CConstaterende datEdam-Volendam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 9 Archeologische waardering Volendam Julianaweg 95

Raadsvergadering 12 oktober 2023, gemeente Edam-VolendamBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen bestemmingsplan alsmede aanvraag vergunningen inzake Maria Goretti locatie.3.083 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Archeologische waardering Volendam Julianaweg 95, gemeente Edam-Volendam (NH)

Hollandia reeks 597

HOLLANDIA archeologen

COLOFON

I N H O U D S O P G AV E

Hollandia reeks nr. 597 Titel: Archeologische waardering Volendam Julianaweg 95, gemeente Edam-Volendam (N-H). Toponiem: Volendam Julianaweg 95 Bevoegde overheid: Gemeente Edam-Volendam Onderzoeksmeldingsnummer: 4012353100 Hoekcoördinaten: 133.581/501.187 133.663/501.127 133.630/501.085 133.548/501.145 Uitvoerder: Hollandia archeologen Tuinstraat 27a 1544 RS Zaandijk Auteur: drs. B.D. Honigh In opdracht van: R.S.M. van Noord - SAB Adviesgroep Arnhem Wetenschappelijke leiding: P. Floore Illustraties: B.D. Honigh, tenzij anders vermeld. Beheer en plaats documentatie: Transitiedepot Hollandia archeologen, Zaandijk. Naderhand: Provinciaal archeologisch depot Noord-Holland, Castricum ARCHIS3 Versie: Definitief 26-5-2021 ISSN: 1572-3151 Autorisatie: P.M. Floore Omslagafbeelding:

Uitsnede kadastrale minuut 1811-1832

© Hollandia archeologen, Zaandijk 2021 Tuinstraat 27a 1544 RS Zaandijk  075 - 622 49 57  info@archeologen.com

HOLLANDIA archeologen

1. Inleiding en onderzoeksgebied 2. Landschaps- en bewoningsgeschiedenis 3. Specifieke archeologische verwachting 4. Conclusie en advies

7 9 13 15

Literatuurlijst

16

Bijlagen 1. Archeologische perioden 2. Archeologisch stappenplan

17

1

INLEIDING EN ONDERZOEKSGEBIED In opdracht van SAB Adviesgroep Arnhem heeft Hollandia archeologen in augustus 2016 een archeologische waardering opgesteld voor een plangebied aan de Julianaweg 95 te Volendam, gemeente Edam-Volendam (zie afbeelding 2). Aanleiding voor dit onderzoek is het voornemen voor de sloop van een gebouwencomplex en de daarop volgende bouw van 55 nieuwe woningen. De bij de sloop en / of bouw gepaard gaande grondroering vormt mogelijk een bedreiging voor het archeologisch bodemarchief. Het plangebied heeft een oppervlakte van 5400 m2. De coördinaten van het plangebied zijn 133.581 / 501.187, 133.663 / 501.127, 133.630 / 501.085 en 133.548 / 501.145. Op grond van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) moeten gemeenten verantwoordelijkheid nemen voor het behoud van het eigen archeologisch erfgoed. Bij bodemingrepen van enige omvang zal het behoud van archeologische waarden moeten worden afgewogen tegen andere maatschappelijke belangen. Wanneer andere belangen prevaleren boven het behoud van archeologische waarden in situ (in de bodem) bestaat de verplichting de archeologische waarden te documenteren door middel van opgravend onderzoek zodat de archeologische sporen ex situ (uit de bodem, bijvoorbeeld in het depot) behouden kunnen worden (Beleidsnota Archeologie Gemeente Edam-Volendam 2015).

Verantwoord beheer van het eigen cultuurhistorisch erfgoed begint met het aan betrokkenen inzichtelijk maken waar en wanneer met het bodemarchief rekening dient te worden gehouden. Dit betekent dat het noodzakelijk is een aantal beleidsregels te formuleren om archeologiegevoelige gebieden in alle ruimtelijke plannen en projecten op te nemen en waar mogelijk te ontzien. Primair is het noodzakelijk om zowel bekende als nog niet of weinig bekende archeologische vindplaatsen een plaats te geven in het proces van ruimtelijke ordening. Indien archeologie (en andere cultuurhistorische waarden) vroegtijdig in het planproces wordt meegenomen en integraal deel uitmaakt van de planontwikkeling, worden vertragingen en onnodige kosten voorkomen (Beleidsnota Archeologie Gemeente Edam-Volendam 2015).

4

De uitgangspunten voor gemeentelijke beslissingen zijn daarom in de Beleidsnota Archeologie Gemeente Edam-Volendam en de bijbehorende Archeologische Beleidskaart opgenomen. Zo heeft de gemeente een eigen transparant archeologiebeleid, wat reeds zijn doorwerking vindt in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Daarmee voldoet de gemeente aan de voorwaarden die de Wet op de Archeologische Monumentenzorg stelt en zal voor alle betrokkenen inzichtelijk zijn wanneer en waar rekening dient te worden gehouden met het bodemarchief (Beleidsnota Archeologie Gemeente Edam-Volendam 2015).

Afbeelding 1 Uitsnede van de Archeologische Beleidskaart van de gemeente Edam-Volendam. Het plangebied is aangegeven met de rode stip. Bron: Beleidsnota Archeologie Gemeente Edam-Volendam 2015.

Op de Archeologische Beleidskaart van de gemeente Edam-Volendam valt het plangebied onder het archeologieregime van de 4e categorie (zie afb. 1). Het betreft hier de uitbreidingswijken van Volendam die zijn aanngelegd in voormalige veenontginningsgebieden waar naar verwachting bewoning aanwezig was in de Middeleeuwen. Bij het archeologieregime van de 4e categorie horen de volgende voorwaarden: bij grondroerende werkzaamheden in plannen met een oppervlakte van 2500 m2 of groter, die dieper reiken dan 40 cm beneden het maaiveld of beneden de waterbodemoppervlakte, dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van archeologische waarden. Aangezien de oppervlakte van het plangebied 5400 m2 is, wordt bovenstaande grens overschreden en is archeologisch onderzoek een vereiste (Beleidsnota Archeologie Gemeente Edam-Volendam 2015).

5

2

LANDSCHAPS- EN BEWONINGSGESCHIEDENIS Bewerkt naar J. Holl, 2010

6 Afbeelding 2. Topografische kaart van Volendam met het plangebied aan de Julianaweg 95 binnen het rode kader.

2.1 Landschapsgenese De natuurlijke ondergrond bestaat in het onderzoeksgebied uit mariene en lagunaire afzettingen, bestaande uit fijne zand- en kleilagen (formatie van Boxtel). Op basis van geologische boorgegevens ligt de top van deze afzetting in het plangebied op 15.75 meter onder maaiveld (boorkenmerk B19H0049; www.dinoloket.nl). Een stijging van de zeespiegel vanaf 8200 v. Chr. en een samengaande stijging van de grondwaterspiegel veroorzaakte een vernatting van het landschap waardoor veenvorming optrad. Dit zogenaamde basisveen (formatie van Nieuwkoop) is in het plangebied enkele decimeters dik. De zeespiegelstijging zorgde uiteindelijk voor verdrinking van het veenlandschap en de vorming van meren en west-oost georiënteerde getijdengeulen. Eén van deze geulen liep ten noorden van Edam. Door de geulen werden grote hoeveelheden zand en klei landinwaarts afgezet, die samen het laagpakket van Wormer (formatie van Naaldwijk) worden genoemd. De top hiervan ligt in het plangebied op zo’n 3.25 meter onder maaiveld. Er zijn gezien deze diepte in de ondergrond vermoedelijk geen kreekruggen aanwezig. Afbeelding 5 geeft een schematisch overzicht van de ondergrond tot 10 meter onder maaiveld. Door de continue schommeling van de zeespiegel was het gebied vermoedelijk onaantrekkelijk voor bewoning. De getijdengeulen slibten langzamerhand dicht en er trad vanaf 3000 v. Chr.

wederom veenvorming op (Hollandveen; laagpakket van Nieuwkoop). Veenstroompjes zorgden voor een natuurlijke afwatering van het veen. De IJe, een water tussen Edam en Volendam, is zo’n veenstroom. Vanaf de ijzertijd werden de randen van het Noord-Hollandse veenlandschap bewoond, maar tot op heden zijn er uit de omgeving van het plangebied geen voorbeelden bekend van bewoning vóór de veenontginningen in de late middeleeuwen. Vermoedelijk was het plangebied dan ook te nat voor bewoning. 2.2 Veenontginningen en grondgebruik In de late middeleeuwen begonnen de veenontginningen: talloze sloten werden haaks op de natuurlijke veenstroompjes zoals de IJe gegraven om het veen te ontwateren. Het gevolg was een sterke bodemdaling doordat het uitdrogende veen oxideerde en verdween. De aanleg van dijken weerhield de zee ervan om het laag liggende land terug te winnen maar door verslechterde afwatering ontstonden talloze meren. Zo werd in 1357 door de aanleg van de ‘Vollendam’ de IJe afgesloten van de Zuiderzee. Er ontstond een binnenmeer: het Vollendammer Meer, dat in 1633 werd drooggelegd. Het plangebied ligt nu midden in de Volendammer Meerpolder. Op beelden van het AHN (Actueel Hoogtebestand Nederland) ligt het maaiveld in het plangebied op 2 tot 2,5 m -NAP, zo’n 2 meter lager dan de omgeving. In de meren werd veen weggeslagen en zeeklei afgezet (Walcheren laagpakket).

Dit wordt bevestigd door de bodemkaart van Nederland, waarop het plangebied wordt aangegeven nabij een zone van zogenaamde drechtvaaggrond, bestaande uit zware, kalkarme klei (code Mv41C). Op historische kaarten is te zien dat in of nabij het plangebied geen bebouwing heeft gestaan (zie afbeelding 3 en 4). Tot aan de aanleg van de huidige woonwijk in de jaren ‘50 had het gebied een hoofdzakelijk agrarisch grondgebruik (weidegrond). In het Caertboeck Stadt Amsterdam staat een historische kaart, gemaakt door Cornelis Danckerts de Rij in 1643, en hierop staat het drooggemalen Volendammermeer afgebeeld met twee windmolens (zie afb. 7). Dit soort molens maalden het overtollige polderwater weg om vervolgens onder andere via de uitwaterende sluis bij Edam naar zee te worden geloosd. Deze molens dateren uit de eerste helft van de 17e eeuw. Het plangebied ligt middenin het drooggelegde Volendammermeer, maar de afgebeelde molens liggen niet binnen het plangebied. Op de Beleidskaart Archeologie staan deze molens ook aangegeven (EdVo11).

9

8

Afbeelding 4. Het plangebied (bij de zwarte pijl) op een topografische kaart uit 1907.

Antropogene ophogingen

Hollandveen

Prehistorisch oppervlak

Afbeelding 5. Zuid-noord geörienteerd ondergrondmodel op basis van geologische boringen (GeoTOP v1.3). De blauwe lijn geeft het prehistorische loopoppervlak weer, dat duidelijk naar het noorden oploopt en ter hoogte van het plangebied op een laag niveau ligt (bron: www.dinoloket.nl).

Walcheren Laagpakket Wormer Laagpakket

Ligging plangebied

Afbeelding 3. Het plangebied (rood kader) in het midden van de Vollendammer meer polder, weergegeven op de kadastrale minuut van 1811-1832.

9

3

S P E C I F I E K E A R C H E O L O G I S C H E V E R WA C H T I N G De in dit hoofdstuk beschreven archeologische verwachting is in tabel 1 samengevat. De vermoedelijke afwezigheid van hoger gelegen kreekruggen of andere in de prehistorie hooggelegen plaatsen in het onderzoeksgebied (zie afbeelding 5) maakt de verwachting op het aantreffen van prehistorische resten zeer laag. Hetzelfde geldt voor de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen. De vroegste resten die verwacht kunnen worden houden verband met de eerste ontginningsactiviteiten in de late middeleeuwen, mogelijk in de 12e eeuw. Sporen die verwacht kunnen worden zijn ontginningssloten en -greppels, hoewel deze door het water van het Vollendammer meer mogelijk zijn geërodeerd. De kans op het aantreffen van bewoningssporen uit de middeleeuwen en nieuwe tijd zoals huisplattegronden, ophogingslagen, kuilen en paalsporen wordt zeer klein geacht gezien de lage ligging van het land en het ontbreken van archeologische vindplaatsen in de (directe) omgeving van het plangebied. Bovendien wordt op historische kaarten geen bebouwing aangegeven maar slechts grasland met sloten die verband houden met de inpoldering van het Vollendammermeer.

10

Periode

Verwachting

Omschrijving van de te verwachte resten

Prehistorie, Romeinse tijd en vroege middeleeuwen

Laag

n.v.t.

Romeinse tijd

Laag

Nederzettingssporen, ploegsporen, cultuurlagen, greppels, kuilen, begravingen, waterputten, aardewerk, natuursteen, gewei, benen voorwerpen, metalen voorwerpen, houten voorwerpen, leer,

Middeleeuwen

Laag

Nederzettingssporen, ploegsporen, cultuurlagen, greppels, kuilen, begravingen, waterputten, aardewerk, natuursteen, gewei, benen voorwerpen, metalen voorwerpen, houten voorwerpen, leer, aanplempingslagen, kelders

Tabel 1. Gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied Julianaweg 95 te Volendam.

Afbeelding 6. Overzicht van de boringen (GeoTOP v1.3) die gebruikt zijn voor het maken van het zuid-noord geörienteerde ondergrondmodel (afbeelding 5).

11

4

CONCLUSIE EN ADVIES Het plangebied Julianaweg 95 te Volendam ligt aan de rand van het Markermeer, in een zone met een gespecificeerd archeologisch regime van de vierde categorie. Gedurende de prehistorie, Romeinse tijd en vroege middeleeuwen was het terrein door zijn lage ligging vermoedelijk te nat voor bewoning. De IJe, een natuurlijke waterloop tussen Edam en Volendam, mondde hier uit in de Zuiderzee. Veenontginningen en dijkaanleg in de late middeleeuwen moesten het land bewoonbaar maken maar zetten een proces van bodemdaling in waardoor het natuurlijke riviertje de IJe slecht afwaterde en het Vollendammer meer ontstond. Het plangebied lag onder water. Ook na de drooglegging in 1633 zijn er geen aanwijzingen voor bewoning in het plangebied: op historisch kaartmateriaal is zichtbaar dat het plangebied een agrarisch karakter had (weidegrond). Omdat de kans op het aantreffen van archeologische resten uit de prehistorie tot en met de nieuwe tijd laag is, wordt aanbevolen om geen archeologische vervolgstappen te ondernemen. Mochten tijdens de werkzaamheden alsnog archeologische resten aan het licht komen, dan dient het bevoegd gezag - de gemeente Edam-Volendam - onmiddelijk hiervan op de hoogte gesteld te worden.

12

13

Afbeelding 7. Uitsnede van de kaart van Cornelis Danckerts de Rij (1643) uit het Caertboeck Stadt Amsterdam. Het plangebied is bij benadering aangegeven met het zwarte kader. Bron: Beoordeling gemeente van rapportage archeologisch onderzoek Maria Goretti.

BIJLAGEN

L I T E R AT U U R Holl, J., 2010: Julianaweg / Kielstraat te Volendam, gemeente Edam-Volendam. Een bureauonderzoek (ADC-rapport 2416), Amersfoort.

Inhoudsopgave

Husken, S., C. Nyst, 2015: Beleidsnota Archeologie gemeente Edam-Volendam, Volendam.

Bijlage 1: Archeologische perioden Bijlage 2: Archeologisch stappenplan

Husken, S., C. Nyst, 2015: Archeologische Beleidskaart gemeente Edam-Volendam, Volendam. Mulder, E.F.J., de, et al, 2003: De ondergrond van Nederland, Groningen.

Websites: www.cultureelerfgoed.nl www.dinoloket.nl www.gpscoordinaten.nl

14

15

B I J L A G E 2: A R C H E O L O G I S C H E S TA P P E N P L A N

Late-Middeleeuwen

B 1.250-1.500

Late-Middeleeuwen

A 1.050-1.250

Vroege-Middeleeuwen

D

900-1.050

C

725-900

B

525-725

A Laat-Romeinse tijd

Miden-Romeinse tijd

Vroeg-Romeinse tijd

16

450-525 B

350-450

A

270-350

B

150-270

A

70-150

B

25-70

A

12-25

Late-IJzertijd

12 na Chr.250 v. Chr.

Midden-IJzertijd

500-250

Vroege-IJzertijd

800-500

Late-Bronstijd

1.100-800

Midden-Bronstijd

B 1.500-1.100 A 1.800-1.500

Vroege-Bronstijd

2.000-1.800

Midden-Neolithicum

Vroeg-Neolithicum

B

2.450-2.000

A

2.850-2.450

B

3.400-2.850

A

4.200-3.400

B

4.900-4.200

A

5.300-4.900

Laat-Mesolithicum

6.450-4.900

Midden-Mesolithicum

7.100-6.450

Vroeg-Mesolithicum

8.800-7.100

Laat-Paleolithicum

B 18.000-8.800

MESOLITHICUM NEOLITHICUM

A 1.500-1.650

Laat-Neolithicum

A 35.000-18.000

Midden-Paleolithicum

300.000-35.000

Vroeg-Paleolithicum

-300.000

PALEOLITHICUM

Nieuwe tijd

MIDDELEEUWEN

B 1.650-1.850

ROMEINSE TIJD

Nieuwe tijd

IJZERTIJD

C 1.850-heden

BRONSTIJD

Nieuwe tijd

NIEUWE TIJD

B I J L A G E 1: A R C H E O L O G I S C H E P E R I O D E N

In het “stappenplan archeologie” wordt aangegeven welk traject bij planvorming bewandeld moet worden als het gaat om het inpassen van archeologische waarden en verwachtingen. Het is van groot belang om in een zo vroeg mogelijk stadium van de planvorming rekening te houden met de archeologische waarden en verwachtingen en wel voordat men aanvangt met de globale invulling van een plangebied. Het stappenplan gaat uit van een brede inventarisatie van wat er bekend is over de archeologische waarden. Op basis daarvan wordt zeer gericht ingezoomd op voor het plan(gebied) relevante archeologische informatie. Na iedere stap wordt beredeneerd gekozen voor meer diepgaand onderzoek op specifieke plekken, zodat uiteindelijk voldoende bekend is over aanwezige vindplaatsen om gemotiveerde afweging in het ruimtelijke-ordeningsproces te kunnen maken. I. Bureauonderzoek Het doel van bureauonderzoek is het verwerven van informatie - aan de hand van bestaande bronnen - over bekende of verwachte archeologische waarden binnen of relevant voor het plangebied. Daarnaast moet het bureauonderzoek inzicht bieden in eventueel benodigd inventariserend onderzoek (stap II, zie onder). Een bureauonderzoek bestaat uit een archiefen literatuuronderzoek van archeologische en bodemkundige gegevens die bij RCE, provincie, gemeente en/of andere instanties (b.v.

universiteiten, musea) bekend zijn over het betreffende gebied. Het Bureauonderzoek dient de volgende aspecten te behandelen: * Aangeven wat de aanleiding is voor het bureauonderzoek en om welk gebied het gaat in verband met het bepalen van het onderzoekskader. * Beschrijven van het huidige gebruik van de locatie op basis van beschikbare relevante gegevens. * Beschrijven van het historische grondgebruik of de historische ontwikkeling van het gebied op basis van geofysische, fysische en historisch geografische gegevens. * Een korte impressie over de onstaansgeschiedenis van het landschap. * Een impressie van de bewoningsgeschiedenis. * Beschrijven bekende archeologische waarden. * Archeologisch waardevolle terreinen zoals deze zijn opgenomen in het Centraal Monumenten Archief (CMA) van de RCE. Dezelfde terreinen zijn tevens opgenomen op de Archeologische Monumentenkaarten (AMK) van de provincies. Archeologisch waardevolle terreinen genieten wettelijke bescherming (ex artikel 3 en 6 van de Monumentenwet) of dienen een planologische bescherming te krijgen binnen het bestemmingsplan. * Archeologische vindplaatsen zoals deze in het Centraal Archeologisch Archief (CAA) van de RCE aanwezig zijn. Clustering van vindplaatsen kan wijzen op de aanwezigheid van bewoningssporen uit het verleden.

* Beschrijven van de archeologische verwachtingen en opstellen van een gespecificeerd en onderbouwd verwachtingsmodel van de verwachte archeologische waarden. * Aan de hand van de door de RCE ontwikkelde Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden. Gebieden met een hoge of middelhoge archeologische verwachtingswaarde of trefkans komen in ieder geval voor een nader archeologisch onderzoek in aanmerking. * Aan de hand van een meer gedetailleerde provinciale c.q. gemeentelijke verwachtingskaart. * Rapportage met daarin advisering ten behoeve van het vervolgtraject gerelateerd aan de verschillende stadia van het planvormingsproces.

17

II. Inventariserend veldonderzoek (IVO) Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het zeer gericht aanvullen en toetsen van de uitkomsten van het bureauonderzoek. Stapsgewijs wordt bekeken óf er archeologische waarden aanwezig zijn en zo ja, wat dan de aard, karakter, omvang, datering, gaafheid, conservering en relatieve kwaliteit is. Ten behoeve van een IVO dient een Programma van Eisen (PvE) opgesteld te worden. In principe wordt het IVO uitgevoerd op basis van een Plan van Aanpak (PvA). Het onderzoek kan bestaan uit de volgende methoden: * non-destructieve methoden: geofysische methoden ; * weinig destructieve methoden: oppervlaktekartering, booronderzoek, sondering (putjes van maximaal een vierkante meter); * destructieve methoden: proefsleuven. Welke methoden (kunnen) worden ingezet hangt af van de locatie en vraagstelling. De onderbouwing voor de in te zetten methoden is in het bureauonderzoek gegeven. Een inventariserend veldonderzoek moet leiden tot een waardering en een archeologisch inhoudelijk selectieadvies. Nadere toelichting onderzoeksmethoden: 1 en 2: Bij non-destructieve methoden moet men denken aan elektrische, magnetische en elektromagnetische methoden, eventueel in combinatie met remote sensing technieken.

18

Bij weinig destructieve methoden gaat het om oppervlaktekartering en booronderzoek. Dit houdt in dat het plangebied wordt gekarteerd door middel van het “belopen” van akkers en weilanden, waarbij gezocht wordt naar aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden. Daarnaast wordt door middel van boringen onderzocht hoe het staat met de bodemopbouw, en of er archeologische lagen of indicatoren te onderscheiden zijn. De aangetroffen vindplaatsen kunnen vervolgens nader bekeken worden met een meer diepgaand booronderzoek . Dit levert nadere informatie over de omvang en waardering op. Soms is het nodig om in dit stadium proefputjes te graven. Een proefsleuvenonderzoek wordt uitgevoerd indien uit de minder destructieve onderzoeksmethoden is gebleken dat er in een plangebied waardevolle archeologische vindplaatsen aanwezig zijn. Door middel van het graven van een aantal proefsleuven kunnen de exacte begrenzing, de datering en de graad van conservering van een vindplaats worden onderzocht. Uit het proefsleuvenonderzoek moet blijken of een vindplaats behoudenswaardig of zelfs beschermenswaardig is. Is dit het geval, dan zal bekeken moeten worden of de vindplaats ingepast kan worden in het plan. Het rijks- en ook het provinciaal archeologiebeleid gaat in eerste instantie uit van behoud van het bodemarchief in situ (ter plekke in de bodem).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EdamVolendam&id=bc359491-8317-4c06-84cb-4857c0a7c12f