Waterpanel Noord Waterketenplan
Tekst van het document
(robuust) Samenwerken en participatie (ook omgevingswet) gaat eigenlijk als een sateprikker door al deze thema's heen. Waar laten we dat landen ?? implementatie handreiking klimaattoets en bouwstenen omgevingsvisies en -plannen hevige regen leidt niet tot schade aan infrastructuur, eigendommen of groen in de bebouwde omgeving gebiedsdifferentiatie waterbergingseis kwetsbaarheid Branchestandaard uitvoeren kennissessies Er moeten nu eens echt keuzes gemaakt worden. Of FTE erbij of ambitie omlaag. de bestuurlijke boodschap dat we uit moeten gaan van de bestaande bezetting maakt dat wij duidelijk moeten maken wat dan niet kan. In categorisering rekening houden met wettelijke verplichtingen en consequenties Keuzes maken / ambitie bijstellen. Problematiek rondom personele capaciteit wordt groter en is merkbaar in de praktijk uniformering en gezamenlijk uitvoeren taken t.b.v. kwestbaarheid behalen ecologische en chemische doelstellingen voor KRW-waterlichamen 2027 onderzoek: wat moeten we nog doen? aanvullende maatregelen? achteruitgang voorkomen door vergunningverlening, toezicht én handhaving die hierop stuurt Inzicht kwaliteit influent en hoe dit te verbeteren
aanpak KRW-overstorten inzicht kwaliteit influent (bronaanpak) In 2023 of 24 regiobreed BRP waarin de stavaza tov KRW inzichtelijk wordt gemaakt met uitwerking restmaatregelen. Gezamenlijke strategie beheer/onderhoud incl. plaagsoorten Project regionaal BRP Ecologisch onderhoud afstemming vergunningverlening en indirecte lozingen (mestverwerkers, containerteelt, glastuinbouw, nieuwe sanitaie tijdelijke woningbouw e.d.) toepassen redeneerlijn t.b.v. maken afspraken benodigde maatregelen krw-overstorten inwoners en bedrijven bewust maken van waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden Opstellen (digitale) folder voor bewoners met ligging en betekenis van beschermde gebieden. Ook aandacht voor energietransitie in deze folder en samenhang met water en beschermingsgebied. Mogelijk onder vlag Waterklaar Dit is een onderwerp dat al via de Gebiedsdossiers van de provincie is ingezet. Beter zichtbaar maken in de praktijk beslisboom afkoppelen (kwaliteit) actualiseren en communiceren o.a. via waterklaar (site, aandacht e.d.) Waterklaar
Bijlage 4
Beleidskaders en wetgeving
Inleiding In deze notitie beschrijven we de beleidskaders en de wet- en regelgeving voor de omgang met water voor gemeenten, waterschap en provincie. We gaan in op de huidige wet- en regelgeving en de gevolgen voor de overgang naar de Omgevingswet. Het huidige wettelijk kader is weergegeven in onderstaand figuur.
Bron: Waterplan Limburgse Peelen 2017-2021 Het huidig waterrecht op nationaal niveau wordt hierna kort aangestipt. Daarna wordt ingegaan op de belangrijkste beleidskaders op nationaal, regionaal en lokaal niveau. Tot slot wordt stilgestaan bij de Omgevingswet zoals die na 1-1-2022 van kracht zal zijn.
Huidig recht op het gebied van water en milieu Wet Milieubeheer Zorgplicht stedelijk afvalwater en riolering Op grond van de Wet milieubeheer artikel 10.33 is elke gemeente verantwoordelijk voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater dat vrijkomt van de in de gemeente gelegen percelen. Alle percelen binnen de bebouwde kom zijn daarom aangesloten op (vrijverval)riolering. Buiten de bebouwde kom zijn alle percelen aangesloten op vrijvervalriolering, drukriolering, IBA of een geoorloofd alternatief. Het waterschap heeft op grond van artikel 2.4 uit de Waterwet de verplichting om het afvalwater te zuiveren (of te laten zuiveren door een andere partij). Verplichting Gemeentelijk Rioleringsplan In artikel 4.22 is opgenomen dat gemeenten een Gemeentelijk Rioleringsplan moeten hebben, voorbereid door het college van B&W en vastgesteld door de gemeenteraad. Bij de voorbereiding betrekken zij in ieder geval gedeputeerde staten, de beheerders van de
zuiveringstechnische werken waarnaar het ingezamelde afvalwater wordt getransporteerd, en de beheerders van de oppervlaktewateren waarop het ingezamelde water wordt geloosd. Voorkeursvolgorde In artikel 10.29a is een voorkeursvolgorde opgenomen voor het omgaan met afvalwater. Voorkomen-scheiden-zuiveren is hierbij een leidend principe. Hemel- en grondwaterverordening In artikel 10.32a is opgenomen dat gemeenten een hemel- en grondwaterverordening kunnen opstellen om de lozing van hemel- en/of grondwater te reguleren.
Waterwet Afvloeiend hemelwater Vanuit de Waterwet artikel 3.5 zijn gemeenten verplicht om zorg te dragen voor een doelmatige inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater, maar alleen als degene die zich er van wil ontdoen niet redelijkerwijs het water zelf kan verwerken op het eigen perceel, in de bodem of door het in een oppervlaktewater te brengen. Grondwater In de Waterwet, artikel 3.6, is bepaald dat de gemeente de zorg heeft om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Dit doet de gemeente door maatregelen te treffen in het openbaar gemeentelijke gebied voor zover deze doelmatig zijn en niet tot de zorg van de waterbeheerder of de provincie behoort.
Gemeentewet In de Gemeentewet, artikel 228a, is vastgelegd dat de gemeente rioolheffing kan heffen voor de kosten die gemaakt worden voor het invullen van de zorgplichten. 1. Onder de naam rioolheffing kan een belasting worden geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater en b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. 2. Ter zake van de kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, kunnen twee afzonderlijke belastingen worden geheven. 3. Onder de kosten, bedoeld in het eerste lid, wordt mede verstaan de omzetbelasting die als gevolg van de Wet op het BTW compensatiefonds recht geeft op een bijdrage uit dat fonds.
Waterschapswet Vanuit de Waterschapswet is de zorg voor het watersysteem aan het waterschap opgedragen. Dit betekent dat Waterschap Limburg (WL) het overzicht op het watersysteem heeft en aangeeft wat er dient te gebeuren. Zij beheren de watergangen in hun gebied die in de legger zijn vastgelegd. Zij hebben daarvoor de keur als waterschapsverordening waarin regels staan voor het omgaan met watersysteem (Keur).
In de keur is door het waterschap vastgelegd wat wel en niet mag rondom waterkeringen en oppervlaktewater. In de legger is aangegeven voor welke wateren en waterkeringen deze regels gelden. Activiteiten of handelingen mogen geen nadelige effecten hebben op een waterkering of in een zone die is opgenomen in de legger.
Drinkwaterwet In de drinkwaterwet is in artikel 2.1 opgenomen dat bestuursorganen zorgdragen voor de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening. Bij de uitoefening van bevoegdheden en toepassing van wettelijke voorschriften door bestuursorganen geldt de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening als een dwingende reden van groot openbaar belang (artikel 2.2). Dit moet dus een belangrijke rol spelen in alle belangenafwegingen.
Beleidskaders Nationaal Deltaplan ruimtelijke adaptatie Het Deltaplan ruimtelijke adaptatie richt zich op het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van Nederland en focust op de thema’s wateroverlast, hittestress, droogte en waterveiligheid (de gevolgen van overstromingen). Aan de hand van zeven ambities geeft het plan handvatten voor gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk om te komen tot een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting.
Deltaplan Hoge Zandgronden Het Deltaplan Hoge Zandgronden is onderdeel van het Deltaprogramma Zoetwater. De hoge zandgronden behoren tot de droogste gebieden van Nederland. De verwachting is dat
door klimaatverandering dit gebied nog droger zal worden. Hierdoor ontstaan problemen met de waterkwaliteit en komen landbouw, natuur, drinkwaterwinning, industrie en scheepvaart onder druk te staan. Het doel van het plan is om tot een klimaatbestendig regionaal watersysteem te komen. Hierin zijn onder andere de volgende thema’s belangrijk: - Verminderen van de vraag en gebruik van water - Vasthouden van water - Verbeteren van de sponswerking van de bodem - Vergroten van aanvoer van water uit de Maas. In het werkprogramma ‘Wel goed water geven’ van dit Deltaplan Hoge zandgronden voor de regio Zuid staan maatregelen voor de periode 2016-2021. https://www.aaenmaas.nl/onswerk/klimaat/zo-werken-we-samen/deltaplan-hoge/ https://www.zoetwatervoorzieningoostnederland.nl/zon/documenten/ Beleidsnota Drinkwater (2014) De beleidsnota Drinkwater wordt momenteel herzien en gaat naar verwachting in 2021 naar de Tweede Kamer. Op meerdere plekken in deze beleidsnota is een verbinding met de rollen van de verschillende waterketenpartners. Onder andere de preventieladder uit hoofdstuk 4 die bedoeld is om afwegingen in het ruimtelijk beleid bij winningen te ondersteunen. En veel ’waterafwegingen’ hebben natuurlijk direct relatie met ruimtelijke afwegingen.
Provinciaal POL Het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL) gaat over onderwerpen als wonen, verkeer, energie, infrastructuur, detailhandel, bedrijventerreinen, water, natuur, landschap, landbouw en ondergrond. Het POL laat zien hoe de Provincie de kwaliteit van onze omgeving wil verbeteren. Het POL kijkt vooral naar de periode 2015-2024 (tien jaar). Voor het beleidsgebied water is het POL uitgewerkt in het Provinciaal Waterplan 2016-2021 met als titel “Samen werken aan water”. Hierin staan de hoofdlijnen van het provinciale waterbeleid, de ambitie voor een veilige en aantrekkelijke Maasvallei, een veerkrachtig en klimaatbestendig regionaal watersysteem, behoud en herstel van de natte natuur en verbetering waterkwaliteit, duurzame drinkwaterwinning en grondwaterbeheer en de financiële consequenties, taakstelling waterschap en beleidsprogramma. Het huidige Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL, 2014) is de voorloper van de Provinciale Omgevingsvisie (POVI) die in 2020 met interne en externe stakeholders wordt opgesteld. De POVI wordt een strategische, lange termijn visie op de fysieke leefomgeving. Ook water is in deze visie opgenomen. Tegelijkertijd met de omgevingsvisie wordt de omgevingsverordening opgesteld. Deze verordening bevat alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving en vervang de bestaande verordeningen.
Provinciaal Waterplan ‘Samen werken aan water’ In het Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021 staat het provinciale waterbeleid voor de periode 2016-2021. Dit gaat over:
• • • •
Een veilige en aantrekkelijke Maasvallei; Een veerkrachtig en klimaatbestendig regionaal watersysteem; Behoud en herstel van de natte natuur en verbetering waterkwaliteit; Duurzame drinkwaterwinning en grondwaterbeheer.
Provinciale Staten hebben het beleid vastgesteld. Waterschap Limburg, gemeenten en derden voeren het uit. Een belangrijk onderdeel van het Provinciaal Waterplan is de alliantie tussen Provincie en Waterschap Limburg. In de planperiode 2016-2021 investeren Waterschap Limburg, gemeenten, de Rijksoverheid, de Europese Unie en de Provincie gezamenlijk 580 miljoen euro in het Limburgse water. De Provincie draagt hier aan 24 miljoen euro bij. Waardevol Groeien In Limburg is in 2015 een visie op samenwerking in de waterketen opgesteld. Op 19 november 2015 werd het Visiedocument door alle partijen getekend tijdens het Bestuurlijk Waterpanel in Roermond. In de visie staat wat partijen in Limburg met elkaar willen bereiken (Water, wat ons bindt). Vervolgens wordt aangegeven wat nodig is om dat te realiseren (Kwaliteit, kennis stroomt) en hoe dat wordt georganiseerd (Organiseren, samen vormgeven). Tenslotte wordt een geschetst hoe stapsgewijs de ambities worden waargemaakt (Groeien, haalbare stappen). Verordeningen Naast bovengenoemde beleidskaders zijn er ook nog verordeningen die bepalend zijn zoals de provinciale omgevingsverordening die van invloed is op wat er in de regio Waterpanel Noord wel en niet mogelijk is. Ook de Keur van het waterschap is belangrijk omdat hierin eisen zijn opgenomen voor bijvoorbeeld lozen van hemelwater bij nieuwe ontwikkelingen.
Regionaal Waterbeheerplan 2016-2021 (met LIWA) Het Waterbeheerplan zet de koers uit voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg. Het beschrijft: • hoe het waterschap het watersysteem en waterkeringen op orde wil brengen; • voor welke thema’s het waterschap aan de lat staat en de strategie hiervoor; • welke maatregelen worden uitgevoerd, wie de partners daarin zijn en hoe dit wordt gemonitord en bijgestuurd. Ook staat beschreven welke bijdrage de waterschappen leveren aan de Europese Kaderrichtlijn Water. De Limburgse Integrale Water Aanpak (LIWA) is de opvolger van de NLP (Nieuw Limburgs Peil 2010). Tegenwoordig heet dit de Limburgse Integrale Watersysteem Analyse. Provincie Limburg en Waterschap Limburg hebben gezamenlijk initiatief genomen om het NLP te actualiseren én te verrijken. De verbinding tussen verschillende water-, klimaat- en ruimtegerelateerde beleidsvelden wordt versterkt. De nieuwe integrale benadering richt zich op waterkwantiteit én waterkwaliteit en houdt rekening met klimaatscenario’s. LIWA geeft inzicht in de toestand en gewenste ontwikkeling van het Limburgse watersysteem. Dit is de basis voor de actualisatie van het Provinciaal Waterprogramma Limburg en het Waterbeheerprogramma van Waterschap Limburg voor de periode 2022-
2027. Ook is het input voor de waterprogramma’s en maatregelen van andere waterbeheerders en –gebruikers, zoals gemeenten, terreinbeheerders en agrariërs. Binnen LIWA zijn maatregelen verkend die kunnen bijdragen aan een robuust watersysteemherstel. Anders dan bij voorgaande waterplannen wordt nu uitdrukkelijk rekening gehouden met klimaatverandering en de daardoor te verwachten weersextremen, met heviger piekbuien en langdurige perioden van droogte. De LIWA is online beschikbaar via: https://storymaps.arcgis.com/stories/d2ccb4cf1d4f426ca716c4790c353288. Regionale Klimaat Adaptatie Strategie (RAS) De overheden en andere partijen in Noord-Brabant en Limburg delen kennis en ervaringen om zich voor te bereiden op de veranderingen door extreem weer en watertekorten. We werken ook samen aan één Uitvoeringsprogramma Klimaatadaptatie, dat eind 2020 klaar moet zijn. Het eerste deel van dit uitvoeringsprogramma is onze gezamenlijke Strategie Klimaatadaptatie Zuid-Nederland. In Waterpanel Noord-verband wordt eind 2020 gewerkt aan een regionale uitvoerignsagend. Regionale Energie Strategie (RES) Noord en Midden Limburg Op 28 mei 2020 is de concept RES Noof en Midden Limburg vrijgegeven voor besluitvorming door de lokale colleges, gedeputeerde staten en het waterschapsbestuur.
Zwaartepunt ligt bij - energie besparen zodat we minder hoeven op te wekken; - duurzame elektriciteit opwekken uit zon en wind; - duurzame warmte gebruiken zodat we stap voor stap van het aardas afkunnen en - voordelen voor inwoners vergroten. He zal duidelijk zijn dat deze aanpak grote ruimtelijke consequenties kan hebben. Meekoppelen om ook klimaatadaptatie te realiseren ligt dan ook voor de hand. Bouwstenen voor Water en Klimaat De partners binnen de Waterpanels Limburg hebben samen bouwstenen opgesteld om de onderwerpen water en klimaat een plek te geven in de Omgevingsvisies. De uitgewerkte bouwstenen zijn onderverdeeld in de volgende thema’s: • natuurlijk water, • passende bescherming, • schoon water en • voldoende water. Deze bouwstenen dragen niet alleen inhoudelijke elementen aan, maar geeft ook aan hoe water een oplossing kan bieden voor andere werkvelden. Het uiteindelijke doel is dat overheden nog meer gaan samenwerken, het gesprek aangaan over water en gezamenlijk zoeken naar oplossingen, zoveel mogelijk in samenspraak met inwoners, bedrijven belangenorganisaties. Waterplan Limburgse Peelen en Uitdiepen GRP regio Venlo-Venray De gemeenten in Waterpanel Noord hebben twee voorgaande plannen. Gemeenten Maasgouw, Nederweert, Leudal, Peel en Maas, Roermond, Roerdalen, Weert en EchtSusteren hebben samen het waterketenplan Limburgse Peelen opgesteld. Gemeenten
Venray, Beesel, Gennep, Venlo, Horst aan de Maas en Bergen hebben samen het plan Uitdiepen GRP regio Venlo-Venray opgesteld.
Lokaal Gemeentelijk rioleringsplan In de Wet milieubeheer is in artikel 4.22 vastgelegd dat gemeenten een actueel gemeentelijk rioleringsplan hebben. Hierin staat hoe de gemeente jaar watertaken invult. Met de ingang van de Omgevingswet (1 januari 2022) vervalt deze verplichting. De Gemeentewet blijft wel van kracht na de invoering van de Omgevingswet. Om de juiste heffing te bepalen, is inzicht in de werkzaamheden en planning noodzakelijk. Een rioleringsplan, in welke vorm ook, zal daarom nog steeds nodig zijn. Bouwverordening In de bouwverordening is de regelgeving rondom (ver)bouwen en gebruik van gebouwen vastgelegd. In relatie tot water en riolering is de bouwverordening belangrijk omdat o.a. de aansluiting van panden op de riolering en de aanleghoogte van de woningen hierin is vastgelegd. Dit moet onder de Omgevingswet worden opgenomen in het lokale omgevingsplan. Hemel- en grondwaterverordening In de Wet milieubeheer is in artikel 10.32a vastgelegd dat de gemeente het lozen van afvloeiend hemelater en/of grondwater kan reguleren met een hemel- en grondwaterverordening. Deze verordening moet aansluiten op het beleid zoals opgenomen in het GRP en kan regels stellen ten aanzien van het zelf verwerken van hemel- en grondwater op particulier terrein. Het college van B&W doet een gebiedsaanwijzing waarvoor de verordening van toepassing wordt verklaard.
Ook deze verordening vindt onder de omgevingswet zijn plaats in het omgevingsplan. Handreiking – decentrale regelgeving voor klimaatadaptief bouwen en inrichten Op 20 april 2020 is de handreiking decentale regelgeving klimaatadaptief bouwen en inrichten gepubliceerd door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het doel van deze handreiking over decentrale regelgeving bij klimaatadaptief bouwen is om aan de hand van concrete voorbeelden te laten zien op welke wijze verschillende aspecten van klimaatadaptief bouwen kunnen worden “geregeld”. Zodat de discussie bij gemeenten, waterschappen en provincies niet meer gaat over de vraag of het mogelijk is om deze aspecten te “regelen” en verschuift naar de vraag in hoeverre decentrale regelgeving nuttig en nodig is of dat het “regelen” ook op een andere manier kan, zoals via stimuleringsmaatregelen of via afspraken in een convenant. Alle vier de thema’s hittestress, droogte, wateroverlast en waterveiligheid komen via factsheets aan bod.
Toekomstig recht: Omgevingswet De Omgevingswet De Omgevingswet treedt per 1-1-2022 in werking. De Omgevingswet integreert vele wetten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. De fysieke leefomgeving omvat volgens artikel 1.2 lid 2 van de wet in ieder geval: a. bouwwerken, b. infrastructuur, c. watersystemen, d. water, e. bodem, f. lucht, g. landschappen, h. natuur en i. cultureel erfgoed. De nieuwe wet omvat de belangrijkste delen van het omgevingsrecht, zowel procedureel als materieel. Eenvoudig gesteld komt het erop neer dat de meeste ‘omgevingswetten’ die we nu kennen inhoudelijk worden geïntegreerd en geharmoniseerd, zoals de Wet milieubeheer en (delen van) de Waterwet. De nieuwe wet moet leiden tot snellere en verbeterde besluitvormingsprocessen, integratie van plannen en toetsingskaders, grotere bestuurlijke afwegingsruimte en doelmatig uitgevoerde onderzoeken. De Omgevingswet heeft twee doelen: 1. beschermen: het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit; 2. benutten: de fysieke leefomgeving doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen om er maatschappelijke behoeften mee te vervullen. Overigens wordt de Drinkwaterwet niet opgenomen in de Omgevingswet evenals een klein deel van de Waterwet. De zorgplicht uit de Drinkwaterwet zoals die eerder is aangegeven, blijft onverminderd bestaan.
Ook in de omgevingswet zelf is opgenomen dat bestuursorganen rekening moeten houden met het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening, in samenhang met andere relevante onderdelen en aspecten van de fysieke leefomgeving (artikel 2.1 lid 3). Dit naast de hieronder genoemde gemeentelijke zorgplichten.
De zorgplichten In de Omgevingswet komen de zorgplichten voor stedelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater en grondwatermaatregelen gewoon weer terug, in artikel 2.16 lid 1.
Zorgplichten in de Omgevingswet, artikel 2.16 1. Bij het gemeentebestuur berusten, naast de elders in deze wet en op grond van andere wetten aan dat bestuur toegedeelde taken voor de fysieke leefomgeving, de volgende taken: a. op het gebied van het beheer van watersystemen en waterketenbeheer: 1°. de doelmatige inzameling van afvloeiend hemelwater, voor zover de houder het afvloeiend hemelwater redelijkerwijs niet op of in de bodem of een oppervlaktewaterlichaam kan brengen, en het transport en de verwerking daarvan, 2°. het treffen van maatregelen in het openbaar gemeentelijke gebied om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de op grond van deze wet aan de fysieke leefomgeving toegedeelde functies zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, voor zover het treffen van die maatregelen doelmatig is en niet op grond van artikel 2.17, 2.18 of 2.19 tot de taak van een waterschap, een provincie of het Rijk behoort, 3°. de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater, 4°. het beheer van watersystemen, voor zover toegedeeld bij omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.18, tweede lid, of bij ministeriële regeling als bedoeld in artikel 2.20, derde lid, 5°.
de zuivering van stedelijk afvalwater, in gevallen waarin toepassing is gegeven aan artikel 2.17, derde lid 2.17 lid 3: Het waterschapsbestuur en het gemeentebestuur kunnen, in afwijking van het eerste lid, bij gezamenlijk besluit bepalen dat de zuiveringstaak, bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 2°, tot de taak van de gemeente behoort, als dat doelmatiger is voor de zuivering van het stedelijk afvalwater.
De instrumenten Het nieuwe omgevingsrecht kent verschillende instrumenten:
Figuur 7.6 Instrumenten Omgevingswet (bron: Omgevingswetportaal.nl)
De belangrijkste instrumenten lichten we toe. Omgevingsvisie De omgevingsvisie is een integraal strategisch plan voor de fysieke leefomgeving. Integraal houdt in dat de visie betrekking heeft op alle terreinen van de fysieke leefomgeving, zoals verkeer en vervoer, water, milieu, natuur, gebruik van natuurlijke hulpbronnen, landbouw en cultureel erfgoed. Je kunt je voorstellen dat ook de watercomponent een belangrijke rol speelt in de omgevingsvisie. Daar zit dus het raakvlak met de rioleringszorg. Omgevingsplan Het omgevingsplan is een ander instrument uit de omgevingswet. Het omgevingsplan bevat regels over de fysieke leefomgeving, dus ook regels over riolering en stedelijk water. De regels die nu in provinciale en gemeentelijke verordeningen staan (zoals de hemel- en grondwaterverordening), maar ook alle bestemmingsplannen, komen er in terecht. Met de omgevingswet verdwijnen ook de lozingenbesluiten die voor de rioleringszorg belangrijk zijn. Om ervoor te zorgen dat er geen situatie ontstaat waarin er geen regels voor lozingen meer gelden, zijn in de Bruidsschat regels opgenomen die van rechtswege overgaan in het gemeentelijke omgevingsplan. De gemeente heeft dan tot 2029 de tijd om deze regels te bestendigen, aan te passen of te laten vervallen. Programma’s
Een programma zoals dat in de Omgevingswet wordt bedoeld, bevat maatregelen voor een aspect van de leefomgeving of voor een bepaald gebied, bijvoorbeeld voor riolering en stedelijk water. Het is uitvoeringsgericht. Dat wil zeggen dat in een programma concrete uitvoering wordt gegeven aan beleidsdoelen door middel van sectorale of gebiedsgerichte maatregelen. Het gemeentelijk rioleringsprogramma is een vrijwillig programma, de gemeente is niet verplicht dit op te stellen. Het is wel het enige onverplichte programma dat in de Omgevingswet bij naam en toenaam wordt genoemd. AMvB’s Vier AMvB’s geven de spelregels van de Omgevingswet: • Het Omgevingsbesluit; • Het Besluit kwaliteit leefomgeving; • Het Besluit bouwwerken leefomgeving; • Het Besluit activiteiten leefomgeving. In Figuur 7-1 zijn de besluiten en hun kenmerken weergegeven.
Figuur 7-1 Infographic Omgevingswet (bron: Ministerie I&M 2016)
Bijlage 5
Omgevingsplan en bruidsschat
Notitie Onderwerp Datum Informatie
Omgevingsplan en bruidsschat – Waterpanel Noord 18 mei 2020 06 288 57 089 of simon.handgraaf@colibri-advies.nl
1. Inleiding De partijen in Waterpanel Noord stellen gezamenlijk een waterketenplan op. Dit waterketenplan geeft invulling aan de doelen van de samenwerking: kennisdelen, eenduidig zijn richting de ‘klanten’, de zorg voor de waterketen tegen de laagst maatschappelijke kosten uitvoeren, de kwaliteit van de leefomgeving verhogen en een hersteld, gezond watersysteem realiseren. Daarbij krijgen nieuwe ontwikkelingen zoals klimaatadaptatie en de Omgevingswet nadrukkelijk een plaats. In deze fase van het project om het waterketenplan op te stellen, wordt het gezamenlijke waterketenbeleid verder uitgewerkt. Een onderdeel daarvan is het opstellen van voorstellen voor de decentrale regelgeving in het kader van de Omgevingswet. De voorliggende notitie heeft tot doel om in beeld te brengen wat er in ieder geval in die voorstellen moet staan. De bruidsschat voor het omgevingsplan en de waterschapsverordening speelt daarin een belangrijke rol. In paragraaf 2 van deze notitie wordt kort geschetst wat het omgevingsplan en de waterschapsverordening zijn en welke eisen de Omgevingswet daaraan stelt. Paragraaf 3 beschrijft de situatie bij inwerkingtreding van de Omgevingswet: het ontstaan van een omgevingsplan van rechtswege en een waterschapsverordening van rechtswege.
In de volgende paragraaf wordt ingegaan op het proces na inwerkingtreding, waarin gemeenten en waterschappen hun omgevingsplan en waterschapsverordening gaan omzetten tot een volwaardige versie. In paragraaf 5 wordt ingegaan op de inhoud van de bruidsschat en wordt een voorstel gedaan voor de omzetting van de bruidsschat, afhankelijk van het onderwerp. 2. Kenmerken van het omgevingsplan en de waterschapsverordening Met de stelselherziening omgevingsrecht wordt niet alleen op rijksniveau gestreefd naar integratie van de regels over de fysieke leefomgeving. Ook de decentrale overheden moeten aan de slag met integratie. De Omgevingswet verplicht gemeenten en waterschappen om alle juridisch bindende regels over de fysieke leefomgeving samen te voegen in respectievelijk het omgevingsplan en de waterschapsverordening. Omgevingsplan Het omgevingsplan is het gemeentelijke instrument met bindende regels voor burgers en bedrijven. In het omgevingsplan worden per gemeente alle voor de fysieke leefomgeving relevante regels ondergebracht. Het omgevingsplan zal dus alle huidige bestemmingsplannen gaan omvatten, maar ook regels uit bijvoorbeeld een kapverordening, erfgoedverordening en de “fysieke” onderdelen van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Er zijn ook regels die niet in het omgevingsplan terecht mogen komen.
Voor de waterketen is relevant dat de rioolheffingsverordening en een eventuele verordening eenmalig aansluitrecht niet in het omgevingsplan worden geïntegreerd. Dat zijn
belastingverordeningen, en het Rijk heeft (in overleg met de koepelorganisaties) bepaald dat belastingregels buiten het omgevingsplan blijven. Het omgevingsplan is gericht op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De nadruk ligt daarbij op het woord “evenwichtig”. Gemeenten moeten zorgen dat met de regels in het omgevingsplan een goede balans ontstaat tussen het beschermen van de fysieke leefomgeving (beschermen van bijvoorbeeld de waterkwaliteit, de bodem en de werking van de riolering) en het benutten van de fysieke leefomgeving (activiteiten zoals bouwen, wonen en recreëren). Gemeenten hebben daarbij een grote mate van beleidsvrijheid. Die vrijheid wordt wel beperkt op de beleidsterreinen waar het Rijk en de provincies een rol hebben, zoals natuur, grondwaterbescherming en het beheer van de rijkswateren. Op die onderwerpen stellen het Rijk en de provincies instructieregels, die de gemeente moet opvolgen bij het opstellen van het omgevingsplan. De instructieregels van het Rijk staan in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en de instructieregels van de provincie staan in de omgevingsverordening. Relatie omgevingsvisie en omgevingsplan De omgevingsvisie is van belang voor het omgevingsplan, omdat de omgevingsvisie het stellen van regels in een omgevingsplan zal moeten legitimeren.
De onderbouwing van de noodzaak van de regels in het omgevingsplan komt dus terug in de omgevingsvisie. Dat betekent dat de omgevingsvisie op relevante onderdelen voldoende concreet zal moeten zijn om deze rol op een goede manier te vervullen. Waterschapsverordening De keur is de huidige verordening van het waterschap ter uitvoering van de waterbeheertaken. Dit wordt in het nieuwe stelsel de waterschapsverordening. Ook de waterschapsverordening moet alle regels over de fysieke leefomgeving integreren. Centraal in de waterschapsverordening staan gebods- en verbodsbepalingen die zich richten tot diegenen die handelingen uitvoeren in watersystemen (oppervlaktewater, grondwater, waterkeringen en bergingsgebieden). Net als bij het omgevingsplan, mogen in de waterschapsverordening geen belastingregels worden opgenomen. De watersysteemheffing en verontreinigingsheffing blijven dus in aparte verordeningen geregeld. Daarnaast mag de waterschapsverordening geen regels over onderhoud bevatten. Onderhoudsverplichtingen moeten worden opgenomen in de onderhoudslegger op grond van de Waterschapswet. Het Rijk en de provincies stellen ook instructieregels over waterschapsverordeningen. De instructieregels van het Rijk (in hoofdstuk 6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving) gaan met name over de implementatie van de kaderrichtlijn water.
De provinciale instructieregels komen in de omgevingsverordening te staan. Het watertoetsproces In het huidige watertoetsproces wordt een aantal stappen doorlopen met waterbeheerders om na te gaan of er rekening wordt gehouden met waterbelangen in ruimtelijke planprocessen van gemeenten, provincies en het Rijk. De kern van het instrument wordt gevormd door vroegtijdig overleg, een wateradvies en een waterparagraaf in de ruimtelijke plannen (zoals bestemmingsplannen). De Omgevingswet gaat uit van een integrale benadering van alle aspecten van de fysieke leefomgeving, zoals ruimtelijke ordening, water, natuur, bodem en milieukwaliteit. Alle bestuursorganen moeten bij de uitoefening van hun taken en bevoegdheden rekening houden met de taken van andere bestuursorganen (art. 2.2 Omgevingswet). Met dit uitgangspunt borgt de Omgevingswet bijvoorbeeld dat gemeenten bij het opstellen van een omgevingsvisie en omgevingsplan al in een vroeg stadium de waterbelangen meewegen.
Andersom geldt dat waterschappen bij het opstellen van de waterschapsverordening rekening moeten houden met de taken van de gemeenten. De watertoets zou, gelet op dit uitgangspunt, niet meer wettelijk hoeven te worden voorgeschreven. Toch is een (enigszins aangepaste) watertoets in het Besluit kwaliteit leefomgeving opgenomen. Deze nieuwe watertoets legt meer nadruk op de inhoudelijke vertaling van het waterbelang in onder andere omgevingsplannen, en minder op het proces. 3. Inwerkingtreding Ow: omgevingsplan en waterschapsverordening van rechtswege Via de Invoeringswet Omgevingswet zorgt het Rijk ervoor dat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet alle gemeenten een omgevingsplan hebben, en alle waterschappen een waterschapsverordening. Het omgevingsplan dat van rechtswege ontstaat, bevat alle vigerende bestemmingsplannen en een aantal verordeningen, waaronder een eventuele verordening afvoer hemel- en grondwater (als de gemeente die had vastgesteld). De waterschapsverordening die van rechtswege ontstaat, bevat de keur en de algemene regels van het waterschap. Daarnaast bevatten het omgevingsplan en de waterschapsverordening de regels van de bruidsschat. Naast het omgevingsplan blijven de verordeningen met regels over de fysieke leefomgeving van de gemeente (anders dan de verordening afvoer hemelen grondwater) vooralsnog gewoon bestaan.
Die verordeningen moeten gaandeweg worden geïntegreerd in het omgevingsplan. Het omgevingsplan van rechtswege en de waterschapsverordening van rechtswege voldoen nog niet aan de eisen van het nieuwe stelsel, zoals de instructieregels. Voor gemeenten geldt een overgangstermijn tot 2029: op 1/1/2029 moet het omgevingsplan helemaal klaar zijn en voldoen aan het nieuwe stelsel. Waterschappen krijgen twee jaar de tijd om een “echte” waterschapsverordening te maken, die aan alle eisen van de Omgevingswet, het Besluit kwaliteit leefomgeving en de instructieregels van de provincie voldoet. Er zijn verschillende onderwerpen die in het huidige recht uitputtend zijn geregeld door het Rijk, maar onder de Omgevingswet niet meer. Voor deze onderwerpen zou (zonder overgangsrecht) een gat kunnen vallen, want gemeenten en waterschappen hebben die regels nog niet direct bij inwerkingtreding in het omgevingsplan en de waterschapsverordening verwerkt. Het Rijk voorziet in overgangsrecht voor deze voormalige rijksregels in de vorm van de bruidsschat. De bruidsschat wordt van rechtswege toegevoegd aan ieder omgevingsplan en iedere waterschapsverordening. Zo wordt het gat gedicht. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet kunnen gemeenten en waterschappen de bruidsschatregels aanpassen of schrappen. En bruidsschatregels die zij goed vinden, kunnen ze behouden.
Het voordeel van deze vorm van overgangsrecht is dat iedere gemeente en ieder waterschap zijn eigen tempo kan kiezen, terwijl de betreffende regels wel direct op de juiste plaats staan. De regels over de betreffende onderwerpen zijn voor burgers en bedrijven direct vanaf inwerkingtreding te vinden in het omgevingsplan en de waterschapsverordening, en ze zullen daar – al dan niet in aangepaste vorm – ook altijd te vinden zijn. 4. Na inwerkingtreding Ow: aanpassen van het omgevingsplan Na inwerkingtreding van de Omgevingswet zullen gemeenten aan de slag gaan met de stapsgewijze ombouw van het omgevingsplan van rechtswege naar een volwaardig, nieuw omgevingsplan. Daarbij moet de gemeente de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving en eventuele instructieregels uit de omgevingsverordening van de provincie opvolgen. En hetzelfde geldt voor de waterschappen: zij moeten de waterschapsverordening van rechtswege ombouwen naar een nieuwe, volwaardige waterschapsverordening in overeenstemming met alle instructieregels.
Gezien de omvang van alle regels over de fysieke leefomgeving die nu in bestemmingsplannen en verordeningen staan, is het niet te verwachten dat gemeenten in één keer een nieuw omgevingsplan voor de gehele gemeente zullen vaststellen. In plaats daarvan zullen gemeenten het omgevingsplan deels gebiedsgericht (bijvoorbeeld een nieuwbouwwijk) en deels thematisch (bijvoorbeeld het onderwerp water) opbouwen, in een serie van opeenvolgende wijzigingen van het omgevingsplan. De gemeente zal bij iedere wijziging van het omgevingsplan, zowel gebiedsgericht als thematisch, moeten bekijken of naast toevoeging van nieuwe regels ook regels van de bruidsschat of oude regels uit de voormalige bestemmingsplannen of hemelwaterverordening geschrapt of aangepast moeten worden. Deze werkwijze is geïllustreerd in onderstaande figuur. Uiteindelijk moet dit er toe leiden dat er in 2029 een integraal omgevingsplan is dat voldoet aan alle eisen van het nieuwe stelsel.
Geografische component: werkingsgebieden Regels in het omgevingsplan of de waterschapsverordening moeten altijd een geografisch werkingsgebied hebben. Dat werkingsgebied wordt digitaal vastgelegd in geometrische informatie-objecten (GIO). Het omgevingsplan en de waterschapsverordening zullen regels bevatten die gelden voor het gehele gebied van de gemeente of het waterschap. Daarnaast zullen er regels zijn met een kleiner werkingsgebied: bijvoorbeeld de kernen, of een bepaalde wijk. Zo kunnen regels over bijvoorbeeld waterberging gebiedsspecifiek gemaakt worden: op iedere plek kan worden bepaald wat de omvang van de vereiste waterberging in het betreffende gebied moet zijn. Het is zelfs mogelijk om een regel heel specifiek aan een bepaalde locatie te koppelen, tot op het niveau van een straat of perceel.
5. Inhoud en omzetting van de bruidsschat De bruidsschat is te vinden in het Invoeringsbesluit Omgevingswet. 4 De bruidsschat voor het omgevingsplan is opgenomen in afdeling 7.1 van het invoeringsbesluit en de bruidsschat voor de waterschapsverordening in afdeling 7.2. Bij beide bruidsschatten hoort ook een toelichting, die is opgenomen in bijlage 1 en 2 bij het invoeringsbesluit. De toelichting wordt bij inwerkingtreding van de Omgevingswet, net als de bruidsschatregels zelf, van rechtswege opgenomen in ieder omgevingsplan en iedere waterschapsverordening. De bruidsschat voor het omgevingsplan omvat in totaal ruim 70 pagina’s. Het grootste deel daarvan – 50 pagina’s – bestaat uit regels over milieubelastende activiteiten. Daarnaast zijn er 10 pagina’s met regels over bouwen en nog eens 10 pagina’s met overige regels. De bouwregels van de bruidsschat voor het omgevingsplan bevatten één onderwerp dat van belang is voor de waterketen, namelijk de aansluitleidingen voor huishoudelijk afvalwater en afstromend regenwater. Binnen de milieuregels van de bruidsschat voor het omgevingsplan zijn de regels over lozen op de riolering en in de bodem relevant. Dat zijn circa 16 pagina’s. De bruidsschat voor de waterschapsverordening is 20 pagina’s groot, waarvan 16 pagina’s gaan over lozingen in oppervlaktewater.
De rest gaat over indieningsvereisten en beoordelingsregels voor vergunningen en de meld- en meetplicht bij grondwateronttrekkingen. De regels in de bruidsschat van het omgevingsplan die relevant zijn voor de waterketen kunnen worden gecategoriseerd in vijf soorten regels. Die onderverdeling is een handig aanknopingspunt om te bepalen wat de gemeente met de betreffende regels zou moeten doen. Categorie 1: regels die rechtstreeks samenhangen met de gemeentelijke watertaken De bruidsschat voor het omgevingsplan bevat een aantal regels die rechtstreeks raken aan de gemeentelijke watertaken. Als eerste betreft dat de regels over de aansluitleidingen voor huishoudelijk afvalwater en afstromend regenwater (artikel 22.12). In dit artikel zijn de regels van het Bouwbesluit 2012 overgenomen over de eisen aan terreinleidingen bij nieuwbouw en bestaande bouw en over het zogeheten aansluitvoorschrift (het voorschrift dat B&W stellen over de ligging, hoogte en diameter van aansluitleidingen ter plaatse van de perceelgrens). Ten tweede betreft het de regels over de lozing van grondwater, afstromend regenwater en huishoudelijk afvalwater in de bodem en in de riolering. Deze regels staan in de paragrafen 22.3.8.1 tot en met 22.3.8.3 van de bruidsschat omgevingsplan (Op).
Deze eerste categorie regels zouden moeten worden aangepast aan het beleid dat in de omgevingsvisie en het watertakenplan / watertakenprogramma is opgenomen. De regels over lozing van huishoudelijk afvalwater in het buitengebied kunnen bijvoorbeeld concreter worden gemaakt door het juiste geografische werkingsgebied toe te voegen: in welk deel van het buitengebied moet worden aangesloten op drukriolering of gemeentelijke IBA’s en in welk deel van het buitengebied moeten perceeleigenaren zelf hun huishoudelijke afvalwater zuiveren? De regels over lozen van grondwater en hemelwater kunnen worden toegesneden op de invulling van de gemeentelijke zorgplichten voor grondwater en hemelwater: wat moeten perceeleigenaren in welk gebied met die afvalwaterstromen doen? Als de gemeente bijvoorbeeld een bergingseis hanteert voor opgevangen regenwater, dan 4 Zie https://www.omgevingswetportaal.nl/wet-en-
regelgeving/documenten/publicaties/2020/03/12/voorjaarsversie-invoeringsbesluit-omgevingswetmaart-2020, onderdeel 5.
ligt het voor de hand om die eis op te nemen bij de regels over lozen van hemelwater moeten terugkomen. Het aansluitvoorschrift (onderdeel van de bouwregels van de bruidsschat) kan worden vereenvoudigd door algemene, rechtstreeks werkende regels te stellen over de ligging, hoogte en diameter van de leidingen – in ieder geval bij gemeenten die daar al een “standaardvoorschrift” voor hebben ontwikkeld. Dat scheelt een hoop werk, aangezien het aansluitvoorschrift nu nog per perceel moet worden gesteld en een afzonderlijk besluit (of als onderdeel van de bouwvergunning). Categorie 2: BBT-regels over veel voorkomende lozingen De tweede categorie regels in de bruidsschat betreft veel voorkomende lozingen, waarvoor de lozingsregels het niveau van de beste beschikbare technieken (BBT) weergeven. Dat is de inspanning die generiek van bedrijven wordt verwacht om de nadelige gevolgen voor het milieu te beperken. Voorbeelden van deze categorie zijn: • grondwater afkomstig van grondwatersanering (§ 22.3.8.1 Op) • op- en overslaan van inerte goederen (§ 22.3.8.6 Op) • wassen van motorvoertuigen (§ 22.3.14 Op) • bereiden van voedingsmiddelen (§ 22.3.15 Op) In het algemeen is het aan te raden om deze regels van de bruidsschat te behouden. Alleen in bijzondere omstandigheden is er een reden om deze regels te veranderen.
Zo kunnen de regels over voedselbereiding (de verplichte vetafscheider in de horeca) voor een specifiek restaurant te streng zijn, als er bij de voedselbereiding geen of weinig vetten worden gebruikt. In dat geval ligt het echter eerder voor de hand om via een maatwerkvoorschrift toe te staan dat geen vetafscheider wordt toegepast, dan om voor dat specifieke geval de regels in het omgevingsplan aan te passen. Categorie 3: vangnetvergunningplicht voor lozingen in schoonwaterriolering Conform het huidige Activiteitenbesluit is in art. 22.264 van de bruidsschat omgevingsplan een vergunningplicht opgenomen voor alle lozingen op de hemelwaterriolering of een ontwateringsstelsel, die niet afkomstig zijn van bedrijven die onder het Besluit activiteiten leefomgeving vallen en die niet onder de algemene regels van de bruidsschat vallen. Dit wordt wel de vangnetvergunning voor lozingen genoemd. Een vergelijkbare vergunningplicht is opgenomen in de bruidsschat voor de waterschapsverordening (Wv), voor lozingen in oppervlaktewater (zie art. 2.61 Wv). In samenhang met deze vangnetvergunningplicht is in de bruidsschat voor het omgevingsplan een aantal paragrafen opgenomen waarin lozingen worden toegestaan, zonder dat er inhoudelijke eisen worden gesteld. De enige reden dat deze paragrafen bestaan, is omdat de betreffende lozingen anders onder de vangnetvergunningplicht zouden vallen.
Dit betreft: • koelwater (§ 22.3.8.4 Op) • periodiek reinigen bouwwerken (§ 22.3.8.5 Op) • schoonmaken drinkwaterleidingen (§ 22.3.8.7 Op) • calamiteitenoefeningen (§ 22.3.8.8 Op) • recreatieve visvijvers (§ 22.3.12 Op) In het algemeen wordt – ook onder het huidige recht – geen aanvraag om dergelijke vergunningen gedaan. Het betreffende artikel speelt in de praktijk alleen een rol bij de handhaving: burgers en bedrijven kunnen op dit artikel worden aangesproken als zij afvalwater of afvalstoffen in de hemelwaterriolering lozen die daarin evident niet thuis horen (denk aan het lozen van motorolie in een straatkolk). Het is echter ook mogelijk om tegen dit soort lozingen op te treden op grond van de specifieke zorgplicht (art. 22.42 bruidsschat omgevingsplan en art. 2.4 bruidsschat waterschapsverordening). Dat vergt een iets andere
werkwijze van toezichthouders: zij moeten in dat geval onderbouwen dat een burger of bedrijf niet de zorg betracht die redelijkerwijs van hem wordt verwacht, in plaats van een overtreding van een lozingsverbod. Toezichthouders hebben daar op dit moment vaak bezwaren tegen. Daar staat tegenover dat de specifieke zorgplicht in het Besluit activiteiten leefomgeving dezelfde rol gaat vervullen, en toezichthouders dus sowieso moeten aanleren om tegen overtredingen van de specifieke zorgplicht op te treden. Als hierover binnen de gemeente en het waterschap overeenstemming wordt bereikt, dan kunnen van de bruidsschat zowel de vangnetvergunningplicht als de bovengenoemde paragrafen geschrapt worden. Categorie 4: regels over afwijkende lozingsroutes In het huidige Activiteitenbesluit wordt voor verschillende lozingen een aantal mogelijke lozingsroutes toegestaan (bijvoorbeeld: bij voorkeur lozen op een vuilwaterriool, maar als er geen vuilwaterriool aanwezig is of de capaciteit daarvan is niet toereikend, dan mag onder voorwaarden ook geloosd worden in oppervlaktewater). In het Besluit activiteiten leefomgeving is een aantal van dit soort alternatieve lozingsroutes geschrapt. Het Bal bevat maar één voorgeschreven lozingsroute, en afwijkende lozingsroutes moeten worden toegestaan met een maatwerkvoorschrift of met maatwerkregels in het omgevingsplan en de waterschapsverordening.
Om bestaande bedrijven die van de vervallen alternatieve lozingsroutes gebruik maken niet in de wielen te rijden, zijn enkele alternatieve lozingsroutes in de bruidsschat opgenomen. Het gaat om de volgende onderdelen: • op- en overslaan niet-inerte goederen (§ 22.3.8.6 Op en afdeling 2.8 Wv) • spoelen biologische gewassen, sorteren biologisch fruit (§ 22.3.9 Op en afdeling 2.13 Wv) • maken betonmortel (§ 22.3.10 Op en afdeling 2.14 Wv) • uitwassen van beton (§ 22.3.11 Op en afdeling 2.14 Wv) Gemeenten en waterschappen zouden moeten bekijken of de betreffende alternatieve lozingsroutes daadwerkelijk worden gebruikt. Waar ze niet worden gebruikt, ligt het voor de hand om de betreffende artikelen te schrappen. De voorgeschreven lozingsroute van het Besluit activiteiten leefomgeving blijft dan de hoofdregel, en als een nieuw bedrijf een alternatieve lozingsroute wil gebruiken dan zal het daarvoor een maatwerkvoorschrift moeten aanvragen. Bij bestaande bedrijven die wel gebruik maken van de alternatieve lozingsroute in de bruidsschat, kan die alternatieve lozingsroute eveneens in een maatwerkvoorschrift worden geregeld. Als dat is gebeurd, kunnen de bovengenoemde onderdelen uit de bruidsschat worden geschrapt. Alleen als het om grote aantallen (bestaande of te verwachten) bedrijven gaat, is er een reden om de betreffende onderdelen in de bruidsschat te behouden.
Categorie 5: regels over kleinschalige activiteiten In het Besluit activiteiten leefomgeving worden in het toepassingsbereik van de regels voor verschillende bedrijfstakken ondergrenzen (drempels) gehanteerd. Alleen als een bedrijf boven de drempel komt, zijn de regels van het besluit van toepassing. De drempels zijn in sommige gevallen opgehoogd ten opzichte van het huidige Activiteitenbesluit. Om te zorgen dat voor bedrijven die nu wel onder het Activiteitenbesluit vallen, maar die straks niet onder het Besluit activiteiten leefomgeving vallen, toch dezelfde regels blijven gelden, zijn de regels voor bedrijven onder de drempel opgenomen in de bruidsschat. Dit betreft ook een aantal bedrijfstakken waarbij lozingen op de riolering voorkomen: • slachten van dieren, uitsnijden vlees etc. (§ 22.3.17) • opslaan van vaste mest (§ 22.3.23) • fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren (§ 22.3.25)
Ook voor de lozingen van deze bedrijfstakken is de vraag of de specifieke regels nodig zijn. Mogelijk kan volstaan worden met de specifieke zorgplicht van de bruidsschat. Als het oordeel is dat de specifieke zorgplicht afdoende bescherming biedt, dan kunnen de betreffende lozingsregels uit de bruidsschat geschrapt worden. Zo niet, dan kan de gemeente ze behouden. Afstemming bij het maken van een keuze over de omgang met de bruidsschat De keuze voor het omgaan met regels van de bruidsschat kan de gemeente niet alleen maken. Als eerste zal de omgevingsdienst of regionale uitvoeringsdienst (RUD) betrokken moeten worden. Zij voeren immers het toezicht uit op de betreffende regels en weten dus in hoeverre bepaalde activiteiten of overtredingen in de praktijk voorkomen. En daarnaast moeten gemeente en waterschap steeds gelijk optrekken bij het omvormen van de bruidsschat. Voor vrijwel iedere regel over lozingen in de bodem of riolering in de bruidsschat van de gemeente bestaat immers een corresponderende regel over de lozing in oppervlaktewater in de bruidsschat van het waterschap. Als de gemeente of het waterschap zonder afstemming die regels gaat veranderen, ontstaan er ongewenste effecten.
Colibri Advies BV Simon Handgraaf