Zienswijzenrapport
Tekst van het document
NOTA VAN ZIENSWIJZEN EN AMBTSHALVE WIJZIGINGEN ontwerpbestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’ (NL.IMRO.1711.BP20220087-OW01) ANONIEM
HOOFDSTUK 1. INLEIDING A. Procedure Het ontwerpbestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’ heeft op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening met ingang van 16 juni 2023 gedurende zes weken (tot en met 27 juli 2023) ter inzage gelegen op het gemeentehuis aan de Nieuwe Markt 55 te Echt. Het ontwerpbestemmingsplan is tevens beschikbaar gesteld via www.ruimtelijkeplannen.nl . Binnen deze termijn heeft iedereen de mogelijkheid gehad om schriftelijke en/of mondeling zienswijzen in te dienen bij de gemeenteraad van Echt-Susteren. Er zijn 2 zienswijzen ontvangen. De zienswijzen zijn binnen de daartoe voorgeschreven termijn ingediend en derhalve ontvankelijk. B. Leeswijzer In hoofdstuk 2 worden de zienswijzen samengevat. Per zienswijze wordt een gemeentelijk standpunt geformuleerd en is een overzicht opgenomen van de aanpassingen die in het bestemmingsplan worden doorgevoerd naar aanleiding van de ingediende zienswijze. De samenvatting van de zienswijze heeft overigens alleen tot doel de leesbaarheid van deze notitie te vergroten. Bij de beoordeling van de zienswijze is de volledige brief, zoals deze bij de gemeente is ingediend en kenbaar gemaakt, meegenomen. Daarnaast is het noodzakelijk om een aantal ambtshalve wijzigingen door te voeren op het ontwerpplan. In hoofdstuk 3 is een overzicht opgenomen van deze wijzigingen.
1
HOOFDSTUK 2. SAMENVATTING ZIENSWIJZEN EN GEMEENTELIJK STANDPUNT Zienswijze 1
Samenvatting zienswijze Het ontwerpplan geeft geen blijk van een goede ruimtelijke ordening, omdat reclamanten vrezen dat hun bedrijfsvoering en uitbreidingsmogelijkheden door dit bestemmingsplan aanzienlijk zullen worden beperkt. Hier worden de navolgende gronden voor aangevoerd.
Ladder duurzame verstedelijking 1.
Reclamanten In de plantoelichting en de bijlage Ladderonderbouwing van Bureau Stedelijke Planning d.d. 1 augustus 2022 wordt de varkenshouderij niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling beschouwd. Dit bevreemdt reclamanten, omdat ook het bezoekende publiek de mogelijkheid wordt geboden om op de ‘boerderij’ de vrije uitloop en weidegang van de varkens te ervaren. De ‘boerderij’ heeft aldus ook een educatieve/recreatieve functie. Daarom had ook dit programmaonderdeel aangemerkt moeten worden als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Ten onrechte is op dit onderdeel artikel 3.6.1 lid 2 Bro niet van toepassing verklaard. Standpunt gemeente In artikel 1.1.1 lid 1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is een stedelijke ontwikkeling als volgt gedefinieerd: ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.’
Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt onder andere bepaald door de aard van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Op de boerderij worden Livar varkens gefokt en opgefokt. In de basis is er dus sprake van een varkenshouderij/agrarische activiteit. Een varkenshouderij/agrarische activiteit is naar zijn aard niet stedelijk en valt derhalve niet te kwalificeren als ‘andere stedelijke voorziening’ zoals bedoeld in artikel 1.1.1. lid 1 van het Bro. Het feit dat een bezoeker de vrije uitloop en weidegang van de varkens ter plaatse kan ervaren, leidt er niet toe dat de aard van de varkenshouderij aangemerkt moet worden als een stedelijke ontwikkeling. Het uitgangspunt bij de boerderij is immers dat er sprake is van het fokken en opfokken van varkens. Het bezoekerscentrum is daarentegen wel een stedelijke ontwikkeling en maakt daarom wel onderdeel uit van het ladderonderzoek. 2.
Reclamanten Reclamanten zetten verder vraagtekens bij de geuite behoefte van deze ruimtelijke ontwikkeling met (bij start) 10.000 bezoekers per jaar met een doorgroei naar 15.000 bezoekers per jaar. Het is volstrekt onduidelijk hoe tot deze bezoekersaantallen wordt gekomen. Tevens lijkt dit haaks te staan op opmerkingen in de plantoelichting dat met name wordt gemikt op vakgenoten en potentiële klanten en niet zo zeer consumenten. De kwantitatieve behoefte als voornoemd is hiermee niet aangetoond en derhalve is sprake van strijdigheid met artikel 3.6.1 lid 2 Bro. Standpunt gemeente Uit hoofdstuk 1 van het ‘Onderzoek ladder voor duurzame verstedelijking’ (bijlage 1 toelichting) volgt dat het Livar Experience Centre een uniek concept is. Dit betekent dat er geen vergelijkbaar initiatief is op basis waarvan de bezoekersaantallen gebaseerd kunnen worden. Om het aantal bezoekers te kunnen bepalen/inschatten is daarom gebruik gemaakt van min of meer vergelijkbare concepten zoals Bierbrouwerij Gulpener (circa 10.700 bezoekers per jaar), Kaashuis Woerden (circa 3.000 bezoekers per jaar en nog groeiende) en het De Ruiter Experience Centre (circa 2.000 bezoekers per jaar en nog groeiende). Daarnaast geldt dat het kleinschalige en verantwoorde Livar concept ook in het bezoekerscentrum tot uitdrukking moet komen. Met andere woorden: het
2
ontvangen van een zeer grote bezoekstroom is niet gewenst. Het project voorziet daar ook qua grootte van de diverse projectonderdelen niet in. Er wordt verder inderdaad met name gemikt op vakgenoten en potentiële klanten en niet zo zeer op consumenten. Uit hoofdstuk 3 van het ‘Onderzoek ladder voor duurzame verstedelijking’ (bijlage 1 toelichting) volgt dat een belangrijk deel van de vraag wordt gevormd door professionals en andere studie gerelateerde doelgroepen zoals boeren, slagers, winkeliers, horecapersoneel en studenten. Deze groep bezoekt zeer doelgericht het concept en is afkomstig uit een heel groot deel van Nederland en daarbuiten. Slechts een beperkt deel van de bezoekers zal als consument het centrum bezoeken. De professionals zullen bij afwezigheid van het Livar Experience Centre niet direct voor een ander locatiebezoek kiezen. Voor deze groep genereert het concept dus duidelijk een eigen (latente) behoefte, die 100% gekoppeld is aan het product Livar varken en het geboden totaalconcept. Dit in tegenstelling tot de consumentbezoeker die het bezoek aan het Livar Experiende Centre wel afweegt tegen andere dagactiviteiten. 3.
Reclamanten Reclamanten wijzen op artikel 2.2.3 ‘Herbenutting leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen’ van de POL2014. Op pagina 33 van de plantoelichting wordt louter gewezen op de verbondenheid van het op te richten Livar Experience Centre met de Abdij Lilbosch en dat daarom in de nabijheid van de Abdij Lilbosch naar een geschikte ontwikkellocatie is gezocht. Hierbij is gebleken dat géén monumentale ofwel beeldbepalende panden beschikbaar zijn om voornoemde functies en het hiervoor benodigde ruimtebeslag in te passen. Onduidelijk is echter binnen welk zoekgebied de mogelijkheden zijn onderzocht om de ruimtelijke ontwikkeling te realiseren bij leegstaande monumentale dan wel beeldbepalende gebouwen. Er wordt dus niet voldaan aan artikel 2.2.3. lid 3 van de POL2014. Standpunt gemeente De vraag binnen welk gebied naar leegstaande monumenten of beeldbepalende gebouwen gezocht moet worden, wordt bepaald door de functie van het gebouw en het verzorgingsgebied. In beginsel is het voldoende dat binnen de eigen gemeentegrens naar eventuele mogelijkheden wordt gezocht. Dit volgt uit de toelichting op dit artikel in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Zoals in paragraaf 2.2.1 en 2.2.4 van de toelichting nader onderbouwd bestaat er een relatie tussen Abdij Lilbosch en het Livar Experience Centre (LEC) aan de Zandweg 10.
Met de realisatie van het LEC wordt er naar gestreefd dat een bezoeker kan ervaren hoe een Livar varken groot wordt gebracht. Dit vraagt allereerst om een locatie nabij de Abdij, zodat bijvoorbeeld via een wandeling langs de Pepinusbeek/de landerijen van de Abdij, toch de Abdij, als oorsprong van het Livar varken, aanschouwd kan worden. Verder dient er sprake te zijn van een zelfde soort landschap en verbouwing van gewassen als rondom de Abdij. De Livar varkens worden immers niet alleen op de Livar boerderij van de Abdij gehouden, maar hebben ook hun buitenverblijf in de weiden rondom de Abdij. Daarnaast wordt een groot gedeelte van de Limburgse granen, die gebruikt worden als voer voor de varkens op de landerijen, rondom de Abdij geteeld. De locatie aan de Zandweg 10 grenst aan deze landerijen en ligt in hetzelfde landschap als de Abdij. Om voorgaande redenen is gezocht naar een geschikte locatie in de nabijheid van het Abdijcomplex. Op deze wijze kan bij ‘benadering’ de oorspronkelijke leefomgeving van het Livar varken ervaren worden. Zowel het bezoekerscentrum als het vleesatelier zijn nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Artikel 2.2.3 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is daarmee van toepassing op deze twee onderdelen van het LEC. Qua functie zijn deze twee gebouwen volgend in relatie tot het agrarische onderdeel.
Het agrarische gedeelte leidt namelijk tot het kunnen ervaren van het leven en de leefomgeving van het Livar varken, zoals hiervoor omschreven. Het vleesatelier zit aan het einde van de levenscyclus van het Livar varken. Het bezoekerscentrum heeft de functie om informatie te kunnen geven over de totale levenscyclus van het Livar varken. Het agrarische gedeelte is daarmee de belangrijkste functie voor het bepalen van de locatie van het LEC. Het voorgaande in acht genomen leidt er toe dat het zoekgebied voor een geschikte locatie een gebied omvat met
3
een absolute afstand van +/- 2 km vanaf Abdij Lilbosch. Binnen dit gebied liggen geen monumentale/beeldbepalende panden. Landschappelijke inpassing POL2014 4. Reclamanten In de POL2014 heeft de locatie zowel de aanduiding ‘Buitengebied’ als ‘Zilvergroene natuurzone’. Onderhavige ruimtelijke ontwikkeling is volgens reclamanten niet passend binnen de aanduiding ‘Buitengebied’, omdat deze aanduiding staat voor het ontwikkelen van agrarische bedrijven en het terugdringen van milieubelastende activiteiten. Onderhavige ontwikkeling behelst namelijk naast een varkenshouderij met vrije uitloop een grootschalig bezoekerscentrum met horeca- en detailhandelsactiviteiten alsmede een bijeenkomstfunctie. Daarnaast behelst de ontwikkeling tevens een vleesatelier c.q. slachterij. Een slachterij die niet alleen ter plaatse gehouden dieren verwerkt doch tevens dieren van andere locaties. Dit zijn stedelijke/industriële hoofdfuncties die niet passen binnen voornoemde ‘Buitengebied’-aanduiding. Het is te kort door de bocht, in relatie tot het criterium van een goede ruimtelijke ordening, om te stellen dat deze twee stedelijke c.q. industriële functies toch inpasbaar zijn ter plaatse louter omdat ook sprake is van een varkenshouderij met vrije uitloop.
Standpunt gemeente Allereerst moet opgemerkt worden dat het POL2014, met de inwerking treding van de Provinciale Omgevingsvisie Limburg 2021, op 25 oktober 2021 is komen te vervallen. Vanuit beleidsoogpunt moet dus de Provinciale Omgevingsvisie Limburg 2021 als uitgangspunt gehanteerd worden. In tegenstelling tot het POL2014 zijn er in de Provinciale Omgevingsvisie Limburg 2021 geen zoneringen meer opgenomen. De Omgevingsvisie is een visie in tekst en bevat geen specifiek kaartmateriaal. De zoneringen zijn verder verankerd in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Op basis van de Omgevingsverordening ligt het bouwvlak voor ongeveer 60% in de zone ‘Buitengebied’ en voor 40% in de Zilvergroene natuurzone. Het is verder een onjuiste stelling van reclamant dat de twee stedelijke c.q. industriële functies louter inpasbaar zijn op basis van het provinciale beleid, omdat ook sprake is van een varkenshouderij met vrije uitloop. Dat de ontwikkeling passend is binnen de zonering ‘Buitengebied’ volgt uit de omschrijving van het provinciaal belang behorende bij het thema ‘Land- en tuinbouw’ van de Provinciale Omgevingsvisie Limburg 2021 in combinatie met het concept voor het Livar Experience Centre. In de Omgevingsverordening Limburg 2014 ligt het grootste gedeelte van de ontwikkeling binnen de zonering ‘Buitengebied’.
Zoals hiervoor onder het kopje ‘Ladder duurzame verstedelijking’ nader toegelicht, is het agrarische gedeelte van het initiatief leidend en zijn de overige hoofdtakken van het Livar Experience Centre volgend. Gelet hierop is het initiatief in de basis een agrarische ontwikkeling. Daarmee valt het initiatief op basis van de Provinciale Omgevingsvisie Limburg 2021 te scharen onder de thematische visie ‘Land- en tuinbouw’. In paragraaf 3.2.3 van de plantoelichting is onderbouwd hoe het concept Livar Experience Centre, en dus de ontwikkeling, past binnen het provinciale belang ‘Land- en tuinbouw’. Dit betreft op hoofdlijnen: 1. Het Livar Experience Centre past binnen de gewenste landbouwtransitie. 2. Er sprake van hergebruik van bestaande bedrijfsbebouwing. 3. Er is sprake van het extensief houden van dieren overeenkomstig het Livar-concept. 4. De veehouderij wordt gecombineerd met een aantal neventakken. Daarmee is sprake van een versterkend verdienmodel voor de landbouwsector. Concept Livar Experience Centre. De voorliggende ontwikkeling moet worden bezien vanuit het concept van het Livar Experience Centre: een extensieve varkenshouderij gecombineerd met een bezoekerscentrum, vleesatelier en een slachterij. Het doel is enerzijds varkens een beter leven te laten leiden en anderzijds de kwaliteit van het vlees aanzienlijk te verbeteren.
Vanuit voornoemde doelstelling bestaat de wens om de consumenten, scholieren en mensen werkzaam in de
4
agrarische- en voedingssector kennis te laten maken met alle aspecten van de bedrijfsvoering te midden van de landschappelijke kwaliteiten die de streek te bieden heeft. In het Experience Centre zal eenieder kunnen zien en ervaren hoe Livar varkens hun gehele levenscyclus doorlopen. Zowel het fokken van de Livar varkens, als het grootbrengen inclusief de uiteindelijke verwerking tot een verantwoord en smakelijk vleesproduct wordt voor belangstellenden getoond. Het Livar Experience Centre vormt hierbij bovendien de plek waar innovatie kan plaatsvinden ten behoeve van de aangesloten boerderijen waar Livar varkens worden opgefokt. Ten slotte geldt als hoofdregel dat dit concept te allen tijde in evenwicht moet zijn. Er mag dus niet uitsluitend een varkenshouderij aanwezig zijn of een slachterij. Om het concept te borgen is in de regels een voorwaardelijke gebruiksbepaling opgenomen. Gelet op het voorgaande past de ontwikkeling dus binnen de zonering ‘Buitengebied’ en het provinciale belang ‘Land- en tuinbouw’. 5.
Reclamanten Ook is onderhavige ruimtelijke ontwikkeling niet passend binnen de aanduiding ‘Zilvergroene natuurzone’. Zulks, omdat binnen deze aanduiding de ontwikkeling van de grondgebonden landbouw met aandacht voor natuur en ontwikkeling en bescherming van flora en fauna nagestreefd wordt. Standpunt gemeente Uit de Provinciale Omgevingsvisie Limburg 2021 volgt dat in de ‘Groenblauwe mantel’ (=‘Zilvergroene natuurzone’) de grondgebonden landbouw de belangrijkste functie blijft en de agrarische sector tevens de belangrijkste beheerder is. Ook volgt uit deze Omgevingsvisie dat gemeenten de motiveringsplicht hebben om in de toelichting van ruimtelijke plannen in de ‘Groenblauwe mantel’ aan te geven hoe bij een ruimtelijke ontwikkeling met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten in de betreffende gebieden wordt omgegaan. Het voorgaande beleid is verder vastgelegd in artikel 2.13.2 van de Provinciale Omgevingsverordening 2014. Uit deze bepaling volgt niet dat de voorgenomen ontwikkeling niet passend is binnen de ‘Zilvergroene natuurzone’. Wel volgt uit de bepaling dat in de toelichting van een ruimtelijk plan gemotiveerd moet worden hoe omgegaan wordt met de kernkwaliteiten in relatie tot een ruimtelijke ontwikkeling. Deze motivering is opgenomen in paragraaf 3.2.4 van de plantoelichting.
6.
Reclamanten Meer specifiek zien reclamanten dat het compensatieplan (beeldkwaliteitsplan) te summier en op hoofdlijnen vorm gegeven is. Weliswaar is het landschappelijk inpassingsplan op hoofdlijnen weergegeven en geborgd in de planregels middels een voorwaardelijke verplichting, doch volgens reclamanten is onduidelijk welke exacte bebouwing van deze ruimtelijke ontwikkeling in de Zilvergroene natuurzone gerealiseerd gaat worden alsmede welke exacte compensatiemaatregelen daarvoor in de Zilvergroene natuurzone uitgevoerd gaan worden. Een zorgvuldige uitwerking en borging van de compensatiemaatregelen ontbreekt, zodat het ontwerpplan in strijd is met het zorgvuldigheids- en rechtzekerheidsbeginsel. Standpunt gemeente De ‘Zilvergroene natuurzone’ ligt in het beeldkwaliteitsplan binnen de deelgebieden C1 en C2. In C1 is het vleesatelier/bezoekerscentrum gepland. In C2 ligt een gedeelte van de boerderijbebouwing met de vrije uitloop van de Livar varkens. Het vleesatelier/bezoekerscentrum zijn met aanduidingen ook als zodanig op de verbeelding aangeduid. In combinatie met de bijbehorende bouwregels is in voldoende mate duidelijk welk bouwvolume binnen de ‘Zilvergroene natuurzone’ gerealiseerd kan worden. De inbreuk op het landschap is daarmee dus voldoende duidelijk om te kunnen bepalen welke compensatiemaatregelen noodzakelijk zijn.
Uit het Landschapsinpassingsplan inclusief uitlichting maatregelen (bijlage 3 van de planregels) volgen verder de compensatiemaatregelen. Voor de deelgebieden C1 en C2 geldt dat langs de Zandweg een gemengde Limburgse haag aangeplant wordt met een lengte van 228 m. Verder volgt uit artikel 4.1.2 lid g sub 2 onder c van de planregels dat in aanvulling op dit
5
landschapselement 20% van deelgebied C1 en C2 met bomen en heesters wordt aangeplant en in stand wordt gehouden. Hierbij wordt gebruik gemaakt van het sortiment: zomereik, wintereik, linde, berk, haagbeuk, lijsterbes, meidoorn en beuk. Door de aanplant van deze bomen wordt een boskamer gerealiseerd, waardoor een robuuste verbinding wordt gecreëerd tussen het aangrenzend bosgebied dat in de Goudgroene natuurzone ligt. Landschappelijke inpassing Structuurvisie Echt-Susteren 7. Reclamanten Onderhavige ruimtelijke ontwikkeling is op pagina 55 van de plantoelichting weergegeven binnen het kaartbeeld van bovengenoemde gemeentelijk structuurvisie. Duidelijk is te zien op deze uitsnede dat de ruimtelijke ontwikkeling deels gelegen is binnen EHS-gebied. Het gemeentelijk beleid vermeldt in dit kader: ‘Voor de onderdelen EHS geldt altijd de vigerende (provinciale) EHS als uitgangspunt. Vooralsnog lijkt het erop dat de eerst gedachte ‘herijking van de EHS’ naast een prioritering van de realisatiedoelstelling tussen delen van de EHS ook een krimp van de totale EHS met zich mee zal brengen.
Mocht er in de toekomst daadwerkelijk sprake zijn van verkleining van de EHS ten opzichte van de nu bekende EHS als opgenomen in het POL2006 dan blijft voor de gehele in deze structuurvisie aangeduide ecologische ladder gelden dat nieuwvestiging van agrarische en nietaan-het-buitengebied gebonden bedrijven er ongewenst is.’ en ‘In de ecologische ladder weren we onomkeerbare kapitaalintensieve ontwikkelingen die de realisering van de ladder (op termijn) in gevaar brengen. Hierbij geldt een onderscheid tussen EHS en niet-EHS-gebieden. In de EHS is (cf. provinciaal beleid) nieuwvestiging en uitbreiding van (agrarische) bedrijven en woningen niet toegestaan.’ Het LEC past wat betreft grootschalig bezoekerscentrum met horeca en detailhandel en de slagerij niet binnen voornoemd beleid. Weliswaar is de provinciale verordening wat betreft nieuwvestiging voor de varkenshouderij met vrije uitloop gewijzigd c.q. niet langer een sta-in-de-weg, doch dat geldt niet voor de hoofdfuncties van het bezoekerscentrum en de slagerij. Standpunt gemeente Allereerst moet opgemerkt worden dat de geldende (provinciale) EHS (= Goudgroene natuurzone), zoals opgenomen in de gemeentelijke structuurvisie, niet meer geldend is. Bij de herijking van de EHS is deze verkleind, waardoor het gehele plangebied buiten de EHS is komen te liggen.
Daarnaast ligt uitsluitend onderdeel C1 van de ontwikkeling binnen de ecologische ladder. Dit is het gebied waar het bezoekerscentrum/vleesatelier wordt beoogd. De gemeentelijke structuurvisie stelt verder inderdaad dat in de ecologische ladder onomkeerbare kapitaalintensieve ontwikkelingen die de realisering van de ladder (op termijn) in gevaar brengen, worden geweerd. Echter, door de invulling van onderdeel C1 en C2 met boskamers wordt er een robuuste verbinding gecreëerd tussen de aangrenzende bosgebieden die binnen de Goudgroene natuurzone én binnen de ecologische ladder zijn gelegen. Met de realisatie van het project wordt dus een gedeelte van de ecologische ladder gerealiseerd. Aanvullend moet opgemerkt worden dat onderdeel C1 in feite niet noodzakelijk is om de ecologische ladder te kunnen realiseren. Ter plaatse is de ladder immers breder dan alleen onderdeel C1 van het plangebied. Er kan dus te allen tijde een netwerk gerealiseerd worden om natuurgebieden met elkaar te verbinden. 8.
Reclamanten Door te stellen dat de 3 hoofdfuncties (varkenshouderij, bezoekerscentrum en slagerij) samen het LEC vormen en dat het LEC als totaalconcept beoordeeld moet worden, wordt bewust het gemeentelijke (EHS-)beleid omzeild en wordt een loopje genomen met de (voornoemde EHSvoorwaarden) gemeentelijke structuurvisie. Standpunt gemeente
6
In tegenstelling tot wat reclamanten stellen, past het voornemen, zoals toegelicht in paragraaf 3.3.1 van de plantoelichting, wel degelijk binnen het gemeentelijk structuurvisiebeleid. Allereerst is het EHS-beleid niet van toepassing op het onderhavige planvoornemen. De geldende Goudgroene natuurzone (EHS) ligt, zoals hiervoor reeds toegelicht, ter plaatse van de Zandweg namelijk buiten het plangebied. Met het Livar Experience Centre bestaat verder het voornemen om bezoekers op één locatie kennis te laten maken met alle aspecten van het Limburgs Kloostervarken en de bijbehorende bedrijfsvoering. In de beoogde situatie bestaat het planvoornemen uit drie hoofdonderdelen die gelijkwaardig in combinatie met elkaar moeten kunnen functioneren. Dit betreft de boerderij met huisvesting voor uitloopvarkens, het vleesatelier en het bezoekerscentrum (inclusief proeflokaal en winkel). Aanvullend geldt dat uit het oogpunt van een totaalconcept met agrarische activiteiten uitsluitend een locatie in het buitengebied geschikt is. Immers, zoals eerder reeds gesteld, is de agrarische activiteit in combinatie met het landschap leidend voor de locatiekeuze. De overige onderdelen zijn volgend.
Wanneer het totaalconcept vervolgens ondergebracht moet worden onder het afwegingskader (de ontwikkelmodules van het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu), zoals opgenomen in de Structuurvisie, dan leidt dit tot de situatie dat er geen passende ontwikkelmodule voor handen is om de wenselijkheid/locatiekeuze van het initiatief te kunnen beoordelen. Er is immers sprake van een totaalconcept waarbij de hoofdfuncties elk als gelijkwaardig uit te oefenen functies aangemerkt dienen te worden. Als gevolg hiervan is bij de onderhavige ontwikkeling geen sprake van één hoofdfunctie waar het afwegingskader in de Structuurvisie vanuit gaat. Kortom, de Structuurvisie voorziet niet in een passende ontwikkelmodule om het voornemen af te kunnen wegen. Echter, wanneer het totale concept wordt afgezet tegen de afzonderlijke beleidsdoelstellingen van de Structuurvisie dan is het concept wel wenselijk. Zie voor de doelstellingen pagina 57 van de plantoelichting. 9.
Reclamanten Wat betreft de verdere verstening van het buitengebied, hetgeen de gemeentelijke structuurvisie tegen wenst te gaan, geldt dat onderhavige ruimtelijke ontwikkeling daar evident haaks op staat. Deze verdere verstening wordt goed gepraat door aan te geven dat sprake is van een landschappelijke inpassing van de ruimtelijke ontwikkeling, doch deze landschappelijke inpassing is reeds vereist vanuit de POL2014 en een goede ruimtelijke ordening. Kortom, de verdere verstening ten gevolge van het LEC wordt feitelijk niet gecompenseerd. Standpunt gemeente Het uitgangspunt van de gemeentelijke structuurvisie is dat extra verstening van het buitengebied zoveel mogelijk tegengegaan moet worden. Is er sprake van extra verstening dan moet er een landschappelijke kwaliteitsbijdrage geleverd worden om de extra verstening te compenseren. Dit volgt uit het Gemeentelijke Kwaliteitsmenu. Het onderhavige voornemen leidt tot extra verstening van het buitengebied. Er moet dus een landschappelijke kwaliteitsbijdrage geleverd worden. Zie verder bijlage 4 van de planregels hoe deze kwaliteitsbijdrage vorm is gegeven. Reclamanten stellen verder onterecht dat de landschappelijke inpassing van de ruimtelijke ontwikkeling vereist is vanuit het POL2014.
In het verleden volgde inderdaad uit het provinciale beleid (het Limburgs Kwaliteitsmenu) dat ontwikkelingen in het buitengebied landschappelijk ingepast moesten worden. Afhankelijk van de ontwikkeling moest er ook een landschappelijke kwaliteitsbijdrage geleverd worden. Het Limburgs Kwaliteitsmenu maakt geen onderdeel meer uit van het provinciaal beleid. Inmiddels is het Limburgs Kwaliteitsmenu verwerkt in de gemeentelijke structuurvisie in de vorm van het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu. Om aan het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu te kunnen voldoen is het Beeldkwaliteits- en landschapsinpassingsplan Livar Experience Centre Maria Hoop opgesteld (zie bijlage 4 planregels). Dit plan is beoordeeld door een onafhankelijke deskundige commissie. Op 26 juni 2018 heeft de Omgevingscommissie MER het plan voor akkoord bevonden. Daarmee wordt het plan passend geacht binnen het gemeentelijke structuurvisiebeleid en is er dus wel degelijk sprake van een goede ruimtelijke ordening.
Planregels
7
10. Reclamanten Planregel 4.2.1 onder i luidt: ‘Voorwaardelijke verplichting borging totaalconcept livar experience: 1. Het gebruiken van het bouwvlak voor de aldaar toegestane bedrijfsmatige activiteiten, is uitsluitend mogelijk indien binnen 2 jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan een combinatie van een bezoekerscentrum, vleesatelier en veehouderijbebouwing is gerealiseerd en de hierop betrekking hebbende bedrijfsonderdelen in stand worden gehouden; 2. Het college van burgemeester en wethouders kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder punt 1 door toe te staan dat een afwijkende termijn wordt aangehouden voor de realisatie en instandhouding van de combinatie van een bezoekerscentrum, vleesatelier en veehouderijbebouwing, indien wordt voldaan aan navolgende voorwaarde: Het aanhouden van een afwijkende termijn is noodzakelijk vanuit het oogpunt van de verwezenlijking van de bestemming.’ Reclamanten wijzen erop dat de ontheffingsbepaling (lid 2) van voornoemde planregel maakt dat de alhier vermelde voorwaardelijke verplichting minder duidelijk en handhaafbaar is. Doordat de voorwaarden in de afwijkingsbevoegdheid onvoldoende concreet zijn, wordt de rechtszekerheid van reclamanten geschaad. Standpunt gemeente Reclamanten merken terecht op dat de afwijkingsbepaling lid 2 voor wat betreft de afwijkende termijn niet voldoende concreet is.
De bepaling zal dusdanig aangepast worden dat de afwijking één keer toegepast mag worden waarbij een afwijkende termijn van maximaal 4 jaar na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan wordt aangehouden voor de realisatie en instandhouding van de combinatie van een bezoekerscentrum, vleesatelier en veehouderijbebouwing. Initiatiefnemer krijgt op deze wijze dus twee jaar extra om te voldoen aan het bepaalde in lid 1. Verkeer en parkeren 11. Reclamanten In bijlage 5 Verkeersgeneratieonderzoek van Aelmans bij de plantoelichting is vermeld dat: ‘gezien de ruime opzet van het geheel en de hoeveelheid opslag, is de systematiek rond CROW publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren, Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ bewust niet toegepast. De reden daarvan is dat op basis van deze systematiek resulteerde in onrealistisch hoge aantallen verkeersbewegingen.’ Vervolgens wordt gemotiveerd dat middels een eigen berekening, een zogenaamde ‘expert judgement’ op basis van de uit het ladderonderzoek volstrekt willekeurige aantal bezoekers (10.000 met max. 15.000) tot een verkeersgeneratie van 346 verkeersbewegingen per weekdag wordt gekomen voor onderhavige ruimtelijke ontwikkeling. Volgens reclamanten dient getoetst te worden aan de CROW publicatie en niet aan een zelf bedacht toetsingskader om zo de verkeersgeneratie naar beneden te brengen.
Dat is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en geeft geen goed beeld over de te verwachten verkeersbelasting van de ontsluitingsweg. Dientengevolge is onduidelijk of er sprake zal zijn van verkeersoverlast (of niet). Het bestemmingsplan kan op deze wijze niet vastgesteld worden. Standpunt gemeente Ten eerste moet opgemerkt worden dat de parkeerkencijfers van het CROW geen normen zijn, maar erkende richtlijnen. Hier mag gemotiveerd van afgeweken worden. Er bestaat kortom geen verplichting om de CROW publicatie toe te passen. Ten tweede heeft de zogenaamde ‘expert judgement’ uitsluitend betrekking op de verkeersgeneratie ten gevolge van de veehouderijbebouwing en overige agrarische bebouwing. In de CROW publicatie ontbreken namelijk parkeerkencijfers voor veehouderijactiviteiten. Deze
8
berekening is niet gebaseerd op het aantal bezoekers zoals vermeld in het ladderonderzoek, maar op basis van het aantal verkeersbewegingen die rechtstreeks verband houden met de veehouderijactiviteiten Ten derde wordt de systematiek rond CROW publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren, Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ bewust niet toegepast voor zover het de functies vleesatelier/slachterij en ondersteunende functies betreft. Reden hiervan is de ruime opzet van het geheel en de hoeveelheid opslag. Voor het Livar vleesatelier en de slachterij wordt voorzien in circa 7.500 m2 bvo bestaande uit de functies: slachterij, de uitsnijderij, de vleesverwerkingsafdeling, rook-, kook- en grill ruimten, opslag- en koelcellen en workshopruimte. Op basis van de systematiek van de CROW publicatie resulteerde dit in onrealistische hoge aantallen verkeersbewegingen. De oorzaak hiervan ligt in de weinig specifieke uitwerking van industriële activiteiten in de CROW publicatie. Plannen zoals het onderhavige zijn moeilijk weg te zetten binnen deze systematiek. Om het aantal vervoersbewegingen te bepalen is in het ‘Onderzoek verkeersgeneratie’, voor wat betreft de functies vleesatelier/slachterij, daarom uitgegaan van de in het bestemmingsplan vastgelegde maximale hoeveelheid te slachten en te verwerken hoeveelheid dieren.
Daarmee is er geen sprake van een aanname, maar van een juridisch vastgelegde norm. Ten vierde is in bijlage 1 van de plantoelichting ‘Ladderonderbouwing Livar Experience Centre’ onderbouwd waarom uitgegaan wordt van 10.000 bezoekers in de startconfiguratie oplopend tot 15.000 bezoekers als eindbeeld. Er is kortom niet ongefundeerd een aanname van het aantal bezoekers gedaan. 12. Reclamanten Tevens is het aantal parkeerplaatsen ook berekend aan de hand van voornoemde onjuiste in kaart gebrachte verkeersgeneratie. Zodoende wordt uitgekomen op het lage aantal van 96 parkeerplaatsen als opgenomen in planregel 11.2.1. Reclamanten betwisten deze parkeervraag en stellen dat deze middels toepassing van de CROW publicatie veel hoger uitvalt. Standpunt gemeente Zoals hiervoor opgemerkt zijn de parkeerkencijfers van het CROW geen normen, maar erkende richtlijnen. Hier mag gemotiveerd van afgeweken worden. In het rapport ‘Onderzoek verkeersgeneratie’ is nader onderbouwd op welke wijze de verkeersgeneratie inzichtelijk is gemaakt. Zoönose 13. Reclamanten Reclamanten constateren dat in de plantoelichting en aanmeldnotitie weliswaar aandacht wordt besteed aan het volksgezondheidsaspect en het voorkomen van infecties en ziektes, doch dat dit kennelijk slechts heeft geresulteerd in een voorgenomen gescheiden routing.
Onduidelijk en derhalve onvoldoende geborgd in de planregels is echter hoe deze routing er precies uitziet. Standpunt gemeente De routing van bezoekers binnen het LEC is een bedrijfsorganisatorisch aspect en ruimtelijk niet relevant. De routing an sich heeft namelijk weinig effect op de leefomgeving. Gelet hierop kan de routing niet in de planregels geregeld worden. 14. Reclamanten Voorts wijst de aanmeldnotitie in verband met het risico op besmetting door wilde zwijnen met Afrikaanse varkenspest op het realiseren van een goede afscheiding van de locatie, zodat direct contact met wilde zwijnen voorkomen wordt en zo besmettingen van ziektes via de wilde zwijnen voorkomen worden. Gewezen wordt op opstalmogelijkheden van het LIVAR varken alsmede het voorkomen van het voeren van besmet etenswaar door passanten. Nu voornoemde risico’s benoemd worden, doch in de planregels hiervoor geen handhaafbare planregels zijn opgenomen, achten reclamanten het ontwerpbestemmingsplan op dit onderdeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening nu het aspect volksgezondheid onvoldoende geborgd is.
9
Standpunt gemeente Het voorkomen dat de Afrikaanse varkenspest wordt geïntroduceerd op het bedrijf is een bedrijfsorganisatorisch aspect. Dit aspect is ruimtelijk niet relevant. De te treffen maatregelen an sich hebben namelijk weinig effect op de leefomgeving. Gelet hierop kunnen de maatregelen ter voorkoming van de Afrikaanse varkenspest niet in de planregels geregeld worden. Beperking bedrijfsvoering reclamanten 15. Reclamanten Reclamanten vrezen dat het LEC de huidige en toekomstige bedrijfsvoering beperkt en wensen dit te voorkomen. Zo wordt erop gewezen dat het aantal maximum bezoekers van het LEC niet gemaximaliseerd wordt in de planregels. Zulks is onzorgvuldig gelet op het feit dat in de diverse onderzoeken van relevante milieuaspecten wel van een 10.000 met een maximum van 15.000 bezoekers uit gegaan wordt. Hoe meer bezoekers, hoe groter de kans op overdraging van ziektes en infecties en hoe groter het risico dat ruimtelijke ontwikkeling nadelige gevolgen voor de bedrijfsvoering voor reclamanten heeft. Ook is een feit dat in de plantoelichting alsmede enkele bijlagen uit gegaan wordt van maximaal 15.000 bezoekers, doch dat dit aantal maximum bezoekers niet geborgd is in de planregels.
Daarmee staat dus niet vast dat onderhavige ruimtelijke ontwikkeling te allen tijde in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening voor wat betreft relevante milieuaspecten in casu. Standpunt gemeente Ten eerste bestaat er geen noodzaak om het aantal bezoekers te maximaliseren in het bestemmingsplan. Het gehele plan is immers qua bebouwingsmogelijkheden en parkeervoorzieningen afgestemd op deze aantallen. Ook passen deze aantallen binnen de nagestreefde kleinschaligheid. Ten tweede blijkt uit de uitgevoerde onderzoeken niet dat de huidige bedrijfsvoering van reclamanten belemmerd wordt door het voornemen. Reclamanten hebben verder ook geen concreet en beoordeelbaar uitbreidingsplan bij de gemeente ingediend. Er bestaat derhalve geen aanleiding om een eventuele toekomstige uitbreiding mee te nemen in de beoordeling van het planvoornemen. Gelet op het voorgaande bestaat er daarom geen aanleiding om te stellen dat het planvoornemen niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Conclusie Deze zienswijze wordt deels gegrond verklaard en geeft aanleiding tot de onderstaande aanpassing in het ontwerpbestemmingsplan: Regels
Naar aanleiding van nr. 10: • Artikel 4.2.1 lid i sub 2 wordt als volgt aangepast: Het college van burgemeester en wethouders kan bij een omgevingsvergunning één keer afwijken van het bepaalde onder punt 1 door toe te staan dat een afwijkende termijn van maximaal 4 jaar na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan wordt aangehouden voor de realisatie en instandhouding van de combinatie van een bezoekerscentrum, vleesatelier en veehouderijbebouwing, indien wordt voldaan aan navolgende voorwaarde: Het aanhouden van een afwijkende termijn is noodzakelijk vanuit het oogpunt van de verwezenlijking van de bestemming.
Zienswijze 1a (aanvulling)
Samenvatting zienswijze1 In de plantoelichting van het ontwerpbestemmingsplan zijn de conclusies van het akoestisch onderzoek industrielawaai vermeld. Omdat bijlage 7 ‘Akoestisch onderzoek industrielawaai’ van de plantoelichting per abuis niet is gepubliceerd op www.ruimtelijkeplannen.nl zijn reclamanten in de gelegenheid gesteld om zienswijze 1 op dit punt aan te vullen. 1
10
Reclamanten In het akoestisch onderzoek industrielawaai is gerekend met enerzijds volstrekt willekeurige bezoekersaantallen en anderzijds is de verkeersgeneratie, via het bij het bestemmingsplan behorende ‘Onderzoek verkeersgeneratie’, berekend op basis van een eigen berekening, een zogenaamde ‘expert judgement’. Reclamanten verwijzen binnen dit kader ook naar het gestelde in hun zienswijzen van 9 augustus 2023. Nu beide indicatoren c.q. normen niet zorgvuldig tot stand gekomen zijn, is onderhavig akoestisch onderzoek eveneens niet in overeenstemming met het zorgvuldigheidsbeginsel. Standpunt gemeente Allereerst is niet gerekend met volstrekt willekeurige bezoekersaantallen. De genoemde bezoekersaantallen van 10.000 bezoekers (startconfiguratie) oplopend tot 15.000 (eindbeeld) zijn een indicatie van de te verwachten bezoekersstroom. Dit is gebaseerd op een referentieanalyse van vergelijkbare concepten en informatie over het concept. Er is geen reden om aan te nemen dat dit geen realistische bezoekersaantallen zijn. In bijlage 1 van de plantoelichting ‘Ladderonderbouwing Livar Experience Centre’ is dit nader onderbouwd. Er is kortom niet ongefundeerd een aanname van het aantal bezoekers gedaan. Zie verder ook het gemeentelijk standpunt bij zienswijze 1 onderdeel 2.
Er is verder geen reden om aan te nemen dat het ‘Onderzoek verkeersgeneratie’ geen realistisch beeld van de verkeersbewegingen geeft. Voor wat betreft de verkeersbewegingen als gevolg van het bezoekerscentrum is uitgegaan van de ‘Ladderonderbouwing Livar Experience Centre’. In de ladderonderbouwing is aan de hand van concreet marktonderzoek een reëel beeld ontstaan van de maximaal te verwachten verkeersbewegingen ten gevolge van bezoekers. Voor het vleesatelier/slachterij en ondersteunende functies is hierbij uitgegaan van de in de planregels maximale hoeveelheid te slachten/te verwerken dieren. Daarmee is er geen sprake van een willekeurige aanname. Ten slotte is voor wat betreft de veehouderijbebouwing en overige agrarische bebouwing uitgegaan van een ‘expert judgement’. Hierbij is uitgegaan van de dieraantallen zoals opgenomen in de Natuurbeschermingswetvergunning die als bijlage 1 onderdeel uitmaakt van de planregels. Ook voor de verkeersbewegingen als gevolg van de veehouderijbebouwing en overige agrarische bebouwing is dus geen sprake van een willekeurige aanname. Zie verder ook het gemeentelijk standpunt bij zienswijze 1 onderdeel 11. Gelet op het voorgaande is er geen reden om aan te nemen dat het ‘Onderzoek verkeersgeneratie’, en daarmee dus het ‘Akoestisch onderzoek industrielawaai’, onzorgvuldig tot stand is gekomen.
Conclusie Deze zienswijze wordt ongegrond verklaard en geeft geen aanleiding tot aanpassingen in het ontwerpbestemmingsplan. Zienswijze 2 Samenvatting zienswijze Binnen de grenzen van het nu ter inzage liggende bestemmingsplan bevindt zich de bovengrondse 150 kV hoogspanningsverbinding Maasbracht-Graetheide die in eigendom en beheer is van reclamant. Hij is van mening dat in het bestemmingsplan onvoldoende rekening is gehouden met de bescherming van de belangen van deze hoogspanningsverbinding. Hier worden de navolgende gronden voor aangevoerd. 1.
Reclamant De regels in het geldende bestemmingsplan zijn verouderd en bieden niet meer de juiste bescherming. Verzocht wordt om in artikel 6 ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’ de regels zoals opgenomen in bijlage 1 van de zienswijze toe te voegen. Met het toevoegen van deze regels wordt beter gewaarborgd dat het hoogspanningsnet voldoende wordt beschermd tegen omgevingsaspecten die van invloed kunnen zijn op een betrouwbare levering van energie. Standpunt gemeente
11
Overeenkomstig het verzoek van reclamant worden de planregels in artikel 6 ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’ op inhoud aangepast. Hierbij wordt de redactie integraal vervangen door hetgeen is vermeld onder de kop conclusie. 2.
Reclamant Uit de kamerbrief ‘Voorzorgbeleid voor magneetvelden bij elektriciteitsvoorzieningen’ blijkt dat wordt geadviseerd zo mogelijk afstand te houden tussen bovengrondse hoogspanningsverbindingen en gevoelige bestemmingen. In het kort is het advies zoveel als redelijkerwijs mogelijk te voorkomen dat nieuwe gevoelige bestemmingen ontstaan binnen de berekende magneetveldzone van 0,4 microTesla (gemiddeld). Onder gevoelige bestemmingen vallen onder andere woningen. Het Rijk adviseert de magneetveldzone uit te (laten) rekenen als er plannen zijn om binnen de rekenafstand in de RIVM-netkaart een gevoelige bestemming te realiseren. Standpunt gemeente Beleidsadvies met betrekking tot hoogspanningslijnen In een brief van 21 april 2023 informeert de minister van Economische Zaken en Klimaat over de herijking van het voorzorgbeleid voor magneetvelden in het elektriciteitsnet. Het Rijk adviseert het bevoegd gezag voor de ruimtelijke ordening en netbeheerders voor elektriciteit om bij de vaststelling van ruimtelijke plannen en van de tracés van bovengrondse hoogspanningslijnen, zoveel als redelijkerwijs mogelijk, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen en volwassenen langdurig verblijven in gebieden waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger kan zijn dan 0,4 microtesla (de magneetveldzone).
Hetzelfde advies geldt bij wijzigingen van bestaande ruimtelijke plannen of bestaande hoogspanningslijnen. Het betreft een advies en het bevoegd gezag kan hiervan gemotiveerd afwijken. Beoordeling In de voorliggende casus gaat het om het planologisch toevoegen van een extra woning in de carréboerderij. Vóór 2014 was er al sprake van twee woningen in de carréboerderij (nrs. 14 en 16). Na 2014 is één woning (nr.14) omgebouwd tot 2 vakantieappartementen. Feitelijk is de woning nr. 14 als gebouw dus nooit verdwenen. Alleen het gebruik is aangepast. Er is na 2014 weliswaar geen sprake geweest van een verblijf door bewoners, maar door recreanten. Nr. 14 heeft daarmee dus zijn verblijfsfunctie behouden. Initiatiefnemer wil nu het type verblijf weer terugdraaien van recreatie naar wonen door de 2 vakantieappartementen samen te voegen tot de oorspronkelijke woning. Door Physixfactor is verder in oktober 2023 een rapport Magneetveldzone Hoogspanningslijn te Echt, Swaantjesweg 14 opgesteld. Zie bijlage 1. Uit dit onderzoek blijkt: • de permanent geplande bewoning ligt binnen de specifieke zone van de hoogspanningslijn; • voor de 150 kV lijn betekent dit dat de 0,4 µT norm wordt overschreden voor de bewoning op nummer 14. Het bestaande huis (nr.
16) ligt binnen de specifieke zone voor de 150 kV lijn; • voor de 380 kV lijn betekent dit dat de 0,4 µT norm NIET wordt overschreden voor de bewoning op nummer 14. Het bestaande huis (nr. 16) ligt buiten de specifieke zone voor de 380 kV lijn. Conclusie De nieuwe woning (nr. 14), voldoet door 1 leiding niet aan de 0,4 µT norm. De bestaande woning (nr. 16) voldoet ook niet. De vraag is echter of er feitelijk sprake is van een nieuw gevoelig object vanuit het voorzorgbeleid. Allereest was er tot in 2014 sprake van 2 woningen en dus van 2 gevoelige objecten. Verder is woning nr. 14 qua gebouw altijd blijven bestaan. Er is door het splitsen van de woning weliswaar sprake geweest van een gebruikswijziging van wonen naar recreatie, maar er is altijd sprake geweest van het verblijf van mensen. Gelet hierop kan de nieuwe planologische woning vanuit het voorzorgbeleid voor magneetvelden beschouwd worden als een bestaand gevoelig object. Het ombouwen
12
van de vakantieappartementen tot een woning leidt dus niet tot een nieuw gevoelig object in de magneetveldzone. Conclusie Deze zienswijze wordt deels gegrond verklaard en geeft aanleiding tot de onderstaande aanpassing ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan: Regels
Naar aanleiding van nr. 1 wordt bij gewijzigde vaststelling artikel 6 ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’ integraal vervangen door het navolgende: ‘Artikel 6
Leiding - Hoogspanningsverbinding
6.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' bestemde gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en) mede bestemd voor aanleg, het beheer en instandhouding van een hoogspanningsverbinding met de daarbij behorende masten en (veiligheids)voorzieningen. In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de regels van dit artikel vóór de bepalingen die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn. 6.2 Bouwregels Voor het bouwen gelden de volgende regels: a. op of in de in dit artikel bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten behoeve van de hoogspanningsverbinding worden gebouwd; b. op of in de in dit artikel bedoelde gronden zijn geen gebouwen en bouwwerken toegestaan, met uitzondering van bestaande (vergunde) gebouwen en bouwwerken; c. indien bestaande gebouwen en/of bouwwerken worden vervangen, vernieuwd of veranderd is dit toegestaan indien de oppervlakte en hoogte niet worden vergroot en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. 6.3 Afwijken van de bouwregels Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 6.2 in die zin dat ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemmingen, gebouwen of andere bouwwerken worden gebouwd, mits: a.
geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de betreffende hoogspanningsleiding; b. vooraf positief schriftelijk advies is verkregen van de betreffende netbeheerder. 6.4
Specifieke gebruiksregels
6.4.1 Strijdig gebruik Tot een gebruik strijdig met deze bestemming als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt in ieder geval gerekend een gebruik dat geen rekening houdt met een ongestoorde werking van de bovengrondse hoogspanningsleiding en de risico's die ermee verbonden zijn. 6.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 6.5.1 Verbod Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden op de
13
in lid 6.1 bedoelde gronden de navolgende werken en werkzaamheden uit te voeren of uit te laten voeren: a. het aanbrengen en/of rooien van opgaande beplanting en bomen; b. het wijzigen van maaiveld- of weghoogte niveau door ontgronding, ophoging of andere graafwerkzaamheden; c. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van (reeds bestaande) watergangen, alsmede het verhogen of verlagen van het waterpeil; d. het opslaan van goederen, (brandbare)stoffen en/of materialen; e. het aanleggen en/of slopen van bovengrondse opstallen, constructies, straatmeubilair, installaties of apparatuur anders dan ten dienste van de in lid 6.1 omschreven bestemming; f. het aanleggen, verbreden, of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheden; g. het aanleggen van zonneparken. 6.5.2 Uitzonderingen Het bepaalde in artikel 6.5.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde en/of werkzaamheden die: a. reeds in uitvoering zijn bij het van kracht worden van het plan; b. verband houden met de aanleg, aanpassing of onderhoud van de betreffende hoogspanningsverbinding en de daarbij horende voorzieningen; c. het onderhoud en beheer hetgeen krachtens de onderliggende bestemming is toegestaan. 6.5.3 Afwegingskader De omgevingsvergunning, zoals bedoeld in lid 6.5.1, kan slechts worden verleend indien: a.
hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de betreffende hoogspanningsleiding; b. vooraf schriftelijk advies is verkregen van de betreffende netbeheerder. 6.5.4 Nadere eisen Tot het verlenen van een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in lid 6.5.1, wordt eerst overgegaan indien uit het verkregen positief schriftelijk advies van de netbeheerder is gebleken dat hierdoor de veiligheid en leveringszekerheid niet blijvend onevenredig kan worden geschaad. Aan de hand daarvan kan het bevoegd gezag desgewenst nadere eisen verbinden aan de vergunning, ter bescherming van bedoelde verbinding.’
14
HOOFDSTUK 3. AMBTSHALVE WIJZIGINGEN Voorgesteld wordt om in het ontwerpbestemmingsplan een aantal ambtshalve wijzigingen door te voeren. Het betreft de volgende wijzigingen: Toelichting
• • •
Redactionele aanpassingen. Tekstuele aanpassingen n.a.v. wijzigingen in de bijlagen. Paragraaf 4.7 Externe veiligheid wordt aangevuld met de beoordeling van de invloed van de bestaande propaantank binnen het plangebied op de omgeving: Binnen de beoogde inrichting vindt geen opslag, productie en gebruik van gevaarlijke stoffen plaats. Wel is er al een bestaande propaantank aanwezig voor eigen gebruik. Volgens de tekening, behorende bij de vergunningsaanvraag ingevolge de Natuurbeschermingswet betreft het een propaantank met een inhoud van 3000 liter. Uitgaande van het grootste aantal bevoorradingen, met de grootste veiligheidsafstand, is deze afstand tussen de opstelplaats van een opslagtank met propaan, het vulpunt van een opslagtank met propaan en de opstelplaats van de tankwagen en buiten de inrichting gelegen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten 20 meter. Deze afstand valt binnen de perceelsgrenzen en heeft geen invloed voor (beperkt)kwetsbare objecten buiten de inrichting.
Regels
•
Artikel 1.83 lid f wordt op grond van de meest recente inzichten vanuit de jurisprudentie geschrapt. In de regels zullen alle bepalingen m.b.t. de mantelzorgwoning verwijderd worden. Artikel 4.1.1.i wordt gewijzigd in: kantoorruimten, ondergeschikt en ten dienste van de aanwezige bedrijvigheid. Artikel 4.1.2.b wordt gewijzigd in: Ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' zijn kantoorruimten, ondergeschikt en ten dienste van de aanwezige bedrijvigheid toegestaan. Hierbij is maximaal één kantoorruimte toegestaan in de vorm van een vrijstaand gebouw welke niet is geïntegreerd in een ander bedrijfsgebouw. Artikel 4.1.2.f.b. wordt als volgt aangepast: het college van burgemeester en wethouders kan bij een omgevingsvergunning één keer afwijken van het bepaalde onder a door toe te staan dat een afwijkende termijn van maximaal 4 jaar na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan wordt aangehouden voor de realisatie van de vereiste maatregelen, indien wordt voldaan aan navolgende voorwaarden: a. het aanhouden van een afwijkende termijn is noodzakelijk vanuit het oogpunt van de verwezenlijking van de bestemming en/of risico op schade aan landschapsinpassingsmaatregelen , zoals bedoeld in 4.1.2 onder g, te voorkomen; b. het aanhouden van een afwijkende termijn leidt niet tot waterhuishoudkundige problemen; c. vooraf wordt schriftelijk advies ingewonnen bij het Waterschap Limburg.
Artikel 4.1.2.g.4 wordt als volgt aangepast: het college van burgemeester en wethouders bij een omgevingsvergunning kan één keer afwijken van het bepaalde onder punt 1 en 2 door toe te staan dat een afwijkende termijn van maximaal 4 jaar na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan wordt aangehouden voor de realisatie van de vereiste landschapsinpassingsmaatregelen, indien wordt voldaan aan navolgende voorwaarde: a. het aanhouden van een afwijkende termijn is noodzakelijk vanuit het
• • •
•
•
15
oogpunt van de verwezenlijking van de bestemming en/of risico op schade aan landschapsinpassingsmaatregelen te voorkomen verbandhoudend met de verwezenlijking van de bestemming. • Artikel 4.2.2.c wordt gewijzigd in: kantoorgebouw in de vorm van één vrijstaand gebouw en niet geïntegreerd in een ander bedrijfsgebouw, met dien verstande dat dit vrijstaande kantoorgebouw op minimaal 18 meter uit de as van de weg wordt gesitueerd en met in achtneming van het bepaalde in lid 4.1; • Artikel 4.2.4. In de tabel worden de verwijzingen naar artikel 3.2.2 en 3.2.3 gewijzigd in verwijzingen naar artikel 4.2.2 en 4.2.3. • Artikel 4.2.4. worden de navolgende tabelregels:
• gewijzigd in:
Bijlagen plantoelichting
• Artikel 4.4.1.g wordt gewijzigd in: Permanente bewoning, voor zover het vrijstaande bijbehorende bouwwerken (met uitzondering van de bedrijfswoning) en recreatieve verblijven (bv. vakantieappartement/vakantiewoning) betreft. • Het ‘Akoestisch onderzoek industrielawaai’ wordt in de .GML als bijlage 7 aan de toelichting gevoegd. • Bijlage 12 Acceptatie BUS melding is verouderd en wordt vervangen door de Acceptatie BUS melding van 18 juli 2023. • In bijlage 17 is het ambtelijk verslag van de regionale afstemming van 10 oktober 2023 opgenomen; • In bijlage 18 is het bestuurlijk verslag van de regionale afstemming van 16 november 2023 opgenomen.
16
BIJLAGE 1
17