Beantwoording individuele inlichtingenrecht
Tekst van het document
1. Deelt u de opvatting dat het individuele inlichtingenrecht van een raadslid kan worden beperkt zonder expliciete toetsing aan artikel 169 lid 3 Gemeentewet? U verzoekt op grond van artikel 180, tweede lid, van de Gemeentewet om nadere duidelijkheid over de reikwijdte van het individuele inlichtingenrecht, naar aanleiding van de bespreking in het presidium over de beantwoording van uw schriftelijke vragen. Artikel 169, derde lid, van de Gemeentewet bepaalt dat het college de door een of meer raadsleden gevraagde inlichtingen verstrekt, tenzij het verstrekken daarvan in strijd is met het openbaar belang. De wetgever heeft het begrip ‘openbaar belang’ niet nader gedefinieerd, waardoor het college gehouden is dit per geval te wegen. Het college is van oordeel dat het waarborgen van een veilige en gezonde werkomgeving voor medewerkers, mede voortvloeiend uit de verplichtingen als werkgever onder meer de Arbowet, onderdeel kan uitmaken van het openbaar belang. In dat licht kan beantwoording van vragen die herleidbaar zijn tot individuele medewerkers achterwege blijven wanneer dit de privacy of de veiligheid van medewerkers raakt. Daarbij is naar het oordeel van het college geen sprake van een algemene beperking van het individuele inlichtingenrecht.
Het college ziet uitsluitend af van beantwoording van vragen voor zover deze herleidbaar zijn tot individuele medewerkers en daarmee raken aan privacybescherming en de zorgplicht als werkgever. In het presidium is aangeboden om, in overleg met de griffier, te bezien of herformulering van de vragen mogelijk is zodat deze niet herleidbaar zijn tot individuele medewerkers. Tevens is aangeboden dat, indien vragen raken aan de werkgeversrol, hierover desgewenst een toelichtend gesprek kan plaatsvinden met de gemeentesecretaris. 2. Op welke wettelijke grondslag kan het weigeren van beantwoording van beleidsmatige en organisatorische vragen worden gebaseerd, indien geen beroep wordt gedaan op ‘strijd met het openbaar belang’ als bedoeld in artikel 169 lid 3 Gemeentewet? Wij verwijzen u hiervoor naar de beantwoording onder vraag 1. 3. Welk bestuursorgaan is volgens u bevoegd om een dergelijke beperking te stellen: het presidium, de griffie, het college of de burgemeester? Wij verwijzen u hiervoor naar de beantwoording onder vraag 1. 4.
Hoe ziet u uw rol als voorzitter van de raad en bewaker van een goede gang van zaken (artikel 180 lid 2 Gemeentewet) in situaties waarin onduidelijkheid bestaat over de reikwijdte van het individuele inlichtingenrecht van raadsleden? De voorzitter van de raad faciliteert het gesprek over de reikwijdte van het individuele inlichtingenrecht, bijvoorbeeld door dit onderwerp te laten agenderen en te bespreken in het presidium.