Bijlage Vraag en Antwoord GL-Ruimtelijke onderbouwing Zeddeweg 2.pdf
Tekst van het document
Mees Ruimte & Milieu | 18120.RO
Pagina | 24
groepen kan gedacht worden aan een locatie geschikt voor verblijf door een familie, vriendengroep of voor een bedrijfsuitje. In de directe omgeving van de projectlocatie wordt een dergelijke verblijfsaccommodatie nog niet aangeboden. Om ervoor te zorgen dat deze groep verblijfstoeristen niet uitwijkt naar een verblijfsaccommodatie elders in de regio, bestaat op de locatie aan de Zeddeweg 2 te Volendam het voornemen om de groepsaccommodatie te realiseren. Uit onder andere de Toeristische visie van de gemeente Edam-Volendam (zie paragraaf 3.4.2) blijkt dat dit plan voorziet in de behoefte voor het vasthouden van de verblijfstoerist in de gemeente.
Conclusie De Ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing. Volledigheidshalve is aangetoond dat er behoefte is aan de ontwikkeling van een groepsaccommodatie.
ARCHEOLOGIE Algemeen Het Verdrag van Valletta was geïmplementeerd in de Monumentenwet 1988 en de Wet op de archeologische monumentenzorg, tot de inwerkingtreding van de Erfgoedwet op 1 juli 2016. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is een primair gemeentelijke opgave. In het proces van ruimtelijke ordening moet tijdig rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor de overweging van archeologievriendelijke alternatieven. Rijk, provincies en gemeenten (laten) bepalen welke archeologische waarden bedreigd worden bij ruimtelijke plannen. Tijdens de voorbereiding van deze plannen is (vroeg)tijdig archeologisch (voor)onderzoek belangrijk. Beleidsnota Archeologie Het beleid voor archeologie in de gemeente Edam-Volendam is vastgelegd in de beleidsnota Archeologie uit 2015. Het gebied is onderverdeeld in verschillende archeologiegebieden op basis van archeologische waarden die reeds bekend zijn en welke waarden verwacht kunnen worden. Een vrijstellingsgrens per gebied geeft aan wanneer gronden vrijgesteld zijn van de archeologische onderzoeksplicht.
De gebieden en vrijstellingsgrenzen zijn weergegeven op de Archeologische beleidskaart. De meest recente versie van de Archeologische beleidskaart van de gemeente Edam-Volendam dateert van 5 november 2014.
Relatie tot de ontwikkeling In onderstaande figuur is een uitsnede ingevoegd van de Archeologische beleidskaart van de gemeente Edam-Volendam. De projectlocatie is hierop aangeduid met een oranje ster. Uit de informatie op de kaart blijkt dat de projectlocatie ligt ter plaatse van gronden waarvoor een vrijstellingsgrens geldt bij ontwikkelingen tot 500 m² en bij ingrepen in de bodem tot maximaal 40 cm. Bij een ontwikkeling groter dan 500 m² en bij bodemingrepen dieper dan 40 cm dient een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De voorgenomen ontwikkeling heeft een footprint van ca. 405 m² waardoor de vrijstellingsgrens van 500 m² niet wordt overschreden. Er geldt derhalve geen onderzoeksverplichting in het kader van archeologie. Gesteld kan worden dan eventuele archeologische waarden niet in het geding zijn bij de voorgenomen ontwikkeling op de projectlocatie.
Mees Ruimte & Milieu | 18120.RO
Pagina | 25
figuur 10. Uitsnede archeologische beleidskaart. Oranje ster: projectlocatie (bron: Archeologische beleidskaart Edam-Volendam 2014)
Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
CULTUURHISTORIE Algemeen Erfgoedwet De Erfgoedwet bevat de geldende wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is primair een gemeentelijke opgave. De Erfgoedwet is een voorloper op de Omgevingswet, welke naar verwachting in 2022 in werking treedt. Informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie De provincie Noord-Holland heeft de informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie vastgesteld. De informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie geeft onder andere informatie over landschapstypen, aardkundige waarden, cultuurhistorische objecten en historische dijken. De kaart biedt hiermee een algemeen overzicht van landschap en cultuurhistorie van provinciaal belang. Erfgoedverordening Edam-Volendam In 2018 is de erfgoedverordening van de gemeente Edam-Volendam vastgesteld. In de verordening zijn de regels opgenomen voor bescherming van het gemeentelijk erfgoed. Daarnaast is een koppeling gemaakt met de bestemmingsplannen en wordt het cultureel erfgoed ook middels een dubbelbestemming in de bestemmingsplannen aangeduid.
De dubbelbestemming ‘Waarde – Edams-Volendams erfgoed’ ligt op bouwwerken en gebieden met een bijzondere cultuurhistorisch waardevolle identiteit waaraan voorwaarden en uitgangspunten zijn gekoppeld. In de verordening zijn de verschillende beschermingsniveaus toegelicht.
Mees Ruimte & Milieu | 18120.RO
Pagina | 26
Relatie tot de ontwikkeling Op de informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie van de provincie Noord-Holland is zichtbaar dat de projectlocatie in het veenpolderlandschap is gelegen. Ook ligt de projectlocatie ter plaatse van een aardkundig waardevol gebied. Binnen de projectlocatie is geen sprake van cultuurhistorisch waardevolle objecten. Het voorgenomen plan heeft geen effect op de beleving en de waarden van het veenpolderlandschap. De transformatie van het voormalige agrarisch bedrijfsperceel tot een groepsaccommodatie betreft een kleinschalige ontwikkeling en dit heeft geen negatief effect op de landschappelijke karakteristiek van het veenpolderlandschap. Doordat de oppervlakte van de bebouwing op de projectlocatie niet wordt uitgebreid en het nieuw te bouwen volume gerealiseerd wordt ter plaatse van de te slopen bebouwing, wordt de openheid en het ruimtelijk beeld hierdoor niet beïnvloed. Dit is eveneens van belang in verband met de ligging binnen het aardkundig waardevol gebied. Gelet op het feit dat in de huidige situatie reeds bebouwing aanwezig is met een bebouwd oppervlak van circa 408 m² en de voorgenomen ontwikkeling slechts voorziet in de realisatie van een beperkt groter bebouwd oppervlak, is geen sprake van een negatief effect op het aardkundig waardevol gebied.
Uit het overzicht van monumentale objecten binnen de gemeente blijkt dat op de projectlocatie geen sprake is van een rijksmonument, een provinciaal monument of een gemeentelijk monument. De locatie is eveneens niet opgenomen op de lijst met beeldbepalende panden en is tevens niet gelegen in een beschermd stads- of dorpsgezicht. Gesteld wordt dat met de voorgenomen ontwikkeling de bescherming en behoud van het gebouwd cultureel erfgoed niet in het geding is.
Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Algemeen Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken.
Mees Ruimte & Milieu | 18120.RO
Pagina | 27
Tabel 1. Richtafstanden bedrijven en milieuzonering (bron: handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’).
Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor.
Relatie tot de ontwikkeling De projectlocatie kent in de huidige situatie de bestemming ‘Agrarisch gebied’ met de aanduiding nietgrondgebonden bedrijven. Op basis hiervan is een intensieve veehouderij toegestaan. In de toekomstige situatie zal dit gebruik komen te vervallen en wordt de groepsaccommodatie/ kleinschalig hotel in gebruik genomen. De bestaande omliggende bestemmingen betreffen overwegend ‘Natuur’, ‘Verkeer’, ‘Agrarisch’, ‘Detailhandel - kaasboerderij’ en ‘Horeca’. Verder ligt ten noorden van de projectlocatie de N517. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat sprake is van een gemengd gebied. De richtafstanden voor een rustige woonwijk kunnen derhalve met één stap worden verlaagd In de vigerende situatie is bij de intensieve veehouderij een bedrijfswoning toegestaan. Deze (bedrijfs)woning betreft een milieugevoelige functie waar omliggende bedrijvigheid rekening mee dient te houden. In de toekomstige situatie wordt er een groepsaccommodatie/ kleinschalig hotel op de projectlocatie geëxploiteerd inclusief beheerderswoning. Omdat in de huidige situatie reeds een bedrijfswoning aanwezig is waar omliggende bedrijvigheid rekening mee moet houden, kan worden geconcludeerd dat bestaande omliggende bedrijvigheid niet wordt beperkt als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. De meest dichtstbijzijnde woning ligt op meer dan 100 meter afstand van de projectlocatie.
Voor de vestiging van een groepsaccommodatie/ kleinschalig hotel kan aan worden gesloten bij SBI 2008 code 5510 ‘Hotels en pensions met keuken, conferentie-oorden en congrescentra’ uit de VNG-brochure. Deze activiteit heeft milieucategorie 1 met een richtafstand van 10 meter in een rustige woonwijk en 0 meter in gemengd gebied. Aan deze afstanden wordt ruimschoots voldaan.
Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
Mees Ruimte & Milieu | 18120.RO
Pagina | 28
BODEM Algemeen Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden. Indien nieuwbouw plaatsvindt dient zorg gedragen te worden voor een goede bodemkwaliteit. Van het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek kan geheel of gedeeltelijk vrijstelling worden verleend, als bij de gemeente reeds bruikbare historische informatie beschikbaar is. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als in een periode van minder dan twee jaar geleden daadwerkelijk een bodemonderzoek is uitgevoerd en sindsdien op het terrein geen bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden.
Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de sloop van de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en de realisatie van een nieuwe groepsaccommodatie/ kleinschalig hotel. Om te beoordelen of de bodem geschikt is voor de gewenste functie, is door APS Milieu BV een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 3 van deze ruimtelijke onderbouwing. Hieronder worden (verkort) de resultaten uit het onderzoek weergegeven. Uit het verkennend bodemonderzoek volgt dat de bovengrond op enkele locaties licht verontreinigd is. Het gaat om lichte verontreinigingen met onder andere zink, lood, minerale olie en PAK. De grond is hierdoor indicatief als klasse industrie geclassificeerd. Ook het grondwater is licht verontreinigd. Er zijn lichte verontreinigingen geconstateerd met barium, nikkel en minerale olie. Geconcludeerd wordt derhalve dat sprake is van uitsluitend lichte verontreinigingen. De aangetroffen lichte verontreinigingen in de boven- en ondergrond en in het grondwater vormen milieuhygiënisch geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. In het onderzoek is tevens ingegaan op asbest in de bodem. Hieruit blijkt dat geen asbestverdacht materiaal op of in de grond is aangetroffen. Wel is er in twee grondmonsters asbest aangetoond. In een vervolgstadium van de planvorming zal derhalve een nader bodemonderzoek naar asbest moeten worden uitgevoerd.
Conclusie Het aspect bodem vormt vooralsnog geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor het aspect bouwen wordt opnieuw aandacht besteed aan de bodemkwaliteit. In dat kader wordt het nader bodemonderzoek naar asbest uitgevoerd.
EXTERNE VEILIGHEID Algemeen Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse Mees Ruimte & Milieu | 18120.RO
Pagina | 29
buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang: Plaatsgebonden risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het PR wordt ‘vertaald’ als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen. Groepsrisico (GR): Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en is een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een gedegen verantwoording, kan afwijken. Dit betreft de zogeheten verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR.
Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen inclusief bijbehorende relevante gegevens zijn weergegeven. De risicokaart vormt een hulpmiddel bij het beoordelen van het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast kan ook het risicoregister worden geraadpleegd.
Relatie tot de ontwikkeling In het kader van de voorgenomen ontwikkeling van een groepsaccommodatie/ kleinschalig hotel op de locatie aan de Zeddeweg 2 heeft Prevent Advies groep een toets in het kader van het aspect externe veiligheid uitgevoerd. De resultaten zijn opgenomen in een memo zoals opgenomen in de bijlagen van deze ruimtelijke onderbouwing. Hieronder worden (verkort) de resultaten weergegeven. Door Prevent Advies groep is inzichtelijk gemaakt dat de dichtstbijzijnde risicobronnen twee provinciale wegen zijn die vrijgesteld zijn voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (N247 en N517). De overige risicobronnen (hoge druk aardgasbuisleidingen van Gasunie en LPG-tankstations) zijn op grotere afstand gelegen. In figuur 12 is een uitsnede van de risicokaart ter plaatse van de projectlocatie weergegeven. Het plangebied is gelegen buiten het invloedsgebied van hoge druk aardgasbuisleidingen en inrichtingen met risicovolle activiteiten (Bevi-inrichtingen). De normen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen en het Besluit externe veiligheid inrichting vormen geen belemmering voor de ontwikkeling op de projectlocatie. Over de provinciale wegen N247 en N517 vindt transport plaats van gevaarlijke stoffen in bulk. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de provinciale wegen N247 en N517 en is gelegen op minder dan 200 meter afstand van de N517.
Op grond van het Bevt moet het groepsrisico voor de N517 verder worden beschouwd om te bepalen of een verantwoording van het groepsrisico is vereist. Door Prevent Adviesgroep B.V. is nader onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 4).
Mees Ruimte & Milieu | 18120.RO
Pagina | 30
figuur 11. Uitsnede risicokaart (bron: memo Externe veiligheid Prevent Advies groep 2020)
Uit dit onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:
De N517 beschikt niet over een plaatsgebonden risicocontour (PR=10-6 contour). De normen voor het plaatsgebonden risico in het Bevt vormen geen belemmering voor de ontwikkeling. Het groepsrisico langs de N517 is ter hoogte van het plangebied in de bestaande en de nieuwe situatie lager dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Op grond van artikel 8 van het Bevt is een verantwoording van het groepsrisico niet vereist. De normen voor het groepsrisico in het Bevt vormen geen belemmering voor deze ontwikkeling. Op grond van het Bevt moet wel worden ingegaan op de aspecten bestrijdbaarheid bij een ongeval met gevaarlijke stoffen op de N247 en de N517 (BLEVE) en de zelfredzaamheid van personen in het plangebied. Deze aspecten zijn beschouwd in de rapportage van Prevent Adviesgroep B.V. (zie bijlage 4).
Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
Mees Ruimte & Milieu | 18120.RO
Pagina | 31
GELUID Algemeen In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit: woningen; onderwijsgebouwen; ziekenhuizen; verpleeghuizen; verzorgingstehuizen; psychiatrische inrichtingen; kinderdagverblijven. Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan het als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen.
Relatie tot de ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling van een groepsaccommodatie/ kleinschalig hotel kan niet aangemerkt worden als geluidsgevoelige object in het kader van de Wet geluidhinder. Een akoestisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Vanzelfsprekend wordt voor de ruimten waarin wordt verbleven, zoals de slaapkamers en de gemeenschappelijke woonkamer, zorg worden gedragen voor een goed en aangenaam binnenklimaat. Daarnaast dient te worden opgemerkt dat de ontwikkeling zelf zal moeten voldoen aan de normen voor geluid die voortkomen uit het Activiteitenbesluit.
Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
LUCHTKWALITEIT Algemeen In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van ‘niet in betekenende mate’ is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: Mees Ruimte & Milieu | 18120.RO
Pagina | 32
woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen.
Relatie tot de ontwikkeling In onderhavig geval is sprake van de realisatie van een groepsaccommodatie/ kleinschalig hotel met 14 kamers voor maximaal 30 personen. Op basis van bovenstaande voorbeelden mag geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt. Een luchtkwaliteitsonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. In aanvulling op het bovenstaande wordt opgemerkt dat binnen de ontwikkeling geen gevoelige bestemmingen zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) mogelijk worden gemaakt. Ook om deze reden is een aanvullend luchtkwaliteitsonderzoek niet nodig. Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de huidige grootschalige achtergrondconcentratie voor een bepaald jaar is ter plaatse van een specifieke locatie. Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie. De grenswaarden voor toetsing van deze jaargemiddelde concentraties zijn: 40 µg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5.
Onderstaande tabel toont de grootschalige achtergrondconcentraties ter plaatse van het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij de projectlocatie (geraadpleegd via NSL Monitoringstool op 16 februari 2021). Tabel 2. Jaarlijkse achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM 2,5 ter plaatse van de projectlocatie (bron: nsl-monitoring.nl) Jaar GCN-achtergrondconcentratie locatie ID 180151 NO2 (µg/m3)
PM10 (µg/m3)
PM2,5 (µg/m3)
2020
17,9
16,6
9,5
2030
11,9
14,6
7,8
Grenswaarden
40
40
25
Uit de tabel blijkt dat de grenswaarden ter plaatse van de projectlocatie, van zowel fijnstof als stikstofdioxide, niet worden overschreden. De maximale bijdrage van het extra verkeer als gevolg van de beoogde ontwikkeling, is niet van zodanige omvang dat een overschrijding van de grenswaarden hierdoor te verwachten is.
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
NATUUR Algemeen Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998.
Mees Ruimte & Milieu | 18120.RO
Pagina | 33
Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000gebieden. Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar ook stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn.
Voorheen gold hier de regeling Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) voor, maar naar aanleiding een tweetal belangrijke uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (mei 2019) is deze regeling komen te vervallen. Als gevolg hiervan dient in Nederland voor elk project een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. Wanneer uit de rekenresultaten een hogere depositie dan 0,00 mol/ha/jaar, kan al sprake zijn van een significant negatief effect. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in het NNN gelegen is, verlangt de provincie een ‘nee-tenzij-toets’. Afhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN.
Relatie tot ontwikkeling Ten behoeve van de ontwikkeling is door Van der Goes en Groot een quickscan uitgevoerd naar de effecten op beschermde soorten en gebieden. De rapportage is bijgevoegd in de bijlagen bij voorliggende onderbouwing. Vervolgens is ook een nader onderzoek uitgevoerd. Tevens is door Van der Goes en Groot een toetsing naar weidevogelleefgebieden en een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. De toetsing naar weidevogelleefgebieden is opgenomen in bijlage 6. In bijlage 7 van deze ruimtelijke onderbouwing zijn de rekenresultaten van het stikstofdepositieonderzoek opgenomen. De resultaten van de onderzoeken worden in deze paragraaf per onderdeel beschreven. Soortenbescherming Uit de quickscan volgt dat:
Het onderzoeksgebied in potentie geschikt is voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën alleen ‘vrijgestelde’ soorten verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte ‘vrijgestelde’ soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan. In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli. In het plangebied kunnen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voorkomen, namelijk die van Huismus. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is onderzoek naar
Mees Ruimte & Milieu | 18120.RO
Pagina | 34
voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze vogelsoort(en) noodzakelijk. Worden tijdens vervolgonderzoek volgens geldende richtlijnen dergelijke verblijfplaatsen gevonden, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. In het onderzoeksgebied kunnen beschermde grondgebonden zoogdieren voorkomen die zijn beschermd als ‘andere soort’. Het gaat om kleine marterachtigen (Bunzing, Hermelijn en Wezel). Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is onderzoek naar voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten noodzakelijk. Worden tijdens de veldinventarisatie volgens landelijk geldende richtlijnen, protocollen, soortstandaarden en/of kennisdocumenten één of meer van deze soorten aangetroffen, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. In het plangebied kunnen verblijvende vleermuizen voorkomen. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is vervolgonderzoek naar voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van vleermuizen noodzakelijk.
Worden tijdens de veldinventarisatie volgens landelijk geldende richtlijnen, protocollen, soortstandaarden en/of Kennisdocumenten één of meer soorten vleermuizen met verblijfplaatsen aangetroffen, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door vogels met jaarrond beschermde nesten (Kerkuil, Huismus, Sperwer of Buizerd), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vogels kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken.
Uit het uitgevoerde nadere onderzoek naar de vleermuis, huismus en kleine marterachtigen volgt dat geen verblijfplaatsen van deze soorten zijn aangetroffen in het projectgebied. Vanwege het ontbreken van verblijfplaatsen is het niet nodig om een ontheffing aan te vragen in het kader van de Wnb. Gebiedsbescherming Uit de quickscan, de toetsing naar weidevogelleefgebieden en de stikstofdepositieberekening volgt dat:
Het plangebied ligt op circa 2 kilometer afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, het Markermeer & IJmeer. Gezien de afstand, afscherming en de aard van de uit te voeren werkzaamheden worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring. Er hoeft hiernaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden. Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN, inclusief de zogenaamde verbindingszones die verschillende NNN-gebieden kunnen verbinden (zie onderstaande figuur). Er kunnen geen negatieve effecten door de plannen op het NNN gebied optreden. De plannen hoeven verder niet getoetst te worden aan beschermde waarden binnen dit netwerk. Het plangebied zich bevindt binnen de begrenzing van de door de provincie Noord-Holland onderscheiden weidevogelleefgebieden (zie figuur 13). In de toetsing naar weidevogelleefgebieden (zie bijlage 6) is aangetoond dat de functie van het aanwezige weidevogelleefgebied voor weidevogels door de ontwikkeling van de groepsaccommodatie niet zal worden aangetast. Het geplande project leidt tot verhoogde emissie van stikstof. Er is een onderzoek uitgevoerd van de hierdoor veroorzaakte extra depositie van stikstof op gevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000gebieden (zie bijlage 7).
Hieruit volgt dat: o De maximale projectbijdrage van de aanleg en het gebruik van de gebouwen is 0,00 mol/ha/jaar op de meest dichtbijgelegen stikstofgevoelige habitattypen. De stikstofdepositie die uitvoering van de plannen zal veroorzaken vormt een zodanig gering percentage van de kritische depositiewaarde van de meest kritische ter plaatse voorkomende stikstofgevoelige habitattypen, dat er ecologisch gezien geen zichtbare of meetbare effecten zullen optreden en er zeker geen
Mees Ruimte & Milieu | 18120.RO
Pagina | 35
o
o
sprake is van significante gevolgen waardoor de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden in gevaar zouden kunnen komen. De hoogste bijdrage van het project betreft de tijdelijke inzet en het tijdelijke effect van mobiele werktuigen. Deze tijdelijke effecten zijn vaak gemakkelijker op te vangen door de natuurlijke fluctuaties binnen het natuurgebied of eventueel herstelbeheer, dan effecten van permanente activiteiten. In de aanlegfase wordt uitgegaan van het gebruik van materieel met stageklasse V of nieuwer. Bij gebruik van ouder materieel dient een nieuwe berekening te worden gemaakt.
figuur 12. Ligging van de projectlocatie ten opzichte van beschermde weidevogelleefgebieden, natuurverbindingen en het NNN (bron: quickscan Van der Goes en Groot 2020)
Conclusie Het aspect natuur vormt vooralsnog geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
VERKEER EN PARKEREN Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende
Mees Ruimte & Milieu | 18120.RO
Pagina | 36
parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld.
Relatie tot ontwikkeling Verkeersgeneratie Voor het berekenen van de verkeersgeneratie is de CROW publicatie geraadpleegd. In de huidige situatie is een intensieve veehouderij toegestaan met bijbehorende verkeersgeneratie. In het beoogde plan worden de agrarische activiteiten beëindigd en komt de bijbehorende verkeersgeneratie te vervallen. Bij de bepaling van de verkeersgeneratie van de groepsaccommodatie/ kleinschalig hotel in de toekomstige situatie is uitgegaan van een ‘4 sterren Hotel’ met een ligging in het buitengebied en met stedelijkheidsgraad: ‘matig stedelijk’. Daarbij is uitgegaan van de maximale verkeersgeneratie. De maximale verkeersgeneratie bedraagt 27,6 vervoersbewegingen per 10 kamers. Voor 14 kamers komt hiermee de maximale verkeersgeneratie op (27,6 * 1,4) 38,6 vervoersbewegingen. Parkeren De gemeente Edam-Volendam heeft op 14 juni 2018 het paraplubestemmingsplan “Parapluherziening parkeren c.a.” vastgesteld. Met het parapluplan wordt voor het gehele gemeentelijke grondgebied voorzien in een kader waaraan ontwikkelingen kunnen worden getoetst op parkeeraspecten. Het parapluplan legt de koppeling met de kencijfers van CROW. Aangegeven is dat voldaan dient te worden aan de gemiddelde parkeerkencijfers voor matig stedelijke gebieden.
Ook voor de bepaling van de parkeerbehoefte is uitgegaan van een ‘4 sterren Hotel’ met een ligging in het buitengebied en met stedelijkheidsgraad: ‘matig stedelijk’. De minimale parkeerbehoefte bedraagt 8,5 parkeerplaatsen per 10 kamers. De maximale parkeerbehoefte bedraagt 9,5 parkeerplaatsen per 10 kamers. Voor 14 kamers komt de minimale parkeerbehoefte op (8,5 * 1,4) 11,9 parkeerplaatsen en de maximale parkeerbehoefte op (9,5 * 1,4) 13,3. De parkeerbehoefte voor de beoogde groepsaccommodatie bedraagt hiermee minimaal 12 en maximaal 14 parkeerplaatsen. In de beoogde situatie worden op het eigen terrein 12 parkeerplaatsen gerealiseerd waardoor voldaan wordt aan het de geldende parkeerkencijfers.
Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
WATER Algemeen Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het doorlopen van de watertoets verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerder aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt.
Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is gelegen binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Ten behoeve van deze ontwikkeling is op 25 juni 2021 de digitale watertoets doorlopen. Op basis van de gegeven antwoorden concludeert het systeem dat het plan een beperkte invloed heeft op de waterhuishouding. Deze beperkte invloed kan ondervangen worden met standaard maatregelen. Deze zijn opgenomen in het wateradvies. Het wateradvies is verwerkt in deze waterparagraaf. Waterkwaliteit
Mees Ruimte & Milieu | 18120.RO
Pagina | 37
Bij de totstandkoming van het project worden geen uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink gebruikt, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. Waterkwantiteit Op basis van artikel 3.3 van de Algemene regels van de Keur Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 2016 is het verboden om zonder watervergunning van het bestuur neerslag door nieuw verhard oppervlak versneld tot afvoer te laten komen. In artikel 23 van de Algemene regels van de Keur Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 2016 is opgenomen dat een vrijstelling van de vergunningplicht voor het aanbrengen van verhard oppervlak kan worden verleend, indien:
de bebouwing of verharding van de onverharde grond een of meer aaneengesloten bouwplannen met een gezamenlijk oppervlak van minder 800 m² bedraagt, en; de aanleg van nieuw verhard oppervlak minder dan 10% van het oppervlak van het peilvlak beslaat en; het desbetreffende watersysteem de toename van de piekafvoer kan verwerken.
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van 700 m² (groepsaccommodatie: 405 m², erfverharding in de vorm van groene, drainerende bestrating: 205m²) aan verhard oppervlak. In de huidige situatie is op de locatie 615m² aan verhard oppervlak aanwezig. Per saldo is sprake van een toename van 85 m² verharding. Derhalve is een watervergunning en/of zijn compenserende maatregelen niet benodigd. Beschermde gebieden De projectlocatie ligt niet binnen een beschermingszone van een waterkering of watergang. Er is derhalve geen sprake van eventuele belemmeringen of een vergunningplicht vanwege een beschermingszone. Wel dient rekening gehouden te worden met de nabijgelegen rioolpersleiding van het hoogheemraadschap. De projectlocatie ligt namelijk binnen de signaleringszone van deze rioolpersleiding. Dit houdt in dat beperkingen kunnen gelden ten aanzien van eventuele (bouw)werkzaamheden. Het is binnen deze zone niet zonder overleg toegestaan om objecten te plaatsen of werkzaamheden uit te voeren die een risico vormen voor het functioneren van de rioolpersleiding, zoals: -
het planten van bomen en/of diepwortelende beplanting het uitvoeren van zware transporten; het opstellen van materieel op het tracé van de leiding; de opslag van (zwaar) materiaal; het werken aan- en/of realiseren van werken boven het tracé van de leiding; het graven of heien nabij de leiding.
Indien er sprake is van dergelijke werkzaamheden, of wanneer er andere activiteiten worden uitgevoerd die op enige wijze schade zouden kunnen toebrengen aan de rioolpersleiding, wordt vroegtijdig contact opgenomen met het hoogheemraadschap. Riolering In de huidige situatie is de locatie niet aangesloten op het riool. Het afvalwater wordt opgevangen en gezuiverd in een septictank. Bij de realisatie van de groepsaccommodatie/ kleinschalig hotel zal eveneens worden aangesloten op de bestaande septictank ter plaatse. Het hemelwater is niet aangesloten op de septictank maar wordt afgevoerd op de omliggende watergangen. Dit zal in de toekomstige situatie onveranderd worden voortgezet.
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
Mees Ruimte & Milieu | 18120.RO
Pagina | 38
(VORMVRIJE) M.E.R-BEOORDELING Algemeen De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt alsnog een m.e.r.-plicht. In bijlage D worden in kolom 2 drempelwaarden gegeven. Indien een ontwikkeling boven de drempelwaarden uitkomt, geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Op het moment dat een ontwikkeling genoemd staat in bijlage D, maar onder de drempelwaarden valt, dient te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze beoordeling vindt plaats middels de zogeheten ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’.
Sinds 16 mei 2017 dient het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen teneinde vast te stellen of voor een ruimtelijke ontwikkeling kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld door de initiatiefnemer. Dit volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU.
Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van groepsaccommodatie/ kleinschalig hotel, waarbij het bebouwd oppervlak op de projectlocatie slechts beperkt toeneemt. Een dergelijke ontwikkeling kan derhalve niet worden getypeerd als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. Een stedelijk ontwikkelingsproject staat genoemd in bijlage D, onderdeel D11.2 en is m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer het betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Onderhavige ontwikkeling valt daarmee ruim onder de drempelwaarden. Er geldt geen directe m.e.r.-beoordelingsplicht. Omdat de beoogde ontwikkeling niet voorkomt op de bijlagen van het Besluit m.e.r. is een vormvrije m.e.r. beoordeling niet noodzakelijk. Volledigheidshalve wordt hier opgemerkt dat uit de voorgaande paragrafen blijkt dat de milieueffecten van de voorgenomen ontwikkeling voldoende zijn onderzocht. Op basis van de resultaten van deze onderzoeken worden geen onaanvaardbare milieueffecten verwacht en wordt de uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan niet door onaanvaardbare milieueffecten belemmerd.
Mees Ruimte & Milieu | 18120.RO
Pagina | 39
5
BESCHRIJVING UITVOERBAARHEID ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Het project wordt door initiatiefnemer uitgevoerd. De kosten in verband met de realisatie zijn voor rekening van initiatiefnemer. Er is geen aanleiding om aan de economische haalbaarheid van het plan te twijfelen. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling wordt een overeenkomst gesloten tussen Gemeente EdamVolendam en de initiatiefnemer. Hierin wordt overeengekomen dat op het moment er sprake is van planschade, voortvloeiend uit voorliggende planologische mutatie, deze schade in zijn geheel ten laste komt aan initiatiefnemer.
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Participatie Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is de direct omwonende (Wagenweg 2) geïnformeerd door de initiatiefnemer. De direct omwonende heeft positief gereageerd op de voorgenomen ontwikkeling.
Planologische procedure Voor deze ontwikkeling wordt de uitgebreide planologische procedure doorlopen. Het is daarom in eerste instantie voor een ieder mogelijk door middel van een inspraakreactie of zienswijze te reageren op het ontwerpbesluit, dat gedurende zes weken ter inzage ligt. Vervolgens staat nog de gang naar de rechtbank en daarna de Raad van State open. Met bovenstaande procedures wordt de maatschappelijke betrokkenheid afdoende gewaarborgd.
Mees Ruimte & Milieu | 18120.RO
Pagina | 40
6
CONCLUSIE RUIMTELIJKE EN FUNCTIONELE INPASBAARHEID De initiatiefnemer heeft als doel een groepsaccommodatie/ kleinschalig hotel te realiseren op de locatie van een voormalige intensieve veehouderij. Een vrijgekomen agrarisch bedrijfsperceel krijgt hierdoor een nieuwe functie, die tevens een meerwaarde betreft voor het bestaande verblijfsaccommodatie-aanbod in de gemeente. Voor deze ontwikkeling dient een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt aan de hand van een omgevingsvergunning doorlopen. Middels voorliggende rapportage is het project gemotiveerd aan relevante beleidskaders en omgevingsaspecten. Tevens is de uitvoerbaarheid van het initiatief getoetst aan de diverse omgevingsaspecten en de bijbehorende regelgeving. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor voorgenomen ontwikkeling. De ruimtelijke en functionele inpasbaarheid is daarmee gewaarborgd.
Mees Ruimte & Milieu | 18120.RO
Pagina | 41
BIJLAGE 1 Beeldkwaliteitsplan, MEES Ruimte & Milieu 2021
Mees Ruimte & Milieu | 18120.RO
Pagina | 42
BIJLAGE 2 Landschappelijke inpassing, Lindeloof tuin- en landschapsarchitecten BV 2020
Mees Ruimte & Milieu | 18120.RO
Pagina | 43
BIJLAGE 3 Verkennend bodemonderzoek, APS Milieu BV 2020
Mees Ruimte & Milieu | 18120.RO
Pagina | 44
BIJLAGE 4 Memo externe veiligheid, Prevent Advies groep 2020
Mees Ruimte & Milieu | 18120.RO
Pagina | 45
BIJLAGE 5 a. Quickscan flora en fauna, Van der Goes en Groot 2020 b. Nader onderzoek, Van der Goes en Groot 2021
Mees Ruimte & Milieu | 18120.RO
Pagina | 46
BIJLAGE 6 Toetsing weidevogelleefgebied, Van der Goes en Groot 2020
Mees Ruimte & Milieu | 18120.RO
Pagina | 47
BIJLAGE 7 Stikstofdepositieberekening, Van der Goes en Groot 2021
Mees Ruimte & Milieu | 18120.RO
Pagina | 48
BIJLAGE 8 Wateradvies, Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 2021
Mees Ruimte & Milieu | 18120.RO
Pagina | 49