bijlage 3 deel 2 motie onderzoek bezuinigingsmogelijkheden.docx
Tekst van het document
Onderzoek bezuinigingsmogelijkheden
DEEL 2 Motie van 5 november 2020
Deel 2 motie van 5 november 2020: Onderzoek bezuinigingsmogelijkheden
Inhoud Aanleiding
2
Nieuwe indeling
2
De opdracht
2
Ad 1. Welke technische mogelijkheden bestaan om subsidiemiddelen te verminderen?
2
Ad 1. 1 Voorbeelden met financiële gevolgen a. Kaasschaafmethode b. 1. Prioritering stellen/bezuiniging per specifiek beleidsveld 2. Prioritering stellen/ Bepaalde activiteiten worden niet meer of minder gesubsidieerd. Voorbeeld bibliotheekwerk c. Koppeling methodes
3 4 4 5 6
Ad 2. Met welke wet- en regelgeving moet bij een verlaging van subsidiemiddelen of het beëindigen van subsidies rekening worden gehouden?
6
Ad 3/4 Welke maatregelen zullen instellingen en verenigingen nemen om een subsidiekorting op te vangen en tot welke (maatschappelijke) effecten zullen deze maatregelen voor de burgers, de gebruikers van de voorzieningen leiden?
6
Ad 5 Hoe kan het sectorale beleid zo worden aangepast of slimmer worden ingericht dat zoveel mogelijk de verwachte negatieve effecten kunnen worden voorkomen?
7
1
Deel 2 motie van 5 november 2020: Onderzoek bezuinigingsmogelijkheden
Aanleiding Naast de evaluatie van het subsidiebeleid heeft uw raad gevraagd onderzoek te verrichten naar de mogelijkheden tot bezuiniging op de subsidiemiddelen.. Bovendien is gevraagd een nieuw onderscheid te maken. Nieuw onderscheid Het subsidiebeleid van de gemeente Edam-Volendam hanteert geen doelen, maar uitgangspunten. De doelen die moeten worden gerealiseerd zijn onderdeel van de sectorale beleidsnota’s, die uw raad heeft vastgesteld. De doelen zijn uitwerkingen van de omvangrijke opdracht vanuit o.a. de Wmo. De instrumentenkeuze om deze doelen te realiseren verschilt en is dus volgend. Subsidiëren is daarom geen doel op zich. Het actuele activiteitenaanbod dat met subsidiemiddelen wordt gerealiseerd moet immers altijd in de samenhang met de nota’s en de daarin beoogde ambitie, doelen en resultaten van uw raad worden gezien. In uw motie geeft u aan dat een nieuw onderscheid moet worden gemaakt. Echter is de vraag waarop dit nieuwe onderscheid zich moet richten. Het is natuurlijk mogelijk nieuwe uitgangspunten te formuleren, of deze aan te scherpen, of de soorten subsidie die in onze Algemene subsidieverordening worden bepaald te wijzigen of te verruimen.
Omdat uw raad vraagt te onderzoeken of en hoe een nieuw onderscheid kan bijdragen aan het creëren van mogelijkheden om op de subsidie-uitgaven te besparen moeten ons inziens ter beantwoording van deze vraag daarom vooral de sectorale beleidsnota’s worden geëvalueerd. In het kader van de evaluatie van het subsidiebeleid hebben wij aan uw raad toegelicht dat op dit moment geen duidelijke uitspraak gedaan kan worden over de doelmatigheid en de doeltreffendheid van de subsidies, omdat de beleidsnota’s waarin de met de subsidie te realiseren doelen staan een dergelijke beoordeling niet mogelijk maken. Omdat in de vastgestelde sectorale beleidsnota’s echter de huidige uitgangspunten geen neerslag vinden als een beleidsdoel, dat met het subsidie-instrument zal worden gerealiseerd, kan ook niet worden beoordeeld welke aanpassing van de uitgangspunten een kosten efficiëntere realisatie bevordert. De opdracht Uw raad vraagt onderzoek te verrichten naar reële mogelijkheden tot verlaging van de subsidiemiddelen . Om de vragen in het kader van deze opdracht te kunnen beantwoorden moet worden onderzocht: 1. welke technische mogelijkheden bestaan om subsidiemiddelen te verminderen, 2. met welke wet- en regelgeving hierbij rekening moet worden gehouden; 3. welke maatregelen instellingen en verenigingen zullen nemen om de subsidiekorting op te vangen; 4.
tot welke (maatschappelijke) effecten deze maatregelen voor de burgers, de gebruikers van de voorzieningen zullen leiden; Hoe het sectorale beleid zo kan worden aangepast of slimmer worden ingericht dat zoveel mogelijk de verwachte negatieve effecten kunnen worden voorkomen. Wij lichten de in kaart gebrachte vraagstukken als volgt toe: Ad 1. Welke technische mogelijkheden bestaan er om subsidiemiddelen te verminderen? Uw raad wil graag informatie ontvangen hoe op subsidies bezuinigd kan worden. Aan de hand van de volgende technische bezuinigingsscenario’s geven wij aan dat er diverse mogelijkheden zijn om een verlaging op subsidiemiddelen te realiseren: •
Kaasschaafmethode: Alle subsidies worden met eenzelfde percentage eenmalig of gedurende meerdere begrotingsjaren gekort. Dus alle subsidies blijven bestaan, maar de pijn wordt over iedereen gelijk verdeeld.
• Prioriteiten stellen: De gemeente maakt een keuze tussen activiteiten en beleidsterreinen die zij belangrijk vindt. Dit betekent dat sommige subsidies onder inachtneming van de wet- en regelgeving worden verlaagd of komen te vervallen.
2
Deel 2 motie van 5 november 2020: Onderzoek bezuinigingsmogelijkheden
• Koppeling methodes: Deze technische mogelijkheden kunnen ook gecombineerd worden toegepast. Uw raad kan ervoor kiezen om de incidentele subsidies met een bepaalde percentage te korten (kaasschaafmethode) en op de jaarsubsidies voor bepaalde activiteiten (prioritering) die binnen een bepaald beleidsveld worden verstrekt te bezuinigen of deze te beëindigen. Afhankelijk van welke bezuinigingsmethode de voorkeur van uw raad heeft, kan deze onmiddellijk worden toegepast op de incidentele subsidies. Met de wettelijke bepalingen voor het verlagen van subsidieplafonds moet hierbij rekening worden gehouden. Bij jaar-/boekjaarsubsidie en begrotingspostsubsidie moet per subsidierelatie worden beoordeeld op welke wijze (methode) en met inachtneming van welke termijn de subsidie kan worden verlaagd. Bezuinigingen kunnen daarom bij langjarige subsidierelaties pas na het in acht nemen van een redelijke termijn worden ingeboekt. Ad 1.1. Voorbeelden met financiële gevolgen Om de keuze tussen één van de methoden beter te kunnen maken hebben wij voor uw raad aan de hand van voorbeelden de methoden uitgewerkt. Hierbij is uitgegaan van een 10% bezuiniging op het subsidiebudget 2021 om de mogelijke besparingsomvang beter inzichtelijk te maken.
a.) Kaasschaafmethode: Uitgaande van een verlaging van alle subsidiemiddelen met 10 % gaat deze methode een besparing opleveren van in totaal € 157.876,34, waarvan € 13.805,10 op de incidentele subsidies en € 144.071,24 op de jaar-/ begrotingssubsidies. Een verlaging op de incidentele subsidies kan onmiddellijk worden toegepast. Er moeten wel door het college vastgestelde subsidieplafonds worden verlaagd en het besluit moet worden bekend gemaakt. Een dergelijke procedure kan rond twee tot drie weken duren. Incidentele subsidieaanvragen die voor bekendmaking van een verlaging van een subsidieplafond zijn ingediend en die aan de gestelde eisen voldoen, moeten worden verleend, tenzij het subsidieplafond is bereikt. Een verlaging gedurende het lopende kalenderjaar zal daarom alleen onder inachtneming van reeds ingediende aanvragen mogelijk zijn en daarom kan de omvang van het bezuinigde bedrag afwijken van het boven vermelde bedrag. Een bezuiniging op de jaarsubsidie/begrotingspostsubsidie kan niet onmiddellijk worden gerealiseerd. Subsidies die langer dan drie jaar achter elkaar worden verstrekt moeten met inachtneming van een redelijke termijn worden verlaagd. Dat betekent dat per verleende jaarsubsidie/ begrotingspostsubsidie moet worden vastgesteld wat de redelijke termijn is.
Dat kan soms een heel korte termijn zijn maar vooral bij de grote(re) subsidies kan deze afbouwperiode zich over een langere periode uitstrekken. De afbouw moet op tijd worden aangekondigd en worden gemotiveerd. De feitelijke inrekening van de bezuiniging zal zich daarom over een langere periode uitstrekken. Het is mogelijk dat een initiatiefnemer niet meer bereid is de activiteit(en) met minder middelen uit te voeren. Dat betekent dat de activiteit(en) kan/kunnen komen te vervallen. b.) 1. Prioritering stellen /bezuiniging per specifiek beleidsveld: De raad kiest ervoor om een bezuinigingspercentage toe te passen op een specifiek beleidsveld. Alle andere subsidiemiddelen blijven dan onveranderd. Voorbeeld sport: Indien alle subsidiemiddelen op het gebied van sport met een bezuinigingspercentage van 10% worden verlaagd is de opbrengst in totaal € 12.463,70, waarvan € 5.562 wordt bezuinigd op de incidentele subsidies en € 6.901,- op de jaarsubsidies. Ook hier gelden de reeds onder a.) beschreven speelregels. Voorbeeld kunst en cultuur: Indien alle subsidiemiddelen op het gebied van kunst en cultuur met een bezuinigingspercentage van 10 % worden verlaagd is de opbrengst in totaal € 95.497,40, waarvan € 3.835,- wordt bezuinigd op de incidentele
3
Deel 2 motie van 5 november 2020: Onderzoek bezuinigingsmogelijkheden
subsidies en € 91.662,40 op de jaarsubsidies/begrotingspostsubsidie. Ook hier gelden de reeds onder a.) beschreven speelregels. Vooral op het gebied van kunst en cultuur zal de inrekening van een bezuiniging op de jaarsubsidies/begrotingspostsubsidie zich uitstrekken over een langere periode. Het gaat vooral om grotere organisaties zoals de musea en de bibliotheekvoorziening. Om de hoogte van een subsidie te kunnen bepalen moet rekening worden gehouden met diverse kostenposten die aan een activiteit kunnen worden toegerekend. Aan deze kostenposten liggen bv. contracten ten grondslag die de organisatie niet per direct stop kan zetten en waarvoor zij maatregelen moet nemen om tot een andere dekking van de kosten te kunnen komen of tot opzegging of wijziging van een contract om minder kosten te hebben die door het wegvallen van de subsidie niet meer worden gedekt. Er bestaat uitgebreide jurisprudentie wat als redelijke termijn wordt beschouwd om een dergelijke maatregel tot uitvoering te kunnen brengen. Dat moet dan per gesubsidieerde activiteit worden beoordeeld en bij de gesubsidieerde initiatiefnemer schriftelijk worden aangekondigd. Pas dan begint de wettelijk verplichte toepassing van de redelijke termijn voor de afbouw.
Voor wat betreft de kleinere jaarsubsidies op het gebied van kunst en cultuur zal de afbouwperiode korter zijn, maar de kans dat de activiteit dan niet meer wordt uitgevoerd is groter.. Voorbeeld Wmo/ leefstijl/ burgerparticipatie: Indien alle subsidiemiddelen op het gebied van de Wmo/ Leefstijl/ burgerparticipatie met bezuinigingspercentage van 10 % worden verlaagd is de opbrengst in totaal € 45.725,10 waarvan € 1.868,wordt bezuinigd op de incidentele subsidies en € 43.857,10 op de jaarsubsidies. Ook hier gelden de reeds onder a.) beschreven speelregels. Op dit beleidsterrein worden vooral jaarsubsidies verstrekt, waarvan de meeste middelen naar het CBW gaan. De inrekening van een bezuiniging op de jaarsubsidies zal naar een eerste inschatting binnen een jaar na aankondiging mogelijk zijn. Voorbeeld gemeentelijke monumenten: Op het gebied van gemeentelijke monumenten worden alleen incidentele subsidies verleend. Het jaarlijkse budget is €18.000, waarvan mede dekking plaatsvindt vanuit het legaat van Slieker voor activiteiten ter behoud van monumenten in Edam die op de lijst van Slieker staan vermeld. De opbrengst van een bezuiniging moet worden dat eigenaren van monumenten alleen om de vijf jaar beroep op de subsidie kunnen doen met een maximum van € 5.000.
Gelet op het vrij kleine budget en de mededekking vanuit een legaat levert een verlaging van de middelen op dit beleidsterrein de kleinste winst op maar zal behoorlijke gevolgen voor eigenaren van monumenten kunnen hebben. b.) 2. Prioriteiten stellen / De subsidie voor een bepaalde activiteitengroep wordt verlaagd of beëindigd toelichting: Om in aanmerking voor subsidiering te komen moet een voorgestelde activiteit bijdragen aan het realiseren van een gemeentelijk vastgesteld doel (beleid). Het gaat dus om activiteitengroepen ten behoeve van het realiseren van een specifiek doel en niet om de keuze of die vereniging of die partij wel subsidie krijgt en die andere niet. De criteria waarmee wordt beoordeeld dat de activiteit een bijdrage zal leveren aan het te realiseren beleid is dus bepalend. Dus elke activiteit die in principe aan deze eisen voldoet is subsidiabel. Het is dus niet mogelijk de activiteit x van de initiatiefnemer y te schrappen, maar voor dezelfde activiteit aan initiatiefnemer een subsidie te verlenen. Voorbeeld bibliotheekwerk: Het bibliotheekwerk wordt als begrotingspost subsidie verleend. Het gaat om een bedrag van € 648.600 dat jaarlijks wordt geïndexeerd. Op dit moment zijn er in onze gemeente twee fysieke bibliotheken in de grote kernen Edam en Volendam en een uitleenpunt in de kleine kern Oosthuizen.
Daarnaast is een centrale bibliotheek in Purmerend, waar elke inwoner gebruik van kan maken. Bovendien bestaat een bezorgservice (bibliotheek-bus) voor minder mobiele mensen en de inwoners van de kleine kernen. In de bibliotheek Edam is bovendien het wijksteunpunt Edam gehuisvest. Elke locatie is voorzien met een uitleenbestand, moet aangesloten zijn aan het centrale digitale
4
Deel 2 motie van 5 november 2020: Onderzoek bezuinigingsmogelijkheden
netwerk en moet de toegang tot de landelijke bibliotheek waarborgen. Er zijn o.a. huisvestingslasten mee gemoeid en front- en backofficelasten (met jaarlijkse indexering). Al deze kostenposten verschillen per locatie. Het is mogelijk de subsidie voor de activiteit bibliotheekwerk te verlagen of om ervoor te kiezen helemaal geen bibliotheek meer te hebben. De gemeente is niet verplicht een bibliotheek te hebben en hoeft ook niet in elke kern een fysieke bibliotheeklocatie te realiseren. Indien de gemeente voor haar inwoners het bibliotheekwerk beschikbaar wil stellen is zij wel verplicht aan de eisen van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen te voldoen. De wet bepaalt welke functies in ieder geval door de gemeente moeten worden gerealiseerd. Deze functies zijn gericht op de invulling van activiteiten voor het voorliggende veld. Een bibliotheek is daarom niet alleen een uitleenpunt van boeken en cd'tjes. De gemeente hoeft niet op elke locatie alle functies aan te bieden, maar in totaal moeten alle functies door de gemeente worden gerealiseerd. In de hoofdvestiging van de bibliotheek Waterland in Purmerend zijn alle functies ingevuld, waardoor de raad ervoor zou kunnen kiezen het bibliotheekwerk in de kernen van onze gemeente te beëindigen en zo op de subsidie-uitgaven te besparen.
De kosten die voor het gebruik van de centrale bibliotheek in Purmerend gemoeid zijn worden aan de gemeente doorberekend op basis van een verdeelsleutel en zullen dan de omvang van de minimaal beschikbaar te stellen subsidie bepalen. Daarnaast moet rekening worden gehouden met een redelijke termijn om de subsidie te kunnen verminderen als de lokale bibliotheekvoorzieningen niet meer gesubsidieerd zullen worden. Afhankelijk van de onderliggende contractuele verplichtingen enz. kan deze redelijke termijn eventueel drie jaar zijn en zal de besparing op het subsidiebudget pas na afloop van deze periode in te boeken zijn. Het is daarom aan te raden om diverse keuzescenario’s (welke besparing bij beëindigen van welke locatie en wanneer realiseerbaar) en de mogelijke gevolgen voor het voorzieningenniveau uit te laten werken door de vakafdeling. Hierdoor kan inzichtelijk worden gemaakt welke besparing maximaal te behalen is. Als de bezuiniging te ruim is zou het kunnen betekenen dat het bibliotheekwerk voor de inwoners van de gemeente Edam-Volendam alleen maar nog toegankelijk is als zij een veel hogere ledenbijdrage betalen. Voor jongeren is de uitleenfunctie dan ook niet meer gratis. b.) Koppeling van methodes: De opbrengst van een bezuiniging is afhankelijk van de combinatie van de bezuinigingsmethodes die uw raad kiest. Ad 2.
Met welke wet- en regelgeving moet bij een verlaging van subsidiemiddelen of het beëindigen van subsidies rekening worden gehouden? De Algemene wet bestuursrecht stelt bij subsidiëring drie jaar of langer eisen aan de wijze waarop subsidies worden verlaagd of beëindigd. De wetgever gaat ervan uit dat organisaties die jaarlijks ongewijzigde activiteiten ontplooien -om zo bij te dragen aan de beleidsrealisatie- erop mogen vertrouwen, dat zij op tijd maatregelen kunnen nemen als de gemeente de activiteit niet meer wil subsidiëren. Zij moeten in staat worden geacht hierop hun bedrijfsvoering aan te passen. De gemeente Edam-Volendam kent op basis van de Algemene subsidieverordening Edam-Volendam twee soorten subsidies: de per boekjaar/ kalenderjaar te verstrekken subsidies en de incidentele subsidies. Er zijn activiteiten die het hele jaar door plaats (moeten) vinden om het vastgestelde beleid te kunnen realiseren met subsidie en er zijn ook belangrijke met regelmaat terugkerende activiteiten die bijdragen aan de verhoging van de leefbaarheid en de sociale cohesie. Zij vormen samen een laagdrempelig toegankelijk voorzieningennetwerk. Dat zijn de subsidies die per boekjaar en kalenderjaar worden verstrekt en waar de aanvraag reeds in het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de subsidie bedoeld is moet worden aangevraagd.
Voor de begrotingspostsubsidies ( dat is bij ons de bibliotheek onder programma 5.25) gelden dezelfde speelregels. Daarnaast zijn er de incidentele subsidies. Gedurende een jaar worden vaak spontaan activiteiten door initiatiefnemers uit de samenleving georganiseerd. Daarom kunnen de incidentele subsidies gedurende het hele jaar aangevraagd worden. Men wil vaak ook testen wat de gemeenschap ervan vindt, hoeveel draagvlak ervoor is en wat hiermee kan worden bereikt voor onze samenleving. Vaak ontbreken in deze fase voldoende
5
Deel 2 motie van 5 november 2020: Onderzoek bezuinigingsmogelijkheden
middelen om deze activiteiten helemaal zelfstandig te kunnen ontplooien. Om grip op de uitgaven voor incidentele aanvragen te hebben worden jaarlijks subsidieplafonds door het college vastgesteld en bekend gemaakt. Dat betekent dat als het geld in het betreffende jaar op is de gemeente een aanvraag kan weigeren. Refererend aan deze twee soorten subsidies beschrijven wij als volgt de wettelijke kaders waarmee rekening dient te worden gehouden als een subsidie gewijzigd (verminderd) of beëindigd wordt: a) Incidentele subsidie: Een bezuiniging is meteen mogelijk; er moet alleen rekening worden gehouden met de vastgestelde subsidieplafonds en de regels die voor het verlagen hiervan gelden. b) Jaar-/boekjaarsubsidie/begrotingspostsubsidie: Een bezuiniging op deze soort subsidie is niet meteen mogelijk. Artikel 4:51 Awb bepaalt dat een subsidie alleen gewijzigd/afgebouwd of beëindigd mag worden onder inachtneming van een redelijke termijn als:
•
het gaat om een subsidierelatie van 3 jaar of langer voor dezelfde of in hoofdzaak dezelfde voortdurende activiteiten. Als het gaat om een kortere periode of om bijvoorbeeld projecten, dan bestaat geen gerechtvaardigd vertrouwen op voortzetting van de subsidiëring;
•
er sprake is van veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten die zich verzetten tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting. Bezuinigingen worden al snel beschouwd als een veranderde omstandigheid of gewijzigd inzicht.
Ad 3 en 4. Welke maatregelen zullen instellingen en verenigingen nemen om een subsidiekorting op te vangen en tot welke (maatschappelijke) effecten zullen deze maatregelen voor onze inwoners, de gebruikers van de voorzieningen leiden? Binnen onze gemeente worden jaarlijks activiteiten van ruim zestig organisaties en eigenaren van monumenten ter realisatie van gemeentelijk beleid gesubsidieerd. Het activiteitenaanbod is divers en richt zich op verschillende doelgroepen. Zo is het mogelijk dat organisaties ook meerdere verschillende activiteiten ontplooien, die worden gesubsidieerd. De gesubsidieerde activiteiten die bijdragen aan het realiseren van het welzijnsbeleid, in de breedste zin, vormen mede het netwerk aan laagdrempelig toegankelijke voorzieningen. Het gaat dan om voorzieningen die zonder indicatie toegankelijk zijn en bij zullen dragen aan het langer zelfstandig kunnen thuis blijven wonen. De bedoeling van de laagdrempelige voorzieningen is vooral ook het voorkomen van zwaardere zorg. Burgers zijn meer beroep gaan doen op ondersteuning in het kader van de Wmo, wat de financiële druk op onze gemeente verhoogt. En door de vergrijzing ligt het in de verwachting dat dat beroep verder zal stijgen. Dit roept de vraag op hoe gemeenten de goede ontwikkelingen voortzetten én het stelsel betaalbaar houden. Dat is een inhoudelijke beleidskwestie.
Voor een groot deel worden de oplossingen in ‘het voorveld’ van de Wmo gezocht, in het voorzieningennetwerk, dat de gemeente voor een groot deel met behulp van het subsidieinstrument realiseert. Een bezuiniging op subsidiemiddelen zal daarom ook altijd in de bredere context moeten worden onderzocht. De gemeente moet daarom in haar beleid van tevoren bedenken en aangeven welke activiteiten zij wel of niet zou willen subsidiëren en aan welke criteria een activiteit zal moeten voldoen. Anders dan bij inkoop, komt het initiatief uit de samenleving en bepaalt de subsidieaanvrager hoe en welke activiteit hij wel of niet uitvoert. De gemeente beoordeelt alleen aan de hand van vooraf opgestelde kaders en toetsingscriteria of de activiteit naar verwachting zal bijdragen aan het realiseren van beleid. De organisaties zullen bij minder subsidie-inkomsten daarom zelf bepalen ten laste van welke aspecten zij een subsidiekorting willen opvangen en of zij de activiteit dan überhaupt nog willen uitvoeren. Het is aan te raden om de beoogde bezuiniging met de externe partners voorafgaand te bespreken en invulling hieraan te geven. De gemeente geeft op deze manier deze organisaties een stem in wat mogelijkheden zijn en waar grenzen liggen en waarom. Een dergelijke aanpak draagt bovendien bij aan het creëren van draagvlak en
6
Deel 2 motie van 5 november 2020: Onderzoek bezuinigingsmogelijkheden
dat heeft meestal invloed op de bereidheid een bepaald kwaliteitsniveau te willen blijven realiseren en de activiteit vooralsnog uit te blijven voeren. Zonder zicht op het beleid en waar beleid aangepast of effectiever opgesteld kan worden is het in deze fase niet mogelijk om effecten van een bezuiniging op de middelen op basis van de juiste inzichten te beschrijven. De gevolgen van een bezuiniging op de subsidiemiddelen (antwoord op vraag vier) zullen om deze redenen pas goed kunnen worden ingeschat als de diverse beleidssectoren haar beleid hebben geëvalueerd en de maatregelen die de organisaties naar alle waarschijnlijkheid zullen nemen hebben geïnventariseerd en zij hebben beoordeeld in hoeverre het sectorale beleid dan nog kan worden gerealiseerd en welke consequenties dit heeft voor bijvoorbeeld de geïndiceerde zorg. U kunt bijvoorbeeld denken dat het meevalt qua effect op de samenleving als aan een zangvereniging voor haar activiteiten geen subsidie meer wordt verleend. Of als ontmoetingsactiviteiten in buurthuizen alleen nog op één locatie als gevolg van minder subsidiemiddelen kunnen worden ontplooid.
Maar wat zijn de gevolgen voor betrokkenen als de deelnemers aan een dergelijke activiteit daarvan geen gebruik meer kunnen maken omdat bijvoorbeeld de reistijd langer is en de weg daar naartoe veel belemmeringen met zich mee brengt? Worden zij minder actief? Vereenzamen zij? Worden zij depressief? Welke andere vorm van duurdere ondersteuning/zorg hebben zij dan eventueel nodig? Ad 5 . Hoe kan het sectorale beleid zo worden aangepast of slimmer worden ingericht dat zoveel mogelijk de verwachte negatieve effecten kunnen worden voorkomen? Gelet op de ruime opdracht en verantwoordelijkheid die door de decentralisaties naar de gemeente toe is gekomen was het van begin af aan van groot belang om de preventieve aanpak voorop te stellen. Voorkomen is nou eenmaal beter en goedkoper dan genezen. Dat betekent dat de gemeente een goed inzicht moet hebben in de behoeften en vragen die leven in de samenleving. Zij moet met een frisse blik naar eigen werkprocessen, haar rol daarin en haar manier hoe ze het probleem denkt te kunnen verhelpen moeten kijken en hierbij durven innovatief te zijn. Dat kan alleen maar door het voorliggend veld op lokale schaal zodanig in te richten en op elkaar af te stemmen, dat voor elke hulpvraag steeds de meest kosten-efficiënte oplossing wordt gevonden en met zo veel mogelijk synergie- effecten wordt gewerkt.
De herziening van de sectorale beleidsnota’s die samen het welzijnsbeleid vormen en waarin de modernisering van het voorliggend veld een belangrijk onderdeel zal zijn moet zijn beslag krijgen per 2023. Pas op dat moment en wanneer dan ook de antwoorden op de vragen drie en vier bij de uitwerking van het beleid zijn meegenomen zal het mogelijk zijn om te kunnen beoordelen of een bezuiniging op de subsidiemiddelen niet tot negatieve effecten zal leiden. Als het gaat om de inzet van het subsidie-instrument om doelen binnen dit vernieuwde beleid te realiseren moet de gemeente in haar sectoraal beleid van tevoren goed bedenken wanneer zij de aanpak aan het veld over wil laten, hoe ver zij hierin wil gaan en welke criteria zij daarvoor wil vastleggen om vervolgens de geschiktheid (doeltreffendheid en doelmatigheid) van een voorgesteld initiatief te kunnen beoordelen. Dan zal blijken of de vastgestelde uitgangspunten van het subsidiebeleid belemmerend werken of dat een uitbreiding of aanpassing van deze uitgangspunten juist helpt bij de uitwerking van het sectorale beleid.
7