CConstaterende datEdam-Volendam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6 Bestemmingsplan Waterrijk fase 3B en 3C.pdf

Raadsplein Bespreekronde Ia 23 maart 2023, gemeente Edam-VolendamBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen bestemmingsplan Oosthuizen Waterrijk fase 3b en 3c.14.622 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De verkeersaantrekkende werking is vergelijkbaar met een normale woonfunctie. Een woon- en dagbestedingslocatie is niet opgenomen in de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’. De meest passende categorie is de functie 'Artsenpraktijken, klinieken, dagverblijven'. Hiervoor geldt een richtafstand tot woningen van 10 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Er is woningbouw voorzien binnen de richtafstand van de multifunctionele accommodatie (incl. school) aan de noordzijde van het plangebied. Op basis van de VNG-brochure geldt een richtafstand van 30 m voor geluid vanaf de grens van de inrichting tot aan de nieuwe woningen. Er is akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting (zie paragraaf 4.8). Vanuit het oogpunt van milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.7

Verkeer en parkeren

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een bestemmingsplan of ander ruimtelijk plan inzicht te geven in de gevolgen van de ontwikkeling op het gebied van verkeer en parkeren. 4.7.1 Verkeer Het plangebied wordt ontsloten via de twee bestaande aansluitingen op de Seevancksweg (waarvan er thans één als bouwweg aanwezig is). Door middel van verkeersonderzoek7 is inzichtelijk gemaakt wat de effecten zijn van de nog te realiseren woningbouw op de verkeersafwikkeling en parkeerbehoefte. Hierbij is gebruik gemaakt van verkeerstellingen uit 2019 en 2021. Voor een inschatting van de extra verkeersgeneratie als gevolg van het plan, is gebruik gemaakt van kencijfers van de CROW. Uit het onderzoek volgt dat het voorziene verkeer onder de grenswaarde blijft van 5.000 tot 6.000 motorvoertuigen per etmaal dat het CROW (Handboek Wegontwerp Erftoegangswegen 2013) als richtlijn stelt. De nieuwe verkeerssituatie op de Seevancksweg en Westeinde na realisatie van Waterrijk fase 3a, 3b en 3c is derhalve acceptabel. 7

Verkeerskundige effecten gebiedsontwikkeling Waterrijk Oosthuizen, Sweco Nederland BV, 14 januari 2022

Pagina 23 van 47

4.7.2 Parkeren Het parkeerbeleid van de gemeente Edam-Volendam is opgenomen in de Parkeernota EdamVolendam uit 2011. De planologisch-juridische vertaling is opgenomen in het bestemmingsplan ‘Parapluherziening parkeren c.a.’ zoals vastgesteld op 14 juni 2018. In de gemeentelijke parkeernota is aangegeven dat “de parkeercijfers van het CROW als uitgangspunten worden gehanteerd”, waarbij de gemiddelde parkeerkencijfers voor ‘matig stedelijke gebieden’ als norm worden gehanteerd. Voor een berekening van de parkeerbehoefte is zodoende uitgegaan van de actuele CROW richtlijnen (handboek 381 ‘Toekomstbestendig Parkeren’). Met het plan wordt voldaan aan de gemiddelde parkeerkencijfers van de CROW. Parkeren vindt plaats op eigen terrein en in parkeerclusters in openbaar gebied. In het schetsontwerp wordt met het aantal opgenomen parkeerplaatsen voldaan aan de gemeentelijke parkeernota. In de planregels van dit bestemmingsplan is geborgd dat, conform de gemeentelijke parkeernota, voldaan moet worden aan de gemiddelde parkeerkencijfers voor matig stedelijke gebieden als bedoeld in CROW-publicatie 381: ‘Toekomstbestendig parkeren – Parkeerkencijfers 2018’ of dienst opvolger.

4.8

Geluid

Op grond van de Wet geluidhinder dient de geluidbelasting afkomstig van geluidgezoneerde wegen op de nieuwe woningen (geluidgevoelige bestemmingen) te worden getoetst aan de in de wet opgenomen grenswaarden. Betekenis voor het project Het plangebied en omgeving bestaat uitsluitend uit 30km/h wegen die niet gezoneerd zijn. Wel zijn woningen voorzien binnen de geluidzone van het spoortraject Purmerend – Hoorn en binnen de richtafstand van de multifunctionele accommodatie. Er is onderzoek8 uitgevoerd naar de geluidbelasting van deze bronnen op de te realiseren woningen. Railverkeer Uit het onderzoek blijkt dat de 55 dB-contour ten gevolge van railverkeer buiten het plangebied ligt. De ten hoogste toelaatbare waarde van Lden 55 dB uit de Wet geluidhinder wordt ter plaatse van het plangebied niet overschreden. De geluidbelasting als gevolg van railverkeer geeft geen belemmering tot het bouwen van woningen binnen het onderzochte plangebied. Multifunctionele accommodatie Uit het uitgevoerde onderzoek kan het volgende geconcludeerd worden: School inclusief peuterspeelzaal Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ter plaatse van de woningen bedraagt ten hoogste 46 dB(A). De eis van ten hoogste 50 dB(A) wordt hiermee niet overschreden. Het maximale geluidniveau blijft onder de ten hoogste toelaatbare waarde van 70 dB(A).

Foyer en grote zaal Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ter plaatse van de woningen bedraagt ten hoogste 49 dB(A) inclusief toeslag vanwege de herkenbaarheid van muziek. De eis van 50 dB(A) etmaalwaarde wordt hiermee niet overschreden. Voorwaarde hierbij is dat in de grote zaal tot maximaal 23:00 uur muziek wordt geproduceerd met een geluidniveau van ten hoogste 90 dB(A). Conform de afspraak met de gemeente Edam – Volendam mag ten hoogste 4 keer per jaar in de grote zaal activiteiten plaatsvinden waarbij een hoger geluidniveau wordt geproduceerd.

8 Waterrijk in Oosthuizen fase 3BC – Akoestisch onderzoek railverkeer en MFC De Groote Molen, Sweco, 9 oktober 2020

Pagina 24 van 47

Het maximale geluidniveau blijft in de dag-, avond- en nachtperiode onder de ten hoogste toelaatbare waarde van 70, 65 en 60 dB(A). De indirecte hinder blijft onder het gestelde equivalente geluidniveau van 50 dB(A) etmaalwaarde.

4.9

Luchtkwaliteit

Op basis van wetgeving die bekend staat onder de naam 'Wet luchtkwaliteit' kunnen ruimtelijkeconomische initiatieven worden uitgevoerd als aan één of meer voorwaarden wordt voldaan:  grenswaarden niet worden overschreden;  de luchtkwaliteit per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft;  het initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit;  het initiatief is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De Wet Luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Onder kleine projecten worden projecten verstaan die de luchtkwaliteit 'niet in betekende mate' verslechteren. Deze projecten worden niet meer beoordeeld op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Draagt een klein project niet of nauwelijks bij aan luchtverontreiniging, dan is er geen belemmering voor. Het ministerie VROM heeft de definitie van 'in betekenende mate' vastgelegd in het Besluit NIBM. Projecten die de concentratie NOx, SO2 of fijn stof met meer dan 3% van de grenswaarde verhogen, dragen in betekenende mate bij aan de luchtvervuiling.

Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in de regeling NIBM omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld:  woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen;  kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen. Betekenis voor het project De onderhavige ontwikkeling bestaat uit de realisatie van minder dan 1.500 woningen. Op basis van deze gegevens kan worden geconcludeerd dat onderzoek naar luchtkwaliteit voor de ontwikkeling die met het voorliggende bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt niet nodig is en dat de ontwikkeling niet bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Uit de informatie die beschikbaar is via de Monitoringstool NSL blijkt dat de jaargemiddelde concentraties fijn stof en stikstofdioxide in 2017, 2020 en 2025 langs wegen in de nabijheid van het plangebied onder de 35 µg/m³ liggen. Ter plaatse van het gehele plangebied zal dan ook worden voldaan aan de grenswaarden omdat de concentraties luchtverontreinigende stoffen afnemen naarmate een locatie verder van de weg ligt.

4.10

Externe veiligheid

Binnen het beleidskader externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Het plaatsgebonden risico vormt een wettelijke norm voor bestaande en nieuwe situaties. Dit is met een risicocontour ruimtelijk weer te geven. Het groepsrisico is niet in ruimtelijke contouren te vertalen, maar wordt weergegeven in een grafiek. Hierin is weergegeven hoe groot de kans is dat een groep, met een bepaalde grootte, het slachtoffer kan worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Betekenis voor het project De Risicokaart Noord-Holland geeft in de directe omgeving van het plangebied geen inrichtingen, transportroutes van gevaarlijke stoffen of buisleidingen aan die van invloed zijn op de voorgenomen ontwikkeling. Er zijn voor het plan dan ook geen belemmeringen aanwezig op het gebied van externe veiligheid.

Pagina 25 van 47

4.11

Duurzaamheid

Lokale overheden hebben een belangrijke rol bij energiebesparing, duurzame energieopwekking en terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen. In het Programmaplan 2018-2022 heeft de gemeenteraad aangegeven duurzaamheid als prioriteit te beschouwen, waarbij het Klimaatakkoord van Parijs een belangrijke inspiratiebron vormt. De Duurzaamheidsagenda 20182022 geeft een nadere uitwerking aan het gemeentelijke Omgevingsbeleidsplan. Betekenis voor het project Het is de ambitie om in de nieuwe wijk, mogelijkheden te scheppen voor een blijvend duurzame wijk. Duurzaamheid zal op verschillende aspecten ruimschoots aandacht krijgen. Dit zal onderdeel vormen van de nog in te dienen aanvragen voor omgevingsvergunning voor de te bouwen woningen. Door in de openbare ruimte veel met halfverharding te werken kan er een goede infiltratie van regenwater plaatsvinden. Verder wordt het een woonomgeving met veel groen. Het groen in het plan zorgt voor een verkoelende werking in warme perioden. Verder wordt bewegen gestimuleerd door de aanleg van een wandelpad.

4.12

M.e.r.-beoordeling

Op grond van de Wet milieubeheer is het verplicht ten aanzien van plannen, gevallen, activiteiten en besluiten die (mogelijk) grote gevolgen kunnen hebben voor het milieu, een procedure voor milieueffectrapportage (m.e.r.) te doorlopen. De m.e.r. is bedoeld om milieubelangen meer expliciet af te wegen bij het opstellen van plannen en het uitvoeren van projecten. Het Besluit m.e.r. en de Wet milieubeheer zijn per 7 juli 2017 gewijzigd. Gemeenten zijn thans verplicht om voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten een expliciet besluit te nemen over het al dan niet opstellen van een milieueffectrapport (Mer). Betekenis voor het project In Nederland is het verplicht om de effecten op het milieu volwaardig onderdeel te laten zijn van de voorbereiding en de besluitvorming over ruimtelijke plannen. Daarvoor is in de Wet milieubeheer de methodiek van de milieueffectrapportage (m.e.r.) opgenomen. Het Besluit m.e.r. en de Wet milieubeheer zijn per 7 juli 2017 gewijzigd. Gemeenten zijn thans verplicht om een expliciet besluit te nemen over het al dan niet opstellen van een milieueffectrapport (Mer). In dit kader is een aanmeldnotitie m.e.r.9 opgesteld. Hieruit volgt dat het project niet leidt tot milieu-effecten van een zodanige omvang dat sprake kan zijn van belangrijke nadelige milieugevolgen.

Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een formele m.e.r.-beoordelingsprocedure of m.e.r.-procedure.

4.13

Conclusie milieu- en omgevingsaspecten

De effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de in dit hoofdstuk genoemde milieu- en omgevingsfactoren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

9

M.e.r.-aanmeldnotitie Waterrijk fase 3B en 3C, Sweco Nederland BV, 26 februari 2021

Pagina 26 van 47

5

Juridische planbeschrijving

5.1

Algemeen

In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de wijze waarop de gewenste ruimtelijke en functionele ontwikkeling van het plangebied juridisch is vertaald. Het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van deze gronden, regels omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en soms voor de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.

5.2

Planopzet en systematiek

Het voorliggende bestemmingsplan bevat gedetailleerde bestemmingen in combinatie met een globale eindbestemmingen ‘Wonen’. De globale eindbestemming is gewenst in verband met de behoefte aan flexibiliteit waarmee kan worden ingespeeld op de actuele woningbehoefte. Binnen de bestemming Wonen is het bouwvlak gelijk aan het bestemmingsvlak. De precieze locatie van de woningen en de voorgevelrooilijnen staan binnen deze bestemming nog niet vast. Dit is te verantwoorden omdat de hoofdstructuur met de bestemmingen Groen, Verkeer en Water is vastgelegd. Met een specifieke bouwaanduiding is bepaald waar appartementen zijn toegestaan. De maximale goot- en bouwhoogte is op de verbeelding weergegeven. Het maximum aantal woningen en de minimale afstand tot de voorste en zijdelingse perceelsgrenzen is in de regels bepaald. Door de keuze voor deze planvorm is er voldoende ruimte voor flexibiliteit in het ontwerp aan de ene kant, maar wordt aan de andere kant voldoende rechtszekerheid geboden voor een zorgvuldige inpassing en voor de omgeving.

5.3

Verbeelding

De verbeelding geeft de bestemmingen van de gronden aan. In de planregels staat per bestemming en aanduiding vastgelegd wat de beperkingen en mogelijkheden van de gronden met de bestemming, zoals aangegeven op de verbeelding, zijn.

5.4

Planregels

De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, regels omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse regels artikelsgewijs worden besproken.

Pagina 27 van 47

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Dit zijn de inleidende bepalingen van de regels en hier komen de onderstaande artikelen in voor.  Artikel 1: Begrippen Dit artikel geeft de betekenis aan een aantal in de regels voorkomende begrippen. Hierdoor wordt de interpretatie van de begrippen vastgelegd, waardoor de duidelijkheid wordt vergroot.  Artikel 2: Wijze van meten Het tweede artikel geeft aan hoe bepaalde maten dienen te worden berekend. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Deze artikelen bevatten de regels welke direct verband houden met de op de verbeelding aangegeven bestemmingen.  Artikel 3: Groen Deze bestemming is opgenomen voor de hoofdgroenstructuur. Het betreft delen van het plangebied die groen worden ingevuld en openbaar gebied worden. Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen een maximale hoogte van 3 meter hebben. Verder is er naast groen, ook water en verhardingen mogelijk.  Artikel 4: Verkeer De bestemming verkeer is opgenomen voor de ontsluitingsweg binnen het plangebied. In deze bestemming is ook groen en water mogelijk. Er mogen geen gebouwen worden gebouwd, alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde.  Artikel 5: Water De bestaande waterlopen en de gronden waar het nieuw te graven water is voorzien zijn als Water bestemd. Binnen deze bestemming zijn bruggen en dammen toegestaan.

 Artikel 6: Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen in de vorm van vrijstaande woningen, twee-onder-één-kapwoningen, beneden-bovenwoningen en rijwoningen. Ter plaatse van de bouwaanduiding ‘gestapeld’ zijn ook appartementen toegestaan met een maximum bebouwd oppervlak van 750 m2 per gebouw. Naast het wonen zijn binnen de bestemming ook aan huis verbonden beroep en bedrijf en tuinen en erven toegestaan. Het maximum aantal woningen bedraagt 164. De maximale goot- en bouwhoogte bedraagt voor de grondgebonden woningen respectievelijk 6,6 meter en 12 meter. Voor appartementengebouwen is een maximale goothoogte van 12 meter en maximale bouwhoogte van 16 meter toegestaan. Bijbehorende bouwwerken zijn, met uitzondering van erkers, uitsluitend toegestaan in het gebied op 1 meter achter de voorgevel. Hoofdstuk 3 Algemene regels Deze artikelen bevatten algemene regels die op de bestemmingen van toepassing zijn. De diverse artikelen zullen hieronder kort worden toegelicht.  Artikel 7: Anti-dubbeltelbepaling Op grond van de anti-dubbeltelbepaling is bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft (artikel 3.2.4 Bro).

Deze bepaling voorkomt dat er meer kan worden gebouwd dan er wenselijk is indien een kavel wordt gesplitst en op grond daarvan een nieuw bouwperceel ontstaat. Elk bouwperceel heeft immers in principe recht op een bepaalde hoeveelheid bebouwing.

Pagina 28 van 47

 Artikel 8: Algemene afwijkingsregels Deze bepaling geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid ontheffing te verlenen ten aanzien van kleine afwijkingen van het bestemmingsplan. Zo mag maximaal 10% van de maatvoeringen worden afgeweken, voor zover dit past binnen de regels van het moederplan. Vooraf dient een apart besluit te worden genomen.  Artikel 9: Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een algemene wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor kleine overschrijdingen van de bestemmingsgrenzen.  Artikel 10: Overige regels In de overige regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen op grond waarvan een omgevingsvergunning voor bouwen of wijziging van het gebruik uitsluitend verleend kan worden als in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat de laatste bepalingen van de bestemmingsregels. Hieronder worden de verschillende artikelen toegelicht.  Artikel 11: Overgangsregels Het overgangsrecht is tweeledig en heeft betrekking op bouwwerken en gebruik.  Artikel 12: Slotregel Dit artikel geeft de naam van het bestemmingsplan aan.

5.5

Handhaafbaarheid

Met handhaving wil de gemeente bereiken dat:  het bestemmingsplan wordt nageleefd;  overtredingen snel worden gesignaleerd;  tegen overtredingen van bestemmingsplanregels met succes kan worden opgetreden. Een belangrijke voorwaarde voor adequaat handhavingsbeleid is dat de bedoeling van de regelgeving duidelijk uit het bestemmingsplan blijkt. Dit vraagt om heldere, leesbare en eenduidig te interpreteren planregels. Ook moet het plan actueel zijn en gebaseerd op een goed gedocumenteerde uitgangssituatie. Alleen dan kunnen eventuele strijdige bebouwings- en gebruiksvormen worden geconstateerd en effectief worden bestreden. Naast de eisen die handhaving stelt aan de juridische opzet van het bestemmingsplan, zullen maatregelen van financiële, organisatorische en communicatieve aard ertoe bijdragen dat handhaving van regelgeving een wezenlijke uitvoeringstaak van de gemeente is.

Pagina 29 van 47

6

Financiële uitvoerbaarheid

Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient er in het kader van het bestemmingsplan een onderzoek te worden gedaan naar de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de financiële haalbaarheid van het plan. De maatschappelijke aspecten worden in hoofdstuk 7 toegelicht. In artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is voorgeschreven dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor de gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is de definitie van bouwplan gegeven, waarbij de bouw van één of meerdere woningen als bouwplan wordt gedefinieerd. Met het tweede lid van artikel 6.12 Wro kan worden afgeweken van de plicht een exploitatieplan vast te stellen, mits het verhaal van kosten anderszins is verzekerd. De kosten voor het bouwplan alsmede de plankosten worden gedragen door de ontwikkelaar van het plan; BPD. Hetzelfde geldt voor eventuele kosten als gevolg van planschade. Hiervoor is een overeenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente gesloten. Om deze reden is een exploitatieplan niet nodig. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is voldoende gewaarborgd.

Pagina 30 van 47

7

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1

Inspraak en overleg

Het concept ontwerp bestemmingsplan is, ingevolge artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro), wordt voorgelegd aan verschillende instanties die zorg dragen voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in geding zijn. Door het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) is een overlegreactie ingediend. De door HHNK doorgegeven opmerkingen zijn verwerkt in de watertoets en de onderhavige toelichting van het bestemmingsplan. Tevens is een overlegreactie ingediend door de gemeente Purmerend. De gemeente Purmerend geeft aan dat het concept ontwerpbestemmingsplan niet is getoetst aan de Omgevingsverordening NH2020 van de provincie Noord-Holland. Tevens is aangegeven dat de regionale afstemming voor de woningbouw nog niet heeft plaatsgevonden. Paragraaf 3.3.1 is aangevuld met de provinciale Omgevingsverordening. De regionale afstemming heeft inmiddels plaatsgevonden. Tot slot is een overlegreactie ontvangen van de Veiligheidsregio Zaanstreek – Waterland (VRZW). Door de VRZW is aangegeven dat externe veiligheid voor dit bestemmingsplan geen significante rol speelt. Het advies is om bij de te verlenen omgevingsvergunning te zorgen voor een afschakelbare mechanische ventilatie en voor het bestemmingsplan rekening te houden met het advies over bereikbaarheid en bluswatervoorziening.

Bij zowel de nog te verlenen omgevingsvergunningen als de inrichtingsplannen zullen de opmerkingen van de VRZW worden meegenomen en zal verder overleg plaats vinden. In het kader van het bestemmingsplan Waterrijk 2009 heeft participatie plaatsgevonden met bewoners van Oosthuizen. In dit bestemmingsplan waren de gronden van dit plangebied al opgenomen met een uit te werken woonbestemming ten behoeve van woningbouw.

7.2

Zienswijzen en beroep

Het ontwerpbestemmingsplan is op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening vanaf 26 maart 2021 gedurende 6 weken ter inzage gelegd (tot en met 6 mei 2021), waarbij door een ieder zienswijzen bij de gemeenteraad kunnen worden ingediend. Gedurende de ter inzage periode heeft de gemeente Edam-Volendam in totaal 37 zienswijzen ontvangen. De zienswijzen zijn in de ‘Nota van beantwoording zienswijzen’ van reactie voorzien. Tevens is aangegeven of de zienswijzen hebben geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan en zijn de ambtshalve wijzigingen toegelicht. Na een beroepstermijn van zes weken na publicatie van het vastgestelde plan treedt het bestemmingsplan in werking, tenzij conform artikel 8.4 Wro een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan bij de afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Omdat het bestemmingsplan de bouw van meer dan 11 woningen mogelijk maakt, is de Crisisen Herstelwet van toepassing. Dit maakt onder andere een versnelde behandeling van eventueel beroep mogelijk.

Pagina 31 van 47

REGELS

Pagina 32 van 47

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1

Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder: 1.1

plan:

het bestemmingsplan ‘Waterrijk fase 3B en 3C met identificatienummer NL.IMRO.0385.bpWaterrijk3BC-vg01; 1.2

bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3

aanbouw

een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.4

aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden 1.5

aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.6

aan-huis-verbonden bedrijf:

het verlenen van diensten of het op bedrijfsmatige wijze uitoefenen van activiteiten, waarvan de omvang in een woning met bijbehorende bouwwerken past en de woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin in overwegende mate blijft behouden. Hieronder mede begrepen consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten; 1.7

aan-huis-verbonden beroep:

de uitoefening van een (vrij) beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerp-technisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en de daarbij behorende bouwwerken, met behoud van de woonfunctie kunnen worden uitgeoefend, waaronder niet begrepen de uitoefening van horeca en detailhandel of consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten; 1.8

bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.9

bestaand:

a. ten aanzien van bouwwerken, een bouwwerk dat: 1. ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan bestaat of in uitvoering is;

Pagina 33 van 47

2. na het in lid 1 genoemde tijdstip is of mag worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning, waarvoor de aanvraag voor dat tijdstip is ingediend. b. ten aanzien van gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan; 1.10

bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak; 1.11

bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.12

bijgebouw:

een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.13

bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.14

bouwlaag:

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd; 1.15

bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.16

bouwperceelgrens:

de grens van een bouwperceel; 1.17

bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.18

bouwwerk:

een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden; 1.19

detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan voor consumptie ter plaatse en anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.20

dienstverlening:

het bedrijfsmatig verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden, al dan niet door middel van een baliefunctie, met uitzondering van een garagebedrijf en een seksinrichting; 1.21

erf:

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en voorzover de bestemming deze die inrichting niet verbiedt;

Pagina 34 van 47

1.22

gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.23

hoofdgebouw:

een gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is; 1.24

peil:

a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; c. indien in of op het water wordt gebouwd: de hoogte van het terrein ter plaatse van het meest nabij gelegen punt waar het water grenst aan het vaste land; 1.25

prostitutiebedrijf:

een bedrijf, waarin het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding als beroep wordt uitgeoefend; 1.26

seksinrichting:

een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotische/pornografische aard plaatsvinden, waaronder in ieder geval worden verstaan een prostitutiebedrijf, een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.27

uitbouw:

een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm kan worden onderscheiden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.28

voorgevel:

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan kennelijk als zodanig diende te worden aangemerkt. 1.29

woning:

een gebouw bestaande uit een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één huishouden.

Pagina 35 van 47

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1

de dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.2

de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.3

de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.4

de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.5

de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.6

de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens:

tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is. 2.7

de horizontale diepte van een gebouw:

de diepte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de gevel waaraan wordt gebouwd. 2.8

de oppervlakte van een overkapping:

tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping. Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt.

Pagina 36 van 47

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 3.1

Groen

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groenvoorzieningen; b. kunstwerken; c. bermen en beplanting; d. wegen, straten en paden; e. parkeervoorzieningen; f. voet- en fietspaden; g. speelvoorzieningen; h. water; i. verhardingen. 3.2

Bouwregels

3.2.1 Algemeen In of op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. 3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de volgende regel: a. de bouwhoogte bedraagt maximaal 3 meter

Pagina 37 van 47

Artikel 4 4.1

Verkeer

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. 4.2

wegen, straten en paden; parkeervoorzieningen; groenvoorzieningen; waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen. Bouwregels

4.2.1 Algemeen In of op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. 4.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de volgende regel: a. de bouwhoogte bedraagt maximaal 3 meter.

Pagina 38 van 47

Artikel 5 5.1

Water

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. waterhuishouding; b. waterberging; c. waterlopen; d. groenvoorzieningen; en bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals bruggen, steigers, keermuren voor waterbeheersing, dammen, oeverbeschoeiingen en duikers. 5.2

Bouwregels

5.2.1 Algemeen In of op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. 5.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van bruggen bedraagt maximaal 3 meter, gemeten vanaf de onderkant van de brug; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 2 meter.

Pagina 39 van 47

Artikel 6

6.1

Wonen

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen; b. aan huis verbonden beroep en bedrijf; c. tuinen en erven; d. straten en paden; e. parkeren; f. groenvoorzieningen; g. speelvoorzieningen; h. waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen; i. ondergrondse vuilcontainers. 6.2

Bouwregels

6.2.1 Algemeen In of op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend worden gebouwd: a. hoofdgebouwen; b. bijbehorende bouwwerken; c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 6.2.2 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. als hoofdgebouw mogen uitsluitend vrijstaande, twee-onder-één-kapwoningen, benedenbovenwoningen en rijwoningen worden gebouwd; b. in afwijking van lid a. zijn appartementen toegestaan ter plaatse van de bouwaanduiding ‘gestapeld’. c. het maximum aantal woningen bedraagt niet meer dan 164; d. de maximale goothoogte en bouwhoogte bedraagt niet meer dan 6,6 meter respectievelijk 12 meter; e. in afwijking van lid d. zijn maximaal 3 appartementengebouwen toegestaan met een maximale goothoogte van 12 meter en maximale bouwhoogte van 16 meter en een maximum bebouwd oppervlak van 750 m2 per gebouw; f. de dakhelling van het hoofdgebouw van een grondgebonden woning bedraagt niet minder dan 40° en niet meer dan 70°; g. de afstand van de voorgevel van een hoofdgebouw tot de voorste perceelsgrens bedraagt minimaal 1 meter; h. de afstand van een niet-aaneengebouwde zijde van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 1 meter; i. de diepte van een grondgebonden woning mag niet meer dan 15 meter bedragen; j. de inhoud van een woning bedraagt niet meer dan 715 m³.

6.2.3 Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: a. bijbehorende bouwwerken dienen op minimaal 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw, of het denkbeeldige verlengde daarvan, te worden gebouwd; b. In afwijking van het bepaalde onder a. mogen bijbehorende bouwwerken in de vorm van erkers en entreepartijen vóór de voorgevel worden gebouwd, mits: 1. de diepte van de erker niet meer bedraagt dan 0.90 meter en de breedte niet meer dan 2/3 deel van de voorgevel van de woning of de diepte van de erker niet meer bedraagt dan 1.20 meter en de breedte niet meer dan 50% van de voorgevel van de woning; 2. de hoogte van de erker mag niet meer bedragen dan die van de eerste bouwlaag; c. de gezamenlijke oppervlakte van aan- uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen in het bebouwingsgebied bedraagt maximaal: 1. in geval van een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied;

Pagina 40 van 47

2. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; 3. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2.de horizontale diepte van aan- en uitbouwen mag niet meer dan 3 meter bedragen; d. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 3 meter bedragen, waarbij de goothoogte van aan- en uitbouwen niet meer mag bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw; e. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 6 meter; f. aanbouwen en bijgebouwen dienen plat te worden afgedekt of van een kap te worden voorzien, waarbij de dakhelling niet minder dan 30º en niet meer dan 60º mag bedragen. 6.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en perceelsafscheidingen mag vanaf 1 meter achter de voorgevel, of het verlengde daarvan, niet meer dan 2 meter en daarvoor niet meer dan 1 meter bedragen; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 5 meter. 6.3

Specifieke gebruiksregels

6.3.1

Aan huis verbonden beroep en bedrijf

Aan huis verbonden beroep en bedrijf is in overeenstemming met de woonfunctie, met dien verstande dat: a. niet meer dan 20% van de begane grondvloeroppervlakte van de woning en bijbehorende bijgebouwen voor de uitoefening van het beroep of bedrijf wordt gebruikt; b. er alleen activiteiten worden uitgevoerd die niet vergunningsplichtig zijn in het kader van de milieuwetgeving; c. geen horeca- en/of detailhandels activiteiten worden uitgeoefend; d. de beroepsactiviteiten door de bewoners worden uitgeoefend; e. er geen personeel werkzaam is; f. er op eigen terrein of in de directe omgeving voldoende parkeerruimte beschikbaar is; g. buitenopslag ten behoeve van de activiteit niet is toegestaan; h. het gebruik naar aard, omvang en ruimtelijke uitstraling -naar het oordeel van burgemeester en wethouders- past in de woonomgeving. 6.3.2 Strijdig gebruik Tot een gebruik in strijd met de bestemming wordt in ieder geval begrepen: a. het gebruik van bijgebouwen bij een woning als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte; b. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting, danwel ten behoeve van prostitutie; c. het gebruik van gebouwen als recreatieve nachtverblijfsruimte. 6.4

Afwijken van de gebruiksregels

a. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 6.3.1, lid a voor een oppervlakte van ten hoogste 40% van de begane grondvloeroppervlakte van de woning en bijgebouwen, mits de beroepsuitoefening naar aard, omvang en ruimtelijke uitstraling past in de woonomgeving; b. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 6.3.2 lid c mits: 1. het aantal logieseenheden niet meer bedraagt dan 2; 2. aan niet meer dan 5 personen tegelijkertijd verblijf wordt geboden; 3. uitsluitend bestaande gebouwen voor logieseenheden gebruikt worden.

Pagina 41 van 47

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 7

Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Pagina 42 van 47

Artikel 8

8.1

Algemene afwijkingsregels

Algemeen

Met een omgevingsvergunning kan door het college van burgemeester en wethouders worden afgeweken van: a. in het plan genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen, met uitzondering van het bepaalde in artikel 6.2.2 sub k, waarbij een overschrijding is toegestaan tot maximaal 10% van de goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen; b. de regels en worden toegestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, waarbij een overschrijding is toegestaan tot maximaal 2,5 m, en deze noodzakelijk is in verband met de uitmeting van het terrein of uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of de bebouwing; c. enige bestemming van gronden uitsluitend ten behoeve van het bouwen van bouwwerken van openbaar nut, zoals transformatorhuisjes, met dien verstande, dat de inhoud per op te richten bouwwerk niet meer dan 50 m³ zal bedragen en de goothoogte ervan niet meer dan 3 meter zal bedragen. 8.2

Voorwaarden

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.1 kan slechts worden verleend, mits: a. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; b. het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad.

Pagina 43 van 47

Artikel 9

Algemene wijzigingsregels

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in de vorm van het aanbrengen van geringe veranderingen in de plaats, ligging en/of afmetingen van bestemmingsgrenzen, voor zover dit van belang is voor een technisch betere invulling van het gebied, dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijdingen mogen echter niet meer dan 3 meter bedragen en het bestemmingsvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot.

Pagina 44 van 47

Artikel 10 Overige regels

10.3

Parkeren

a. Voor parkeren geldt dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen of wijzigen van het gebruik voldoende parkeergelegenheid moet worden gerealiseerd en in stand wordt gehouden, waarbij voldoende betekent dat wordt voldaan aan de gemiddelde parkeerkencijfers voor matig stedelijke gebieden als bedoeld in CROW-publicatie 381: ‘Toekomstbestendig parkeren – Parkeerkencijfers 2018’ of dienst opvolger. b. Bij een omgevingsvergunning kan het bevoegd gezag afwijken van het bepaalde onder a indien het voldoen aan die regels door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, er een bijzonder gemeentelijk belang mee is gemoeid of op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte wordt voorzien.

Pagina 45 van 47

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 11 Overgangsrecht

11.1

Overgangsrecht bouwwerken

a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met maximaal 10%. c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 11.2

Overgangsrecht gebruik

a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Pagina 46 van 47

Artikel 12

Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan ‘Waterrijk fase 3B en 3C’.

Pagina 47 van 47

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EdamVolendam&id=31fe46e1-b23b-41e8-bd5a-490fefca52b9