Bijlage 2 planMER omgevingsvisie Tauw 30-03-2023.pdf
Tekst van het document
Door het uit gebruik nemen van agrarische gronden, de vestiging van nieuwe en energie efficiëntere bedrijven, de revitalisering van bestaande bedrijventerreinen, het bevorderen van goede fiets- en OV verbindingen en de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn kan er een belangrijk positief effect behaald worden. Van belang is dat het gebruik van de auto zoveel mogelijk wordt ontmoedigd. Hoe groter de verkeersaantrekkende werking van nieuwe functies, zoals een nieuw stadion, hoe de groter de kans dat de effecten per saldo negatief zijn.
8.6
Conclusie Passende Beoordeling
De Omgevingsvisie van de gemeente Edam-Volendam is een langetermijnvisie op de fysieke leefomgeving van de gemeente tot aan 2050. Door de lange doorlooptijd en het hoge abstractieniveau van de visie kunnen mogelijke significante effecten op Natura 2000-gebieden binnen en rondom de gemeente Edam-Volendam op dit moment niet met zekerheid worden
83/94
Kenmerk
R001-1289677LEE-V01-mdg-NL
uitgesloten. Tegelijkertijd is ook niet op voorhand sprake van significant negatieve effecten of met zekerheid onuitvoerbare ontwikkelingen, omdat er zowel in de aanlegfase als gebruiksfase doorgaans mogelijkheden gevonden kunnen worden om negatieve effecten effectief te beperken of weg te nemen. Naast bronmaatregelen kan daarbij ook gedacht worden besteed aan zorgvuldige locatiekeuze en inpassing. Wanneer concretisering van keuzes plaatsvindt in bijvoorbeeld opvolgende programma’s en omgevingsplannen en er meer duidelijkheid is over de omvang van de verschillende ontwikkelingen, zal nader onderzoek nodig (kunnen) zijn naar effecten op Natura 2000-gebieden en de mogelijkheden om deze te beperken. Er moet in dat geval een Passende Beoordeling op projectniveau worden uitgevoerd.
84/94
Kenmerk
R001-1289677LEE-V01-mdg-NL
9 Conclusies en aanbevelingen In dit hoofdstuk worden de conclusies beschreven van de verschillende onderdelen van het PlanMER. Allereerst beschrijft dit hoofdstuk de effecten van de Omgevingsvisie op het milieu en de omgeving, gevolgd door de conclusie voor synergie en strijdigheden, het doelbereik van de Omgevingsvisie en mitigerende maatregelen die aanbevolen worden. De conclusie sluit af met de conclusies uit de Passende Beoordeling.
9.1
De leefomgeving en de effecten van de Omgevingsvisie
De referentiesituatie Zoals blijkt uit dit PlanMER scoort een overwegend aantal indicatoren in de huidige toestand en de toestand bij autonome ontwikkeling, ofwel de referentiesituatie, ‘redelijk’. Voorbeelden van indicatoren zijn gezondheidsbevordering, geluid, bereikbaarheid en wateroverlast. Ook zijn er een aantal indicatoren die ‘slecht’ scoren zoals woningvoorraad, werklocaties, opwek duurzame energie en circulaire economie. Daarnaast zijn er enkele indicatoren die ‘goed’ scoren. Dit zijn bijvoorbeeld landschappelijke en cultuurhistorische waarden en droogte (zie ook de tabellen in hoofdstuk 4). Wanneer de nieuwe uitbreidingslocatie Lange Weeren niet wordt ontwikkeld dan zal in de referentiesituatie het woningaanbod te laag zijn. Tevens voorziet het plan in de ontwikkeling van nieuwe voorzieningen. Bij het niet doorgaan zal het dus een toekomstig negatief effect hebben op het voorzieningenniveau. De gemeente zet met de ontwikkeling van De Lange Weeren ook in op ontwikkeling van een waterbufferingsgebied. Het niet realiseren heeft mogelijk negatieve gevolgen voor de indicator ‘wateroverlast’. Anderzijds zal door het niet ontwikkelen van het gebied, ook minder verkeer worden aangetrokken wat positief is voor de indicatoren lucht en geluid. Ook voor de aspecten landschap en natuur is gunstiger wanneer de plannen niet ontwikkeld.
Het effect van de Omgevingsvisie Het effect van de Omgevingsvisie is naar rato positief te beoordelen. Het merendeel van de indicatoren die voor dit PlanMER zijn geselecteerd, wordt beperkt beïnvloed door de voorgestelde ambities en bijhorende uitwerkingen in de Omgevingsvisie en Uitvoeringsstrategie. Een ander groot deel van de indicatoren wordt positief beïnvloed en slechts één indicator wordt naar verwachting negatief beïnvloed. Soms bevat de Omgevingsvisie geen beleid specifiek gericht op een indicator, zoals voor bodemkwaliteit of ondergronds ruimtegebruik. Het groot aantal ‘beperkt’ beoordelingen heeft veelal te maken met het bestaan van een evenwicht tussen enerzijds beleidsuitspraken met een negatieve invloed op een indicator en anderzijds beleidsuitspraken met een positieve invloed op een indicator. De inbreidingsopgave van Edam-Volendam en tevens de uitbreiding met de ontwikkeling van bedrijventerrein De Purmer leidt naar verwachting bijvoorbeeld tot extra verharding en daarbij tot meer druk op klimaat gerelateerde indicatoren zoal droogte, hittestress en wateroverlast in voornamelijk de stedelijke gebieden. Daarentegen voorziet de Omgevingsvisie
85/94
Kenmerk
R001-1289677LEE-V01-mdg-NL
in maatregelen die de beoordeling van deze indicatoren juist ten goede komt; zo biedt de transformatie van de Julianaweg juist kans om een klimaatadaptieve inrichting te bewerkstelligen. De Omgevingsvisie en bijbehorende Uitvoeringsstrategie kennen op veel thema’s beleid dat het effect heeft de referentiesituatie te beschermen of juist te verbeteren. Dit zal uiteindelijk verder doorwerking krijgen in (Omgevings-) programma’s en het Omgevingsplan.
9.2
Conclusie synergie en strijdigheden tussen ambities
In de Omgevingsvisie streeft de gemeente er naar de fysieke leefomgeving integraal te bezien. De opgaven zijn daarom in samenhang ontwikkeld. In hoofdstuk 4 zijn de verschillende kernopgaven tegenover elkaar gezet. Uit de analyse blijkt dat er zowel kansen voor synergie als strijdigheden zijn. Zo draagt het uitbreiden van de hoofdgroenstructuur enerzijds bij aan een toekomstbestendige leefomgeving en anderzijds aan een veilige uitstraling van de leefomgeving. Daarnaast stimuleert het de beweging van inwoners en vergroot het de biodiversiteit. Op deze wijze zijn allerlei opgaven met elkaar verbonden. Deze nauwe samenhang resulteert echter ook in strijdigheden tussen de verschillende opgaven. Zo dragen nieuwe verbindingen bij aan het verbeteren van de doorstroming en de toegankelijkheid van het buitengebied, maar resulteren zij tegelijkertijd in meer verharding en een hogere druk op groen- en natuurgebieden door een toenemend aantal bezoekers. Een ander knelpunt is het toenemende aantal claims op de ondergrond en bovengrond, onder andere als gevolg van klimaatverandering en de energietransitie. Dit vraagt een goede planning en afstemming over de ondergrondse en bovengrondse ruimte. Duidelijk is dat de verschillende opgaven nauw met elkaar samen hangen en vragen om een integrale aanpak met slimme combinaties en innovaties.
Het afwegingskader dat in de Omgevingsvisie wordt geïntroduceerd geeft in de basis al een invulling aan het zorgvuldig afwegen van grote opgaven en het in balans brengen van de verschillende ambities. De principes die de gemeente hanteert zijn: combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies, identiteit en kenmerken staan centraal en afwentelen wordt voorkomen. Veel zal echter afhangen van de wijze waarop het Omgevingsvisie beleid wordt uitgewerkt in programma’s en het Omgevingsplan.
9.3
Conclusie doelbereik
De Omgevingsvisie van Edam-Volendam kent verschillende ambities, onderverdeeld binnen zes kernopgaven. Aangezien de beoordeling van de verschillende sub ambities binnen de kernopgaven sterk uiteen kunnen lopen, kan één grafiek die een overzicht geeft van de beoordeling per kernopgave een vertekend beeld geven. In plaats daarvan is in hoofdstuk 7 een beschrijving gegeven van hoe de sub ambities scoren binnen de kernopgaven. De ambities binnen de opgaven ‘Mobiliteit’ en ‘Waterfront’ scoren redelijk goed qua doelbereik. De opgaven 'Warmte energie & klimaat', 'Landelijk gebied & landschap' en 'Werklocaties' scoren redelijk, maar hebben wel te maken met een grote bandbreedte aan onzekerheid. De opgave ‘Wonen’ kent naar verwachting een lager doelbereik dan de eerdergenoemde opgaven. Bij ambities gericht op onder andere de natuur en bij transformatieopgaven zoals die van De Julianaweg blijft de gemeente ook grotendeels afhankelijk van andere partijen, zoals de Provincie, besluiten van het Rijk,
86/94
Kenmerk
R001-1289677LEE-V01-mdg-NL
woningcorporaties, private ontwikkelaars en particulieren. Dit geldt bijvoorbeeld in het geval van het beperken van wateroverlast, hittestress, droogte en de inzet op energiebesparing. Of er wordt ingezet op duurzame energie is bijvoorbeeld sterk afhankelijk van de wil en (financiële) mogelijkheden van ondernemers, particuliere woningeigenaren, woningcorporaties en private projectontwikkelaars. Zij zullen uiteindelijk besluiten of ze hun gebouw of woning aanpassen of anders bouwen om het energiegebruik te verminderen, zoals beter isoleren. Al met al geldt dat voor een groot deel van de sub ambities dat er op zijn minst een redelijke kans is dat deze worden behaald.
9.4
Mitigerende maatregelen en aanbevelingen
Mitigerende maatregelen zijn maatregelen om belangrijke nadelige gevolgen op het milieu van de activiteit te voorkomen, te beperken of zoveel mogelijk teniet te doen. Bij mitigerende maatregelen kan het gaan om nadere randvoorwaarden of aanbevelingen voor de Omgevingsvisie zelf en verdere beleidsuitwerkingen. 9.4.1
Aanbevelingen Omgevingsvisie
Gedurende het opstellen van het PlanMER is er op verschillende momenten in het proces interactie geweest met de Omgevingsvisie om deze aan te scherpen op basis van de uitkomsten van het PlanMER. Zo zijn er op basis van de effectbeoordeling en het doelbereik concrete aanbevelingen gedaan om de Omgevingsvisie aan te scherpen. Daarbij lag de focus op het concretiseren van sub ambities of het uitwerken van voorgenomen maatregelen. Voorbeelden van geadviseerde concretiseringen zijn de termen ‘nabij’ in de ambitie ‘Voorzieningen nabij’ en de term ‘sociale veiligheid’ in de ambitie ‘sociaal verbonden en veilig’. Daarnaast is geadviseerd te concretiseren wat de gemeente verstaat onder het opstellen van een integraal natuurplan. Op welke wijzen worden de waarden in het natuurplan op elkaar afgestemd en wanneer is er sprake van een balans? Dit geldt eveneens voor de balans aan het Waterfront tussen wonen, ondernemen, recreatie, toerisme en natuur. Wanneer is deze balans volgens de gemeente optimaal en op welke van de thema’s legt zij haar focus? Eveneens is een verdere concretisering van de ambitie om toekomstbestendige woon- en werkgebieden te creëren aanbevolen.
Wanneer is een gebied volgens de gemeente toonaangevend klimaatbestendig en natuurinclusief? Naast de adviezen op het gebied van concretisering van sub ambities en maatregelen is gekeken naar de mate van doelbereik van de verschillende opgaven. Daaruit blijkt dat de gemeente voor verschillende ambities afhankelijk is van de inzet van inwoners, bedrijven en andere grondeigenaren binnen de gemeente. De Omgevingsvisie maakt niet altijd duidelijk welke rol de gemeente hierin kiest en welke sturingsmogelijkheden zij wil inzetten. Aanbevolen wordt om in beeld te brengen hoe de gemeente inwoners en andere partijen betrekt bij de vergroeningsopgave van de gemeente en hoe zij de samenleving betrekt bij het in gang zetten van de energietransitie, het verduurzamen van het vastgoed en de ambities op het gebied van circulariteit. Gedurende het proces heeft de gemeente enkele aanbevelingen doorgevoerd in de Omgevingsvisie. Een groot deel van de aanbevelingen wordt echter meegenomen in de verdere uitwerking van de Omgevingsvisie in programma’s en plannen.
87/94
Kenmerk
9.4.2
R001-1289677LEE-V01-mdg-NL
Aanbevelingen verdere uitwerking Omgevingsvisie
Naast directe aanbevelingen voor de Omgevingsvisie beschrijft het PlanMER aanbevelingen voor de verdere uitwerking van de Omgevingsvisie. De aanbevelingen dragen bij aan het daadwerkelijk behalen van de gestelde ambities. Aanbevolen wordt om in lijn met de zes opgaven uit de Uitvoeringsstrategie zes programma’s op te stellen onder de Omgevingsvisie. In onderstaande tabel worden per opgave aanbevelingen beschreven voor de programma’s. Tabel 9.1 Aanbevelingen uitwerking Omgevingsvisie Kern opgaven
Aanbevelingen voor de verdere uitwerking
Wonen
Aanbevolen wordt om de ambities voor de opgave wonen verder uit te werken in een omgevingsprogramma Wonen. In dit programma zullen de eisen die gesteld worden aan nieuwbouw verder geconcretiseerd moeten worden. Daarnaast wordt aanbevolen om de verduurzaming van de bestaande woningvoorraad verder te definiëren en te concretiseren. Daarbij is het van belang dat er zowel bij de ontwikkeling van binnen- als buitenstedelijke woningbouwlocaties aandacht is voor eventuele negatieve effecten op biodiversiteit. Hoewel de gemeente een sturende rol heeft in het aanwijzen van bouwlocaties wordt daarnaast aanbevolen om de daadwerkelijke invloed van woningcoöperaties en grond- en vastgoedeigenaren op de voorgenomen ontwikkelingen in kaart te brengen. Evenals de mogelijke instrumenten waarmee de gemeente invloed kan uitoefenen op de verschillende partijen. In het programma zal eveneens aandacht besteed moeten worden aan het voorzieningenniveau in de gemeente. Aanbevolen wordt om te concretiseren voor welk type nieuwe initiatieven de gemeente open staat en hoe zij initiatiefnemers uit de maatschappij en ondernemers stimuleert om initiatieven in te dienen.
Daarnaast wordt aanbevolen de uitwerking van de ambities gericht op levendige kernen en voorzieningen gezamenlijk op te pakken met de ambities die onder de opgave Landelijk gebied & Landschap zijn opgenomen, aangezien hier op het thema voorzieningen overlap plaatsvindt. Ten opzichte van de openbare ruimte wordt aanbevolen om in de herijking van het handboek inrichting openbare ruimte (HIOR) het begrip ‘klimaatadaptieve inrichting’ verder te definiëren. Ook wordt aanbevolen om in het programma aandacht te besteden aan de eventuele knelpunten die kunnen ontstaan tussen het enerzijds vergroten van de toegankelijkheid van natuur- en recreatiegebieden en het stimuleren van beweging en daarnaast de toenemende druk op deze natuur- en recreatiegebieden.
Warmte, Energie
Aanbevolen wordt de ambities voor de energietransitie verder te concretiseren in een
& Klimaat
programma Warmte, Energie & Klimaat. Aansluitend bij de aanbeveling voor het programma Wonen wordt aanbevolen de verduurzaming van de bestaande gebouwen verder te definiëren en te concretiseren op welke manier de gemeente dit gaat stimuleren. Wanneer de gemeente focust op het verhogen van de isolatiewaarde van gebouwen is het van belang om daarbij ook te kijken naar de koeling van de gebouwen tijdens de zomer, om zo hittestress tegen te gaan. Ook is het van belang bij het isoleren van woningen aandacht te hebben voor natuurinclusiviteit. Verschillende soorten, waaronder vleermuizen, verblijven bijvoorbeeld graag in spouwmuren. Daarnaast wordt aanbevolen om in het onderzoek, dat binnen het opstellen van een routekaart voor energietransitie plaatsvindt, eveneens onderzoek te doen
88/94
Kenmerk
R001-1289677LEE-V01-mdg-NL
Kern opgaven
Aanbevelingen voor de verdere uitwerking naar de ruimtelijke impact van de onderzochte alternatieven en in beeld te brengen hoe deze alternatieven zich verhouden tot de andere opgaven in de gemeente, zowel boden als onder de grond. Daarnaast wordt aanbevolen om in het programma aandacht te besteden aan de wijze waarop gebouweigenaren en bedrijven betrokken worden bij de transitie en welke instrumenten de gemeente hiervoor in kan zetten. Aanvullend zou het goed zijn om in het programma aandacht te besteden aan de betaalbaarheid van de transitie en de manier waarop de gemeente omgaat met energiearmoede. Aanbevolen wordt het thema circulariteit verder uit te werken in het omgevingsprogramma en de bijbehorende routekaart welke de gemeente voornemens is om op te stellen. Aanbevolen wordt om de ruimtelijke claim en impact van de transitie naar een circulaire economie beter in beeld te brengen en te onderzoeken hoe dit zich verhoudt tot andere ambities binnen de gemeente. Het uitvoeren van een grondstofstromenanalyse of het ontwikkelen van materialenpaspoorten kan bijvoorbeeld meer inzicht geven in de belangrijkste grondstofstromen en afvalstromen. Daarnaast wordt aanbevolen om te onderzoeken aan welke voorwaarden gebouwen moeten voldoen om circulair te zijn en op welke wijze de gemeente hier invloed op uit kan oefenen.
In relatie tot de thema’s biodiversiteit en klimaatadaptatie wordt aanbevolen om de wijze waarop de gemeente inwoners en andere partijen gaat stimuleren nader uit te werken. Een aanbeveling is om de mogelijkheden juridische afdwingbaarheid hiervan in het Omgevingsplan te onderzoeken. Ook kan gekeken worden naar subsidiemogelijkheden voor vergroening. Ook wordt aanbevolen het begrip natuurinclusief nader te definiëren en inzichtelijk te maken welke voorwaarden de gemeente hieraan stelt. De maatlat klimaatadaptieve nieuwbouw die momenteel ontwikkeld wordt, kan mogelijk toegepast worden als geschikt beoordelingskader voor natuurinclusief bouwen.
Op dit moment wordt ook nationaal en provinciaal beleid gevormd op het gebied van Water en bodem sturend13. Nog niet duidelijk is wat dit precies betekent voor de gemeente EdamVolendam, maar mogelijk heeft dit consequenties voor het grondwaterpeil in veenweidegebied en de voorwaarden waaronder gebouwd mag worden. Bij de verdere uitwerking zal dit beleid betrokken moeten worden. Landelijk gebied
Aanbevolen wordt de doelstelling ‘voldoende voorzieningen en woningen’ te concretiseren
& Landschap
in een programma Landelijk gebied & Landschap. Eveneens zal het programma meer inzicht moeten geven in de mogelijkheden voor woningsplitsing en zal het de lokale kwalitatieve en kwantitatieve woonbehoefte verder moeten definiëren. Daarnaast wordt aanbevolen bij het realiseren van nieuwe wandel- en fietsverbindingen de thema’s landschap en natuur vroegtijdig mee te nemen in het planproces. Op deze manier kunnen vooraf verstorende effecten en potentie op het gebied van biodiversiteit bepaald worden. Dit geldt eveneens voor alle maatregelen die gericht zijn op het creëren van extra ruimte voor recreatie in het landelijk gebied. Aanbevolen wordt om het begrip ‘stille recreatie’ nader uit te werken in het programma en/ of Omgevingsplan. Tenslotte wordt aanbevolen om het integraal natuurplan, dat de gemeente voornemens is om op te stellen, nader te concretiseren en invulling te
13
https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2022/11/25/water-en-bodem-sturend
89/94
Kenmerk
R001-1289677LEE-V01-mdg-NL
Kern opgaven
Aanbevelingen voor de verdere uitwerking geven. Aanbevolen wordt om te concretiseren hoe de thema’s landschap, biodiversiteit, klimaatadaptatie, recreatie en cultuurhistorie op elkaar afgestemd worden en op basis waarvan keuzes gemaakt worden.
Werklocaties
Voor de opgave Werklocaties wordt aanbevolen het begrip toekomstbestendige werklocaties verder te definiëren in een omgevingsprogramma en het ontwikkelplan dat de gemeente voornemens is op te stellen. Hoe wordt de leefbaarheid op werklocaties vergroot en wanneer is een woon- werkgebied toonaangevend klimaatbestendig en natuurinclusief? De uitwerking van de ruimtelijke ontwikkelkaders moet hier richting aan gaan geven. Daarnaast wordt aanbevolen in het ontwikkelplan stil te staan bij de wijze waarop bedrijven en grondeigenaren betrokken worden bij deze transitie en zij gestimuleerd worden stappen te zetten. Aanbevolen wordt in het ontwikkelplan eveneens aandacht te besteden aan de mogelijkheden voor het verplaatsen van zware bedrijvigheid en het meervoudig benutten van locaties die op dit moment enkelvoudig en extensief worden benut. Daarnaast wordt aanbevolen om de combinatie van wonen en werken nader uit te werken en inzichtelijk te maken op welke locaties deze combinatie mogelijk wordt gemaakt. Ook wordt aanbevolen in het programma nadere invulling te geven aan de samenwerking tussen de gemeente, het onderwijs en het bedrijfsleven. Tenslotte zijn voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein De Purmer in paragraaf 9.4.3 gebiedsgerichte aanbevelingen opgenomen.
Mobiliteit
Aanbevolen wordt in een omgevingsprogramma Mobiliteit het STOMP-principe nader uit te werken en de aanpak toegankelijkheid openbare ruimte verder te concretiseren. Eveneens wordt aanbevolen om in de laadvisie, welke de gemeente voornemens is op te stellen, aandacht te hebben voor de impact van de laadinfrastructuur op de openbare ruimte. Aanbevolen wordt om integraal naar de openbare ruimte te kijken. Daarnaast wordt aanbevolen de afhankelijkheden van verantwoordelijke dienstverleners en private partijen in beeld te brengen en inzichtelijk te maken welke sturingsmogelijkheden de gemeente heeft in het uitbreiden van de mobiliteitscapaciteit. Tenslotte wordt aanbevolen om in het programma meer inzicht geven in de mogelijkheden voor het gebruik van deelmobiliteit en de wijze waarop de gemeente dit aanbod verder gaat uitbreiden en de rol die zij daarin wil aannemen.
Waterfront
Aanbevolen wordt om in een omgevingsprogramma Waterfront en de leidraad voor de beeldkwaliteit van bebouwing langs het waterfront de balans tussen wonen, ondernemen, recreatie en toerisme en natuur te concretiseren. Wanneer is er volgens de gemeente sprake van een juiste balans? En wanneer heeft een thema meer aandacht nodig? De samenwerking tussen belanghebbenden wordt benoemd als basis voor het bewaken van deze balans. Aanbevolen wordt om deze samenwerking nader te definiëren en invulling te geven. De gebiedsspecifieke regels in het omgevingsplan, die de gemeente voornemens is om op te stellen, zullen hier ook meer richting aan moeten geven. Daarnaast wordt aanbevolen in het programma aandacht te besteden aan de aanwijzing van stiltegebieden en de rolverdeling tussen de gemeente en de provincie hierin. Ten aanzien van het innoveren van duurzaam (verblijfs-) toerisme wordt aanbevolen om nader uit te werken wat de gemeente hier onder verstaat en op welke wijze zij ondernemers hierin mee wil nemen. Het is daarbij van belang aandacht te hebben voor de mogelijke strijdigheden die kunnen ontstaan
90/94
Kenmerk
R001-1289677LEE-V01-mdg-NL
Kern opgaven
Aanbevelingen voor de verdere uitwerking tussen het enerzijds vergroten van de toegankelijkheid van natuur- en recreatiegebieden en daarnaast de toenemende druk op deze natuur- en recreatiegebieden. Ook hier is van belang de opgave integraal te bekijken.
9.4.3 Aanbevelingen De Purmer Op basis van locatieafweging in hoofdstuk 5 kan geconcludeerd worden dat de door de gemeente boogde locatie voor bedrijventerrein De Purmer in principe de meest geschikte plek is. Wel zijn er een aantal belangrijke randvoorwaarden en aanbevelingen te benoemen voor de ontwikkeling van De Purmer: •
•
De woningen langs de Oosterweg liggen binnen een zone van 300 meter rondom het nieuwe bedrijventerrein. Binnen deze zone kan hinder ondervonden worden van (industrie) lawaai. Doordat het niet waarschijnlijk is dat het gehele bedrijventerrein wordt benut door categorie4.2-bedrijven wordt geadviseerd om de delen aangrenzend aan de Oosterweg voor lagere categorieën te bestemmen De Oosterweg en de Edammerweg zijn op dit moment niet geschikt als ontsluitingswegen voor het nieuwe bedrijventerrein. De Edammerweg is waarschijnlijk ook niet nodig en wenselijk voor de ontsluiting van het terrein. Door deze weg af te sluiten wordt voorkomen dat geluidshinder ontstaat op woningen langs de Groot Westerbuiten. Geadviseerd wordt om
•
nader te onderzoeken of de Oosterweg nodig is als ontsluitingsweg en wat dit betekent voor het wegprofiel en de extra geluidsbelasting op aanliggende woningen De effecten van een nieuw stadion zijn nog onzeker. Op dit moment is nog niet met zekerheid te zeggen of en op welke wijze het stadion inpasbaar is in relatie tot het Natura 2000-gebied Polder Zeevang. Nader onderzoek naar onder andere de thema’s geluid en licht moet dit verder uitwijzen. Daarnaast heeft de verkeersaantrekkende werking mogelijk een negatief effect vanwege geluid en stikstofdepositie. Daartegenover staat dat overlast binnen de kern door de verplaatsing van het stadion vermindert. Naar verwachting verbetert de lichtsituatie en de verkeersveiligheid door het verplaatsen van het stadion
•
• •
Bij de verdere uitwerking van bedrijventerrein De Purmer moeten nog verschillende onderzoeken uitgevoerd worden. Dit betreft onder andere soortenonderzoek en de wijze waarop effecten op bijvoorbeeld de in het gebied aanwezige vleermuizen voorkomen kunnen worden. Ook zullen in die fase verdere stikstofdepositie onderzoeken uitgevoerd moeten worden op basis van meer volledige verkeersmodellen Daarnaast wordt geadviseerd om bij de inrichting van De Purmer rekening te houden met de uitstraling van licht naar de omgeving, dit geldt voor het gehele bedrijventerrein De Purmer ligt in een beneden NAP gelegen droogmakerij. Dit brengt een overstromingsrisico met zich mee. Bij de verdere inrichting van het gebied is het belang om hier rekening mee te houden. Dit mede gezien het nieuwe kabinetsbeleid om water en bodem sturend te maken bij ruimtelijke keuzes
91/94
Kenmerk
9.5
R001-1289677LEE-V01-mdg-NL
Conclusie Passende Beoordeling
Zoals beschreven in hoofdstuk 8.6 kunnen door de lange doorlooptijd en het hoge abstractieniveau van de visie mogelijke significante effecten op Natura 2000-gebieden binnen en rondom de gemeente Edam-Volendam op dit moment niet met zekerheid worden uitgesloten. Tegelijkertijd is ook niet op voorhand sprake van significant negatieve effecten of met zekerheid onuitvoerbare ontwikkelingen, omdat er zowel in de aanlegfase als gebruiksfase doorgaans mogelijkheden gevonden kunnen worden om negatieve effecten effectief te beperken of weg te nemen. Naast bronmaatregelen kan daarbij ook gedacht worden besteed aan zorgvuldige locatiekeuze en inpassing. Wanneer concretisering van keuzes plaatsvindt in bijvoorbeeld opvolgende programma’s en omgevingsplannen en er meer duidelijkheid is over de omvang van de verschillende ontwikkelingen, zal nader onderzoek nodig (kunnen) zijn naar effecten op Natura 2000-gebieden en de mogelijkheden om deze te beperken. Hierbij geldt met name dat de mate waarin verkeer wordt aangetrokken een aandachtspunt is.
92/94
Kenmerk
R001-1289677LEE-V01-mdg-NL
10 Leemten in kennis, evaluatie en monitoring van beleid 10.1
Leemten in kennis
De effectbeoordeling in dit PlanMER is kwalitatief van aard, gericht op kansen en risico’s en sluit aan bij het strategische en lange termijn karakter van de Omgevingsvisie. De visie is richtinggevend voor verdere uitwerking en doorwerking in programma´s of andere instrumenten. Voor dit PlanMER zijn de gedane aannames afdoende om een voldoende betrouwbaar beeld te verkrijgen van kansen op positieve effecten en risico’s op negatieve effecten op de leefomgeving op de langere termijnen. Op dit abstractieniveau is er dan ook geen sprake van leemtes in kennis of onzekerheden met betrekking tot de in dit PlanMER beschreven kansen en risico’s. Meer gedetailleerde effectbeoordeling, kwantificering daarvan en toetsing aan wettelijke kaders kan alleen plaatsvinden bij verdere uitwerking tot beleid op de kortere termijn in bijvoorbeeld programma’s. De effecten die zich uiteindelijk in de praktijk voor zullen doen, moeten op basis van monitoring en evaluatie in beeld worden gebracht.
10.2
Monitoring en evaluatie
Deze paragraaf benadrukt het belang van monitoring en evaluatie van de Omgevingsvisie en beschrijft hoe het PlanMER daar in kan ondersteunen. 10.2.1 Belang van monitoring en evaluatie Monitoring en evaluatie vormt een belangrijk onderdeel van de realisatie van de Omgevingsvisie. De lange looptijd van de Omgevingsvisie vraagt om regelmatige monitoring en evaluatie van de visie. Ook geeft de Omgevingsvisie veel ruimte aan partijen om initiatieven te ontplooien binnen de kaders van de visie. Monitoring en evaluatie is essentieel om te bepalen of de verschillende doelstellingen gedurende de looptijd van de visie nog kunnen worden bereikt en wat de effecten van het beleid zijn. Dit biedt bestuurders een basis om in de loop van de tijd, indien nodig, extra maatregelen te nemen. 10.2.2 Monitoring voor de Omgevingsvisie Voor het PlanMER is een beoordelingskader opgesteld. De indicatoren uit het beoordelingskader uit dit PlanMER kunnen dienen als eerste aanzet voor de monitoring van de Omgevingsvisie. Alle opgaven inclusief de belangrijkste sub ambities uit de Omgevingsvisie en Uitvoeringsstrategie zijn hiermee gedekt. De beoordeling in dit PlanMER van deze indicatoren (huidige situatie, autonome ontwikkeling en effectbeoordeling Omgevingsvisie) kan (deels) gezien worden als een soort ‘nulmeting’ en kan als basis dienen bij een eventuele monitoring aanpak.
Benadrukt wordt dat dit slechts een eerste aanzet zal zijn.
93/94
Kenmerk
10.2.3
R001-1289677LEE-V01-mdg-NL
Relatie met uitwerking verschillende programma’s
De beleidsuitwerkingen van de verschillende programma’s die genoemd worden in de Uitvoeringsstrategie zijn een cruciaal instrument om de doelstellingen voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving verder te concretiseren. Hierin zullende doelen, de realisatie met tijdspad en de monitoring concreter uitgewerkt worden. Relatie met het Omgevingsplan Het Omgevingsplan gaat na invoering van de Omgevingswet op een nieuwe manier alle regelgeving van de gemeente voor de fysieke leefomgeving structureren. Dit betekent dat de komende jaren de gemeentelijke bestemmingsplannen worden omgezet naar het Omgevingsplan. Op het moment van inwerkingtreding van de wet (voorzien 1 januari 2024) vormen de dan geldende bestemmingsplannen een Omgevingsplan van rechtswege. Geleidelijk zullen deze worden omgezet naar de vorm en vereisten van het Omgevingsplan. Dit gebeurt enerzijds door middel van een set van generieke, voor de gemeente als geheel geldende regels, en anderzijds door gebiedsspecifieke regels. Op het moment dat ook gebiedsspecifieke regels aan het Omgevingsplan worden toegevoegd kunnen hieraan ook de uit de Omgevingsvisie voortvloeiende gebiedsspecifieke aanbevelingen worden toegevoegd.
94/94
Kenmerk
R001-1289677LEE-V01-mdg-NL
Bijlage 1
Begrippen en afkortingen
Begrip/ afkorting
Betekenis
Autonome ontwikkeling
Verwachte situatie in de toekomst die optreedt zonder de veranderingen waar de Omgevingsvisie specifiek in voorziet. Alle met besluitvorming vastgesteld beleid, ontwikkelingen of projecten behoren tot de autonome ontwikkeling.
Beoordelingskader
Set indicatoren waarmee beoordeeld wordt a) in hoeverre met het beoogde beleid de vooraf gestelde doelen worden gehaald ('doelbereik') en b) wat de effecten van het beleid zijn op de leefomgeving.
Beleidsinstrument
Middel dat een overheid inzet om beleid uit te voeren, bijvoorbeeld: Omgevingsvisie, programma, omgevingsvergunning, subsidieregeling
Commissie voor de m.e.r.
Een bij wet ingestelde landelijke commissie van onafhankelijke milieudeskundigen. Zij adviseren het bevoegd gezag over de kwaliteit van de informatie in het milieueffectrapport en naar wens ook over reikwijdte en detailniveau van het milieueffectrapport.
Criterium
Wijze waarop wordt gemeten (hoort bij de vastgestelde indicator)
Effect (in PlanMER)
Concreet gevolg van beleid op de leefomgeving
Indicator
Belangrijk aspect binnen een thema om te meten.
KRW
Kaderrichtlijn Water
NRD
Notitie Reikwijdte en Detailniveau: notitie die beschrijft waar de m.e.r.-procedure wel en niet overgaat (‘reikwijdte’), welke aspecten in het PlanMER onderzocht gaan worden en met welke diepgang (‘detailniveau’).
Omgevingsvisie
Plan waarin de gemeente haar beleid voor de leefomgeving op lange termijn vastlegt.
Opgave(n)
In de Uitvoeringsstrategie 2022 geeft gemeente Edam-Volendam met zes opgaven invulling aan de koers van de (ontwerp) Omgevingsvisie. Dit zijn de opgaven Wonen, Warmte, energie & klimaat, Landelijk gebied & Landschap, Werklocaties, Mobiliteit en Waterfront
Plan-m.e.r.
M.e.r. staat voor ‘milieueffectrapportage’ en is de procedure waarbinnen een MER wordt opgesteld. De toevoeging ‘Plan’ wil zeggen dat het om een m.e.r. voor een plan gaat, zoals een Omgevingsvisie
PlanMER
MER staat voor ‘Milieueffectrapport’ en bevat de resultaten van het onderzoek naar de (milieu)effecten binnen een m.e.r. De toevoeging ‘Plan’ wil zeggen dat het om een MER voor een plan gaat, zoals een Omgevingsvisie.
Programma
Programma in de zin van de Omgevingswet waarin (lange termijn) beleidsdoelstellingen (wat gaan we doen?) worden vertaald naar (middellange termijn) concrete acties en interventies (hoe gaan we dat doen?).
WHO
Wereldgezondheidsorganisatie
Zienswijze
Reactie die een belanghebbende aan het bevoegd gezag kan sturen als reactie op de kennisgeving over een voornemen.
Kenmerk
R001-1289677LEE-V01-mdg-NL
Bijlage 2
Opgaven Uitvoeringsstrategie
Inventarisatie van beleid uit de Uitvoeringsstrategie van gemeente Edam-Volendam
Opgave
Sub-ambitie
Maatregel/ beleid
Gebied
Wonen*
Woningvoorraad en
Ontwikkelstrategie en transformatie
Kern Edam-Volendam
kwalitatief en
Julianaweg, 740 woningen
kwantitatief in evenwicht
‘Wonen in juiste woning’ campagne
Levendige kerngebieden
Museumhaven Edam realiseren
Kern Edam
door middel van gunstige havengelden Stimuleren van nieuwe initiatieven middels uitnodigingsplanologie ten behoeve van levendigheid en voorzieningenaanbod Herijking en toepassing Handboek Inrichting Openbare Ruimte (HIOR) Voorzieningen nabij
Realisatie Wijksteunpunten
Verspreid over gemeente
Nieuwe voorzieningen De Lange
Kern Edam-Volendam
Weeren (schoolgebouw, sporthal, buurtsuper. Nieuwe voorzieningen Julianaweg. Verademend groen
Lokaal en regionaal ontwikkelen en
Landelijk gebied
verbinden hoofdgroenstructuur Uitbreiding gemeentelijk
Kern Edam-Volendam
bomenareaal met minimaal 20% Edam-Volendam in
Realisatie sportieve buitenruimten
beweging
Recreatieve netwerken (wandel,
Landelijk gebied en
fiets, water) verbinden
Kern Edam-Volendam
Sociaal verbonden en
Instandhouding plek van
Kernen
veilig
samenkomst per kern Investeren in samenwerkingsverband voor sociale veiligheid binnen programma
Warmte, Energie & Klimaat**
Afvalvrij in 2050
Minimaal 20% houtbouw bij nieuwe woningbouwprojecten Verplaatsing en vernieuwing afvalinzameling/ gemeentewerven Routekaart circulaire economie
Kern Edam-Volendam
Kenmerk
R001-1289677LEE-V01-mdg-NL
Opgave
Sub-ambitie
Maatregel/ beleid
Gebied
“Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen maken we richting 2050 in toenemende mate circulair en stemmen we af op een circulaire economie.” Energieneutraal in 2050
De ‘startwijken’ Oosthuizen-Noord,
Kernen en dorpen
Oosthuizen-Zuid, Kwadijk en Volendam Middengebied afsluiten van aardgas en voorzien van alternatieve warmtebron Uitwerken routekaart voor de ambitie energieneutraal in 2050 Gemeentebreed onderzoek naar duurzame energie, waaronder een verkenning naar toepassing windturbines langs de A7 of op een industrieterrein Biodiversiteit stimuleren
Ecologisch verdichten door
Kernen en dorpen
toepassen natuurvriendelijke oevers, ecologisch maaibeheer en andere bevorderende maatregelen Onderzoek natuur inclusief bouwen
Kernen en dorpen
Landelijk gebied
Voldoende
Herbestemming voormalig
Landelijk gebied/
& Landschap
voorzieningen en
gemeentehuis, herinrichting
Oosthuizen
woningen
Centrumplein en uitbreiding openbare basisschool De Koningsspil Oosthuizen Perspectief woningbouw en
Landelijk gebied
onderzoek naar woningsplitsing Verkeersveiligheid
Realisatie nieuwe wandel- en
vergroten
fietsverbindingen Middels verkeersmaatregelen zwaar verkeer zo veel mogelijk weren uit dorpslinten
Duurzaam behoud van
Aanstelling van een agrarisch
veenweidegebieden
bedrijfscontactfunctionaris bij de gemeente en de inrichting van een 'samenwerkingsverband Landelijk gebied en Landschap'
Landelijk gebied
Landelijk gebied
Kenmerk
R001-1289677LEE-V01-mdg-NL
Opgave
Sub-ambitie
Maatregel/ beleid
Gebied
Ruimte voor recreatie in
Waterverbindingen doorlopend
Landelijk gebied
het landelijk gebied
maken: aanpak blauwe structuur IJe ten behoeve van recreatie, waterkwaliteit en ecologie Verkeersmaatregel op routes in
Landelijk gebied
kwetsbare gebieden (weren/ verminderen van gemotoriseerd verkeer zonder eindbestemming) Positieve effecten op
Ontwikkeling integraal natuurplan
natuur bevorderen
binnen samenwerkingsverband Ontwikkeling natuurgebied De
Kern Edam-Volendam en
Lange Weeren: schakel tussen
Landelijk gebied
Waterlandse landschap en hoofdgroenstructuren stedelijk gebied Werklocaties***
Realisatie nieuwe
Ontwikkeling bedrijventerrein in De
ontwikkelmogelijkheden
Purmer Revitalisering industrie- en bedrijventerreinen Edam en Oosthuizen Aanleg glasvezel
Transformatie naar
Ontwikkeling en transformatie
toekomstbestendige
bedrijventerrein Julianaweg
woon-werkgebieden
Ontwikkeling van 'Werk lokaal!' –
Kernen Edam-Volendam
Kernen Edam-Volendam
voorzieningen: werkplekken dicht bij huis Juiste bedrijven op de
Zware bedrijvigheid verplaatsen uit
juiste plek
de kernen
Onderwijs dat aansluit
Onderzoek naar toevoegen
op profilering van lokale
onderwijs- en sport voorzieningen
Kernen Edam-Volendam
werkgelegenheid Mobiliteit
Transitie van onze
Verkennen mogelijkheden waterstof
mobiliteit
en opschalen laadinfrastructuur voor fiets en auto Gemotoriseerd verkeer naar randen centrumgebieden Aanpak toegankelijkheid openbare ruimte rondom voorzieningen/ instellingen voor kwetsbare doelgroepen ('drempels wegnemen')
Kernen Edam-Volendam
Kenmerk
R001-1289677LEE-V01-mdg-NL
Opgave
Sub-ambitie
Maatregel/ beleid
Meegroeien met de
Tweejaarlijks top tien knelpunten
ontwikkeling van onze
inzichtelijk maken en aanpakken
gemeente
(doorstroming / veiligheid)
Gebied
Doorlopend regionaal (snel)fietsnetwerk: waaronder verbeteren en de aanleg van oost-west gerichte (snel)fietsverbindingen richting Purmerend Fietsstraten inrichten en voorzieningen voor de fiets toevoegen Bereikbaarheid van regionale OVverbindingen verbeteren: waaronder verbetering busstation Edam Onderzoek naar een extra elektrisch busstation in Volendam Aansluiten op en faciliteren van (regionaal) netwerk deelhubs Regionale samenwerking ten behoeve van uitbreiding busverbindingen en doorstroming N247 Waterfront
Gebruik van het
Kaders om de horizon van het
waterfront in balans
landschap en Markermeer te beschermen: geluidsnormen, bescherming monumenten, kaders energietransitie in relatie tot balans met openheid van landschap Aanwijzing stiltegebieden Stimuleren stille vormen van recreatie (wandelen, fietsen, watersport)
Cultuur, identiteit en
Realiseren van (beeldende) kunst in
aanzicht van het
de openbare ruimte
waterfront borgen
Herkenbaar en beleefbaar maken van het verzonken dorp bij Etersheim
Waterfront verbinden
Langs het gehele Waterfront wandel- en fietsroutes verbeteren en verbinden
Markermeer
Kenmerk
R001-1289677LEE-V01-mdg-NL
Opgave
Sub-ambitie
Maatregel/ beleid Uitbreiden van het aanbod van verschillende recreatieve mobiliteitsknooppunten (parkeerterrein als vertrekpunt om het gebied in te wandelen of te fietsen) Toegankelijkheid havens in stand houden
*Maatregel 1 en 2 in de Uitvoeringsstrategie zijn autonome ontwikkelingen **Maatregel 9 in de Uitvoeringsstrategie is een autonome ontwikkeling ***Maatregel 7 in de Uitvoeringsstrategie is een autonome ontwikkeling
Gebied