Toelichting GR SC MER
Tekst van het document
Toelichting Gemeenschappelijke Regeling Servicecentrum MER Artikel 3, lid 1 De opname van de woorden “met name” geeft de kern van de taakstelling van de regeling aan. Het is echter mogelijk dat in de toekomst ook andere taakgebieden op- dan wel overgedragen kunnen worden aan het openbaar lichaam. Een eventuele bestuurlijke keuze in deze krijgt op deze wijze al een juridische basis. Zie hiervoor ook het zevende lid van dit artikel. Artikel 4, leden 1 en 2 Uit de tekst van het eerste lid blijkt dat de Regeling met name een uitvoeringsregeling is. Beleidsvoorbereiding blijft bij de Deelnemende gemeenten. In het tweede lid is echter bepaald dat op het taakveld Bedrijfsvoering ook beleidsontwikkeling van deze taakopdracht aan het openbaar lichaam mogelijk is. Deze keuze is met name ingegeven door efficiency en effectiviteit van de te nemen maatregelen. Deze hebben met name interne werking voor het openbaar lichaam en organisaties van de deelnemende gemeenten. Artikel 4, leden 3 t/m 6 In de tot nu toe geldende regeling is steeds uitgegaan van een mandaatverhouding tussen de deelnemende Colleges en de bestuursorganen van het openbaar lichaam. Op deze wijze wordt de bestuurlijke nabijheid en dus de lokale maat gegarandeerd.
In de praktijk blijkt echter dat op het taakveld Bedrijfsvoering de beleidsvorming heel goed op regeling-niveau kan gebeuren zonder iets af te doen aan de lokale maat daarvan (bijvoorbeeld ICT, personeelszaken, huisvesting). Efficiency en effectiviteit in beleidsvoorbereiding, besluitvorming en uitvoering van dat beleid zijn voor dit taakveld essentieel. Gelet op het voorgaande is daarom in het vierde lid een “kan-bepaling” opgenomen dat op dit taakveld ook delegatie mogelijk kan zijn. Daarbij gaat de bevoegdheid en de verantwoordelijkheid dus over naar het niveau van de bestuursorganen van de Regeling. In het vierde lid is deze delegatiemogelijkheid niet beperkt tot het taakveld Bedrijfsvoering. Uitbreiding naar andere taakvelden of onderdelen daarvan wordt hierdoor mogelijk. In het vijfde en zesde lid zijn daarom waarborgen opgenomen om deze keuzes zorgvuldig te laten verlopen (besluitvorming bij unanimiteit en een zienswijze procedure). Artikel 4a Dit is de uitwerking van de participatie van belanghebbenden in het functioneren van de Regeling. Als gevolg hiervan wordt het democratisch gehalte van de voorbereiding en de uitvoering verhoogd. De toepassing van deze bepaling is ook flexibel geformuleerd door middel van de opdracht dat hiervoor een nadere regeling opgesteld dient te worden.
Artikelen 5 t/m 10 en 11 Ofschoon het Algemeen Bestuur aan het hoofd staat van het openbaar lichaam, blijkt uit deze bepalingen dat het bestuurlijk zwaartepunt van het samenwerkingsverband als Pagina 1 van 2 - D - 169471
collegeregeling bij het Dagelijks Bestuur ligt. In die zin is ook hier sprake van verlengd lokaal bestuur. Artikel 10a De evaluatiebepaling is een direct gevolg van de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Hier is gekozen voor een evaluatietermijn van vier jaar. Nader te bepalen is de startdatum van deze termijn. Het ligt in de reden dat dit vier jaar is vanaf de inwerkingtredingsdatum van de gewijzigde regeling. Zie hiervoor artikel 28 van de regeling. Het is van belang hier te wijzen op de strekking van deze bepaling (en in het verlengde daarvan het op te stellen evaluatieplan en de uitvoering daarvan): de principiële vraag naar nut en noodzaak van de samenwerking moet uitdrukkelijk aan de orde gesteld worden. Artikel 12 Actieve informatieverschaffing is essentieel voor het transparant functioneren van het openbaar bestuur. Dit beginsel is ook recent neergelegd in de Wet open overheid (Woo). Zie met name Hoofdstuk 3 van de Woo. Om de toepassing van dit artikel en dus de Woo zo flexibel mogelijk te maken en te houden, is hier gekozen voor een nadere uitwerking in een informatiereglement. Door dit op deze wijze te doen kan worden bereikt dat de uitkomsten van de actieve openbaarheid snel verwerkt kunnen worden zonder dat de Regeling gewijzigd zou moeten worden. Artikel 18 Artikel 18 heeft betrekking op archiefbescheiden van Servicecentrum MER.
De zorg voor de archiefbescheiden van de in artikel 4, lid 1-3 en 7, genoemde taken blijft berusten bij de deelnemende gemeenten. Artikelen 19 t/m 22 Voor begroting en rekening sluiten deze bepalingen aan op het regime van de artikelen 34 e.v. van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Omdat deze wettelijke regelingen goed uitgewerkt zijn vergen die geen nadere uitwerking in de tekst van de Regeling. Artikel 25 De gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen vereist een uitwerking van de procedure voor uittreding en de gevolgen daarvan. In de hier opgenomen uitwerking ligt de nadruk op het in gezamenlijk overleg op te stellen uittredingsarrangement (zie lid 4). De bedoeling hiervan is dat partijen in redelijkheid en billijkheid een evenwichtig akkoord kunnen bereiken over de financiële gevolgen van een uittreding.
Pagina 2 van 2 - D - 169471