12%)
Toekomstig [m²] -2,33 m -2,80 m 50.995 6.119
Water Dempen (D)* Graven (G) Compensatie (D-G)
2.402 8.367 -5.965
Tekort/Overschot
154
Totaal Verhard oppervlak Compensatie (12%)
Huidig [m²] -2,33 m -2,80 m
Huidig [m²] -2,33 m -2,80 m 114
Toekomstig [m²] -2,33 m -2,80 m 2.282 80.593 9.671
Water Dempen (D) Graven (G) Compensatie (D-G)
185 1.710 -1.525
2.597 12.279 -9.682
Tekort/Overschot
-1.525
-11
4.1.3 Riolering In het gehele plangebied wordt een gescheiden rioolstelsel aangelegd, wat inhoudt dat afstromend regenwater apart wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater. Huishoudelijk afvalwater wordt via aparte riolering afgevoerd naar een rioolgemaal. Door de ontwikkeling van de woningen ontstaat een toename van de afvalwaterproductie. De maximale afvalwaterproductie waarop gerekend moet worden, bedraagt circa 13 m³/h (163 woningen * 3 i.e. per woning * 12 l/h/i.e.). Ten opzichte van het waterhuishoudingplan wordt de hoofdstructuur van de riolering voor fase 2 en 3 gewijzigd. In fase 1 is aangesloten op gemaal Doelewoud. In fase 3 komt één rioolgemaal dat het vuilwater voor fase 2 en fase 3 met een persleiding afvoert naar de afgaande persleiding van gemaal Doelewoud. Laatstgenoemde gemaal voert het water uiteindelijk af naar de rioolwaterzuivering. 4.2 Beheer en onderhoud In onderstaande afbeeldingen zijn de watergangen weergegeven met daarbij de onderhoudsplichtigen.
15 (9)
Figuur 8 Onderhoudsplichtigen per watergang
De riolering zal onderdeel uitmaken van het areaal van de gemeente Edam-Volendam. Het beheer en onderhoud van de verschillende objecten zal dan ook bij deze organisatie worden ondergebracht.
16 (9)
5
Conclusie
Naar aanleiding van de conclusies per thema kan worden gesteld dat de ontwikkeling, mits gehouden aan de regels en eisen van de te verkrijgen vergunningen, geen nadelig effect heeft op het watersysteem. Voor volgende zaken in dit plan is een watervergunningsplicht: • Dempen van wateren; • Wijzigen en aanleg van wateren; • Aanleggen van verhard oppervlak; • Verwijderen en aanbrengen van kunstwerken (bruggen, dam met duiker, gemaal, beschoeiing). Bij de verdere uitwerking van het stedenbouwkundig plan is overleg en samenwerking met het HHNK gewenst.
17 (9)
bestemmingsplan Waterrijk fase 3B en 3C
Bijlage 3 Verkennend bodem- en waterbodemonderzoek
Bijlagen bij de toelichting (vastgesteld)
29
Rapport Projectnummer: 367481 Referentienummer: SWNL0265605 Datum: 03-09-2020
Verkennend bodemonderzoek en waterbodemonderzoek Locatie Waterrijk (fase 3) te Oosthuizen (Oosthuizen, sectie E, nrs. 2211, 2212, 706,145, 146, 2210, 732)
Definitief
Opdrachtgever: BPD Ontwikkeling BV IJsbaanpad 1 1076 CV AMSTERDAM
Sweco
T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl
Sweco Nederland B.V. Alkmaar Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt
J. van Garderen Adviseur Bodem en Ondergrond T +31 88 811 5307 M +31 6 1264 1508
Verantwoording Titel
Verkennend bodemonderzoek en waterbodemonderzoek
Subtitel
Locatie Waterrijk (fase 3) te Oosthuizen
Projectnummer
367481
Referentienummer
SWNL0265605
Revisie
D01
Datum
03-09-2020
Auteur(s)
Arthur Nijdam
E-mailadres
arthur.nijdam@sweco.nl
Gecontroleerd door
Marco Hollander
Paraaf gecontroleerd
Goedgekeurd door
Tanja van Zanden
Paraaf goedgekeurd
Kwaliteitsborging en onafhankelijkheid Het managementsysteem van Sweco Nederland B.V. voldoet aan verschillende eisen en normen. Een algemeen overzicht hiervan is opgenomen in de laatste bijlage. Sweco Nederland B.V. verklaart hierbij dat zij en haar onderaannemers geen belang hebben bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Het onderzoek is derhalve volgens de eisen uit het Besluit bodemkwaliteit onafhankelijk uitgevoerd. Volgens het Besluit bodemkwaliteit dient onderzoek uitgevoerd te worden volgens, door de SIKB, vastgestelde beoordelingsrichtlijnen. In de rapportage wordt, indien van toepassing, expliciet vermeld bij welke werkzaamheden is afgeweken van de beoordelingsrichtlijnen en onderliggende protocollen. De consequenties hiervan zijn dan toegelicht.
2 (27)
Inhoudsopgave 1
Inleiding ............................................................................................................. 5
1.1
Algemeen ............................................................................................................ 5
1.2
Aanleiding en doelstelling .................................................................................... 5
1.3
Opbouw van het rapport ...................................................................................... 5
2
Vooronderzoek .................................................................................................. 6
2.1
Algemeen ............................................................................................................ 6
2.2
Onderzoekslocatie ............................................................................................... 6
2.3
Bekende (bodem)onderzoeksgegevens ............................................................... 9
2.4
Bodemkwaliteitskaart ......................................................................................... 10
2.5
PFAS................................................................................................................. 11
2.6
Resultaten locatiebezoek ................................................................................... 11
2.7
Waterbodem ...................................................................................................... 11
2.8
Conclusies vooronderzoek ................................................................................. 12
2.9
Onderzoekshypothese en -strategie ................................................................... 13
3
Veldonderzoek ................................................................................................. 14
3.1
Onderzoeksstrategie.......................................................................................... 14
3.2
Onderzoek grond ............................................................................................... 14
3.3
Grondwateronderzoek ....................................................................................... 14
4
Laboratoriumonderzoek .................................................................................. 16
5
Resultaten bodemonderzoek .......................................................................... 19
5.1
Toetsingskader .................................................................................................. 19
5.2
Mate van bodemverontreiniging ......................................................................... 19
5.3
Hergebruik van grond ........................................................................................ 21
5.3.1
Overige parameters ....................................................................................................... 21
5.4
Voorlopige veiligheidsklasse .............................................................................. 21
6
Interpretatie onderzoeksresultaten ................................................................. 24
6.1
Verontreinigingssituatie ...................................................................................... 24
6.2
Noodzaak tot vervolgonderzoek ......................................................................... 24
6.3
Hergebruik van grond ........................................................................................ 24
6.4
Veiligheidsaspecten ........................................................................................... 25
7
Conclusie en advies ........................................................................................ 26
Protocollen en onderzoeksnormen ................................................................................ 27
3 (27)
Bijlage 1
Topografische ligging onderzoekslocatie
Bijlage 2
Situatie met boringen en peilbuizen
Bijlage 3
Veldonderzoek
Bijlage 4
Analysecertificaten
Bijlage 5
Toetsingstabellen
Bijlage 6
Toetsingskader bodemkwaliteit
Bijlage 7
Kwaliteitsborging
4 (27)
1
Inleiding
1.1 Algemeen In opdracht van BPD Ontwikkeling B.V. heeft Sweco Nederland B.V. een verkennend bodemonderzoek en waterbodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van plangebied Waterrijk (fase 3) te Oosthuizen. Voor het verkennend bodemonderzoek is gebruik gemaakt van de volgende onderzoeksnormen: • NEN 5725:2017 nl – bodem – Landbodem – strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek; • NEN 5740:2009/A1:2016 nl - Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond; • NEN 5720:2017 nl Bodem - Waterbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch onderzoek. 1.2 Aanleiding en doelstelling Aanleiding voor het uitvoeren van het verkennend bodemonderzoek is de voorgenomen woningbouw op de locatie. In verband hiermee is inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) noodzakelijk. Doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie. Op basis van de onderzoeksresultaten moet worden vastgesteld of de gewenste vorm van bodemgebruik, vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien, mogelijk is en zo niet, welke vervolgacties noodzakelijk zijn. Het verkennend bodemonderzoek geeft inzicht in de algemene bodemkwaliteit.
Het onderzoek is niet bedoeld om de exacte aard en omvang van een eventuele verontreiniging aan te geven. 1.3 Opbouw van het rapport In het voorliggende rapport komen de volgende aspecten aan de orde: • het vooronderzoek, de indeling in deellocaties en vaststelling onderzoekshypothese (hoofdstuk 2); • het uitgevoerde veldonderzoek (hoofdstuk 3); • het laboratoriumonderzoek (hoofdstuk 4); • de resultaten van het onderzoek (hoofdstuk 5); • de interpretatie van alle resultaten (hoofdstuk 6); • conclusie en advies (hoofdstuk 7). Na hoofdstuk 7 is een lijst opgenomen met gebruikte normen en protocollen. De bijlagen maken onlosmakelijk deel uit van deze rapportage.
5 (27)
2
Vooronderzoek
2.1 Algemeen Voor het vooronderzoek is de onderzoekssystematiek gevolgd, behorend bij aanleiding A ''opstellen hypothese over de milieuhygiënische bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek'' uit de NEN 5725. Met het vooronderzoek worden de onderzoeksvragen zoals benoemd in de NEN 5725 beantwoord. De gebruikte informatiebronnen voor het vooronderzoek zijn volgens ons voldoende betrouwbaar en volledig om, in relatie tot de aard van de onderzoekslocatie, een uitspraak te kunnen doen over de verdenking van bodemverontreiniging. Het vooronderzoek resulteert in een hypothese over de aard en verdeling van mogelijke verontreinigingen in het onderzoeksgebied. De hypothese wordt gebruikt voor het bepalen van de onderzoeksstrategie. 2.2 Onderzoekslocatie De regionale ligging van de onderzoekslocatie is aangegeven in bijlage 1. Een overzicht van de locatie is weergegeven in bijlage 2. De onderzoekslocatie is gelegen ten zuiden van de Seevancksweg ter hoogte van nummer 93 en 94 te Oosthuizen. Op een deel van het terrein is een baggerdepot aanwezig. In tabel 2-1 zijn de locatiegegevens samengevat. Tabel 2-1: Overzicht locatiegegevens Adres locatie Ten zuiden van de Seevancksweg t.h.v. nummer 93 en 94 te Oosthuizen Kadastrale gegevens locatie Oosthuizen, sectie E, nrs 2211, 2212, 706,145, 146, 2210, 732 Eigenaar locatie BPD Ontwikkeling B.V.
Coördinaten 128568 - 508580 Oppervlakte locatie (in hectare) 8,9 hectare waarvan bebouwd (in hectare) 0 Huidig gebruik Grasland / weiland Verhardingen Geen
6 (27)
Figuur 2.1
Situatie onderzoekslocatie
Historisch gebruik Op historisch kaartmateriaal uit verschillende jaartallen (zie afbeelding 2.2) van (www.topotijdreis.nl) is te zien dat zich ter plaatse van de onderzoekslocatie twee watergangen aanwezig zijn geweest. Tussen 1960 en 1975/1990 zijn de watergangen gedempt. Het is niet bekend of de watergang is gedempt met gebiedseigen grond of ander materiaal.
7 (27)
1950
1975 Figuur 2.2
1960
1990 Historische topografische kaarten
8 (27)
2.3 Bekende (bodem)onderzoeksgegevens Nabij de locatie zijn verschillende (bodem)onderzoeken uitgevoerd. De uitgevoerde onderzoeken staan hieronder kort samengevat weergegeven. Partijkeuringen baggerspecie baggerdepot Het materiaal in het baggerdepot is in 2015 gekeurd. Hiervoor zijn 3 partijkeuringen uitgevoerd; te weten: P2015-1711, P2015-1712 en P2015-1713; Certicon; 9 november 2015. De ingedroogde baggerspecie in depot is niet verontreinigd en beoordeeld als altijd toepasbaar. Verkennend asbestonderzoek in bodem Waterrijk te Oosthuizen In 2008 is op de huidige locatie en op andere percelen asbestonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de aanwezige dammen, een erfverharding en een volkstuinencomplex (Rapport Grontmij, 1 juli 2008, PN 243182, ref nr. 309302). Op de te onderzoeken locatie zijn twee dammen aanwezig (dam 15 en 16), die onderzocht zijn. Uit het onderzoek blijkt dat de gehalten aan asbest beneden de 50 mg/kg.ds liggen. Ter plaatse van dam 10 is asbest aanwezig boven de 100 mg/kg.ds (Dam 10 maakt geen deel uit van de huidige onderzoekslocatie).
Figuur 2.3: Overzicht met tekening onderzoeksgebied asbestonderzoek Waterrijk Oosthuizen (2008)
Verkennend bodemonderzoek nieuwbouwlocatie Waterrijk te Oosthuizen In 2008 is door Grontmij een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de kadastrale percelen 146, 147, 149 en 706 met een oppervlakte van ruim 10 hectare (zie de
9 (27)
onderstaande afbeelding). Het huidige plangebied betreft een deel van het genoemde bodemonderzoek (zuidwestelijk deel van de locatie). Uit het onderzoek blijkt dat de grond maximaal licht verontreinigd was met enkele zware metalen en EOX. Het grondwater uit de peilbuizen 7 t/m 10 was licht verontreinigd met arseen en chroom.
Figuur 2.4: Overzicht met tekening onderzoeksgebied asbestonderzoek Waterrijk Oosthuizen (2008)
2.4 Bodemkwaliteitskaart Voor het onderzoeksgebied is een Bodemkwaliteitskaart en een Nota Bodembeheer aanwezig. De bodemkwaliteitskaart is opgesteld voor de gemeenten Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland (Bodemkwaliteitskaart regio Waterland, documentcode 17M1066.RAP001, 17 mei 2018). De huidige onderzoekslocatie ligt in zone B4 (bovengrond) overig bebouwd gebied en buitengebied met als bodemkwaliteitsklasse Wonen. De ondergrond ligt in zone O2 overig bebouwd gebied en buitengebied A met als bodemkwaliteitsklasse Wonen.
10 (27)
2.5 PFAS Poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) zijn chemische stoffen die van nature niet in het milieu voorkomen. Deze stofgroep bestaat uit ruim 6000 stoffen. Hiertoe behoren onder meer de stoffen perfluoroctaanzuur (PFOA), perfluoroctaansulfonaat (PFOS) en HFPO-DA (GenX). PFAS zijn stoffen die door mensen zijn gemaakt vanwege hun specifieke eigenschappen, zoals brandwerendheid en vuil- en waterafstotendheid. Deze stoffen worden al tientallen jaren gebruikt in industriële en andere processen en in vele producten. Ze worden toegepast in allerlei alledaagse toepassingen, zoals verf, blusschuim, pannen, kleding en cosmetica. Kenmerken voor deze stoffen zijn dat ze mobiel, persistent en nauwelijks biologisch afbreekbaar zijn. De stoffen PFOS en PFOA behoren tot de zogenaamde zeer zorgwekkend Stoffen (ZZS). Door het gebruik over een groot gebied en door emissie/incidenten worden PFAS in Nederland (en Europa) niet alleen bij puntbronnen maar ook als diffuse verontreiniging in de bodem, grondwater en oppervlaktewater aangetroffen. Begin juli 2019 is door de Rijksoverheid een Tijdelijk Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie van kracht. Het Tijdelijk Handelingskader is op 2 juli 2020 herzien. In dit handelingskader zijn landelijke normen opgesteld voor het toepassen van PFAS-houdende grond en baggerspecie. Door Sweco Nederland B.V.
is een PFAS-viewer ontwikkeld. In de viewer zijn bronnen aangegeven (zoals brandweerkazernes, bedrijven, luchthavens) die mogelijk een verontreiniging met PFAS kunnen veroorzaken. Uit de viewer blijkt dat geen verdachte activiteiten aanwezig zijn die mogelijk kunnen leiden tot een verontreiniging met PFAS in de bodem. Omdat de herkomst van de baggerspecie in het depot divers is en bij de partijkeuring in 2015 geen onderzoek naar PFAS heeft plaatsgevonden is het materiaal uit het baggerdepot opnieuw onderzocht op PFAS. 2.6 Resultaten locatiebezoek Het locatiebezoek is uitgevoerd door Ground Research BV op 17 augustus 2020. Een locatiebezoek betreft een inspectie van de locatie gericht op het huidige gebruik, kenmerken die kunnen duiden op bodemverontreiniging en het vaststellen van de mogelijke aanwezigheid van asbest. Tijdens het locatiebezoek is het maaiveld geïnspecteerd. De bevindingen van het locatiebezoek zijn in tabel 2-2 samengevat. Tabel 2-2: Bevindingen locatiebezoek Gebouwen Niet aanwezig Verhardingen Niet aanwezig Watergangen Aanwezig Ondergrondse infrastructuur Niet aanwezig Maaiveldveranderingen Depot aanwezig Aanwezigheid puin Niet aanwezig Asbestverdacht materiaal Niet waargenomen Asbesthoudende toepassingen Niet waargenomen Aangrenzende locaties Plaatselijk bebouwing
2.7 Waterbodem De waterbodemtrajecten behoren tot de categorie tertiaire watergang. Figuur 2.5 geeft het leggerrapport weer van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Het is niet bekend wanneer de watergang voor het laatst is gebaggerd. Zintuiglijk zijn nabij het onderzoeksgebied geen opstallen of andere asbestverdachte bouwwerken waar te nemen.
11 (27)
Figuur 2.5: Leggerrapport watergang (bron: HHNK)
2.8 Conclusies vooronderzoek Uit de informatie die verzameld is, zijn de onderstaande conclusies getrokken over de beïnvloeding van de bodem en de verwachting van de bodemkwaliteit. • In het verleden zijn rondom de onderzoekslocatie geen noemenswaardige verontreinigingen aangetoond; • Op de locatie zijn watergangen aanwezig geweest. Het is niet bekend of de demping heeft plaatsgevonden met gebiedseigen grond of met bodemvreemd materiaal. Daarom worden de watergangen als verdacht aangemerkt; • De inhoud van het baggerdepot is in 2015 AP04 gekeurd. Destijds is de ingedroogde baggerspecie als schone grond gekwalificeerd.
12 (27)
Figuur 2.5 overzicht gedempte watergang (paars) en baggerdepot (blauw)
2.9 Onderzoekshypothese en -strategie Op basis van de resultaten van het vooronderzoek, zoals beschreven in voorgaande paragrafen, zijn in tabel 2-3 de deellocaties met hypotheses gedefinieerd. Tabel 2-3 Hypothese en onderzoeksstrategie Deellocatie Oppervlakte / lengte (ha / m2)
Bodemlaag (m -mv)
Hypothese
Strategie
Gehele locatie Voormalige watergang
0 – 2,0 0 – 2,0
Onverdacht Verdacht
ONV-NL-GR Maatwerk (1 raai)
8,9 ha Ca 40m1
De invulling van de onderzoeksstrategie wordt gegeven in hoofdstuk 3.
13 (27)
3
Veldonderzoek
3.1 Onderzoeksstrategie Het veldwerk voor de onderzoeksstrategieën zijn ingevuld, zoals in tabel 3-1 beschreven: Tabel 3-1:
Uitgevoerd veldwerk
Locatie
Oppervlakte
Strategie
Veldwerk
(ha / m / m2) Boringen Aantal
Gehele locatie
3.5 ha
ONV-NL
Dam
20 m2
VED=HE-NL
Voormalige watergangen
70 m
Verdacht
Waterbodem (2x)
910
LN
25
Boringen
Boring met peilbuis
Diepte
Aantal Diepte
Aantal Diepte
(m-mv)
(m-mv)
(m-mv)
0,5
2 gaten (0,3 * 0,3 * 0,5 m) 20 slibsteken tot 0,5 m - wb
4
2,0
4
1
2,0
-
6
2,0
-
-
2,0
-
Het veldwerk is uitgevoerd door Ground Research B.V. (certificaatnummer K41104/08) op 6 17 tot en met 19 augustus 2020. Het veldwerk (vanaf acceptatie van de opdracht voor het veldwerk tot en met de overdracht van de veldgegevens, veldwerkrapportage en monsters aan Sweco Nederland B.V.) is verricht onder de beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 2000 (Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek) en de bijbehorende protocollen 2001, 2002, 2003 (zie bijlage 7). Het veldwerk is uitgevoerd door persoonlijk gecertificeerde veldwerkers waarvan de naam vermeld is bij de profielen in bijlage 3. De bemonstering van de peilbuizen heeft plaatsgevonden door J. Kipp op 25 augustus 2020 2020. De locaties van de boringen en peilbuizen zijn weergegeven in bijlage 2. De boorlocaties zijn bepaald aan de hand van de bevindingen van het vooronderzoek, het terreingebruik en de maaiveldinspectie. Bij de uitvoering van het veldwerk zijn geen afwijkingen van de NEN 5740 opgetreden. 3.2 Onderzoek grond Uitvoering Bij het verrichten van boringen is de grond visueel geïnspecteerd op grondsoorten, bodemvreemde bijmengingen en afwijkende kenmerken. De boringen zijn beschreven in boorprofielen, weergegeven in bijlage 3. Zintuiglijke waarnemingen Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn geen waarnemingen gedaan die kunnen duiden op verontreinigde kenmerken in de bodem.
Bemonstering De opgeboorde en opgegraven grond is bemonsterd per 0,5 m of per te onderscheiden bodemlaag. 3.3 Grondwateronderzoek Uitvoering Uit de geplaatste peilbuizen zijn grondwatermonsters genomen. Bij de bemonstering zijn de volgende werkzaamheden verricht: • Het opnemen van de grondwaterstand in de peilbuizen; • Het bepalen van de zuurgraad (pH), het elektrisch geleidingsvermogen (Ec) en de troebelheid (NTU) van het grondwater; • Het nemen van grondwatermonsters uit de peilbuizen.
14 (27)
Veldmetingen en zintuiglijke waarnemingen In tabel 3-3 zijn de resultaten van de veldmetingen van het grondwater weergegeven.
Tabel 3-3: Peilbuis
Resultaten veldmetingen grondwater Filterstelling
pH
Grondwaterstand
(-)
Ec (µS/cm)
NTU
(m -mv)
(troebelheid)
(m – mv)
102
1,50 - 2,50
7,1
580
66,1
0,91
108
2,30 - 3,30
7,0
660
79,8
1,67
113
1,30 - 2,30
6,9
540
91,3
0,71
118
2,00 - 3,00
6,9
577
83
1,44
123
1,00 - 2,00
7,0
600
59
0,43
128
1,20 - 2,20
103
0,65
133
1,10 - 2,10
7,0
630
55
0,53
134
1,00 - 2,00
7,0
610
81,2
0,49
143
1,00 - 2,00
7,1
630
96
0,48
148
1,60 - 2,60
7,0
640
59,6
1,04
Een eventueel afwijkende zuurgraad (pH), geleidingsvermogen (EC) of troebelheid (NTU, Nephelometric Turbidity Units) in het grondwater kan een indicator zijn voor de aanwezigheid van verontreinigende stoffen. Bij een troebelheid >10 moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de concentraties aan relatief zware organische verbindingen beïnvloed zijn door de troebelheid van het water. Bij de bespreking van de analyseresultaten wordt rekening gehouden met de hoge NTU zoals aangetroffen in de peilbuizen. De in tabel 3-2 weergegeven waarden voor de zuurgraad en het elektrisch geleidingsvermogen worden niet als afwijkend beschouwd.
15 (27)
4
Laboratoriumonderzoek
Op basis van de visuele inspectie zijn monsters geselecteerd voor analyse. Uit de visuele inspectie van de dam zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. De monsterselectie is opgenomen in tabel 4-1. Tabel 4-1: Monster
Monsterselectie Monstertraject
Deelmonsters
Analysepakket
101 (0,00 - 0,50)
Standaardpakket +OCB
(m -mv) Verkennend onderzoek MM01
0,00 - 0,50
102 (0,00 - 0,50) 103 (0,00 - 0,50) 141 (0,00 - 0,50) 146 (0,00 - 0,50) 147 (0,00 - 0,50) 148 (0,00 - 0,50) 149 (0,00 - 0,50) 150 (0,00 - 0,50) MM02
0,00 - 0,50
104 (0,00 - 0,50)
Pakket lutum en organische stof, PFAS
105 (0,00 - 0,50)
(30) advieslijst 12 juli
106 (0,00 - 0,50) 111 (0,00 - 0,50) 112 (0,00 - 0,50) 151 (0,00 - 0,50) MM03
0,00 - 0,50
110 (0,00 - 0,50)
Pakket lutum en organische stof, PFAS
114 (0,00 - 0,50)
(30) advieslijst 12 juli
115 (0,00 - 0,50) 116 (0,00 - 0,50) MM04
0,00 - 0,50
107 (0,00 - 0,50)
Pakket lutum en organische stof, PFAS
109 (0,00 - 0,50)
(30) advieslijst 12 juli
117 (0,00 - 0,50) MM05
0,50 - 1,00
104 (0,50 - 1,00)
Standaardpakket incl. lu/os
105 (0,50 - 1,00) 106 (0,50 - 1,00) 112 (0,50 - 1,00) 151 (0,50 - 1,00) MM06
0,50 - 1,50
107 (1,00 - 1,50)
Standaardpakket incl. lu/os
113 (0,80 - 1,30) 114 (0,50 - 1,00) 116 (0,50 - 1,00) MM07
0,00 - 0,50
144 (0,00 - 0,50)
Standaardpakket +OCB
145 (0,00 - 0,50) MM08
0,00 - 0,50
121 (0,00 - 0,50)
Standaardpakket +OCB
123 (0,00 - 0,50) 124 (0,00 - 0,50) 125 (0,00 - 0,50) 133 (0,00 - 0,50) MM09
0,00 - 0,50
119 (0,00 - 0,50)
Standaardpakket +OCB
126 (0,00 - 0,50) 127 (0,00 - 0,50) 132 (0,00 - 0,50)
16 (27)
Monster
Monstertraject
Deelmonsters
Analysepakket
(m -mv) 142 (0,00 - 0,50) 143 (0,00 - 0,50) MM10
0,00 - 0,50
134 (0,00 - 0,50)
Standaardpakket +OCB
135 (0,00 - 0,50) 136 (0,00 - 0,50) 137 (0,00 - 0,50) 138 (0,00 - 0,50) 139 (0,00 - 0,50) 140 (0,00 - 0,50) MM11
0,00 - 0,50
108 (0,00 - 0,50)
Standaardpakket +OCB
113 (0,00 - 0,50) 118 (0,00 - 0,50) MM12
0,00 - 0,50
128 (0,00 - 0,50)
Standaardpakket +OCB
129 (0,00 - 0,50) 130 (0,00 - 0,50) 131 (0,00 - 0,50) MM13
0,50 - 1,20
102 (0,50 - 1,00)
Standaardpakket incl. lu/os
123 (0,50 - 0,70) 133 (0,50 - 1,00) 143 (0,80 - 1,20) MM14
0,50 - 1,50
123 (0,70 - 1,20)
Standaardpakket incl. lu/os
128 (0,80 - 1,30) 133 (1,00 - 1,50) 134 (0,50 - 1,00) MM15
1,50 - 2,60
102 (2,00 - 2,50)
Standaardpakket incl. lu/os
104 (1,50 - 2,00) 115 (1,50 - 2,00) 123 (1,70 - 2,00) 134 (1,50 - 2,00) 143 (1,70 - 2,00) 148 (2,00 - 2,60) Waterbodem Smm01-1
0,5 - 0,9 (slib)
S101 - S110
Standaardpakket slib+OCB
Smm01-2
0,5 - 0,9 (slib)
S101 - S110
Pakket lutum en organische stof, PFAS
Smm02-1
0,4 - 0,60 (klei)
S111 - S120
Standaardpakket slib +OCB
Smm02-2
0,4 - 0,60 (klei)
S111 - S120
Pakket lutum en organische stof, PFAS
Smm03-1
0,4 – 0,8 (slib)
S121 - S130
Standaardpakket slib +OCB
Smm03-2
0,4 – 0,8 (slib)
S121 - S130
Pakket lutum en organische stof, PFAS
Smm04-1
0,30 - 0,50 (slib)
S131 – S140
Standaardpakket slib +OCB
Smm04-2
0,30 - 0,50 (slib)
S131 – S140
Pakket lutum en organische stof, PFAS
(30) advieslijst 12 juli
(30) advieslijst 12 juli
(30) advieslijst 12 juli
(30) advieslijst 12 juli
Het standaardpakket grond bestaat uit zware metalen, polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK), polychloorbifenylen (PCB), minerale olie. De grondmonsters zijn tevens geanalyseerd op organische stof en lutum, ten behoeve van de toetsing. De grondwatermonsters uit de geplaatste peilbuizen zijn geanalyseerd op het standaardpakket grondwater, bestaande uit zware metalen, vluchtige aromaten, vluchtige chloorkoolwaterstoffen en minerale olie.
17 (27)
De geselecteerde monsters voor de analyses op de standaardpakketten zijn in het laboratorium van Synlab Analytics & Services B.V. geanalyseerd. De analyses zijn uitgevoerd conform de bijbehorende protocollen, vallend onder het accreditatieschema van de AS 3000 richtlijn. De analysecertificaten met de resultaten van het laboratoriumonderzoek en een toelichting op de toegepaste analysemethoden zijn weergegeven in bijlage 4.
18 (27)
5
Resultaten bodemonderzoek
5.1 Toetsingskader Voor de bepaling of en in welke mate bodemverontreiniging aanwezig is, zijn toetsingswaarden opgenomen in de Circulaire bodemsanering 2013. De analyseresultaten zijn getoetst aan de toetsingswaarden uit deze circulaire. Aanvullend op de Circulaire bodemsanering toetst Sweco ook aan de Tussenwaarde, het gemiddelde van de achtergrond- en de Interventiewaarde. Deze toetsing geeft, in combinatie met de bodemkwaliteitskaart en locatiespecifieke kenmerken, een indicatie voor de noodzaak tot nader onderzoek. Voor de toepassing van grond gelden de toetsingswaarden in de Regeling bodemkwaliteit, behorend bij het Besluit Bodemkwaliteit. Middels deze toetsing wordt de grond ingedeeld in een hergebruiksklasse. De veiligheidsaspecten voor werken in of met verontreinigde grond worden indicatief beoordeeld op basis van de CROW 400. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de rekentool van het CROW. De toetsingsresultaten zijn weergegeven in bijlage 5. Een toelichting op het toetsingskader is opgenomen in bijlage 6 bij dit rapport.
Interventiewaarde
Licht verhoogd
Matig verhoogd
Sterk verhoogd
(in tabel: 5-1)
(in tabel:5-1)
(in tabel: 5-1) Interventiewaarde
grondwater
streefwaarde
Niet verhoogd
Tussenwaarde
grond
Tussenwaarde
Achtergrondwaarde
5.2 Mate van bodemverontreiniging De resultaten van de toetsing ter bepaling van de mate van bodemverontreiniging, zijn samengevat in de tabellen 5-1 en 5-2. De toetsingsmogelijkheden zijn als volgt:
19 (27)
Tabel 5.1: Overzicht met toetsingswaarden grondmonsters (WBB en BBK) Monster
Monstertraject
> AW (+index)
>T
>I
BBK monster-
Molybdeen (-)
-
-
Altijd toepasbaar
(m -mv) MM01
conclusie
0,00 - 0,50
MM02
0,00 - 0,50
-
-
-
MM03
0,00 - 0,50
-
-
-
MM04
0,00 - 0,50
-
-
-
MM05
0,50 - 1,00
Nikkel (0,06)
-
-
Klasse industrie
-
-
Altijd toepasbaar
Molybdeen (-) Kwik (-) Lood (0,11) MM06
0,50 - 1,50
Kwik (-) PAK 10 VROM (0,02)
MM07
0,00 - 0,50
-
-
-
Altijd toepasbaar
MM08
0,00 - 0,50
Nikkel (0,11)
-
-
Altijd toepasbaar
Kwik (-) Lood (-) MM09
0,00 - 0,50
Kwik (-)
-
-
Altijd toepasbaar
MM10
0,00 - 0,50
Molybdeen (-)
-
-
Altijd toepasbaar
MM11
0,00 - 0,50
Kwik (-)
-
-
Altijd toepasbaar
Lood (-) MM12
0,00 - 0,50
Kwik (-)
-
-
Altijd toepasbaar
MM13
0,50 - 1,20
PAK 10 VROM
-
-
Klasse wonen
(0,04) MM14
0,50 - 1,50
-
-
-
Altijd toepasbaar
MM15
1,50 - 2,60
-
-
-
Altijd toepasbaar
> AW
: overschrijding van de Achtergrondwaarde
>T
: overschrijding van de Tussenwaarde
>I
: overschrijding van de Interventiewaarde
-
: geen overschrijding
*
: het betreft hier het oordeel voor toe te passen grond.
Tabel 5-2:
Toetsing van grondwatermonsters (Circulaire bodemsanering)
Peilbuis
Filterstelling
> S (+ index)
>T
>I
Barium (0,08)
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
(m -mv) 102-1-1
1,50 - 2,50
Xylenen (som) (-) Naftaleen (-) 108-1-1
2,30 - 3,30
Barium (0,05) Xylenen (som) (0,01) Naftaleen (-)
113-1-1
1,30 - 2,30
Barium (0,12) Xylenen (som) (-) Naftaleen (-)
118-1-1
2,00 - 3,00
Barium (0,23) Xylenen (som) (0,01) Naftaleen (-)
123-1-1
1,00 - 2,00
Barium (0,07) Naftaleen (-)
128-1-1
1,20 - 2,20
Barium (0,04) Naftaleen (-)
133-1-1
1,10 - 2,10
Barium (0,07) Naftaleen (-)
20 (27)
Peilbuis
Filterstelling
> S (+ index)
>T
>I
Barium (0,01)
-
-
(m -mv) 134-1-1
1,00 - 2,00
Naftaleen (-) 143-1-1
1,00 - 2,00
Naftaleen (-)
-
-
148-1-1
1,60 - 2,60
Barium (0,1)
-
-
Xylenen (som) (-) Naftaleen (-)
5.3
Hergebruik van grond
Standaard-
Altijd
parameters
toepasbaar
klasse Wonen
interventiewaarde
waarde industrie
(lokale) maximale
waarde wonen
(lokale) maximale
Achtergrondwaarde
5.3.1 Overige parameters De resultaten van de toetsing ter bepaling van de hergebruiksklasse voor de overige chemische parameters, zijn samengevat in tabel 5.1. De hergebruiksklassen zijn als volgt:
klasse industrie
Niet toepasbaar
Nooit toepasbaar
Maximale
emmissiewaarde
In grootschalige bodemtoepassing
à onvoldoende
Mutagene en carcinogene stoffen Veiligheidsklasse
Oranje
rood
Veiligheidsklasse zwart
Mutageen of carcinogeen
Veiligheidsklasse
SRC
Geen veiligheidsklasse <75% SRC
Niet-vluchtige stof
Voldoende ß
1000 mg kg ds of 1000 µg/l
Alle stoffen
ventilatie
waarde
Vluchtige stof
interventie-
Tussenwaarde
5.4 Voorlopige veiligheidsklasse De resultaten, zoals weergegeven in de vorige paragraaf, zijn getoetst aan de veiligheidsnormen. De toetsingsmogelijkheden zijn als volgt:
21 (27)
Met behulp van de rekentool van CROW is vastgesteld dat er geen veiligheidsklasse van toepassing is op basis van de chemische parameters. De definitieve veiligheidsklasse wordt vastgesteld door een hogere of middelbare veiligheidskundige. Een beschrijving van de veiligheidsmaatregelen voor werken in en met verontreinigde grond is opgenomen in bijlage 6. Slib wordt beoordeeld op de toepassingsmogelijkheden op landbodem en op waterbodem, op de verspreidingsmogelijkheden op aangrenzend perceel en op de verspreidingsmogelijkheden in oppervlaktewater. Verspreiden op aangrenzend perceel heeft in z’n algemeenheid de voorkeur. Aangrenzende landeigenaren hebben een ontvangstplicht. Het toetsingskader hiervoor beoordeeld de ecologische risico’s van het totaal aan parameters via de msPAF. In onderstaand figuur zijn de toetsingsmogelijkheden weergegeven. Verspreiden op aangrenzend perceel Niet verspreidbaar msPAF
Verspreidbaar en ontvangstplicht
Een andere verspreidingsmogelijkheid is het verspreiden in oppervlaktewater. Dit is bedoeld om baggerspecie die op ongewenste plaatsen is gesedimenteerd elders weer terug te brengen in het watersysteem. De sedimentbalans wordt zo hersteld. Voor verspreiden in zoet oppervlaktewater, gelden de volgende toetsingsmogelijkheden:
Verspreiden in oppervlaktewater Interventiewaarde
waterbodem
Nooit verspreidbaar
verspreiden
Niet verspreidbaar Maximale waarde
Verspreidbaar
Als verspreiden niet mogelijk is, kan de baggerspecie elders worden toegepast, direct of via een tijdelijke opslag. Hiervoor gelden de normen van het Besluit bodemkwaliteit. Voor toepassen op landbodem gelden de volgende toetsingsmogelijkheden: Toepassen op landbodem Altijd toepasbaar
Als klasse wonen
Als klasse industrie
Niet toepasbaar
Nooit toepasbaar saneringscriterium
landbodem
Interventiewaarde
(bodemkwaliteitskaart)
Lokale maximale waarde
Achtergrondwaarde
In grootschalige bodemtoepassing
22 (27)
Voor het toepassen in oppervlaktewater gelden de volgende toetsingsmogelijkheden: Toepassen in oppervlaktewater
waterbodem
Rijntakken
Nooit toepasbaar saneringscriterium
Niet toepasbaar Interventiewaarde
Als klasse B Herverontreinigingsniveau
Als klasse A Achtergrondwaarde
Altijd toepasbaar
De toetsingsresultaten voor toepassing op of in de bodem (T1) zijn weergegeven in bijlage 5. De resultaten van de toetsing ter bepaling van de waterbodemkwaliteit, zijn samengevat in tabel 5-3.
Tabel 5-3 Monstercode
Resultaten toetsingen waterbodem T1
T3
T5
T6
T7
Maatgevende stoffen voor T1
SMM01
Altijd toepasbaar
Altijd toepasbaar
Verspreidbaar
Verspreidbaar
Verspreidbaar
-
SMM02
Altijd toepasbaar
Altijd toepasbaar
Verspreidbaar
Verspreidbaar
Verspreidbaar
-
SMM03
Industrie
A
Verspreidbaar
Verspreidbaar
Verspreidbaar
alfa-Endosulfan
SMM04
Altijd toepasbaar
Altijd toepasbaar
Verspreidbaar
Verspreidbaar
Verspreidbaar
-
T1:
Beoordeling kwaliteit van grond en bagger bij toepassing op of in de bodem
T3:
Beoordeling kwaliteit van bagger en ontvangende bodem bij toepassing in een oppervlaktewaterlichaam
T5:
Beoordeling kwaliteit van bagger bij verspreiden op een aangrenzend perceel (landbodem)
T6:
Beoordeling kwaliteit van bagger bij verspreiden in een zoet oppervlaktewaterlichaam
T7:
Beoordeling kwaliteit van bagger bij verspreiden in een zout oppervlaktewaterlichaam
De waterbodemkwaliteit is tevens getoetst voor toepassing van baggerspecie bij een grootschalige toepassing (GBT). Uit toetsing blijkt de waterbodem toepasbaar bij zowel grootschalige toepassing in oppervlaktewater als op landbodem.
23 (27)
6
Interpretatie onderzoeksresultaten
6.1 Verontreinigingssituatie Uit het veldonderzoek blijkt dat er zintuiglijk geen bijmengingen zijn aangetroffen die duiden op een verontreiniging in de bodem. De grond is overwegend licht verontreinigd met nikkel, kwik en/of lood. Indien de resultaten worden getoetst aan het Besluit Bodemkwaliteit kan de grond gemiddeld worden aangeduid als altijd toepasbaar. Lokaal is de veenlaag als Industrie beoordeeld. De grond ter plaatse van de gedempte watergangen bevat zintuiglijk geen bodemvreemde materialen. Het grondwater is licht verontreinigd met barium, xylenen en naftaleen. De aanwezige licht verhoogde gehalten met barium zijn vermoedelijk van natuurlijke oorsprong. De aanwezigheid van xylenen en naftaleen in grondwater is niet bekend. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de waterbodem van de vier watergangen niet of niet noemenswaardig is verontreinigd. Het slib in traject 3 (boringen S121 t/m S130) is ingedeeld in klasse Industrie (T1) of klasse A (T3); maatgevende stof betreft alfa endosulfan (bestrijdingsmiddel). Het slib voldoet aan de waarde voor verspreiding op aangrenzend perceel en voor verspreiding in zoet oppervlaktewater. In de overige trajecten is geen verontreiniging aangetoond.
De gemeten gehalten aan PFAS verbindingen in de sliblaag vormen geen belemmering voor verspreiding 6.2 Noodzaak tot vervolgonderzoek Op basis van de resultaten van het onderzoek is er geen noodzaak voor vervolgonderzoek. 6.3 Hergebruik van grond Als de bodemkwaliteit zoals vastgesteld met het voorliggende bodemonderzoek overeenkomt of beter is dan de bodemkwaliteit zoals vastgelegd in de gemeentelijke bodemkwaliteitskaart (Bbk), dan vormt de gemeentelijke bodemkwaliteitskaart het erkende bewijsmiddel voor hergebruik van grond. Bij een afwijkende slechtere kwaliteit is voorafgaande aan hergebruik een partijkeuring nodig om een erkend bewijsmiddel te verkrijgen. Voor PFAS en asbest is nog geen bodemkwaliteit vastgelegd in de gemeentelijke bodemkwaliteitskaarten. Hergebruik binnen de grenzen van het project is mogelijk zolang de Interventiewaarde niet wordt overschreden. Echter, indien sprake is van zorgplicht (nieuw geval, zie bijlage 6) is hergebruik van verontreinigde grond op locatie niet zonder meer mogelijk. Voor asbest geldt een hergebruiksnorm van 100 mg/kg ds gg. Bij lagere gehalten mag de grond elders toegepast worden als secundaire bouwstof. Los van de analytische samenstelling, gelden ook restricties ten aanzien van de hoeveelheid bodemvreemd materiaal in de toe te passen partij grond.