CConstaterende datEdam-Volendam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 7 Nader soortenonderzoek

Raadsvergadering 12 oktober 2023, gemeente Edam-VolendamBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen bestemmingsplan alsmede aanvraag vergunningen inzake Maria Goretti locatie.7.100 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nader onderzoek Wet natuurbescherming

Volendam, Julianaweg 95

Gemeente Edam - Volendam

Datum: 29 november 2022 Projectnummer: 210220

INHOUD 1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding Plangebied Kwaliteitsborging Definitie product

3 3 6 6

2

Wettelijk kader

7

2.1 2.2 2.3

Verboden en zorgplicht Opzetvereiste Vrijstelling, gedragscodes en ontheffing

7 8 8

3

Ecologie van soorten

10

3.1 3.2 3.3

Gierzwaluw Huismus Vleermuizen

10 10 11

4

Onderzoekmethodiek

14

4.1 4.2 4.3

Gierzwaluw Huismus Vleermuizen

14 15 16

5

Resultaten

19

5.1 5.2 5.3

Gierzwaluw Huismus Vleermuizen

19 20 21

6

Conclusie en advies

27

6.1 6.2 6.3 6.4 6.5

Ontheffing Wet natuurbescherming nodig? Ontheffing aanvragen Mitigerende maatregelen Broedperiode en zorgplicht Vervolgstappen

27 27 27 28 28

Geraadpleegde literatuur

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Op de Julianaweg 95 te Volendam bevindt zich een complex met sport- en maatschappelijke voorzieningen, ook wel de Maria Goretti-locatie genoemd. De gemeente Edam – Volendam is voornemens om op deze locatie nieuwbouw te realiseren. Hiertoe wordt de bestaande bebouwing gesloopt. Het bestemmingsplan dient gewijzigd te worden. Voor de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan is het noodzakelijk dat de haalbaarheid ervan wordt aangetoond. Er dient daarom vanuit de ecologie onderzocht te worden of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. In dit kader heeft SAB reeds een quick scan natuur (SAB, 2021) uitgevoerd. Uit deze quick scan blijkt dat op voorhand de aanwezigheid van nest- en verblijfplaatsen van verschillende soorten vleermuizen, huismus en gierzwaluw niet kan worden uitgesloten. Voorliggende rapportage zet de bevindingen van het nader onderzoek naar deze soorten uiteen. Het doel van het hierna beschreven onderzoek is om de aan- of afwezigheid aan te tonen van voornoemde soorten en om vast te stellen wat de functies van het plangebied en het omliggende terrein voor deze soorten zijn. Uiteindelijk wordt op basis van deze bevindingen een advies uitgebracht over de wettelijke consequenties hiervan en eventuele vervolgstappen die noodzakelijk zijn.

1.2

Plangebied

1.2.1

Huidige situatie Het plangebied bevindt zich in de kern van Volendam (gemeente Edam – Volendam, provincie Noord-Holland). De omgeving van Volendam kenmerkt zich door agrarische gronden en de nabijheid van het Markermeer. In de nabijheid liggen natuurgebieden als IIlperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske en het Markermeer en IJmeer. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich voornamelijk door de aanwezigheid van woonhuizen. Ten westen van het plangebied ligt het Burgemeester Boelenspark met zowel bomen als watergangen. Het plangebied grenst in het noorden en westen aan de Foksiastraat, in het oosten aan de Julianaweg en in het zuiden aan een watergang van het Burgemeester Boelenspark. Navolgende afbeeldingen geven de globale ligging van het plangebied weer.

3

Topografische kaart met de globale ligging van het plangebied (rood omcirkeld).Bron: PDOK.

Luchtfoto met de globale ligging van het plangebied (rood omkaderd). Bron: PDOK.

Het plangebied bestaat uit een complex met sport- en maatschappelijke voorzieningen. De overige gronden zijn grotendeels verhard en in gebruik als parkeerplaats of als speelplaats van een kinderdagverblijf. In het zuiden van het plangebied staan zich enkele bomen. Navolgende afbeeldingen geven een impressie van het plangebied ten tijde van het veldbezoek van de quick scan natuur op 26 mei 2021.

4

De westzijde van het plangebied;

Speelplaatsje te midden van de bebouwing in het plangebied;

Bomenrij in het zuidelijke gedeelte;

1.2.2

Oostzijde van het plangebied.

Toekomstige situatie In de toekomstige situatie zal nieuwbouw in het plangebied zijn gerealiseerd. Dit zal gaan om seniorenwoningen, zorgwoningen en enkele grondgebonden woningen. In totaal zullen ongeveer 70 woningen in het plangebied aanwezig zijn. Voor de nieuwbouw wordt de bestaande bebouwing gesloopt en worden de aanwezige bomen en het groen binnen het plangebied verwijderd.

5

1.3

Kwaliteitsborging Kwaliteit van het ecologisch onderzoek en het geleverde product staat bij SAB hoog in het vaandel. Mede daarom zijn wij aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB); de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Om te allen tijde aan onze standaard te voldoen, hanteren wij de volgende werkwijze: − Het onderzoek wordt uitgevoerd conform geldige onderzoeksprotocollen, zoals het vleermuisprotocol (2021), de kennisdocumenten van BIJ12 (2017) en de soortinventarisatieprotocollen van het NGB (2017). − Het afwijken van de protocollen vindt enkel plaats indien dit ecologisch goed te onderbouwen en te rechtvaardigen is. − Het onderzoek wordt enkel uitgevoerd door deskundigen op het gebied van de betreffende soorten. Ecologen in opleiding tot deskundige zijn tijdens veldonderzoek altijd onder begeleiding van een deskundige.

Onder een ecologisch deskundige verstaan we iemand met aantoonbare ervaring en kennis op het gebied van soortspecifieke ecologie en die voldoet aan één of meerdere van onderstaande punten (www.rvo.nl): 1 Hij/zij heeft een afgeronde hbo- of universitaire opleiding, met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; 2 Hij/zij heeft een afgeronde mbo-opleiding, met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; 3 Hij/zij is werkzaam voor een ecologisch adviesbureau, zoals een bureau dat is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; 4 Hij/zij zet zich aantoonbaar actief in op het gebied van de soortenbescherming en is werkzaam of aangesloten bij de volgende Nederlandse organisaties: Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN, EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk gebied; 5 Hij/zij zet zich aantoonbaar actief in op het gebied van de monitoring en/of bescherming van de Nederlandse natuur. − Nadat het eerste conceptrapport gereed is, beoordeelt een collega het rapport op inhoud en vorm. De auteur verwerkt de geplaatste opmerkingen of bespreekt deze met de beoordelaar om zo tot een eensluidend advies te komen.

1.4

Definitie product Het product wat in deze rapportage geleverd wordt is een “nader onderzoek beschermde soorten” conform de begrippenlijst van het Netwerk Groene Bureaus (NGB 2020) en omvat daarmee alle eisen die het NGB aan dit product stelt.

6

2

Wettelijk kader De bescherming van dier- en plantensoorten is geregeld in de Wet natuurbescherming (wetten.overheid.nl). De artikelen waarin in dit hoofdstuk naar wordt verwezen, komen allen uit deze wet.

2.1

Verboden en zorgplicht Voor een aantal soorten is door middel van verboden een beschermingsregime opgenomen. Er is een apart beschermingsregime voor vogelrichtlijnsoorten (artikelen 3.1 tot en met 3.4), voor habitatrichtlijnsoorten (artikelen 3.5 tot en met 3.9) en voor andere soorten (artikelen 3.10 en 3.11). Naast de beschermde dier- en plantensoorten geldt op basis van artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voor al de in het wild levende soorten ook een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor aanwezige soorten zo veel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht.

2.1.1

Vogelrichtlijnsoorten Voor ruimtelijke ingrepen zijn de volgende verboden relevant, zoals vermeld in artikel 3.1: het is verboden om van nature in Nederland in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen, het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van deze soorten te beschadigen of te vernielen of nesten van vogels weg te nemen. Ook is het verboden deze soorten opzettelijk te storen wanneer dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort. De verboden in de wet zorgen voor een goede bescherming van nesten van alle in het wild levende vogelsoorten tijdens het broedseizoen. Globaal loopt het broedseizoen van half maart tot half augustus, maar ook de nesten van broedende vogels buiten deze periode zijn beschermd. Daarnaast zijn van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd, dus ook als ze niet als broedlocatie worden gebruikt. Het betreft dan over het algemeen soorten die hun nest het gehele jaar als verblijfplaats gebruiken of soorten die niet of nauwelijks in staat zijn om een eigen nest te bouwen.

2.1.2

Habitatrichtlijnsoorten Voor ruimtelijke ingrepen zijn de volgende verboden relevant, zoals vermeld in artikel 3.5: het is verboden om soorten van de Habitatrichtlijn en van de verdragen van Bonn en Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eieren opzettelijk te vernielen, om voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om planten van de Habitatrichtlijn en van het verdrag van Bern opzettelijk te ontwortelen of te vernielen.

7

2.1.3

Andere soorten Naast de Vogelrichtlijnsoorten en de Habitatrichtlijnsoorten worden in de wet nog een aantal andere dier- en plantensoorten beschermd. Voor deze soorten zijn bij ruimtelijke ingrepen de volgende verboden relevant, zoals is weergegeven in artikel 3.10: het is verboden de beschermde diersoorten opzettelijk te doden of te vangen en om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en het is verboden om de beschermde plantensoorten opzettelijk te plukken, ontwortelen of te vernielen.

2.2

Opzetvereiste Bij veel van de hierboven genoemde verboden is er sprake van een opzetvereiste. Zo is het verboden om vogelnesten opzettelijk te beschadigen. In de wet wordt bij deze opzet uitgegaan van ‘voorwaardelijke opzet’. Bij voorwaardelijke opzet is men zich bij het handelen bewust van de mogelijke negatieve consequenties, terwijl men de handeling toch uitvoert (Europese Commissie, 2007). Een voorbeeld van voorwaardelijke opzet is iemand die in het voorjaar een boom omzaagt en daarbij ‘per ongeluk’ een vogelnest beschadigt. De persoon had niet de opzet dit nest te beschadigen. Maar in de broedtijd van vogels is er wel een aanzienlijke kans dat er in een boom een vogel nestelt. Er kan daarom toch sprake zijn van opzettelijke beschadiging van het nest; voorwaardelijke opzet.

2.3

Vrijstelling, gedragscodes en ontheffing Provinciale Staten kunnen in een verordening een vrijstelling verlenen van de verboden van de wet. De provincie Noord-Holland heeft besloten voor een aantal algemeen voorkomende zoogdiersoorten en amfibieën een vrijstelling te verlenen, voor handelingen die men verricht in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en voor handelingen in het kader van bestendig beheer en onderhoud. Het betreft de soorten aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, woelrat, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en middelste groene kikker. Daarnaast zijn de in paragraaf 2.1.1 beschreven verboden niet van toepassing op handelingen die men uitvoert in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud, wanneer men die handelingen uitvoert conform een goedgekeurde gedragscode (artikel 3.31). Gedragscodes kunnen daarbij zowel gebruikt worden voor de omgang met de Vogelrichtlijnsoorten, de Habitatrichtlijnsoorten als de andere beschermde soorten.

Wel geldt voor de Vogelrichtlijnsoorten en de Habitatrichtlijnsoorten de aanvullende eis dat de handelingen die men uitvoert een wettelijk belang dienen uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (artikel 3.31, lid 1 onder d). Het gaat dan onder meer om handelingen in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of ter bescherming van flora en fauna. Tot slot kunnen Gedeputeerde Staten, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat, onder bepaalde voorwaarde een ontheffing verlenen van de verboden (artikel 3.8 lid 1 en artikel 3.10 lid 2). Ook hierbij geldt voor vogelrichtlijnsoorten en ha-

8

bitatrichtlijnsoorten dat aan de handelingen die men verricht een wettelijk belang van de Vogelrichtlijn respectievelijk de Habitatrichtlijn ten grondslag dient te liggen (artikel 3.8 lid 5). Voor de andere beschermde soorten zijn, naast deze wettelijke belangen, ook nog aanvullende belangen geldig (artikel 3.10 lid 2).

9

3 3.1

Ecologie van soorten Gierzwaluw Gierzwaluwen broeden in Nederland in stedelijk gebied. Ze broeden in kolonies, onder daken en in gebouwen. Veel gebruikte nestlocaties zijn onder scheefliggende of kapotte dakpannen, onder nokpannen, in gaten en kieren onder de dakrand en bij dakkapellen, daar waar het zink overloopt van de dakkapel naar de dakpannen. Daarnaast worden soms kunstmatige nestkasten of nestpannen, gaten in muren, gaten achter regenpijpen of ventilatieschachten als broedlocatie gebruikt. Nestlocaties dienen een vrije uitvliegroute op minimaal enkele meters boven de grond te hebben. Daken dienen verder minimaal een hellingshoek van 45 graden te hebben om als nestlocatie geschikt te zijn (BIJ12, 2017a). Gierzwaluwen bevinden zich bijna hun hele leven in de lucht. Hun lichaamsbouw is dan ook perfect aangepast aan het vliegen in de lucht. Echter, de vleugels zijn niet gebouwd op het uit stilstand opvliegen. Het gevolg is dat gierzwaluwen zich te allen tijde naar beneden moeten kunnen laten vallen om in de vleugels te komen en weg te kunnen vliegen. Ook zijn de poten nog maar slecht ontwikkeld, omdat deze weinig worden gebruikt. Vanwege deze beperkingen zijn gierzwaluwen erg conservatief in het innemen van nieuwe broedplaatsen. Ze gebruiken dan ook jaren achtereen dezelfde nestplaats (BIJ12, 2017a).

3.2

Huismus De huismus is sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is voornamelijk gebonden aan menselijke bebouwing. Ook voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem aanbiedt. De huismus is geen zeldzame soort, maar is de afgelopen jaren wel sterk achteruit gegaan. Bij ruimtelijke ontwikkelingen in bebouwd gebied dient vanwege zijn associatie met de mens en zijn relatief algemene voorkomen vaak rekening gehouden te worden met aanwezigheid van de huismus. De huismus broedt in losse kolonies van enkele tot tientallen nesten. Grotere kolonies hebben vaak een beter broedresultaat dan kleinere kolonies. Kolonies groter dan 25 broedparen hebben een positief broedsucces en zijn zelfvoorzienend. Ook gaan nakomelingen op zoek naar andere kolonies. Bij kolonies kleiner dan 10 broedparen is vaak een negatief broedsucces en zijn individuen uit andere kolonies nodig om de verliezen aan te vullen. Bij kolonies tussen de 10 en 25 broedparen wisselt het broedsucces. De huismus is zeer honkvast en stelt een aantal voorwaarden aan een geschikt leefgebied: − Nestplaats: allereerst dienen geschikte nestplaatsen voorhanden te zijn. Huismussen broeden vaak onder pannendaken met ronde dakpannen. Onder platte pannen is te weinig ruimte om te broeden. Andere geschikte kieren in bebouwing worden ook gebruikt.

De nestplaatsen liggen meestal niet in de volle zon, aangezien dakpannen door de zon erg heet kunnen worden;

10

− Voedsel: binnen maximaal enkele honderden meters van de nestplaats dient voedsel aanwezig te zijn. Volwassen dieren eten zaden van grassen en onkruiden, insecten, bessen, bloemknoppen, maar ook al het voedsel wat de mens aanbiedt, zoals voedsel uit voedersilo’s en etensresten. De voedselvoorziening moet het gehele jaar aanwezig zijn. In de broedperiode hebben de jongen eiwitrijk voedsel nodig, zoals bladluizen, muggen, vliegen en rupsen. Daarom moeten struiken, of andere vormen van groen aanwezig zijn waarin de huismussen dit voedsel voor hun jongen kunnen vinden; − Water: huismussen hebben water nodig. Dit vinden ze op allerlei plekken, zoals in een dakgoot of een speciale drinkbak; − Beschutting: huismussen zijn een makkelijke prooi voor roofdieren zoals sperwers. Binnen enkele meters van de voedselbronnen dient daarom beschutting aanwezig te zijn. Dit bestaat voornamelijk uit dichte, of groenblijvende struiken. De huismus gebruikt zijn nest het gehele jaar door. Voornamelijk tijdens de broedperiode (april tot en met augustus) en tijdens vorstperiodes is de huismus erg afhankelijk van de broedplaats. Eventuele verstoringen aan het nest mogen daarom in ieder geval niet in deze periodes plaatsvinden.

3.3

Vleermuizen Elke vleermuissoort heeft een eigen specifiek scala aan eisen waaraan een leefgebied moet voldoen, om zich succesvol te kunnen handhaven. De verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden nemen hierin een centrale plaats in. Deze worden hieronder besproken.

3.3.1

Verblijfplaats Net als alle zoogdieren zoeken ook vleermuizen een beschermde ruimte op om te slapen, hun jongen te baren en groot te brengen. Dit is de zogenaamde vaste rust- en verblijfplaats. Vleermuizen bezitten door het jaar heen een groot scala aan verschillende soorten verblijfplaatsen om in bovengenoemde behoefte te voorzien. Er wordt voor deze diergroep onderscheid gemaakt tussen kraamverblijfplaatsen, zomerverblijfplaatsen, paarverblijfplaatsen en winterverblijfplaatsen. In de kraamverblijfplaats worden de jongen (één per vrouwtje) gebaard en gezoogd. In dergelijke verblijfplaatsen scholen meerdere vrouwtjes (met jongen) bij elkaar. De omvang van een dergelijke kolonie verschilt per locatie en per soort. Van de gewone dwergvleermuis is bijvoorbeeld bekend dat zij groepen vormt van circa 50 tot 120 individuen (BIJ12, 2017c). Bij de laatvlieger zijn deze groepen geregeld kleiner: 10 tot 60 vrouwtjes (Dietz et al., 2011). In zomerverblijfplaatsen bevinden zich de volwassen mannetjes en vrouwtjes die zich niet voortplanten. Hier zijn geen grote groepen vleermuizen aanwezig. In de paarverblijfplaatsen vindt de paring plaats. Mannetjes bezetten dan een verblijfplaats met daaromheen zijn territorium en proberen vrouwtjes hiernaartoe te lokken om te paren. In de winterverblijfplaats overwinteren de vleermuizen (www.vleermuis.net).

Gewone dwergvleermuizen kunnen zowel in kleine als in grote groepen overwinteren (BIJ12, 2017c). De meervleermuis overwintert weer in grotten of bunkers en andere soorten trekken weg uit Nederland naar warmere oorden (www.vleermuis.net). 11

Vleermuizen zijn globaal op te delen in gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis en boombewonende soorten als rosse vleermuis en watervleermuis Daarnaast bestaan soorten die van beide elementen gebruikmaken. Daarbij is ook onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, etc.). Andere soorten als de rosse vleermuis verblijven jaarrond in bomen (in holten, holen en achter loshangend schors). De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders en verblijft in de zomerperiode in boomholten (Dietz et al., 2011; Zoogdiervereniging en Probos, 2012). Vleermuizen leven door het jaar heen in een netwerk van verschillende verblijfplaatsen, maar ook in een netwerk van verschillende verblijfplaatsen tijdens hetzelfde seizoen. Afhankelijk van soort en situatie is er sprake van een hoofdverblijfplaats met satellietverblijfplaatsen of van meer gelijkwaardige verblijfplaatsen. Zelfs kraamverblijfplaatsen kunnen van de ene op de andere dag verlaten zijn, waarbij de vrouwtjes hun jongen hangend aan de buik met zich meedragen. Tussen winterverblijfplaatsen wordt minder gewisseld (www.vleermuis.net).

Bij de gewone dwergvleermuis liggen alle verblijfplaatsen binnen een straal van 20 kilometer bijeen (BIJ12, 2017c). Bij grotere vleermuissoorten als de rosse vleermuis is dit gebied vele malen groter (BIJ12, 2017d). 3.3.2

Vliegroutes Vanuit hun verblijfplaatsen moeten de vleermuizen hun weg kunnen vinden op zoek naar voedsel. Met behulp van hun sonar moeten ze wegwijs worden in de omgeving tussen verblijfplaats en foerageergebied. Bepaalde vleermuissoorten, zoals de gewone dwergvleermuis, gebruiken hiervoor vaak een vaste route naar het foerageergebied. Lijnvormige elementen als een bomenrij of watergang met opgaande begroeiing zijn hierbij vaak belangrijk voor hun oriëntatie (www.vleermuizenindestad.nl, Limpens et al., 2004).

3.3.3

Foerageergebied Vleermuizen gebruiken verschillende typen gebieden om voedsel te vinden. Hiertoe heeft elke vleermuissoort zich op enige wijze gespecialiseerd. Een overeenkomst is dat ze allen beschutting van wind zoeken. Enerzijds om energie te besparen, anderzijds vanwege de hoeveelheid insecten. De gewone dwergvleermuis foerageert bijvoorbeeld vooral in open ruimtes in bosachtig gebied of langs wind beschutte, lijnvormige elementen, zoals bomenrijen of watergangen (BIJ12, 2017c). De laatvlieger foerageert ten opzichte van de gewone dwergvleermuis in dezelfde soort gebieden maar dan hoger in de lucht en zolang de wind het toe laat boven opener terrein. De watervleermuis foerageert meestal boven open water (www.vleermuizenindestad.nl).

3.3.4

Jaarcyclus vleermuizen Vleermuizen gebruiken dus een netwerk van deelleefgebieden met verschillende functies. De in Nederland meest voorkomende soorten volgen daarbij een duidelijke seizoenscyclus: beginnend bij winterslaap, achtereenvolgens migratie, kraamperiode,

12

balts- of paartijd, trek en tenslotte weer winterslaap (www.vleermuizenindestad.nl). zie onderstaand tijdschema.

Jaarcyclus van vleermuizen. Bron: Zoogdiervereniging

13

4 4.1

Onderzoekmethodiek Gierzwaluw Het onderzoek om aan- of afwezigheid van nesten van gierzwaluwen aan te tonen is grotendeels uitgevoerd conform het kennisdocument Gierzwaluw (BIJ12, 2017a). Het voldoet aan de volgende voorwaarden: − minimaal drie inventarisatiemomenten met een tussenliggende periode van minimaal 10 dagen; − in de periode van 1 juni tot en met 15 juli; − waarvan minimaal één inventarisatie tussen 20 juni en 7 juli; − tijdens goede weersomstandigheden (droog, niet te veel wind). Afwijkend van het kennisdocument is de onderzoekstijd van 1,5 uur voor zonsondergang tot een half uur na zonsondergang. Onze ervaring is dat gierzwaluwen nog na zonsondergang actief zijn. Met deze afwijkende tijden worden alle invliegende gierzwaluwen nog waargenomen. Gezien de grootte van het plangebied is ervoor gekozen om de locatie van de nesten te bepalen door middel van het waarnemen van in- en uitvliegende gierzwaluwen. Dergelijke nestlocatietellingen leveren de beste resultaten op. Hierbij is 15 tot 30 minuten gepost per strategisch gekozen plek, van waaruit verschillende potentiële nestlocaties overzien kunnen worden. Alle in- en uitvliegende gierzwaluwen zijn genoteerd en de locaties zijn op een kaart bijgehouden. Naast in- en uitvliegende individuen zijn ook laagvliegende, luid roepende vogels genoteerd.

Dit gedrag duidt er namelijk op dat een nestlocatie in de buurt aanwezig is (BIJ12, 2017a). Daarnaast is ook bijgehouden hoeveel gierzwaluwen maximaal hoog boven en in de omgeving van het plangebied rondvliegen. De veldbezoeken zijn uitgevoerd op 1 juni, 12 juni en 22 juni. Onderzoeken zijn uitgevoerd door respectievelijk twee, twee, en één deskundige onderzoekers. Na elk veldbezoek is beoordeeld met hoeveel onderzoekers het volgende veldbezoek uitgevoerd moet worden, uitgaande van het aantal verdachte plekken met nestindicerend gedrag. Omdat er na de bezoeken van 1 en 12 juni geen aanwijzingen waren dat er nesten aanwezig konden zijn, is het bezoek van 22 juni door één deskundig onderzoeker uitgevoerd. De afwezigheid van broedende gierzwaluwen is met bovengenoemde methode voldoende aannemelijk gemaakt als er geen waarnemingen zijn verricht die duiden op de aanwezigheid van een nest.

14

4.2

Huismus Het inventariseren van huismussen vindt plaats door zichtwaarnemingen. Door ongeveer een uur in een bepaald gebied te inventariseren wordt een goed beeld gekregen van de aan- of afwezigheid van huismussen in een gebied. Aanwezigheid van huismusnesten kan op verschillende manieren worden aangetoond. Er mag uit worden gegaan van een huismusnest bij de volgende waarnemingen: 1 Waarneming van nest of nestbouw; 2 Bezoek van een huismus aan een potentiële nestplaats; 3 Transport van voedsel of ontlastingspakketjes; 4 Bedelende jongen in een nest; 5 Van 10 maart tot 20 juni een zingend mannetje; 6 Van 10 maart tot 20 juni aanwezigheid van een paartje; 7 Van 10 maart tot 20 juni baltsgedrag. De laatste drie type waarnemingen zijn het makkelijkst te doen. Nadeel is wel dat de precieze nestlocatie dan nog niet geheel duidelijk is. Daarom is gewacht tot een huismus een potentiële nestplaats echt bezoekt (bijvoorbeeld in nestkast vliegen, of onder dakrand kruipen). De laatste drie type waarnemingen dienen onder de juiste onderzoeksomstandigheden uit te worden gevoerd. Droog, weinig wind, in de ochtend vanaf 1 à 2 uur na zonsopkomst op geluidsluwe momenten.

Om afwezigheid van de huismus met voldoende zekerheid vast te stellen, dienen twee inventarisatierondes in de periode van 1 april tot en met 15 mei uitgevoerd te worden met een tussenperiode van minimaal tien dagen (Kennisdocument Huismus, 2017). De veldbezoeken zijn uitgevoerd op 20-04-2022 en 04-05-2022. Beide veldbezoeken zijn dus gedaan in de optimale periode.

15

4.3

Vleermuizen

4.3.1

Onderzochte soorten, functies en onderzoeksomstandigheden Het vleermuisonderzoek heeft plaatsgevonden volgens de richtlijnen zoals deze zijn verwoord in het Vleermuisprotocol 2021 (Netwerk Groene Bureaus, 2021). Om aan deze richtlijnen te kunnen voldoen is allereerst beoordeeld welke vleermuissoorten mogelijk in het plangebied voor kunnen komen en welke functies het voor deze soorten kan vervullen. Deze beoordeling is gebaseerd op de bekende verspreiding van in Nederland voorkomende vleermuizen, de ecologie van de soorten en de aangetroffen situatie. In navolgend overzicht is deze beoordeling uiteengezet. Beoordeling van mogelijk aanwezige soorten en de functies die de situatie in het onderzoeksgebied zou kunnen vervullen (x = functie is niet uit te sluiten, - = functie is uit te sluiten). Vleermuissoort

Kraam-

Zomer-

Paar-

Winter-

Foe-

Vlieg-

verblijf

verblijf

verblijf

verblijf

gebied

route

Gewone dwergvleermuis

x

x

x

x

x

-

Ruige dwergvleermuis

-

x

x

x

x

-

Laatvlieger

x

x

x

x

x

-

Meervleermuis

x

x

x

-

x

-

Voor de meervleermuis voldoet het paarverblijfonderzoek niet aan het vleermuisprotocol. Voor de meervleermuis geldt dat deze soort zeer honkvast is voor wat betreft hun verblijfplaatsen (Haarsma, 2011). Alle paarverblijfplaatsen worden daarbij ook in de kraamperiode gebruikt. In dit geval zijn tijdens de kraamperiode geen meervleermuizen in het plangebied waargenomen. Daarom is paarverblijfonderzoek naar deze soort niet noodzakelijk. De mogelijk aanwezige vleermuissoorten en functies, zoals weergegeven in voorgaand overzicht (met uitzondering van de paarverblijffunctie van de meervleermuis), zijn in dit onderzoek onderzocht. Om voor deze soorten te voldoen aan de onderzoekseisen van het vleermuisprotocol zijn de veldbezoeken uitgevoerd zoals is weergegeven in navolgende tabel. In deze tabel zijn ook de weersomstandigheden en het aantal onderzoekers weergegeven. Tevens is weergegeven wanneer welke functies zijn onderzocht.

16

Data, tijden, onderzoeksomstandigheden en onderzochte functies tijdens de uitgevoerde onderzoeken. Veldonderzoeksdata

01-06-2022

03-06-2022

03-06-2022

13-07-2022

15-08-2022

07-09-2022

Onderzoeksronde

1A

2

1B

3

4

5

Zon op

05:23

05:22

05:22

05:33

06:22

07:00

Zon onder

21:53

21:55

21:55

21:58

21:05

20:14

Tijd (start)

21:53

02:22

21:55

21:58

23:00

21:15

Tijd (eind)

23:53

05:22

23:55

00:13

01:00

23:15

Temperatuur (°C)

14

11-13

17

15

22

16

Windkracht (Bft)

3

4

4

1

0

2

Neerslag

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Weersomstandigheden

Goed

Goed

Goed

Goed

Goed

Goed

Aantal onderzoekers

3

3

2

5

2

2

Onderzochte soorten

Alle

Alle behalve

Alle

Alle

Alle

Alle

Paarverblijfplaatsen

x

x

Massawinterverblijf

x

x

laatvlieger Onderzochte Functies

4.3.2

Kraamverblijfplaatsen

x

x

x

x

Zomerverblijfplaatsen

x

x

x

x

Foerageergebied

x

x

x

x

x

x

Vliegroutes

x

x

x

x

x

x

Methode De onderzoekers hebben zich gedurende het veldonderzoek over het onderzoeksgebied verspreid en gezocht naar vleermuizen door middel van zichtwaarnemingen en het gebruik van batdetectors. Navolgende waarnemingen zijn belangrijk en zijn in ieder geval genoteerd: − Vleermuizen die in of uit een gebouw, boom, etc. vliegen. Dit wijst op de aanwezigheid van een verblijfplaats; − Zwermgedrag; vleermuizen die een tijdje en op een typische manier op een bepaalde plek rondvliegen. Vaak met meerdere vleermuizen, maar kan ook alleen. Dit kan duiden op een verblijfplaats. − Paargedrag, zoals baltsactiviteit van mannelijke vleermuizen. Dit kan bijvoorbeeld wijzen op de aanwezigheid van een paarterritorium en paarverblijfplaatsen. − Foeragerende vleermuizen. Hierbij is van belang hoeveel vleermuizen foerageren en of nog andere functies in de buurt aanwezig zijn. Op basis van deze waarnemingen is bepaald of sprake is van essentieel foerageergebied. − Meerdere vleermuizen die een bepaalde route vliegen. Dan is meestal sprake van een vliegroute van vleermuizen. Op basis van deze waarnemingen en een inschatting van de omgeving is bepaald of sprake is van een essentiële vliegroute.

17

4.3.3

Batdetectors Het onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen is uitgevoerd door middel van zichtwaarnemingen en onderzoek met batdetectors. In dit onderzoek zijn de typen Petterson D240X, Petterson M500 en Batlogger M gebruikt. Een batdetector is een apparaat dat de onhoorbare, ultrasone geluiden van vleermuizen opvangt en vertaalt in voor mensen hoorbare geluiden. Door interpretaties van ritme, klank en hoogte van het door het apparaat uitgezonden geluid kunnen de meeste soorten vleermuizen worden onderscheiden en op naam worden gebracht. Met behulp van deze detectoren kunnen opnames worden gemaakt die eventueel achteraf geanalyseerd kunnen worden met behulp van computerprogramma’s. Met name voor de soorten van het geslacht Myotis is dit noodzakelijk om tot een zekere determinatie te komen.

4.3.4

Weersomstandigheden De vleermuisveldbezoeken mogen alleen bij goede weersomstandigheden uitgevoerd worden. Deze eisen zijn ook in het vleermuisprotocol opgenomen. Als de weersomstandigheden onvoldoende zijn, is de vleermuisactiviteit lager dan bij goede weersomstandigheden en geven de waarnemingen geen goed beeld van het vleermuisgebruik van het onderzoeksgebied. In dit geval zijn alle veldbezoeken bij goede weersomstandigheden uitgevoerd. Weergegevens zijn geraadpleegd via de websites van het KNMI, Weer.nl en Buienradar.nl.

4.3.5

Massawinterverblijfonderzoek Van de gewone dwergvleermuis is bekend dat deze gebruik maakt van massawinterverblijfplaatsen. Zodra het in de herfst en winter echt koud wordt, trekken de gewone dwergvleermuizen van hun solitaire winterverblijfplaatsen (vaak zijn dit ook zomer-, kraam-, of paarverblijfplaatsen (BIJ12 2017c)) naar massawinterverblijfplaatsen. Zover bekend zijn dit voornamelijk grote, massieve gebouwen, waar ze diep weg kunnen kruipen in diepe spleetvormige ruimten zoals een spouw, dilatatievoeg of hol vloerelement (Brekelmans & Korsten, 2014). Er is geen massawinterverblijfonderzoek gedaan omdat het gebouw aan hoogte ontbreekt en omdat er geen plekken zijn waarin vleermuizen diep kunnen wegkruipen. Het gebouw is dan ook ongeschikt als massawinterverblijfplaats.

18

5

Resultaten

5.1

Gierzwaluw Op 1 juni 2022 zijn gedurende de gehele avond grote groepen van 20-50 dieren foeragerend ten noordoosten en met name ten zuidwesten van het plangebied waargenomen. De gierzwaluwen vlogen voornamelijk boven de woonwijk en waren actief tot ca. 22:20 uur. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van nesten in het plangebied. Op 12 juni 2022 is het tweede veldbezoek uitgevoerd. Het beeld gedurende de avond betreffende de activiteit van de gierzwaluwen was hetzelfde als het eerste veldbezoek. De groep gierzwaluwen bestond echter ditmaal uit minimaal 50 individuen. Alle gierzwaluwen vertoonden geen binding met het plangebied. Op 22 juni 2022 is het derde en tevens laatste veldbezoek uitgevoerd. Ook hier waren de waarnemingen identiek aan de voorgaande twee veldbezoeken. Ook tijdens dit veldbezoek zijn er geen nestplaatsen waargenomen. Wel was er tijdens dit veldbezoek op het dak van het schoolgebouw een nest waargenomen van een zilvermeeuw. Gezien de resultaten kan gesteld worden dat in het plangebied geen nestplaatsen van de gierzwaluw aanwezig zijn.

19

5.2

Huismus Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 20 juni 2022 aan het eind van de ochtend bij gunstige weersomstandigheden. Tijdens het veldbezoek zijn er om 10:39 uur twee foeragerende huismussen waargenomen aan de noordoostkant van het gebouw. Om 11:03 uur is er een zingend mannetje waargenomen in het struweel aan de noordkant van het gebouw. Het struweel is gecontroleerd op aanwezigheid van een nest. Er is echter geen nest aangetroffen. Het tweede veldbezoek is uitgevoerd op 4 mei 2022. Ook dit veldbezoek werd tijdens gunstige weersomstandigheden uitgevoerd rond het einde van de ochtend. Tijdens dit veldbezoek zijn er geen huismussen waargenomen. Gezien de resultaten kan gesteld worden dat in het plangebied geen nestplaatsen van de huismus in het gebouw aanwezig zijn. Zie navolgende afbeelding voor een overzicht van de waarnemingen van het huismusonderzoek.

Resultaten van het huismusonderzoek.

20

5.3

Vleermuizen

5.3.1

Kraam- en zomerverblijfonderzoek

5.3.1.1

1 juni 2022 Om 22:23 uur werd de eerste vleermuisactiviteit waargenomen. Het betrof een gewone dwergvleermuis die vanuit het westen richting het oosten over het plangebied vloog. Om 22:24 uur werd het eerste foeragerende dier waargenomen en dat betrof een gewone dwergvleermuis. De vleermuis foerageerde rond de bomen in het zuidoosten van het plangebied. Om 22:31 uur kwam er een tweede individu bij om te foerageren. Om 22:33 werd er een uitvliegende gewone dwergvleermuis waargenomen. Het dier vloog uit boven het eerste raam van een zuidwestelijke gevel. Gedurende de avond werden er nog overvliegende (22:37 uur en 23:22 uur) en foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen (22:49 uur en 23:04 uur). Tijdens het veldbezoek viel op dat rond het water ten zuiden en westen van het plangebied veel foerageeractiviteit was van gewone dwergvleermuizen. Om 23:04 uur zijn er 8 tot 10 foeragerende individuen waargenomen. Andere soorten of gedragingen zijn tijdens dit veldbezoek niet waargenomen.

5.3.1.2

3 juni 2022, ochtendbezoek De eerste waarneming van het veldbezoek was om 02:33 uur en betrof een aantal (2 tot 5 individuen) foeragerende gewone dwergvleermuizen. De vleermuizen foerageerden rond de watergang ten zuiden van het plangebied. In totaal zijn er 2 invlieglocaties tijdens dit veldbezoek vastgesteld. De eerste invlieger werd waargenomen om 04:27 uur en betrof een gewone dwergvleermuis. De vleermuis vloog in onder een scheefliggende dakpan aan de oostzijde van het plangebied. De tweede invlieger vloog in om 04:43 uur onder een nokpan rond het speelplein. De invliegende vleermuis was een gewone dwergvleermuis. Zie navolgende afbeeldingen voor de (globale) invlieglocaties.

21

Invlieglocatie onder een scheefliggende dakpan aan de oostzijde van het schoolgebouw.

Tweede invlieglocatie onder een nokpan aan de zijde van het speelplein.

De laatste waarneming van het ochtendbezoek was om 05:11 uur en betrof een overvliegende gewone dwergvleermuis ten westen van het plangebied. Andere soorten of gedragingen zijn tijdens dit veldbezoek niet waargenomen.

22

5.3.1.3

3 juni 2022, avondbezoek De eerste waarneming tijdens dit veldbezoek was een uitvliegende gewone dwergvleermuis om 22:22 uur. De vleermuis vloog uit vanaf een scheefliggende dakpan. Zie navolgende afbeelding voor de exacte uitvlieglocatie.

Uitvlieglocatie van een gewone dwergvleermuis onder een scheefliggende dakpan.

Om 22:38 uur vloog er een gewone dwergvleermuis over richting het speelplein. Om 22:42 uur werd er een foeragerende gewone dwergvleermuis waargenomen boven het schoolgebouw. Andere soorten of gedragingen zijn tijdens dit veldbezoek niet waargenomen. 5.3.1.4

13 juli 2022 De eerste waarneming van het veldbezoek was om 22:36 uur en betrof een uitvliegende gewone dwergvleermuis. De vleermuis vloog uit vanaf een scheefliggende dakpan. Deze dakpan bevindt zich op de dakrand van de gymzaal aan de zijde van het speelplein. Tijdens het avondbezoek van 3 juni vloog hier ook al een gewone dwergvleermuis uit. Om 22:47 uur is er een overvliegende laatvlieger waargenomen. De vleermuis kwam vanuit het zuidwesten en vloog richting het zuidoosten. Om 22:50 uur werd er een foeragerende laatvlieger waargenomen rond het water ten zuiden van het plangebied. Om 22:56 uur zijn er 3 foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen rondom het water ten zuiden van het plangebied. Om 23:26 uur zijn er minimaal 5 en maximaal 10 foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen boven het water ten westen van het plangebied. Andere soorten of gedragingen zijn tijdens dit veldbezoek niet waargenomen.

23

Navolgende afbeelding visualiseert de waarnemingen van het kraamverblijfonderzoek.

Visualisatie van alle waarnemingen tijdens het kraam- en zomerverblijfplaatsonderzoek.

5.3.2 5.3.2.1

Paarverblijfonderzoek 15 augustus 2022 Tijdens het veldbezoek werd om 23:05 uur de eerste waarneming gedaan. Het betrof een overvliegende laatvlieger die overvloog aan de noordzijde van het plangebied. Er vloog nog een laatvlieger over om 23:23 uur. Om 23:26 uur werd er een foeragerende gewone dwergvleermuis waargenomen rond de bomen aan de oostzijde van het plangebied. Daarbij bleek er ook tijdens dit veldbezoek veel te worden gefoerageerd rond het water ten zuiden en westen van het plangebied door minimaal 5 gewone vleermuizen. Om 23:47 uur werden de eerste baltsroepjes waargenomen. Deze werden gehoord rond de gymzaal in het oosten van het plangebied. Gedurende de avond waren de baltsroepjes vrij continue te horen rondom de gymzaal. Om 00:05 uur werd er nogmaals een baltsende gewone dwergvleermuis waargenomen op de parkeerplaats ten noorden van het plangebied. Om 00:31 uur zijn er nogmaals baltsroepen gehoord van de gewone dwergvleermuis. Deze werden waargenomen in het zuiden van het plangebied rondom de parkeerplaats. Om 23:50 uur en 00:22 uur is er in het noorden van het plangebied nog een hoog overvliegende rosse vleermuis waargenomen. Andere soorten of gedragingen zijn tijdens dit veldbezoek niet waargenomen.

24

5.3.2.2

7 september 2022 Aan het begin van het veldbezoek was er veel foerageeractiviteit boven het water door minimaal 3 gewone dwergvleermuizen en 1 laatvlieger. Dit was waargenomen om 21:35 uur. Om 21:39 uur werden er ook sociale roepjes gehoord tussen de foeragerende gewone dwergvleermuizen. Om 21:58 uur en 22:00 uur werden er baltsroepjes van de gewone dwergvleermuis aan de oostzijde van de gymzaal gehoord. Om 22:59 is de laatste waarneming gedaan van een baltsende gewone dwergvleermuis. Ook deze was waargenomen aan de oostzijde van de gymzaal. Omdat er tijdens het veldbezoek van 15 augustus ook rondom de gymzaal regelmatig een gewone dwergvleermuis aan het baltsroepen was, lijkt er een paarterritorium aanwezig van een gewone dwergvleermuis rondom de gymzaal. Binnen dit paarterritorium heeft dit individu dan ook een paarverblijfplaats. Dit is zeer aannemelijk omdat er tijdens de kraamperiode drie zomerverblijfplaatsen waren vastgesteld aan de zuid- en westzijde van de gymzaal. We gaan er daarom vanuit dat in ieder geval één daarvan ook dienst doet als paarverblijfplaats. Tijdens een ronde door de wijk zijn er twee paarverblijven vastgesteld van de ruige dwergvleermuis. Beide paarverblijven bevinden zich ten zuidoosten van het plangebied. Het eerste paarverblijf werd om 22:43 uur ontdekt doordat er een ruige dwergvleermuis vanuit zijn verblijfplaats baltsroepjes liet horen.

De tweede verblijfplaats is om 22:51 uur ontdekt doordat een ruige dwergvleermuis steeds korte rondjes vloog en de gevel bleef aantikken. Het paarverblijf zit in de nok van het gebouw. Deze waarnemingen zijn buiten het plangebied gedaan en zijn dan ook niet relevant voor het plangebied zelf maar wel belangrijk voor de volledigheid van het onderzoek. Andere soorten of gedragingen zijn tijdens dit veldbezoek niet waargenomen. Navolgende afbeelding visualiseert de waarnemingen van het paarverblijfonderzoek.

Visualisatie van alle waarnemingen tijdens het paarverblijfplaatsonderzoek. 25

5.3.3

Aanwezigheid essentiële elementen Voor vleermuizen zijn alle vormen van verblijfplaatsen essentiële elementen om de huidige staat van instandhouding niet aan te tasten. In het plangebied zijn vier zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis aanwezig, waarvan één ook dienst doet als paarverblijfplaats. Ook foerageergebieden en vliegroutes kunnen essentiële elementen vormen. In dit geval wordt veel gefoerageerd boven de watergang ten zuiden en westen van het plangebied. Meestal gaat het om minimaal 5 en maximaal 10 gewone dwergvleermuizen. In de omgeving wordt ook wel gefoerageerd echter gaat het dan vaak om enkele individuen. Gezien het aangrenzende park, is er voldoende alternatief foerageergebied in de omgeving voorhanden. Er is boven de watergang ten zuiden en westen van het plangebied derhalve geen sprake van een essentieel foerageergebied. Er is geen vliegroute aanwezig in het plangebied. Negatieve effecten door de voorgenomen werkzaamheden zijn dan ook uitgesloten.

5.3.4

Overige soorten Naast de waargenomen vleermuizen is ook een broedende zilvermeeuw op het dak van het gebouw waargenomen gedurende de eerste drie veldbezoeken. Derhalve moet gesteld worden dat een zilvermeeuwnest op het dak aanwezig is. Dit nest is strikt beschermd als de zilvermeeuw aan het broeden is (globaal van half april tot en met eind juni).

26

6 6.1

Conclusie en advies Ontheffing Wet natuurbescherming nodig? In het plangebied is onderzoek verricht naar de aanwezigheid van essentiële elementen van huismussen, vleermuizen en gierzwaluwen. Er zijn geen nesten van de gierzwaluw en huismus aanwezig. Wel zijn er drie zomerverblijfplaatsen en één zomer/paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis aanwezig in het gebouw. Met de geplande werkzaamheden gaan deze verblijfplaatsen verloren. Ook is de kans aanwezig op het verwonden of doden van vleermuizen bij de werkzaamheden. In beide gevallen is sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Om de werkzaamheden toch door te laten gaan is een ontheffing Wet natuurbescherming nodig in combinatie met het treffen van mitigerende maatregelen. Daarnaast dient te allen tijde rekening gehouden te worden met broedende vogels (in dit geval ook de zilvermeeuw op het dak) en de zorgplicht.

6.2

Ontheffing aanvragen Het uitvoeren van ruimtelijke ingrepen waarbij beschermde soorten (zoals de gewone dwergvleermuis) worden verstoord is wettelijk gezien mogelijk als men in het bezit is van een ontheffing Wet natuurbescherming. Een dergelijke ontheffing dient voor dit project aangevraagd te worden bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord (OD NHN). Bij het indienen van een aanvraag ontheffing Wet natuurbescherming dient een projectplan te worden opgesteld. In dit plan wordt onder andere de verspreiding van de betreffende beschermde soort in het plangebied verwoord alsmede het (wettelijk) belang van de ingreep onderbouwd. Daarnaast dient een uitgebreide alternatievenafweging plaats te vinden over waarom de verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen niet is te voorkomen. Een ontheffing wordt enkel verleend als voldoende mitigerende maatregelen worden getroffen om zoveel mogelijk schade aan de gewone dwergvleermuis te voorkomen. Daarnaast dient te allen tijde rekening gehouden te worden met alle broedende vogels en de zorgplicht.

6.3

Mitigerende maatregelen Mitigerende maatregelen voor vleermuizen houden over het algemeen in dat in de omgeving tijdelijke kasten worden geplaatst, waarbij rekening gehouden moet worden met een gewenningsperiode. Hierna wordt de bebouwing ongeschikt gemaakt voor de vleermuizen. Als vervolgens de bebouwing vleermuisvrij is verklaard, kunnen de geplande ruimtelijke ingrepen plaatsvinden. Tenslotte worden nieuwe permanente voorzieningen in de nieuwbouw gerealiseerd.

27

6.4

Broedperiode en zorgplicht De zorgplicht van de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing. Iedereen moet voldoende zorg in acht nemen voor alle in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving. Dit kan bijvoorbeeld door de werkzaamheden te verrichten buiten kwetsbare periodes (het voortplantings- en winterslaapseizoen). Ook kan er gefaseerd worden gewerkt om dieren de kans te geven om te vluchten. Broedende vogels (in dit geval bijvoorbeeld de zilvermeeuw op het dak van het gebouw), vanaf het bouwen van het nest tot het uitvliegen van de jongen, zijn strikt beschermd. De broedende vogels en hun jongen mogen niet verstoord, verwond en gedood worden. Daarnaast mogen in gebruik zijnde nesten ook niet beschadigd en vernield worden. Zonder maatregelen kan dit bij ruimtelijke ingrepen wel gebeuren. Er is echter voor ruimtelijke ontwikkelingen geen vrijstelling hiervoor te verkrijgen in het kader van de Wet natuurbescherming. Wij adviseren daarom om de werkzaamheden buiten de broedperiode te starten, zodat er vanwege de dan aanwezige verstoring geen vogels in de buurt gaan broeden. De werkzaamheden kunnen dan vervolgens wel in de broedperiode doorlopen.

6.5

Vervolgstappen − Vraag een ontheffing aan voor de zomer/paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis; − Tref tijdig voldoende mitigerende maatregelen; − Houd rekening met broedende vogels (zoals de zilvermeeuw); − Houd rekening met de zorgplicht.

28

Geraadpleegde literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12. 2017. Kennisdocument Rosse vleermuis. Nyctalus noctula, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. Dietz, Ch. von Helversen, O. Nill, D. 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Limpens, H. J. G. A. Twisk, P. Veenbaas, G. 2004. Met vleermuizen overweg. Brochure Rijkswaterstaat en Vereniging voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming. Ministerie EZLI. 2012. Memorie van toelichting bij Wet natuurbescherming. Kamerstuk. Ministerie EZ. 2015. Memorie van antwoord bij Wet natuurbescherming. Kamerstuk Eerste Kamer der Staten-Generaal. Netwerk Groene Bureaus, Definitielijst Netwerk Groene Bureaus 2020, 16 januari 2020. SAB, 2021. Quick scan natuur. Volendam, Julianaweg 95. SAB, Arnhem. SOVON Vogelonderzoek Nederland, 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden Zoogdiervereniging & Probos.

2012. Laanbeheer en vleermuizen; met oog voor veiligheid en cultuurhistorie; met bijdragen van E. A. Jansen, M. H. A. van Benthem, C. de Groot, P. Twisk & H. J. G. A. Limpens.

Websites: www.bij12.nl www.ndff.nl www.rijksoverheid.nl www.sovon.nl www.vleermuizenindestad.nl

29

www.vogelbescherming.nl www.wetten.nl www.zoogdiervereniging.nl

30

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EdamVolendam&id=625e658f-a072-4451-9664-5dc88df91db4