CConstaterende datEdam-Volendam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 Quick scan flora en fauna_SAB_31 augustus 2016.pdf

Raadsvergadering 22 april 2021, gemeente Edam-VolendamBij agendapunt: Voorstel tot afgeven positieve zienswijze m.b.t. koopovereenkomst Maria Goretti locatie.5.935 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quick scan flora en fauna

Volendam, Julianaweg 95

Gemeente Edam - Volendam

Datum: 31 augustus 2016 Projectnummer: 160222

SAB Postbus 479 6800 AL Arnhem tel: 026 - 357 69 11 fax: 026 - 357 66 11 Auteur: V. Hommersen Tweede lezer: E. Verkaik Projectleider: T. van der Zande Project: Volendam, Julianaweg 95 Projectnummer: 160222

INHOUD

1

Inleiding

3

1.1 1.2

Aanleiding Plangebied

3 3

2

Wettelijk kader

6

2.1 2.2

Gebiedsbescherming Soortenbescherming

6 7

3

Quick scan flora en fauna

10

3.1 3.2 3.3

Onderzoeksmethode Gebiedsbescherming Soortenbescherming

10 10 12

4

Conclusie

19

4.1 4.2

Gebiedsbescherming Soortbescherming

19 19

5

Advies

21

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5

Aanvullend onderzoek Flora- en faunawet Zorgplicht Broedende vogels Aanbevelingen Vervolgstappen

21 21 22 22 22

Bijlage 1: Geraadpleegde literatuur

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Op de Julianaweg 95 te Volendam bevindt zich een complex met sport- en maatschappelijke voorzieningen, ook wel de Maria Goretti-locatie genoemd. De gemeente Edam – Volendam is voornemens om op deze locatie nieuwbouw te realiseren. Hiertoe wordt de bestaande bebouwing gesloopt. De beoogde herontwikkeling van het plangebied past niet in het geldende bestemmingsplan. Derhalve dient een nieuw bestemmingsplan te worden vastgesteld. Bij alle ruimtelijke ingrepen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Voordat ruimtelijke ingrepen mogen plaatsvinden, dient eerst een onderzoek uitgevoerd te worden in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en eventuele andere betrokken natuurregelgeving. Uit dit onderzoek moet blijken of met de ingrepen negatieve effecten op beschermde gebieden en soorten zijn te verwachten en of daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing noodzakelijk is.

1.2

Plangebied

1.2.1

Huidige situatie Het plangebied bevindt zich in de kern van Volendam (gemeente Edam – Volendam, provincie Noord-Holland). De omgeving van Volendam kenmerkt zich door agrarische gronden, dorpen als Edam, Monnickendam en Purmerend, enkele N-wegen (zoals de N247 en de N244) en de nabijheid van het Markermeer. In de nabijheid liggen natuurgebieden als IIlperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske en het Markermeer en IJmeer. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich voornamelijk door de aanwezigheid van woonhuizen. Ten westen van het plangebied ligt het Burgemeester Boelenspark met zowel bomen als watergangen. Het plangebied bestaat uit een complex met sport- en maatschappelijke voorzieningen. De overige gronden zijn grotendeels verhard en in gebruik als parkeerplaats of als speelplaats van een kinderdagverblijf. In het zuiden van het plangebied bevinden zich enkele bomen. Het plangebied grenst in het noorden en westen aan de Foksiastraat, in het oosten aan de Julianaweg en in het zuiden aan een watergang van het Burgemeester Boelenspark. Navolgende afbeeldingen geven de globale ligging van het plangebied weer.

SAB

3

Topografische kaart met de globale ligging van het plangebied (rood omkaderd).Bron: Google Maps. Bewerking: SAB.

Luchtfoto met de globale ligging van het plangebied (rood omkaderd). Bron: Google Maps. Bewerking: SAB.

SAB

4

Op 15 augustus 2016 is een veldbezoek uitgevoerd. Navolgende afbeeldingen geven een impressie van het plangebied ten tijde van het veldbezoek,

Plangebied ten tijde van het veldbezoek.

1.2.2

Toekomstige situatie In de toekomstige situatie zal nieuwbouw in het plangebied zijn gerealiseerd. Dit zal gaan om seniorenwoningen, zorgwoningen en enkele grondgebonden woningen. In totaal zullen ongeveer 50 woningen in het plangebied aanwezig zijn.

SAB

5

2

Wettelijk kader Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebiedsen soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Natuurbeschermingswet 1998 en verordeningen van de verschillende provincies aangaande onderwerpen als het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming komt voort uit de Flora- en faunawet.

2.1

Gebiedsbescherming

2.1.1

Natuurbeschermingswet 1998 Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europees Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebied (Natura 2000-gebieden). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn in Nederland opgenomen in de Natuurbeschermingswet 1998. In deze wet zijn naast de Natura 2000-gebieden ook de Beschermde natuurmonumenten opgenomen. Op grond van deze wet is het verboden projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen verslechteren, of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Onderstaande afbeelding geeft een schematische weergave van de besluitvorming over plannen in relatie tot de Natuurbeschermingswet 1998 weer.

SAB

6

2.1.2

Natuurnetwerk Noord-Holland, natuurverbindingen, ganzenfoerageergebied en weidevogelleefgebied Een andere vorm van gebiedsbescherming komt voort uit aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). In NoordHolland wordt gesproken van het Natuurnetwerk Noord-Holland (hierna: NNN), ganzenfoerageergebied en weidevogelleefgebied. Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft. Voor het NNN geldt dat geen negatieve effecten op de vastgestelde natuurdoelen mogen plaatsvinden. In ganzenfoerageergebieden en weidevogelleefgebieden mogen de ruimtelijke ingrepen geen negatieve effecten hebben op de broedende weidevogels en rustende en foeragerende ganzen. Ruimtelijke ingrepen zijn in bovengenoemde gebieden alleen toegestaan als ze de wezenlijke kenmerken en waarden niet aantasten. Onder bepaalde voorwaarden zijn ingrepen die deze waarden aantasten, wel toegestaan. Deze voorwaarden zijn beschreven in artikel 19 (voor NNN en natuurverbindingen) en artikel 25 (voor weidevogelleefgebied) van de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV). In alle gevallen geldt dat een aantasting, als deze wordt toegestaan, gecompenseerd moet worden, zodat de natuur er netto niet op achteruit gaat.

Anders dan bij gebieds- en soortbescherming is de status als NNN, ganzenfoerageergebied en weidevogelgebied niet verankerd in de natuurwetgeving van de Rijksoverheid, maar opgenomen in de omgevingsvisie en -verordening van de provincie.

2.2

Soortenbescherming Soortenbescherming is altijd aan de orde. Hiervoor is de Flora- en faunawet bepalend. Deze wet is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Deze wet heeft de beschermingsregels, zoals die ook in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn opgenomen, overgenomen en voor de Nederlandse situatie toegepast. Deze bescherming is als volgt in de Flora- en faunawet opgenomen:  het is verboden beschermde plantensoorten te plukken, verzamelen, af te snijden, uit te steken, te vernielen, te beschadigen, te ontwortelen of op enigerlei andere wijze van hun groeiplaats te verwijderen (artikel 8);  het is verboden beschermde diersoorten te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen (artikel 9), opzettelijk te verontrusten (artikel 10) en hun nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren (artikel 11).

2.2.1

Beschermingscategorieën De procedurele consequenties zijn afhankelijk van de soorten die door de ingreep worden beïnvloed. Kortweg kunnen drie beschermingsregimes worden onderscheiden: 1. beschermingscategorie 1: een groot aantal beschermde soorten is in Nederland algemeen voorkomend. Op basis van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten uit de Flora-

SAB

7

en faunawet mogen ruimtelijke ingrepen worden uitgevoerd die tot effect hebben dat de verblijfplaatsen van deze soorten worden aangetast; 2. beschermingscategorie 2: voor beschermde soorten die minder algemeen zijn en extra aandacht verdienen, kan een vrijstelling (behalve voor het opzettelijk verontrusten) verkregen worden als de initiatiefnemer een goedgekeurde gedragscode heeft. Indien dit niet het geval is dient voor deze categorie een ontheffing aangevraagd te worden. In een dergelijke gedragscode worden gedragslijnen aangegeven die men volgt om het schaden van beschermde soorten zo veel mogelijk te voorkomen. Ontheffing is, als wordt gewerkt volgens een goedgekeurde gedragscode, voor deze soorten alleen nog nodig als werkzaamheden afwijkend van de gedragscode worden uitgevoerd; 3. beschermingscategorie 3: voor ongeveer honderd zeldzame soorten geldt géén vrijstelling als het gaat om ruimtelijke ingrepen. Ontheffingen voor deze groep soorten worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingrepen een in de wet genoemd belang dienen en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Deze uitgebreide toets geldt ook voor alle vogelsoorten.

Als een ruimtelijke ingreep rechtstreeks kan leiden tot verstoring of vernietiging van bepaalde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Flora- en faunawet. Voor aantastingen van verblijfplaatsen en belangrijke (onderdelen van) leefgebieden van meer strikt beschermde soorten, is ontheffing ex. Artikel 75 van de Flora- en faunawet nodig van het ministerie van Economische Zaken. 2.2.2

Vogels Alle nesten van inheemse vogelsoorten zijn streng beschermd tijdens het broedseizoen. Het betreft dan met name de actieve broedplaatsen en vaste verblijfplaatsen. Voor de meeste vogels loopt het broedseizoen van half maart tot half augustus. Voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd in het kader van de Floraen faunawet. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Nesten van een aantal vogelsoorten zijn jaarrond beschermd. Het betreft hier over het algemeen soorten die het gehele jaar gebruikmaken van hun nest, of niet in staat zijn om een eigen nest te bouwen. Er worden hierin vijf categorieën onderscheiden: 1 Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats. 2 Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk zijn van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 3 Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk zijn van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar.

4 Vogels die jaar in jaar uit gebruikmaken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen.

SAB

8

Bij de vijfde en laatste categorie zijn de nesten jaarrond beschermd als er in de omgeving onvoldoende alternatieven zijn: 5 Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. 2.2.3

Zorgplicht Verder geldt altijd artikel 2 van de Flora- en faunawet, een zorgplichtbepaling. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor de in het wild levende dieren en hun leefomgeving. Dit houdt in dat voorafgaand aan sloop-, grond-, of bouwwerkzaamheden wordt gecontroleerd of dat negatieve gevolgen voor aanwezige soorten kunnen worden voorkomen door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht.

SAB

9

3 3.1

Quick scan flora en fauna Onderzoeksmethode De quick scan flora en fauna is gebaseerd op een biotoopinschatting door een ecoloog van SAB. Bij het opstellen van de quick scan flora en fauna is gebruikgemaakt van de meest recente verspreidingsgegevens van soorten uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Voor aanvullende visualisering van deze gegevens wordt gebruikgemaakt van relevante literatuur. Bijlage 1 vermeldt de geraadpleegde bronnen. Op 15 augustus 2016 heeft een ecoloog van SAB het plangebied en de directe omgeving verkend. Doel van deze veldverkenning was om een indruk te krijgen van de habitats ter plaatse en om de geschiktheid voor de verschillende soortgroepen te beoordelen. Het veldbezoek heeft nadrukkelijk niet de status van een volledige veldinventarisatie. Het eenmalige veldbezoek geeft slechts een globaal beeld van aanwezige soorten en habitats op basis van een momentopname.

3.2

Gebiedsbescherming

3.2.1

Natuurbeschermingswet 1998 Het plangebied ligt niet in een gebied dat in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 is aangewezen (zie navolgende afbeelding).

Globale ligging van het plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten. Bron: Aerius. Bewerking: SAB.

SAB

10

In een straal van 3 kilometer ligt geen Beschermd Natuurmonument, maar liggen wel twee Natura 2000-gebieden. Dit betreft Natura 2000-gebied Markermeer & IJmeer en Natura 2000-gebied Polder Zeevang. Deze gebieden bevinden zich op respectievelijk 500 meter en 2,5 kilometer afstand van het plangebied. Daarnaast ligt Natura 2000gebied IIlperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske op ongeveer 8,5 kilometer afstand van het plangebied. Vanwege de aard van de ingreep, de afstand, tussenliggende verstorende elementen (zoals wegen en woonhuizen) en de bestaande achtergrondverstoring uit de kern van Volendam, zijn negatieve effecten van het plan op nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Aangezien het plangebied in de huidige situatie in gebruik is als sport- en buurtcentrum, wat ook stikstofuitstoot veroorzaakt, wordt het tevens niet waarschijnlijk geacht dat de realisatie van nieuwbouw een verhoogde stikstofdepositie tot gevolg heeft waardoor er sprake kan zijn van een toenemende vermesting of verzuring in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Negatieve directe of indirecte effecten van het plan op de Instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten zijn niet te verwachten. Een nader onderzoek in de vorm van een voortoets Natuurbeschermingswet 1998 wordt daarom niet noodzakelijk geacht. 3.2.2

Natuurnetwerk Noord-Holland Het plangebied ligt niet in Natuurnetwerk Noord-Holland (zie navolgende afbeelding).

Globale ligging van het plangebied ten opzichte van Natuurnetwerk Noord-Holland en natuurverbindingen. Bron: Provincie Noord-Holland. Bewerking: SAB.

Het dichtstbijzijnde gedeelte van het natuurnetwerk bevindt zich op ongeveer 425 meter ten oosten van het plangebied en betreft een gedeelte van het NNN grote wateren. De dichtstbijzijnde natuurverbinding bevindt zich op ongeveer 2,25 kilometer ten westen van het plangebied. De dichtstbijzijnde weidevogelleefgebieden en ganzenfoerageergebieden bevinden zich op respectievelijk 1,1 kilometer en 1,2 kilometer afstand.

SAB

11

Aangezien het plangebied niet in het Natuurnetwerk Noord-Holland, een natuurverbinding, een ganzenfoerageergebied of een weidevogelgebied ligt, vormt de ligging van het plangebied ten opzichte van deze gebieden geen beperkingen voor de beoogde plannen.

3.3

Soortenbescherming In het kader van de Flora- en faunawet moet worden getoetst of ter plaatse van de ruimtelijke ingrepen sprake is of kan zijn van negatieve effecten op beschermde planten en dieren. De beoogde ontwikkelingen kunnen biotoopverlies of verstoring (indirect biotoopverlies) tot gevolg hebben. In deze paragraaf zal vooral ingegaan worden op strikt beschermde soorten (beschermingscategorie 2 en 3) aangezien hiervoor geen algehele vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen.

3.3.1

Vaatplanten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komen rietorchis en tongvaren in de buurt van het plangebied voor. Daarnaast komt de spindotterbloem mogelijk in deze omgeving voor. Spindotterbloem is een oeverplant en komt voor in zoetwatergetijdengebieden. De biotoop van deze soort bestaat uit buitendijkse rietlanden waar de schommelingen van de waterstand relatief groot zijn. Spindotterbloem groeit op plaatsen die dagelijks langdurig onder water staan. Ten zuidwesten van het plangebied is een watergang aanwezig. Er is echter geen sprake van een zoetwatergetijdengebied of van plekken die dagelijks langdurig onder water staan. Spindotterbloem wordt om die reden niet in het plangebied verwacht. De groeiplaats van rietorchis bestaat uit graslanden, trilvenen en veenmosrietlanden. De soort groeit op een vochtige, niet te voedselrijke, niet of weinig bemeste, vaak kalkhoudende grond. In het plangebied is geen sprake van een dergelijk stabiel en natuurlijk biotoop, zoals trilvenen en veenmosrietlanden. Het onverharde gedeelte van het plangebied bestaat namelijk uit een goed onderhouden grasveld in de kern van Volendam. Het voorkomen van orchideesoorten zoals rietorchis wordt in het plangebied niet waarschijnlijk geacht. Tongvaren groeit meestal op oude en vochtige, stenige elementen.

De soort wordt aangetroffen op vochtige muren, waterputten, straatputten, grachtkanten en sluismuren. In het plangebied is geen sprake van oude, vochtige muren of andere stenige elementen die langs het water liggen. De soort is bovendien niet in het plangebied waargenomen. Tongvaren wordt om die reden niet in het plangebied verwacht. Tijdens het veldbezoek zijn soorten aangetroffen als madeliefje, paardenbloem, grote brandnetel en gewone smeerwortel. Aangezien deze soorten niet aanvullend zijn beschermd vormt de aanwezigheid van deze soorten geen belemmering voor het uitvoeren van de geplande ruimtelijke ontwikkeling.

SAB

12

3.3.2

Grondgebonden zoogdieren Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komt de bever in de buurt van het plangebied voor. De leefomgeving van de bever bestaat uit overgangsgebied tussen land en water, zoals moerassen, langs beken, rivieren en meren. De soort heeft een voorkeur voor rustige rivieren en meren omringd door bossen met wilg en es. Een dergelijke biotoop is niet in het plangebied aanwezig. Het voorkomen van de bever in het plangebied is om die reden uit te sluiten. Overige strikt beschermde grondgebonden zoogdieren worden gezien de ligging van het plangebied in de kern van Volendam en gezien de afwezigheid van natuurlijke biotopen en watergangen ook niet in het plangebied verwacht. Daarnaast zijn tijdens het veldbezoek geen sporen van grondgebonden zoogdieren aangetroffen, -zoals krabsporen van de eekhoorn of uitwerpselen en vraatsporen van de steenmarter-. Strikt beschermde grondgebonden zoogdieren worden vanwege de stedelijke ligging, de afwezigheid van sporen en het ontbreken van recente waarnemingen, niet in het plangebied verwacht.

3.3.3

Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komen de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en ruige dwergvleermuis in de buurt van het plangebied voor. Alle vleermuissoorten, alsmede hun verblijfplaatsen, essentiële foerageergebieden en vliegroutes zijn strikt beschermd volgens de Flora- en faunawet. Vleermuizen zijn globaal op te delen in gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis en boombewonende soorten als rosse vleermuis en watervleermuis Daarnaast bestaan soorten die van beide elementen gebruikmaken. Daarbij is ook onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, etc.). Andere soorten als de rosse vleermuis verblijven jaarrond in bomen (in holten, holen en achter loshangend schors). De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders en verblijft in de zomerperiode in boomholten. Gebouwbewonende vleermuissoorten Gebouwbewonende vleermuizen hebben hun verblijfplaats achter gevelbetimmering, in spouwmuren, achter dakbeschot en in schoorstenen. Het plangebied bestaat uit een complex met sport- en maatschappelijke voorzieningen. Dit complex is tijdens het veldbezoek geïnspecteerd op de aanwezigheid van geschikte kieren, spleten en open stootvoegen.

In het gebouw zijn op verschillende plekken open stootvoegen aangetroffen (zie navolgende afbeeldingen).

SAB

13

Open stootvoegen (rood omkaderd) in de bebouwing in het plangebied.

Niet alle aangetroffen stootvoegen leken een geschikte verblijfplaats voor vleermuizen. In of voor enkelen stootvoegen is namelijk spinnenrag waargenomen, wat er op duidt dat deze ruimte niet recentelijk door een vleermuis is gebruikt. Enkele andere open stootvoegen zijn echter wel vrij van spinnenrag en hebben een vrije aanvliegroute. Vleermuizen kunnen via deze ruimtes de spouwmuur bereiken. Bovendien is er aan de zuidkant van het plangebied een bomenrij en een watergang aanwezig, wat vleermuizen foerageermogelijkheden biedt. Foerageergebied in de directe omgeving van een potentiele verblijfplaats vergroot de kans dat een ruimte als verblijfplaats wordt gebruikt. Vanwege de mogelijk geschikte verblijfplaatsen en de foerageerplekken in de nabijheid, kan de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen niet op voorhand worden uitgesloten. Door de sloop van het complex vindt er mogelijk aantasting plaats van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen. Er is dan mogelijk sprake van overtreding van de Flora- en faunawet. Om met zekerheid vast te kunnen stellen of in het gebouw verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten aanwezig zijn, wordt nader onderzoek naar deze soorten noodzakelijk geacht. Boombewonende vleermuissoorten Boombewonende soorten worden gevonden in holten en spleten in bomen en achter loshangend schors.

Bomen dienen hiervoor een minimale diameter van 30 centimeter te hebben. Zo hebben vleermuizen genoeg ruimte in de boom. Vanaf deze diameter maken spechten ook holen in bomen, waarvan vleermuizen gebruik kunnen maken. Ook moeten de bomen dermate oud zijn, dat holtes door rotting ontstaan. In het plangebied zijn verschillende bomen aanwezig. Deze zijn tijdens het veldbezoek geïnspecteerd op geschikte holtes en loszittend schors. Deze zijn niet aangetroffen. Verblijf-

SAB

14

plaatsen van boombewonende vleermuizen zijn daarom niet in het plangebied te verwachten. Essentieel foerageergebied Alle in Nederland voorkomende vleermuizen leven van insecten. Zij foerageren daarom op plaatsen waar veel insecten aanwezig zijn. Voorbeelden van veel voorkomende foerageergebieden zijn openingen op kruinhoogte tussen bomen, boven water en in de luwte van dijken. Als een dergelijk foerageergebied door tientallen of honderden vleermuizen wordt gebruikt, kan gesproken worden van een essentieel foerageergebied. Als een dergelijk foerageergebied verloren zou gaan, zou de voedselvoorziening van een grote hoeveelheid vleermuizen verdwijnen. Dit kan een groot negatief effect op de vleermuizenpopulatie in het gebied hebben. Daarom zijn dergelijke gebieden strikt beschermd. Een bomenrij naast een watergang, zoals aanwezig in het plangebied, vormt geschikt foerageergebied. Het is echter niet te verwachten dat het plangebied essentieel foerageergebied vormt voor een populatie vleermuizen. Het plangebied heeft namelijk maar een beperkte oppervlakte en in de directe omgeving van het plangebied is vergelijkbaar foerageergebied aanwezig waar vleermuizen voedsel kunnen vinden. Dit betreft onder andere de bomenrij aan de overkant van de watergang en het gehele Burgemeester Boelenspark.

Het wordt daarom niet waarschijnlijk geacht dat de bomen in het plangebied een essentieel foerageergebied voor vleermuizen vormen. Essentiële vliegroutes Om zich van hun verblijfplaatsen naar hun foerageergebied te verplaatsen wordt door een aantal soorten steeds dezelfde lijnvormige elementen gebruikt. Bijvoorbeeld de gewone dwergvleermuis gebruikt vaak bomenrijen waaraan het zich kan oriënteren. Als een dergelijke route verdwijnt of onderbroken wordt, vervalt deze mogelijkheid om van verblijfplaats naar foerageergebied te komen. Vleermuizen moeten dan een alternatieve route zoeken. Als dit niet mogelijk is en als de vliegroute door veel vleermuizen wordt gebruikt, kan dit een groot negatief effect op de vleermuizenpopulatie in het gebied hebben. Daarom zijn dergelijke vliegroutes strikt beschermd. Aan de zuidkant van het plangebied bevindt zich een bomenrij naast een watergang. Deze bomenrij betreft maar een beperkt aantal bomen (<10) en loopt niet door tot buiten het plangebied. Van een doorlopende groenstructuur is in het plangebied geen sprake, het is daarom niet te verwachten dat de bomen in het plangebied onderdeel uitmaken van een essentiële vliegroute voor vleermuizen. 3.3.4

Vogels Vogelsoorten met niet jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied soorten met niet jaarrond beschermde nesten aangetroffen als kauw, zwarte kraai en merel. Dergelijke soorten kunnen mogelijk in het plangebied tot broeden komen. In het plangebied is daarnaast een vogelnest waargenomen. Tijdens het broeden zijn alle vogels strikt beschermd. Om te voorkomen dat door de geplande werkzaamheden broedende vogels verstoord worden, adviseren wij om de werkzaamheden buiten de broedperiode (half maart tot half augustus) uit te voeren. Als buiten de broedperiode nog een broedende vogel wordt aangetroffen, is ook deze beschermd en dienen de werkzaamheden ter plaatse gestaakt te worden. Er dient vervolgens contact met een ecoloog te worden opgenomen

SAB

15

om de situatie te bespreken en een passende oplossing te vinden. De nesten van de zwarte kraai zijn daarnaast jaarrond beschermd als er in de omgeving onvoldoende alternatieven zijn. In de omgeving zijn echter voldoende alternatieven aanwezig gezien de nabije ligging van het Burgemeesters Boelenspark. De nesten van de zwarte kraai zijn daarom enkel tijdens de broedperiode beschermd. Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komt een aantal jaarrond beschermde vogelsoorten in de buurt van het plangebied voor. Hieronder wordt in meer detail beschreven of en in welke mate het gebied geschikt kan zijn voor betreffende soorten. Huismus Huismussen broeden in kieren en spleten van bebouwing en tevens vaak onder (ronde) dakpannen. Een geschikte leefomgeving van de huismus bestaat uit een combinatie van een geschikte nestgelegenheid, voedsel, drinkwater en voldoende dekking in de vorm van stekelige of groenblijvende struiken. Voornamelijk plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen herbergen hoge dichtheden aan huismussen. In het plangebied zijn geen duidelijk geschikte nestlocaties van de huismus aangetroffen. Daarnaast zijn er tijdens het veldbezoek geen huismussen of sporen van de huismus in het plangebied waargenomen. Huismussen zijn zeer honkvast en blijven altijd in de directe omgeving van hun nestplaats.

Het feit dat de soort tijdens geschikte weersomstandigheden niet is aangetroffen, duidt er op dat zich geen nesten in het plangebied bevinden. In de directe omgeving van het plangebied zijn volgens de meest recente (<3 jaar) verspreidingsgegevens van de NDFF wel huismussen waargenomen, dit betreft echter waarnemingen in woonwijken en geen waarnemingen in het plangebied zelf. Aangezien er geen duidelijke nestlocaties voor de huismus in het plangebied aanwezig zijn, en huismussen of sporen van de soort niet zijn waargenomen, wordt het niet waarschijnlijk geacht dat het plangebied onderdeel uitmaakt van de functionele leefomgeving van deze soort. Een nader onderzoek naar de huismus wordt om die reden niet noodzakelijk geacht. Gierzwaluw Gierzwaluwen broeden in Nederland in gebouwen in stedelijk gebied, onder dakpannen of in kieren van muren. Het plangebied bestaat uit een complex met sport- en maatschappelijke voorzieningen. Dit complex is tijdens het veldbezoek geïnspecteerd op de aanwezigheid van kieren in muren of onder dakpannen die een geschikte nestlocatie van de gierzwaluw kunnen zijn. In het complex in het plangebied zijn een aantal kieren aanwezig die een geschikte nestlocatie kunnen vormen. Dit betreft onder andere ruimtes onder de nok van het dak en onder dakpannen (zie navolgende afbeeldingen).

SAB

16

Mogelijkheden tot een nestlocatie van gierzwaluwen.

Deze aangetroffen kieren hebben een vrije in- en uitvliegruimte, bevinden zich op minimaal 3 meter hoogte en liggen in een stedelijke omgeving. In de directe omgeving (<1 kilometer) van het plangebied zijn volgens verspreidingsgegevens van de NDFF bovendien recente waarnemingen van de gierzwaluw gedaan. Vanwege het feit dat er in het complex potentieel geschikte nestlocaties aanwezig zijn, er recente gierzwaluwwaarnemingen in de omgeving zijn gedaan en het feit dat het plangebied in een stedelijke omgeving ligt, valt niet op voorhand uit te sluiten dat nesten van de gierzwaluw in het plangebied aanwezig zijn. Bij sloop van het gebouw gaan daarom mogelijk nesten van de gierzwaluw verloren waardoor er sprake kan zijn van een overtreding van de Flora- en faunawet. Een nader onderzoek naar gierzwaluwen wordt om die reden noodzakelijk geacht.

Andere vogels met jaarrond beschermde nesten Andere jaarrond beschermde vogelsoorten maken hun nesten op hoge gebouwen (slechtvalk), langs stromende beken (grote gele kwikstaart), in hoge bomen in bos of boomgroepen (buizerd, roek, havik en sperwer), in oude nesten van kraaien, buizerds en eksters in boomgroepen (boomvalk, wespendief) in oude nesten van kraaien en roofvogels in naaldbomen (ransuil), in dichte riet- en moerasvegetatie (bruine kiekendief), in holtes in bomen en in gebouwen (steenuil), in nissen van kerktorens of in andere toegankelijke gebouwen in agrarisch gebied (kerkuil) of op speciale nestpalen (ooievaar). Deze elementen zijn niet in het plangebied aanwezig, nesten van deze jaarrond beschermde vogelsoorten zijn daarom niet in het plangebied te verwachten. 3.3.5

Reptielen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komen er geen reptielen in de buurt van het plangebied voor.

SAB

17

Reptielen komen voornamelijk voor in overgangsvegetaties van bijvoorbeeld bos naar heide. Een dergelijk leefgebied is in het plangebied niet aanwezig. Enkel de ringslang laat zich ook in meer stedelijk gebied zien. De soort komt vooral voor ten noorden van de grote rivieren, in laagveengebieden, natte heideterreinen en waterrijke zandgronden. Een dergelijk biotoop is niet in het plangebied aanwezig. Gezien de afwezigheid van watervoerende elementen en gezien de ligging van het plangebied in stedelijk gebied, vormt het plangebied geen geschikt biotoop voor de ringslang. Deze soort is derhalve niet in het plangebied te verwachten. 3.3.6

Amfibieën Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komt de rugstreeppad in de buurt van het plangebied voor. De rugstreeppad laat zich vaker in stedelijk gebied zien en is een pionierssoort die grote afstanden kan afleggen. De soort is een bewoner van zandige terreinen met een hoge dynamiek en komt voornamelijk voor langs de grote rivieren en op de hogere zandgronden. De rugstreeppad is sterk gebonden aan vergraafbaar zand in braakliggend terrein en is voor de voortplanting afhankelijk van ondiepe poeltjes. Dergelijke elementen zijn niet in het plangebied aanwezig, waardoor het plangebied in de huidige situatie geen geschikte leefomgeving voor de rugstreeppad vormt. In een later stadium, wanneer het plangebied uit braakliggend terrein bestaat, kan het terrein wel een geschikte leefomgeving voor de rugstreeppad vormen. In de directe omgeving zijn volgens de meest recente (<3 jaar) verspreidingsgegevens van de NDFF namelijk waarnemingen van de rugstreeppad gedaan. Ook in het Burgemeester Boelenspark is de rugstreeppad waargenomen, waarvan de meest recente waarneming uit 2011. Tijdens de bouwwerkzaamheden dient daarom rekening gehouden te worden met rugstreeppadden om een mogelijke overtreding van de Flora- en faunawet te voorkomen.

Aanbevolen wordt om eventuele natte plekken te dempen (na controle op individuen en eisnoeren) en het plangebied zo kort mogelijk braak te laten liggen. Als deze voorzorgsmaatregelen genomen worden, zijn negatieve effecten op vaste rust- of verblijfplaatsen van strikt beschermde amfibieën niet te verwachten met de beoogde ontwikkelingen.

3.3.7

Vissen In het plangebied zijn geen permanent watervoerende elementen aanwezig. De aanwezigheid van strikt beschermde vissen in het plangebied is daarmee uitgesloten.

3.3.8

Insecten en andere ongewervelden Beschermde insectensoorten en andere beschermde ongewervelden eisen een zeer specifiek habitat. Deze soorten komen in stabiele habitattypen voor zoals heiden en venen. In het betreffende plangebied is geen sprake van een dergelijke stabiele leefomgeving en de juiste leefomstandigheden voor dergelijke soorten. Beschermde insecten en andere ongewervelden zijn daarom niet te verwachten in het plangebied.

SAB

18

4

Conclusie Op de Julianaweg 95 te Volendam bevindt zich een complex met sport- en maatschappelijke voorzieningen, ook wel de Maria Goretti-locatie genoemd. De gemeente Edam – Volendam is voornemens om op deze locatie nieuwbouw te realiseren. Hiertoe wordt de bestaande bebouwing gesloopt.

4.1

Gebiedsbescherming In het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 en Natuurnetwerk Nederland dient er getoetst te worden of de beoogde ontwikkelingen een negatieve invloed hebben op beschermde gebieden.

4.1.1

Natuurbeschermingswet 1998 Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied of in een Beschermd Natuurmonument. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn Markermeer & IJmeer en Polder Zeevang. Deze gebieden bevinden zich op respectievelijk 500 meter en 2,5 kilometer afstand van het plangebied. Negatieve effecten van het plan op de instandhoudingsdoelstellingen van nabijgelegen Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten worden niet verwacht. Nader onderzoek in de vorm van een voortoets Natuurbeschermingswet 1998 wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. De Natuurbeschermingswet 1998 staat de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg.

4.1.2

Natuurnetwerk Noord-Holland Het plangebied ligt niet in het NNN, een natuurverbinding, een weidevogelleefgebied of een ganzenfoerageergebied. Het dichtstbijzijnde gedeelte van het NNN bevindt zich op ongeveer 425 meter ten oosten van het plangebied. Deze gebieden liggen op respectievelijk 425 meter, 2,25 kilometer, 1,1 kilometer en 1,2 kilometer afstand van het plangebied. Aangezien het plangebied niet in het Natuurnetwerk Noord-Holland, een natuurverbinding, een ganzenfoerageergebied of een weidevogelgebied ligt, vormt de ligging van het plangebied ten opzichte van deze gebieden geen beperkingen voor de beoogde plannen. De ligging van het plangebied ten opzichte van deze gebieden staat de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg.

4.2

Soortbescherming Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komt een aantal strikt beschermde plant- en diersoorten in de buurt van het plangebied voor. De meeste van deze soorten zijn in de huidige situatie echter niet in het gebied te verwachten, omdat mede op basis van het veldbezoek is geconstateerd dat een geschikt leefgebied ontbreekt. Echter, van twee soorten kan op basis van het veldbezoek de aanwezigheid niet op voorhand worden uitgesloten.

SAB

19

4.2.1

Vleermuizen In de bebouwing in het plangebied zijn verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen niet op voorhand uit te sluiten. Aangezien het hele complex gesloopt gaat worden, gaan mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen verloren. Hierdoor kan sprake zijn van een overtreding van de Flora- en faunawet. Een nader onderzoek naar verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen wordt noodzakelijk geacht om de haalbaarheid van het plan in het kader van de Flora- en faunawet vast te stellen.

4.2.2

Gierzwaluwen In de bebouwing in het plangebied zijn nestlocaties van gierzwaluwen niet op voorhand uit te sluiten. Aangezien het hele complex gesloopt gaat worden, gaan mogelijk nesten van gierzwaluwen verloren. Hierdoor kan sprake zijn van een overtreding van de Flora- en faunawet. Een nader onderzoek naar nestlocaties van gierzwaluwen wordt noodzakelijk geacht om de haalbaarheid van het plan in het kader van de Floraen faunawet vast te stellen.

SAB

20

5 5.1

Advies Aanvullend onderzoek Flora- en faunawet Nader onderzoek dient uitgevoerd te worden volgens bepaalde standaarden en protocollen en in bepaalde periodes in het jaar om de aanwezigheid met voldoende juridische zekerheid vast te stellen.

5.1.1

Vleermuizen Het nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen dient plaats te vinden volgens bepaalde richtlijnen, zoals verwoord in het vleermuisprotocol 2013 (Netwerk Groene Bureaus, Gegevensautoriteit Natuur). Het vleermuisprotocol stelt vast dat vier veldbezoeken uitgevoerd dienen te worden. Twee daarvan dienen plaats te vinden in de periode van 15 mei tot en met 15 juli met een tussenperiode van circa 30 dagen. De andere twee veldbezoeken dienen tussen 15 augustus en 30 september plaats te vinden met een tussenperiode van circa 20 dagen. Tijdens deze veldbezoeken zal gebruik worden gemaakt van een batdetector of batlogger. Dit zijn apparaten waarmee de onhoorbare ultrasone geluiden van vleermuizen worden opgevangen en vertaalt in voor mensen hoorbare geluiden. Door het uitvoeren van vier veldbezoeken kan met voldoende juridische zekerheid aannemelijk worden gemaakt of vleermuizen wel of niet aanwezig zijn in het plangebied. Mocht uit dit onderzoek blijken dat verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn, dan dient mogelijk een ontheffing Flora- en faunawet aangevraagd te worden en mitigerende maatregelen getroffen te worden. Navolgend overzicht geeft de onderzoeksperiodes voor vleermuizen weer.

5.1.2

Soortgroep

Soort/functie

Vleermuizen

Verblijfplaatsen

Jan

Feb

Mrt

Apr

Mei

Jun

Jul

Aug

Sep

Okt

Nov

Dec

Gierzwaluwen Het nader onderzoek gierzwaluwen dient plaats te vinden door middel van drie 3 inventarisaties met een tussenliggende periode van minimaal 10 dagen. Dit dient te gebeuren in de periode 1 juni tot en met 15 juli, van 21:00 uur en 22:30 uur, tijden goede inventarisatieomstandigheden. Mocht uit dit onderzoek blijken dat verblijfplaatsen van gierzwaluwen aanwezig zijn, dan dient mogelijk een ontheffing Flora- en faunawet aangevraagd te worden. Navolgend overzicht geeft de onderzoeksperiodes voor gierzwaluwen weer.

5.2

Soortgroep

Soort/functie

gierzwaluwen

Nestlocaties

Jan

Feb

Mrt

Apr

Mei

Jun

Jul

Aug

Sep

Okt

Nov

Dec

Zorgplicht De zorgplicht is altijd van toepassing. Iedereen moet voldoende zorg in acht nemen voor alle in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving. Dit kan bijvoorbeeld door de werkzaamheden te verrichten buiten kwetsbare periodes (het voortplantings-

SAB

21

en winterslaapseizoen). Ook kan er gefaseerd worden gewerkt om dieren de kans te geven om te vluchten.

5.3

Broedende vogels De werkzaamheden dienen buiten de broedperiode plaats te vinden. Voor de meeste vogels loopt deze van half maart tot half augustus. Broedende vogels zijn strikt beschermd door de Flora- en faunawet en mogen niet verstoord worden. Er is geen vrijstelling te verkrijgen in het kader van de Flora- en faunawet voor activiteiten die vogels in hun broedseizoen zou kunnen verstoren.

5.4

Aanbevelingen Voor de rugstreeppad zou bij de ontwikkeling van het gebied geschikt leefgebied kunnen ontstaan. Tijdens de bouwwerkzaamheden dient daarom rekening gehouden te worden met rugstreeppadden om overtreding van de Flora- en faunawet te voorkomen. Aanbevolen wordt om eventuele natte plekken te dempen (na controle op individuen en eisnoeren) en het plangebied zo kort mogelijk braak te laten liggen. Als deze voorzorgsmaatregelen genomen worden, zijn negatieve effecten op vaste rust- of verblijfplaatsen van strikt beschermde amfibieën niet te verwachten met de beoogde ontwikkelingen..

5.5

Vervolgstappen  Uitvoeren nader onderzoek vleermuizen en gierzwaluwen.  Indien geen essentiële functies voor vleermuizen of gierzwaluwen worden vastgesteld of door het plan worden aangetast, is het plan haalbaar in het licht van de Flora- en faunawet.  Indien essentiële functies voor vleermuizen of gierzwaluwen worden vastgesteld en door het plan worden aangetast, dienen mitigerende maatregelen te worden getroffen en een ontheffing Flora- en faunawet te worden aangevraagd.

SAB

22

Bijlage 1: Geraadpleegde literatuur Lenders, A., Marijnissen, C., Felix, R. 1993. Waarnemen en herkennen van Amfibieën en Reptielen in het veld, stichting RAVON, Nijmegen. Netwerk Groene Bureaus, Gegevensautoriteit Natuur, Zoogdiervereniging. 2013. Vleermuisprotocol 2013. Van der Meijden, R. 2005. Heukels’ Flora van Nederland, Wolters Noordhoff, Groningen/Houten. Van Diepenbeek, A. 1999. Veldgids Diersporen, KNNV Uitgeverij, Utrecht. Van Uchelen, E. 2006. Praktisch natuurbeheer: amfibieën en reptielen, KNNV Uitgeverij, Utrecht. www.noord-holland.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.rijksoverheid.nl www.stowa.nl www.synbiosys.alterra.nl www.telmee.nl www.vogelbescherming.nl www.zoogdiervereniging.nl www.aerius.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EdamVolendam&id=29155572-bb59-4006-8906-fd7e04403af1