Bijlage Samenvatting van het Verstedelijkingsconcept.docx
Tekst van het document
Samenvatting van het Verstedelijkingsconcept versie 3 Inleiding Het Rijk en de Metropoolregio Amsterdam (MRA) willen gezamenlijk afspraken maken over de ontwikkeling van de MRA op middellange (2030) en lange termijn (2050). Daartoe werken zij samen aan een integrale Verstedelijkingsstrategie voor de MRA, die als gebiedsgerichte uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt opgenomen in de Omgevingsagenda Noordwest Nederland. De Verstedelijkingsstrategie De Verstedelijkingsstrategie bestaat uit een Verstedelijkingsconcept (incl. fasering op hoofdlijnen), een investeringsstrategie en een Verstedelijkingsakkoord, waarmee het Rijk en de regio voor de komende jaren afspraken maken over hun inzet voor de ontwikkeling van de MRA. De Verstedelijkingsstrategie wordt op landelijk niveau ter vaststelling aangeboden aan Bestuurlijk Overleg Leefomgeving in het voorjaar 2022. Voorafgaand hieraan worden raden en Staten verzocht het Verstedelijkingsconcept te onderschrijven en daarmee de intentie uit te spreken deze gezamenlijke koers voor de regio te vertalen in de toekomstige eigen beleidsinstrumenten. Het Verstedelijkingsconcept en de ambities van de MRA Het Verstedelijkingsconcept is de inhoudelijke basis van de Verstedelijkingsstrategie en samen opgesteld door het Rijk en de regio.
Het Rijk en de regio willen gezamenlijk de grote opgaven oppakken, waar de MRA de komende jaren voor staat: de woningbouwopgave, de overgang naar duurzame energie en warmte, klimaatadaptatie en een sterke economie in een gezond leefklimaat voor mens, plant en dier. Daartoe bouwt de MRA aan steden en samenlevingen. De MRA wil als daily urban system met 2.5 miljoen inwoners, 300.000 bedrijven en 1.5 miljoen banen de meest inventieve regio van Europa worden zijn met de best opgeleide bevolking; een metropoolregio van grote klasse en met een menselijke maat Verder is het de ambitie is om iedereen in de MRA een gezonde leefomgeving te bieden door te investeren in een omgeving die inwoners beschermt tegen milieudruk en die de mentale en fysieke gezondheid bevordert. Beschermen van de gezondheid betekent in de eerste plaats maatregelen tegen geluidsbelasting en luchtvervuiling in de woon- en leefomgeving. In de tweede plaats gaat het ook om verkeersveiligheid en de bescherming tegen wateroverlast en hittestress. In de derde plaats ligt er een indirecte relatie tussen gezondheid en de energietransitie en circulaire economie. In de vierde plaats is er een sterke relatie tussen gezondheid en een slechte woningkwaliteit (schimmel, rotte fundering), die ook kan leiden tot energiearmoede.
Daarmee zijn gerichte acties om woningen in bepaalde wijken te verduurzamen niet alleen van belang om de energietransitie te stimuleren, maar ook om gezondheidswinst te behalen. Tot slot wordt de gezondheid van mensen bevorderd door een ruimtelijke inrichting die uitnodigt tot bewegen, ontspannen en ontmoeten en tot actieve vormen van mobiliteit (lopen en fietsen). Met het Verstedelijkingsconcept willen Rijk en regio de onderstaande 10 ambities bereiken: a. b. c. d. e. f.
De hele metropoolregio laten profiteren van de groei. Voldoen aan de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte aan woon- en werkmilieus. Diversiteit en verbondenheid in de economie versterken. Meer balans brengen in wonen en werken. Zorgen voor een gezonde leefomgeving. Bereikbaarheid en bereisbaarheid in de MRA bevorderen.
g. h. i. j.
De uitstoot van broeikasgassen terugdringen. Doorontwikkelen van het metropolitane landschap. De regio klimaatadaptief inrichten. De biodiversiteit vergroten.
Een meerkernige ontwikkeling In de eerste plaats worden de eerder genoemde ambities nagestreefd via een meerkernige ontwikkeling van de MRA met Amsterdam als kernstad en op korte afstand een aantal nieuwe en historische steden en karakteristieke dorpen, en daartussen een aantrekkelijk en bijzonder gevarieerd aaneengesloten landschap met veel open water. Het is van belang om de kwaliteiten van alle steden en dorpen in de MRA optimaal te benutten. Door een samenhangende verdeling van woningbouw, arbeidsplaatsen en voorzieningen worden alle afzonderlijke delen van de metropoolregio versterkt. Bij de meerkernige ontwikkeling staat een evenwichtige woon-werkbalans en een divers woningaanbod (prijs, grootte, type, woonmilieu) centraal zodat de leefkwaliteit en de economische kracht van de regio wordt bestendigd en wordt voorkomen dat een deel van de inwoners wordt weggedrukt. Het sociaal-maatschappelijk evenwicht in de MRA is van belang en dient verder te worden verbeterd. Daarbij wordt gedacht aan: • • •
functiemenging en het verbeteren van wijken door woningbouw en transformatie; het verbeteren van sociaal-maatschappelijke kansen, sociale cohesie en leefbaarheid in kwetsbare wijken door onder andere voorzieningenplanning; het verbeteren van sociaal-economische kansen in kwetsbare wijken door een betere bereikbaarheid van banen (de reis tussen woon- en werkplaats voor praktisch geschoolden moet niet te lang en/of te kostbaar worden omdat anders vervoersongelijkheid ontstaat tussen de lagere en de hogere inkomensgroepen).
In vier gebieden in de MRA werken Rijk en regio in het kader van het zogenaamde Programma Leefbaarheid en Veiligheid samen aan de hiervoor genoemde stedelijke vernieuwing. Binnen de deelregio Zaanstreek-Waterland gaat het om Zaandam Oost. De bouwopgave tot 2030 Om de verwachte bevolkingsgroei in de MRA tot 2050 met bijna 700.000 inwoners te kunnen huisvesten hebben het Rijk en de regio afgesproken tot 2030 175.000 woningen te bouwen waarbij het streven is de bouwproductie tot 2030 zelfs te verhogen tot 220.000 woningen. De verwachting is dat er tot 2030 relatief veel appartementen en eengezinswoningen in woonwijken nodig zijn. Daarbij is er in toenemende mate vraag naar gemengde (hoog)stedelijke woonwerkmilieus. Tot 2030 wordt daarom gefocust op ov-knooppunten, de stadsharten en de kernen buiten Amsterdam. In de deelregio Zaanstreek-Waterland -die in het Verstedelijkingsconcept wordt getypeerd als Hollandser dan Hollands, met prachtige veenweidegebieden, eeuwenoude dijken en molens, weilanden en historische lintdorpen- zijn daarvoor het Hembrugterrein/Achtersluispolder als toekomstig woonwerkmilieu en de stadsharten van Purmerend en Zaanstad in beeld.
De daarmee gepaard gaande eventueel noodzakelijke verplaatsing van bedrijven wordt uitgewerkt in een regionale bedrijventerreinenstrategie waarbij voor wat betreft de deelregio Zaanstreek-Waterland melding wordt gemaakt van de Baanstee (Purmerend/Edam-Volendam). Een klein deel van de woningbouwproductie vindt plaats in uitbreidingswijken. Woningbouw bij kleine kernen en aan dorpslinten blijft binnen de geldende regimes mogelijk om de leefkwaliteit in deze kernen en linten in stand te houden: het behoud van winkels, openbaar vervoer en/of andere voorzieningen. Deze geldende regimes (i.c. het in de Provinciale Omgevingsverordening genoemde beschermingsregime van het Bijzonder Provinciaal Landschap) maken op dit moment het wonen in de tweede lijn onmogelijk. Veel ontwikkellocaties kunnen door gemeenten gerealiseerd worden, zonder dat Rijkregio-samenwerking nodig is. Dat geldt niet voor de eerder genoemde ontwikkelingen
nabij ov-knooppunten, de stadsharten en de grote ontwikkellocaties. In het Verstedelijkingsakkoord worden afspraken gemaakt over de Rijk-regio inzet op deze gebiedsplannen. De bouwopgave na 2030 Vooralsnog wordt uitgegaan van een bouwopgave van 75.000 woningen tussen 2030 en 2040 en nog eens 75.000 woningen tussen 2040 en 2050. De nieuwbouwvraag lijkt zich ook na 2030 te concentreren op (hoog)stedelijke milieus, met een groot aandeel woningen voor één- en tweepersoonshuishoudens die dichtbij voorzieningen, werk en openbaar vervoer willen wonen. Vijftig procent van de totale woningbouwopgave van de MRA zal uiteindelijk op Amsterdams grondgebied landen. Het groenblauwe netwerk In de tweede plaats wordt geïnvesteerd in het groenblauwe netwerk in en om de stad. Het gevarieerde en samenhangende, aaneengesloten landschap dat zich doorzet tot diep in de stedelijke gebieden, is een unieke, onderscheidende kwaliteit van de MRA. Sterke steden kunnen niet zonder sterk landschap. Een sterk landschap draagt bij aan de identiteit van het gebied, is een drager van cultuurhistorische waarden, biedt ontspanning en is productief als landbouwareaal. Het aaneengesloten landschap is essentieel voor het herstellen van de biodiversiteit.
Een sterk landschap functioneert bovendien als leverancier van een aantal groenblauwe diensten, die stuk voor stuk van belang zijn voor een gezonde, veilige en aantrekkelijke leefomgeving, zoals schone lucht, waterwinning voor de drinkwaterproductie, waterbuffering, verkoeling, energie en de mentale gezondheid die verbonden is aan een groene omgeving. In de Verstedelijkingsstrategie wordt aangegeven dat het landschap in de deelregio Zaanstreek-Waterland hooggewaardeerd wordt vanwege het typische Hollandse karakter en de erfgoedwaarden die erin zijn vervat. De veenweidegebieden, de droogmakerijen en de Zaanoever zijn waardevolle landschappen. De Beemster heeft als agrarische droogmakerij de status van Unesco Werelderfgoed. Deze landschappen hebben ook een grote recreatieve betekenis. Die recreatiefunctie kan nog verder worden doorontwikkeld door bijvoorbeeld de bereikbaarheid van deze landschappen te verbeteren. Er wordt in de Verstedelijkingsstrategie ook aangegeven dat het landschap onder druk staat. De voornaamste oorzaak daarvan is de daling van de veenbodem. Via een gebiedsgerichte aanpak (het integraal gebiedsprogramma voor het landschap Laag-Holland) wordt van onderop gewerkt aan oplossingen. Dit zal waarschijnlijk nog vele jaren in beslag nemen. De veenweideproblematiek vraagt volgens de Verstedelijkingsstrategie ook om rijk-regioinzet.
Uitgangspunt bij de ontwikkeling van het groenblauwe netwerk is dat functionele ingrepen in het landschap ook de beleving vergroten en dat ingrepen, die de landschappelijke beleving moeten vergroten, ook andere doelen dienen. Er wordt daarbij een onderscheid gemaakt in vijf pijlers: 1. Koesteren van en een kwaliteitsimpuls voor landschappen met bijzondere waarden (agrarisch, cultuurhistorisch, ecologisch) zoals het Natuurnetwerk Nederland inclusief het Natura 2000 gebied, de Unesco-werelderfgoederen en de Bijzondere Provinciale Landschappen. 2. Landschappelijke versterking waarbij de landschappelijke versterking kan worden aangejaagd vanuit de behoefte aan gezondheidsbevordering, vanuit de groeiende recreatieve druk, vanuit waterrobuustheid of klimaatadaptatie of bijvoorbeeld vanuit duurzaamheidsambities zoals het beperken van de bodemdaling of de aanleg van nieuwe bossen. 3. Aanleg van groene zones ter verbetering van het functioneren van landschappelijke verbindingen en de ecologische verbindingen binnen het Natuurnetwerk Nederland. 4. Landschaps- en natuurinclusieve verstedelijking hetgeen bijvoorbeeld betekent dat parallel of anticiperend wordt geïnvesteerd in compensatie van de verloren gegane
waarden, op of direct rondom de locatie of het tracé waar de landschappelijke kwaliteit wordt aangetast. 5. Uitbouwen van een MRA-dekkende recreatieve structuur bestaande uit de versterking en doorontwikkeling van de bestaande recreatieve structuur (o.a. door adequaat te reageren in geval van hoge recreatieve druk en door het verbeteren van de bereikbaarheid) en door te anticiperen op de toekomstige groei en de recreatieve behoefte van de bewoners waarvan de ontwikkeling van de Noorder IJplas als landschapspark een voorbeeld is. Deze pijlers worden uitgewerkt via de volgende lijnen: -
Een kwaliteitsimpuls voor het Natuurnetwerk Nederland inclusief het Natura 2000 gebied. Het behoud en de versterking van de open landschappen tussen de stedelijke gebieden in en zorgen dat ze voor iedereen (binnen 15 minuten fietsen) bereikbaar en toegankelijk zijn. Ruimtelijke ontwikkelingen landschapsinclusief realiseren. Een recreatieve structuur in de MRA die het mogelijk maakt het landschap te beleven.
Binnen de deelregio Zaanstreek-Waterland wordt dit in de Verstedelijkingsstrategie vertaald naar het beter bereikbaar maken van de veenweidegebieden, de droogmakerijken en de Zaanoever ter versterking van de recreatieve functie. De wisselwerking met systemen van mobiliteit, ecologie, water en energie In de derde plaats zal de meerkernige ontwikkeling van wonen, werken en voorzieningen en de ontwikkeling van het groenblauwe netwerk in en om de stad plaatsvinden in wisselwerking met de systemen van mobiliteit, ecologie, water en energie. Door de woon- en werkmilieus klimaatadaptief en natuurinclusief te ontwikkelen, dragen ze ook bij aan de doelstelling van een gezonde, veilige en aantrekkelijke leefomgeving. Het mobiliteitssyteem Op het terrein van mobiliteit wordt ingezet op een mobiliteitstransitie om de MRA bereikbaar en de steden leefbaar te houden. Tevens wordt ingezet op een mobiliteitssysteem dat bijdraagt aan de doelstellingen op het gebied van duurzaamheid, gezondheid en inclusiviteit. Daartoe is een Mutimodaal Toekomstbeeld 2040 MRA (MTB 2040) in ontwikkeling gericht op (a) het afremmen en spreiden van de mobiliteitsgroei, (b) één samenhangend, multimodaal systeem en (c) een mix van maatregelen en investeringen in netwerken van fiets, openbaar vervoer (metro, HOV -zoals de te realiseren HOV ZaanIJ-, filevrij busverkeer en mogelijk tram/lightrail), auto en hubs.
Onderdeel van het multimodale netwerk zijn ringen van regionale hubs langs de corridors richting Amsterdam om autoverkeer naar de hoofdwegen vroegtijdig af te vangen en om over te stappen op (e-)fiets en HOV. Slim verstedelijken, via de meerkernige ontwikkeling en gemengde woonwerkmilieus op vooral binnenstedelijke ontwikkelingslocaties bij belangrijke ov-locaties draagt verder bij aan de mobiliteitstransitie. Ten slotte is het vanuit vervoersarmoede de opgave om bij de mobiliteitstransitie de betaalbaarheid en kwaliteit van openbaar vervoer, de kwaliteit van fietsvoorzieningen en spreiding van werkgelegenheid in de regio te versterken en zo vervoersongelijkheid tegen te gaan. Het ecologisch systeem Een toekomstbestendig ecologisch systeem draagt in de eerste plaats bij aan de ambitie om de biodiversiteit te vergroten. Een vitale natuur draagt daarnaast ook bij aan een gezonde, veilige en aantrekkelijke leefomgeving, zowel binnen de stad als daarbuiten. In het kader van een toekomstbestendig ecologisch systeem wordt tot 2027 gewerkt aan de afronding van het Natuur Netwerk Nederland, waaronder de Natura 2000-gebieden. Ook wordt gewerkt aan (nieuwe) ecologische verbindingen (zoals die tussen de Zaanstreek en
het IJmeer (via Waterland)) en aan een natuurinclusieve samenleving met meer aandacht voor en zo nodig herstel van de biodiversiteit. Bij alle stedelijke ontwikkelingen is het de bedoeling om de regio klimaatadaptiever, natuurinclusiever en waterrobuuster te maken. Het watersysteem Het watersysteem zit aan zijn limiet. Er is meer ruimte nodig voor een natuurlijk waterbeheer (naast het technische watermanagement) op alle schaalniveaus (van de straat tot het nationale watersysteem). Dat vraagt om een waterrobuuste en klimaatbestendige/klimaatadaptieve ruimtelijke inrichting. Het gaat hierbij om de sturende rol van water in de ruimtelijke ordening en om het vasthouden (en bergen) van water, het zorgen voor voldoende drinkwater, het verbeteren van de waterkwaliteit en het zodanig inrichten van de omgeving dat de gevolgen van wateroverlast en overstroming zoveel mogelijk beperkt blijven, ook na 2050. Partijen in de MRA willen binnenkort een intentieovereenkomst ‘klimaatbestendige nieuwbouw’ ondertekenen met daarin een basisveiligheidsniveau waar nieuwbouw minimaal aan zou moeten voldoen. Het energiesysteem Op het terrein van de energievoorziening wordt toegewerkt naar een geïntegreerd, hybride energiesysteem.
Dat is een systeem dat gebruik maakt van verschillende duurzame bronnen, dat kleinschalige energiewinning tot op buurtniveau integreert met grootschalige energieprojecten zoals aanlanding of elektrificatie en daarbij een stabiele energievoorziening en gezonde leefomgeving waarborgt. Hoe de energievoorziening eruit zal zien in de periode 2030-2050 is nu nog onduidelijk. Wel worden voor de langere termijn nu reeds de volgende ruimtelijke keuzes gemaakt: 1. Bij de keuze en inrichting van stedelijke ontwikkellocaties wordt de capaciteit van de energie-infrastructuur meegewogen. 2. Grote energieverbruikers worden gesitueerd in de buurt van locaties waar duurzame energie wordt gewonnen. 3. Strategische ruimtereserveringen zijn mogelijk als een locatie/gebied een rol kan gaan spelen in het toekomstige energiesysteem. Op de korte termijn wordt bovenop de verwachte ontwikkelingen voor 2030 (het Basispad) ingezet op no regret-maatregelen zoals het aanleggen van nieuwe onderstations, lokale (wijk)opslag, de ontwikkeling van een regionale waterstofbackbone en bijvoorbeeld de ontwikkeling van warmtenetten.