CConstaterende datEcht-Susteren
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

Gemeenteraad 30 mei 2024, gemeente Echt-SusterenBij agendapunt: Bestemmingsplan 'Abdij Lilbosch'15.082 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

X coord Y coord

Stal 1,2,3 Stal 4 Stal 5 Schuilstal 1 Schuilstal 2

191909 191930 191953 191889 191957

34

343805 343818 343777 343766 343766

EP hoogte Gem. Geb. Hoogte 1,50 1,50 1,50 1,50 1,50 1,50 1,50 1,50 1,50 1,50

EP Binnendiam 0,50 0,50 0,50 0,50 0,50

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

EP Uittree E aanvraag 0,40 0,40 0,40 0,40 0,40

1731,90 600,60 5060,00 483,00 483,00

Figuur Resultaten geur voorgrondbelasting

Achtergrondbelasting De achtergrondbelasting is de totale geurbelasting van alle veehouderijen in de omgeving van het geurgevoelig object. Voor de planlocaties is de achtergrondbelasting berekend. Dit is gedaan op basis van de vigerende vergunningen zoals opgenomen in de Kernregistratie dierverblijven (KRD) (4-10-2023). De achtergrondbelasting is berekend met V-Stacks Gebied (v2020). De emissiepunten van veehouderijen in een straal van 2 kilometer rondom het plangebied zijn meegenomen in de berekening. Voor de veehouderijen is gerekend met de parameters (emissiepunt hoogte, gemiddelde gebouwhoogte, schoorsteenbinnendiameter, uittreesnelheid) en emissiepunten zoals vermeld in de KRD Limburg. De berekende indicatieve achtergrondbelasting is weergegeven in onderstaande figuur 10. Voor de geurgevoelige objecten ten noorden van het plangebied is de achtergrondbelasting maximaal 4,77 OU. De enige uitzondering is Pepinusbrug 6K, met een achtergrondbelasting van 6,5 OU. Ten zuiden van het plangebied is de achtergrondbelasting hoger, voornamelijk door de aanwezigheid van andere veehouderijen in dit gebied. De maximale achtergrondgeurbelasting is 19,3 ter plaatse van Patersweg 10. Voor de woningen van Scheidingsweg 1/1A geldt een belasting van 11,2 OU.

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

35

Figuur Resultaten geur achtergrondbelasting

Beoordeling woon- en leefklimaat Voor alle geurgevoelige objecten in de omgeving van het plangebied geldt dat de achtergrondbelasting bepalende is voor het woon- en leefklimaat (voorgrondbelasting is minder dan de helft van de achtergrondbelasting). De enige uitzondering hierop is Pepinusbrug 6K, gevestigd aan de overzijde van de straat ten opzichte van het plangebied (voorgrondbelasting 3,9 OU en achtergrondbelasting 6,5 OU). Op basis van de voorgrondbelasting geldt ter plaatse van de Pepinusbrug 6K een redelijk goed woonklimaat (zie ook paragraaf 'Voorgrondbelasting'). Voor de overige gevoelige objecten is de achtergrondbelasting bepalend voor het woon- en leefklimaat. De achtergrondbelasting voor de overige geurgevoelige objecten ten noorden van het plangebied is maximaal 4,77 OU. Dit komt voor een concentratiegebied overeen met een goed woon- en leefklimaat (tabel A en B van de Handreiking Wgv & GGD-richtlijn geurhinder, oktober 2022). Hoogste achtergrondbelasting vindt plaats op de woningen dichtbij andere veehouderijen in de omgeving ten zuiden van het plangebied, met een hoogste waarde van 19,3 OU op de Patersweg 10 (gelegen tegenover veehouderij Patersweg 4). De beoordeling van het woon- en leefklimaat is weergegeven in onderstaande tabel.

De GGD sluit met betrekking tot het percentage (ernstige) hinder aan bij een richtwaarde van maximaal 12% kans op hinder (0-3% ernstige hinder) en een bovenwaarde van maximaal 20% kans op hinder (tot 10% ernstige hinder). Aan de bovenwaarde wordt voldaan.

Tabel Beoordeling woon- en leefklimaat voor omliggende geurgevoelige objecten op basis van tabel A en B van de Handreiking Wgv & GGD-richtlijn geurhinder, oktober 2022. Een dikgedrukte geurbelasting betekend dat deze bepalend is voor het woon- en leefklimaat.

36

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

Geurgevoelig object

Patersweg 10 Scheidingsweg 1/1A Pepinusbrug 6K Overige geurgevoelige objecten

Voorgrond geurbelasting (OU) 1 1,2 3,9 max 1,7

Achtergrond geurbelasting (OU) 19,3 11,2 6,5 max 4,77

Kans op geurhinder

Woon- en leefklimaat (concentratiegebied)

15-20% 10-15% 10-15% 5-10%

matig redelijk goed redelijk goed goed

5.4.4 Conclusie luchtkwaliteit en geur Gelet op vorenstaande uiteenzetting vormen de aspecten luchtkwaliteit en geur geen belemmering voor het planvoornemen.

5.5

Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op het risico dat een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen" (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden.

Plaatsgebonden risico (PR) De kans dat één persoon buiten het inrichtingsterrein overlijdt als gevolg van een calamiteit bij het bedrijf (plaatsgebonden risico). Groepsrisico (GR) De kans dat meerdere personen buiten het inrichtingsterrein overlijden als gevolg van een calamiteit bij het bedrijf (groepsrisico). Voor het groepsrisico wordt een oriëntatiewaarde gegeven en geldt voor nieuwe situaties een verantwoordingsplicht voor het bevoegd gezag. Om de risico's ter plaatse van het plangebied te achterhalen is er een analyse gemaakt van de externe veiligheidssituatie rondom het plangebied, met behulp van de landelijke Signaleringskaart Externe Veiligheid (ev-signaleringskaart.nl). Bijgaand is een uitsnede van de risicokaart opgenomen (onderstaande figuur ). De herbestemming maakt geen nieuwe risico volle inrichtingen mogelijk. Het plangebied ligt op voldoende afstand van risico volle inrichtingen en transport routes van gevaarlijke stoffen. Ter plaatse van het plangebied is er geen sprake van een verhoogd risico. Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

37

Figuur Risicovolle inrichtingen en transportroutes en veiligheidszones in de omgeving van het plangebied (Quickscan Signaleringskaart Externe Veiligheid) 5.5.1 Conclusie externe veiligheid Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmeringen vormt voor onderhavig planvoornemen.

5.6

Aanmeldnotitie vormvrije merbeoordeling

Algemeen: In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd dat voorafgaande aan een besluit of plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen, een milieueffectrapport (MER = rapport) opgesteld dient te worden. De milieueffectrapportage (m.e.r. = procedure) is een hulpmiddel bij het nemen van besluiten. Op deze manier krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De activiteiten waarvoor een MER opgesteld moet worden, zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r. Er wordt onderscheid gemaakt tussen een m.e.r.-beoordeling (categorie D), waarbij het bevoegd gezag een beslissing kan nemen of een m.e.r. nodig is, en een verplicht m.e.r. (categorie C). Om te bepalen in welke categorie een besluit of plan valt is er per categorie een lijst met activiteiten opgenomen in het Besluit m.e.r.. Hierin zijn ook de drempelwaardes in opgenomen, die aangeven welke procedure er doorlopen moet worden. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst, moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor besluiten boven

38

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

de D-drempel moet een m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd. Voor plannen boven de D-drempel kan sprake zijn van plan-m.e.r.-beoordeling of een m.e.r.-plicht. Voor activiteiten onder de drempelwaarden in de D-lijst moet een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' worden uitgevoerd. In gevallen dat een besluit of plan betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst kent de vormvrije m.e.r.-beoordeling in essentie twee mogelijke uitkomsten: o het is uitgesloten dat er belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn; dit moet dan in het besluit worden gemotiveerd; o belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten; in dit geval is tenminste een m.e.r.-beoordeling nodig (bij besluiten) of een MER noodzakelijk (bij een plan). Omdat de vormvrije mer-beoordeling moet worden toegepast bij alle activiteiten van de D-lijst onder de drempelwaarde, ongeacht de omvang, is het niet mogelijk om algemene richtlijnen te geven over de diepgang van de vormvrije m.e.r.-beoordeling. De benodigde diepgang hangt af van: de aard van de voorgenomen activiteit; de (gevoeligheid van de) omgeving waarin de activiteit is gesitueerd; de maatschappelijke aandacht voor de activiteit; mate van beschikbaarheid van informatie, bijvoorbeeld over de gevoeligheid van gebieden.

Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling kan aandacht worden besteed aan het volgende: een globale beschrijving van de ingreep -effectrelaties en dosis-effectrelaties van de voorgenomen activiteit; wat zijn maatgevende effecten van de voorgenomen activiteit? Is er sprake van emissies (bijvoorbeeld van geluid, lucht), verkeers-aantrekkende werking e.d.? Wat is het ruimtebeslag? wat is de afstand van de activiteit(en) tot gebieden die gevoelig zijn? zijn er over de activiteit indicatieve invloed afstanden bekend? waarvoor zijn de gebieden gevoelig? Heeft de voorgenomen activiteit daar invloed op? Bij onderhavig voornemen komen bovenstaande vragen, voor zover relevant, aan de orde. De aanmeldnotitie zoals gevoegd in Bijlage 2 van deze plantoelichting ziet hierbij uitsluitend toe op de herbestemming zoals hieronder verwoord.

Vormvrije mer-beoordeling: Wanneer een bestemmingsplan wordt getoetst in het kader van een milieueffectrapportage dan bestaat het voornemen uit de volgende elementen: Niet-benutte vergunningsruimte Nieuwe activiteiten en (her)bestemmingen), die nog niet zijn vergund Illegale situaties die worden gelegaliseerd met het voornemen. Het voornemen wordt vergeleken met de referentie situatie. De referentie situatie moet uitgaan van de feitelijke, (juridisch planologisch) legale situatie in combinatie met de autonome ontwikkeling.

Met het bestemmingsplan wordt voorzien in een herbestemming van het plangebied. Omdat het houden van varkens in de huidige situatie planologisch niet is toegestaan, is er sprake van een illegale situatie. Met de herbestemming wordt de varkenshouderij gelegaliseerd en is daarom onderdeel van het voornemen. Het

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

39

voornemen wordt vergeleken met de referentiesituatie, waarin planologisch geen varkenshouderij toegestaan is.

Relevante categorieën besluit m.e.r.: In de bijlagen van het besluit m.e.r. zijn de volgende categorieën opgenomen voor een m.e.r. –beoordeling (D-lijst):

D14: De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren. Waarbij voor varkens de volgende drempelwaarden zijn genoemd: •

2000 stuks mestvarkens (Rav cat. D.3),

•

750 stuks zeugen (Rav cat. D.1.2, D.1.3 en D.3 voor zover het opfokzeugen betreft), 3750 stuks gespeende biggen (biggenopfok) (Rav cat. D.1.1),

In Bijlage 2 van deze plantoelichting is voorzien in een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.- beoordeling. In deze aanmeldnotitie is op pagina 8 in tabel 1 een volledig overzicht van vergunde dieraantallen per categorie weergegeven. Voor wat betreft categorie D14 als bedoeld in de bijlagen van het besluit m.e.r. en hierin genoemde drempelwaarden is relevant dat het aantal te houden varkens bij de abdij 197 gespeende biggen, 30 fokzeugen en 227 vleesvarkens betreft. Dit ligt ruim onder de drempelwaarden van categorie D.14. Daarnaast is er geen passende beoordeling vereist omdat de reeds aanwezige onherroepelijke natuurvergunning één op één wordt ingepast in het bestemmingsplan. Om deze redenen geldt voor het planvoornemen geen directe m.e.r.-plicht. Als een plan betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst maar beneden de drempelwaarden vallen, moet wel een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Daarom is voor het bestemmingsplan een 'vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. De aanmeldnotitie is gevoegd in Bijlage 2 van deze plantoelichting. Voor de inhoud wordt hiernaar verwezen.

Conclusies aanmeldnotitie In onderstaande tabel zijn de conclusies per milieu aspect weergegeven waarbij is aangegeven of een significant effect kan worden uitgesloten.

Tabel Overzichtstabel conclusies Aspect

Conclusie

Natuurgebieden

In het bestemmingsplan is voldoende rekening gehouden met de bescherming van Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk. Uitvoering van voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatief effect op beschermde natuurgebieden. In het bestemmingsplan is voldoende rekening gehouden met de bescherming van (mogelijk) aanwezige flora en fauna. Uitvoering van voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatief effect op beschermde flora en fauna en de bestemmingsplanwijziging is niet strijdig met de Wet natuurbescherming.

Flora & Fauna

40

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

Significant effect? Nee

Nee

Stikstof

Fijnstof

Geur

Geluid

Externe Veiligheid

Bodem

Water

Cultuurhistorie

Archeologie

Het bestemmingsplan zorgt niet voor een toename van Nee stikstofdepositie op voor stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. De activiteiten die in het bestemmingsplan worden mogelijk Nee gemaakt zorgen niet voor een normoverschrijding ten aanzien van de fijnstofconcentratie. De veehouderij- en akkerbouwactiviteiten dragen niet significant bij aan de fijnstofconcentratie ter plaatse van omliggende woningen / te beschermen objecten. Het geurbelasting die door de veehouderij activiteiten mogelijk Nee worden gemaakt in het bestemmingsplan zorgen niet voor een normoverschrijding op omliggende voor geurgevoelige objecten. Ter plaatse van de geurgevoelige objecten is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Er is geen sprake van een geluidrelevante ontwikkeling vanuit Nee het oogpunt van een adequate herbestemming van de bestaande situatie waarbij de onherroepelijk vergunde situatie één op één op maat wordt herbestemd. Er worden geen nieuwe risico volle inrichtingen mogelijk Nee gemaakt. Het plangebied ligt op voldoende afstand van risico volle inrichtingen en transport routes van gevaarlijke stoffen. Ten behoeve van het bestemmingsplan vindt geen grondverzet Nee plaatst en worden geen saneringen opgestart. De agrarische functies die het bestemmingsplan mogelijk maakt, passen binnen de bodemfunctie en kwaliteit zoals aangegeven op de bodemkwaliteitskaart.

Het bestemmingsplan maakt geen toename in verhard Nee oppervlak mogelijk, waardoor het geen invloed heeft op de waterhuishouding in het gebied. In het bestemmingsplan zijn de bestemming 'Waarde – Nee Cultuurhistorisch waardevol ensemble' en gebiedsaanduiding 'overige zone – landschapselementen' opgenomen. De herbestemming houdt voldoende rekening met cultuurhistorische waarden en worden voldoende beschermd. De dubbelbestemming 'Waarde – archeologie 3' is opgenomen Nee in het bestemmingsplan. Met deze zone en bijbehorende regels wordt er voldoende rekening gehouden met archeologie.

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

41

42

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

Hoofdstuk 6

Overige ruimtelijke aspecten

Naast de diverse milieutechnische aspecten, zoals uiteengezet in hoofdstuk 5, dient tevens te worden gekeken naar de overige ruimtelijke aspecten. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de aspecten archeologie, cultuurhistorie, kabels en leidingen, verkeer en parkeren, waterhuishouding, natuur- en landschap, flora en fauna en duurzaamheid.

6.1

Archeologie

In Europees verband is als wettelijk toetsingskader het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden.Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin worden meegewogen in de besluitvorming. In de Erfgoedwet is vastgelegd dat Rijk, provincies en gemeenten in ruimtelijke plannen rekening houden met het aspect 'archeologie'. De wet beoogt het archeologische erfgoed in hoofdzaak in situ te beschermen. Voor de gemeente Echt-Susteren is een archeologische verwachtingskaart vastgesteld (Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de gemeente Echt-Susteren, 2010). Hierop is aangeduid aan welke gebieden archeologische waarden en archeologische verwachtingswaarden zijn toegekend. Hierin wordt onderscheid gemaakt in een hoge, middelhoge en lage verwachting. Ter plaatse van het plangebied geldt grotendeels een verwachtingswaarde hoge verwachting voor droge landschappen. In het zuidoosten geldt voor een klein gedeelte van het plangebied een middelhoge verwachting voor natte landschappen. In het vigerende bestemmingsplan geldt ter plaatse van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde – archeologie 3'.

In gebieden met deze dubbelbestemming worden de archeologische waarden beschermd. Bodemverstoring zonder omgevingsvergunning is niet toegestaan en bij de aanvraag van een vergunning moet worden gemotiveerd dat de archeologische waarden in voldoende mate worden gewaarborgd en niet onevenredig worden geschaad. De dubbelbestemming met bijbehorende regels is volledig overgenomen in het voorgenomen bestemmingsplan. Daarmee wordt voldoende rekening gehouden met het thema archeologie in het bestemmingsplan. 6.1.1 Conclusie archeologie Vorenstaande impliceert dat ten behoeve van het beoogde planvoornemen geen archeologisch onderzoek behoeft te worden verricht.

6.2

Cultuurhistorie

Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. In een bestemmingsplan dient op grond van het Bro artikel 3.1.6 een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, rekening is gehouden. Ook de facetten historische bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het plangebied is onderdeel van het ensemble Lilbosch (zie onderstaande figuur). Tot het ensemble behoort onder andere de abdij zelf, de Duitse vluchtbunker, een laan en stukken bos met monumentale bomen. Met name waardevol in het ensemble zijn de regelmatige wegenstructuur met laanbomen, de agrarische ruimten tussen en naast de lanen (als vierkante en rechthoekige 'kamers'), de hier en daar monumentale beplanting buiten de lanen (met name het oude bos rond de bunker) en het geconcentreerde abdijcomplex met monumentale bebouwing in de zuidelijke hoek en de nabijgelegen Duitse vluchtbunker.

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

43

Er zijn geen monumenten in het kader van de Monumentenwet 1988, aanwezig in het plangebied.

Figuur Cultuurhistorisch ensemble Lilbosch, Bestemmingsplan Cultuurhistorie Echt-Susteren (vastgesteld 2016-09-22) Het ensemble is in het vigerende bestemmingsplan aangeduid met de dubbelbestemming 'Waarde – Cultuurhistorisch waardevol ensemble'. Daarnaast geldt de gebiedsaanduiding 'overige zone -landschapselementen'. In het bestemmingsplan worden deze elementen beschermd. Wanneer ontwikkelingen ter plaatse van beschermde elementen plaatsvinden (waaronder bouw en grondwerkzaamheden), zal aangetoond moeten worden dat de cultuurhistorische waarden behouden of versterkt worden. Er moet een omgevingsvergunning worden aangevraagd voor het verwijderen van landschapselementen, of wanneer deze aan het zicht onttrokken worden, verstoord of schade wordt toegebracht. In het voorgenomen bestemmingplan is de bestemming 'Waarde - Cultuurhistorisch waardevol ensemble' en de bijbehorende regels volledig overgenomen. Hetzelfde geldt voor de gebiedsaanduiding 'overige zone – landschapselementen'. De herbestemming houdt daarmee voldoende rekening met cultuurhistorische waarden en worden voldoende beschermd.

6.3

Kabels en leidingen

Door het plangebied lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen. Er is op dat gebied derhalve geen sprake van bijbehorende (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden op dit punt. De aanwezigheid van kabels en leidingen met betrekking tot de nutsvoorzieningen in de omgeving is evident. Bij het nader uitwerken van de aansluitingen, dient met de verschillende netwerkbeheerders contact te worden opgenomen.

6.4

Verkeer en parkeren

Met betrekking tot onderhavig planvoornemen worden de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk gemaakt.

44

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

6.4.1 Verkeersstructuur Onderhavig plangebied wordt ontsloten via de Pepinusbrug. In de beoogde situatie wordt de bestaande situatie voor in- en uitritconstructies gehandhaafd. 6.4.2 Parkeren Op eigen terrein is voldoende ruimte aanwezig om deze parkeerbehoefte op te vangen. In de beoogde situatie wordt de bestaande situatie gehandhaafd. Het bestemmingsplan bevat een normering voor parkeren die in de planregels is geborgd. 6.4.3 Conclusie verkeer en parkeren Gelet op vorenstaande uiteenzetting vormt het aspect verkeer en parkeren geen belemmeringen voor het voorliggende planvoornemen.

6.5

Waterhuishouding

6.5.1 Nationaal Waterplan Het Nationaal Water Programma 2022-2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Het doel van het programma is om Nederland voor te bereiden op toekomstige uitdagingen op het gebied van waterbeheer, zoals klimaatverandering en veranderende watervraag in de verschillende sectoren. Het programma richt zich op vijf thema's: waterveiligheid, zoetwaterbeschikbaarheid, waterkwaliteit, watersysteem en waterketen. Voor elk thema zijn specifieke doelen en maatregelen opgesteld. Het Rijk kiest in het waterbeleid voor de periode 2022-2027 en richting 2050 voor 3 hoofdambities. Deze ambities geven op hoofdlijnen aan waar we in Nederland naartoe willen rond water. Een veilige en klimaatbestendige delta Een concurrerende, duurzame en circulaire delta Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur 6.5.2 Provinciaalbeleid De provincie Limburg kent als uitgangspunt dat verdroging zo veel mogelijk moet worden tegengegaan en dat de waterkwaliteit, met het oog op een duurzaam gebruik in de toekomst, erg belangrijk is. Verder sluit de provincie aan bij het beleid van de Vierde Nota Waterhuishouding om infiltratie van water in de bodem te bevorderen en water meer terug te brengen in stedelijk gebied. Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip.

Ook hier speelt verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het Waterschap onder andere dat, ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (daar waar dat mogelijk is) verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de watergangen en -plassen toegekende functies, afgestemd te worden. Naast die ecologische functie dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater ingepast te worden. Tevens dient er plaats te zijn voor mensgerichte nevenfuncties.

Onderhavige ontwikkeling voorziet in het correct planologisch-juridisch regelen van het bestaand gebruik op de locatie van het Abdijcomplex Lilbosch. De ontwikkeling gaat ten opzichte van de bestaande situatie niet

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

45

gepaard met het toevoegen van bebouwing dan wel verharding. Derhalve treden geen wijzigingen op in de waterhuishouding op de locatie. Het aspect waterhuishouding vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling. In aanvulling hierop geldt dat in artikel 9.4 van de planregels is vastgelegd dat wanneer sprake is van de activiteit bouwen dat dan een hemelwatervoorziening van voldoende omvang wordt gerealiseerd die neerkomt op een capaciteit die is afgestemd op een neerslaggebeurtenis met een herhalingstijd van 1:100, gemiddeld klimaatscenario 2050, wat wil zeggen 100 mm, bij een buiduur van 24 uur.

6.6

Natuurbescherming

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. 6.6.1 Natura2000 Natura-2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Natura 2000-gebieden worden plant- en diersoorten die in Europa bedreigd zijn en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Natura-2000 gebieden worden beschermd door de 'Wet Natuurbescherming'. Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied betreft abdijcomplex zelf met de naam 'Abdij Lilbosch & voormalig Klooster Mariahoop'. De abdij maakt deel uit van het Natura 2000-gebied Abdij Lilbosch & voormalig Klooster Mariahoop vanwege de aanwezigheid van kraamkolonies van ingekorven vleermuis in de schuur en zolder. De abdij is opgebouwd uit het kloostergebouw, moestuin, diverse stallen en percelen. Het Natura-2000 gebied zelf is niet stikstofgevoelig.

Kaart: ligging plangebied van het Natura 2000-gebied Abdij Lilbosch& voormalig klooster Maria Hoop (in geel alleen het deel van Abdij Lilbosch weergegeven) (bron: Atlas Limburg)

Uit Bijlage 1 Quickscan Flora en Fauna bij de plantoelichting blijkt het volgende voor wat betreft de

46

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

gebiedsbescherming. De instandhoudingsdoelstelling en kernopgave voor de ingekorven vleermuis voor Natura 2000-gebied Abdij Lilbosch & Voormalig klooster Mariahoop ondervinden door de bestemmingsplanwijziging van het zuidelijke deel van het plangebied geen negatieve effecten door mogelijke ontwikkelingen. De voorwaarden die gesteld zijn in de Wnb vergunning ten aanzien van stikstofuitstoot en het aantal stuks vee is overgenomen in het bestemmingsplan. Het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ dateert van 14 december 2017. De voorgenomen ontwikkeling (bestemmingsplanwijziging) heeft geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN en is niet strijdig met de provinciale omgevingsverordening Limburg 2014, mits de ontwikkeling en werkzaamheden passen binnen de regels van het gewijzigde bestemmingsplan. Door de bestemmingsplanwijziging zijn negatieve effecten op het beheer- en ambitietype kruiden- en faunarijk grasland (N12.02) uitgesloten. In Bijlage 2 Aanmeldnotitie vormvrije mer beoordeling met bijlagen bij de plantoelichting is nader op de gebiedsbescherming ingegaan. Hierbij is onder andere specifiek ingegaan op eventuele stikstofeffecten. Aan de hand van Aeriusberekeningen is vastesteld dat er géén sprake is van significant negatieve effecten vanwege het aspect stikstof.

6.6.2 Flora- en Fauna Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In deze wet zijn de onderdelen uit de Europese Habitatrichtlijn en onder meer de Vogelrichtlijn, die de bescherming van soorten betreft, geïmplementeerd. De wet biedt ook het kader voor de bescherming van inheemse dier- en plantensoorten die geen bescherming genieten op grond van de Habitatrichtlijn. Er gelden een aantal verboden ter bescherming van beschermde dier- en plantensoorten. Artikel 1.11 Wet natuurbescherming voorziet in een algemene verplichting voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

In het plangebied komen mogelijk verschillende soorten voor die zijn beschermd onder paragrafen 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Het is uit te sluiten dat in het plangebied beschermde flora, libellen, kevers, weekdieren en vissen voorkomen. Wel geldt voor alle aanwezige soorten in het plangebied de algemene zorgplicht, zie hiervoor §1.4 van Bijlage 1 Quickscan Flora en Fauna. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de mogelijk aanwezige en aangetroffen beschermde soorten in de omgeving van het plangebied.

Soorten van paragraaf 3.1 van de Wet natuurbescherming Het plangebied kan worden gebruiken als foerageergebied en als nestgelegenheid door algemene vogels. In het plangebied kunnen broedvogels met jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn die gebruik maken van grote bomen of bouwwerken (huismus, roofvogels). Het plangebied kan (onderdeel van het) leefgebied zijn van huismus (nestlocatie, foerageergebied en dekking). De planregels 3.5.1, 3.5.2 en 3.5.3 en 3.6 van het voorliggende bestemmingsplan verplichten het uitvoeren van een ecologisch onderzoek bij beschreven werkzaamheden, werken of de sloop of uitwendig aanpassen van bouwwerken, waarmee de voorgenomen bestemminsplanwijziging niet strijdig is met de Wnb voor broedvogels met jaarrond beschermde nesten en algemeen voorkomende broedvogels.

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

47

Soorten van paragraaf 3.2 van de Wet natuurbescherming In het plangebied komen diverse soorten vleermuizen, waaronder de ingekorven vleermuis, voor. Het plangebied is geschikt voor verblijfplaatsen van boombewonende en gebouwbewonende vleermuizen, vliegroutes en foerageergebied. Voor de ingekorven vleermuis is een vergunning Wnb verleend (zie hiervoor Bijlage 1 Vergunning Wet natuurbescherming locatie Abdij Lillbosch bij de planregels). In de vergunning Wnb worden verplichtingen gesteld ten aanzien van verlichting. Bij wijziging van de huidige buitenverlichting, mag deze niet schijnen op de bomen en boomkruinen, dienen de armaturen naar beneden gericht te worden en dient gebruik gemaakt te worden van vleermuisvriendelijke verlichting.

De planregels 3.5.1, 3.5.2 en 3.5.3 en 3.6 uit het voorliggende bestemmingsplan verplichten het uitvoeren van een ecologisch onderzoek bij beschreven werkzaamheden, werken of de sloop of uitwendig aanpassen van bouwwerken, waarmee de voorgenomen bestemminsplanwijziging niet strijdig is met de Wnb voor verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied van vleermuizen.

De in het voorliggende bestemmingsplan beschreven werkzaamheden, werken en sloop of uitwendige aanpassing van bouwwerken hebben geen negatief effect op het foerageergebied van vogels, uitgezonderd mogelijk huismus.

Soorten van paragraaf 3.3 van de Wet natuurbescherming Het plangebied is geschikt als land- en overwinteringshabitat van algemeen voorkomende amfibieën. Het plangebied is geschikt als leefgebied voor levendbarende hagedis. Mogelijk aanwezige kamperfoelie kan een voortplantingsplaats zijn voor kleine ijsvogelvlinder. Het plangebied is geschikt als leefgebied voor algemeen voorkomende muizensoorten, steenmarter en eekhoorn.

Bij het uitvoeren van werkzaamheden, werken of de sloop of uitwendige aanpassing van bouwwerken, kunnen (onderdelen van het) leefgebied verloren gaan en individuen worden verwond of gedood.

De planregels 3.5.1, 3.5.2 en 3.5.3 en 3.6 uit het voorliggende bestemmingsplan verplichten het uitvoeren van een ecologisch onderzoek bij beschreven werkzaamheden, werken of de sloop of uitwendig aanpassen van bouwwerken, waarmee de voorgenomen bestemminsplanwijziging niet strijdig is met de Wnb voor (onderdelen van het) leefgebied van de genoemde soorten.

Tabel: Overzicht mogelijk aanwezige en aangetroffen beschermde soorten in de omgeving van het plangebied waarvoor ecologisch onderzoek noodzakelijk is bij uitvoering van werken, werkzaamheden of sloop of uitwendige aanpassingen aan bouwwerken, zoals beschreven in de bestemmingsplanwijziging

48

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

Geconcludeerd mag worden dat voor het planvoornemen geen belemmeringen aanwezig zijn ten aanzien van het aspect flora- en fauna.

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

49

6.6.3 Conclusie natuurbescherming De bestemmingsplanwijziging van “maatschappelijk” naar “agrarisch met landschaps- en natuurwaarden” van een deel van het plangebied is niet strijdig met de natuurwet- en regelgeving. In de planregels van het voorliggende bestemmingsplan zijn werkzaamheden, werken en sloop of uitwendige aanpassing van bouwwerken beschreven met mogelijk negatieve effecten op beschermde gebieden en soorten, waarvoor een omgevingsvergunning noodzakelijk is. Voor het verlenen van een omgevingsvergunning is ecologisch onderzoek noodzakelijk. Middels de verankering van het uitvoeren van ecologisch onderzoek en het uitvoeren van mitigerende maatregelen zodat geen negatieve effecten optreden op de beschermde soorten of de gestelde doelen van de natuurgebieden, is strijdigheid met het vigerende natuurwet- en regelgeving uitgesloten.

6.7

Duurzaamheid

Duurzame stedenbouw verbreedt de aandacht naar meer aspecten dan alleen de verkaveling en ontsluiting. Duurzaamheid gaat ook om een zuinig ruimtegebruik, milieuvriendelijkheid, veilig verkeer en vervoer en natuur en rekening houden met het waterhuishoudingsysteem, omgevingsinvloeden, landschapsstructuren en landschapselementen. Dit betekent in de praktijk dat gelet moet worden op het materiaalgebruik, de vormgeving, gebruik van alternatieve energiebronnen, compact bouwen, intensief ruimtegebruik en flexibel bouwen (levensloopbestendig). Duurzaam bouwen heeft een volwaardige plaats in het ontwerp, het bouwen en beheren van bebouwing. Tijdens de bouw kan door zuinig om te gaan met bouwmaterialen worden voorkomen dat er onnodig afval ontstaat.

50

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

Hoofdstuk 7

Uitvoerbaarheid

De uitvoerbaarheid van de planontwikkeling dient in relatie tot de gemeentelijke financiën te zijn gewaarborgd. Daarbij dient ook te worden onderzocht of en in hoeverre de voorgenomen afwijkingen ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan aanleiding kunnen geven tot aanspraken om planschade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening.

7.1

Grondexploitatie

7.1.1 Algemeen Afdeling 6.2 van de Wet ruimtelijke ordening draagt de titel 'Grondexploitatie'. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de mogelijkheden voor gemeenten (en ook provincie en Rijk indien deze als planwetgever optreden) om langs publiekrechtelijke weg eisen te stellen aan het in exploitatie brengen van gronden. Het gaat dan onder andere om eisen op het gebied van kostenverhaal, sociale woningbouw, particulier opdrachtgeverschap en fasering van de invulling van de openbare ruimte. Ook zijn in afdeling 6.2 Wro twee bepalingen opgenomen over de wijze waarop langs privaatrechtelijke weg eisen gesteld kunnen worden aan het in exploitatie brengen van gronden. 7.1.2 Exploitatieplan Afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening beschrijft een publiekrechtelijk stelsel waarbinnen door gemeenten (en in voorkomend geval provincie of Rijk) eisen gesteld kunnen worden aan de grondexploitatie. Dit publiekrechtelijk instrumentarium is aanvullend van aard. Het primaat ligt bij vrijwillige civielrechtelijke afspraken. Deze civielrechtelijke afspraken worden gemaakt in hetzij een anterieure overeenkomst (er is nog geen exploitatieplan vastgesteld) hetzij een posterieure overeenkomst (er is al een exploitatieplan vastgesteld). Voorliggende ontwikkeling heeft betrekking op het één op één bestemmen van de bestaande situatie .

Er is dan ook geen sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. Het opstellen van een exploitatieplan of een anterieure overeenkomst is dan ook niet noodzakelijk.

7.2

Planschade

Artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening biedt de grondslag voor de vergoeding van zogenoemde planschade. De schadevergoeding wordt (in beginsel) door het college van burgemeesters en wethouders van de betreffende gemeente toegekend aan degene die als gevolg van een planontwikkeling schade lijdt. Artikel 6.4a Wet ruimtelijke ordening bepaalt dat de gemeente de mogelijkheid heeft om een initiatiefnemer van een planontwikkeling een overeenkomst te sluiten. De strekking van dergelijke planschadeovereenkomst is dat de door derden geleden schade geheel (of gedeeltelijk) voor rekening komt van de initiatiefnemer, omdat de schade voortvloeit uit het op zijn of haar verzoek ten behoeve van een planontwikkeling wijzigen van het bestemmingsplan of verlenen van een omgevingsvergunning. De gemeente Echt-Susteren sluit in dit geval geen planschade-verhaalsovereenkomst met de initiatiefnemer. Dit komt omdat onderhavig plan als een herstelplan kan worden gezien waarin de bestaande situatie van een adequate bestemming wordt voorzien.

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

51

52

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

Hoofdstuk 8

Planstukken

Het bestemmingsplan 'Abdij Lilbosch' van de gemeente Echt-Susteren bestaat uit voorliggende toelichting, regels en een verbeelding.

8.1

Algemeen

Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Behalve een vernieuwd stelsel voor processen voor de ruimtelijke ordening in Nederland, zijn met de inwerkingtreding van de Wro ook de resultaten van DURP (Digitale Uitwisseling in Ruimtelijke Processen) wettelijk verankerd. Dit houdt in dat nagenoeg alle instrumenten uit de Wro door bronhouders digitaal beschikbaar zijn, waardoor de bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar worden. Hiervoor is het pakket 'RO Standaarden 2012' ontwikkeld, dat wettelijk is vastgelegd in de bij de Wro behorende 'Regeling standaarden ruimtelijke ordening'. Vergelijkbaarheid van bestemmings-, wijzigings- en inpassingsplannen wordt door de SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012) op drie manieren gerealiseerd: er is een begrippenkader gegeven dat in de plannen toegepast moet worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om lijsten van bestemmingshoofdgroepen met mogelijke gebruiksdoelen, dubbelbestemmingen, aanduidingen, indeling van regels etc. Voor het hanteren van het begrippenkader is geen specifieke software vereist; er is een verplichte 'analoge verbeelding' voorgeschreven, hetgeen inhoudt de manier waarop het plan op papieren kaarten moet worden getoond. Er zijn dwingende regels inzake de opmaak van het plan.

Voor het opmaken van plannen is in de praktijk speciale software benodigd; er is een verplichte 'digitale verbeelding' voorgeschreven, waarmee wordt gedoeld op het tonen van het plan in een digitale omgeving (website). Vanaf 1 januari 2010 dient een bestemmingsplan digitaal raadpleegbaar en uitwisselbaar te zijn. Voorliggend bestemmingsplan voldoet aan deze digitaliseringverplichting.

8.2

Opbouw bestemmingsplan

Een bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en verbeelding vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderling verband te worden bezien. De regels en de verbeelding zijn namelijk onlosmakelijk met elkaar verbonden, aangezien op de verbeelding de bestemmingen visueel zijn weergegeven en de regels onder andere het gebruik en de bouwmogelijkheden bij deze bestemmingen geven. 8.2.1 Toelichting De toelichting van het bestemmingsplan heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het totale plan. De toelichting geeft namelijk een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten zoals deze aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting een belangrijk hulpmiddel bij de interpretatie van het bestemmingsplan. 8.2.2 Regels Conform de SVBP2012 dienen de regels van een bestemmingsplan volgens een bepaalde opbouw te worden opgesteld, waarbij opgemerkt dient te worden dat niet elk bestemmingsplan alle elementen van navolgende opbouw bevat:

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

53

Hoofdstuk 1: Inleidende regels - Begrippen - Wijze van meten Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels - Bestemmingen - Voorlopige bestemmingen - Uit te werken bestemmingen - Dubbelbestemmingen Hoofdstuk 3: Algemene regels - Anti-dubbeltelregel - Algemene bouwregels - Algemene gebruiksregels - Algemene aanduidingsregels - Algemene afwijkingsregels - Algemene wijzigingsregels - Verwezelijking in de naaste toekomst - Algemene procedureregels - Overige regels Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels - Overgangsrecht - Slotregel De regels van de verschillende bestemmingen worden als volgt opgebouwd, waarbij eveneens geldt dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten: Bestemmingsomschrijving Bouwregels Nadere eisen Afwijken van de bouwregels Specifieke gebruiksregels Afwijken van de gebruiksregels Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk Wijzigingsbevoegdheid Vorenstaande gestandaardiseerde opbouw is gehanteerd bij het opstellen van de regels behorende bij voorliggend bestemmingsplan. 8.2.3 Verbeelding De 'vroegere' plankaart wordt in het kader van het huidige planologische regime aangeduid als 'verbeelding'.

Op een verbeelding wordt de grens van het plangebied weergegeven waarbinnen onder meer de verschillende (dubbel)bestemmingen, bouwvlakken en bouw-/functie-/maatvoeringsaanduidingen (en de ligging daarvan) visueel zijn weergegeven.

54

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

De verbeelding met betrekking tot voorliggend bestemmingsplan is ingetekend op schaal 1:1000. Verder voorziet bijbehorende verbeelding in de naam van voorliggend bestemmingsplan en een tekeningnummer. Dit zijn verplichtingen in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. De verbeelding is direct (juridisch) verbonden met de bijbehorende regels. In deze regels worden de condities en voorwaarden gesteld behorende bij de verschillende bestemmingen.

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

55

56

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

Hoofdstuk 9 procedure 9.1

Vooroverleg, inspraak en formele

Inleiding

De procedure voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerp bestemmingsplan ter visie kan worden gelegd. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.

9.2

Vooroverleg

Artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg plegen met betrokken overheden en overheidsdiensten (wettelijke adviseurs). Overleg met het waterschap is altijd verplicht, terwijl het tot de verantwoordelijkheid van de gemeente behoort om te beoordelen of overleg met de desbetreffende diensten van het Rijk en de provincie nodig is. Artikel 3:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is van overeenkomstige toepassing. De bedoeling van dit vooroverleg is voornamelijk om de opstellers van het plan tijdig de mogelijkheid te geven het plan desgewenst aan opmerkingen van andere overheden aan te passen. In het kader van het wettelijk vooroverleg is van de provincie Limburg op 27 november 2023 de navolgende reactie ontvangen: 'Het plan is beoordeeld op de adequate doorwerking van de provinciale belangen.De beoordeling van het plan geeft geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. Indien u dit plan op deze wijze voortzet, zal er geen aanleiding zijn om in de verdere procedure van het plan een zienswijze in te dienen.' Het waterschap heeft geen aanleiding gezien tot het geven van een reactie in het kader van het wettelijk vooroverleg.

9.3

Inspraak

Ingevolge artikel 1.3.1 Besluit ruimtelijke ordening dienen burgemeester en wethouders te besluiten en te publiceren of er terinzagelegging van het bestemmingsplan plaatsvindt, of er zienswijzen kunnen worden ingediend en of een onafhankelijke adviesinstantie advies uitbrengt. Ook is in voornoemd artikel bepaald dat het voornemen tot het voorbereiden van een bestemmingsplan, waarbij geen MER wordt opgesteld, dient te worden gepubliceerd conform artikel 3:12, lid 1 en 2 van de Algemene wet bestuursrecht en langs elektronische weg. De gemeente Echt-Susteren heeft kenbaar gemaakt dat zij, alvorens de formele bestemmingsplanprocedure op te zullen starten, geen voorontwerp van voorliggend bestemmingsplan ter inzage zullen leggen. Dit heeft te maken met het feit dat voorliggend bestemmingsplan als een herstelplan betreft voor de bestaande situatie.

9.4

Formele procedure

9.4.1 Algemeen De wettelijke (formele) bestemmingsplanprocedure, die circa 26 weken in beslag neemt, bestaat uit navolgende stappen:

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

57

1. 2.

3. 4. 5.

6. 7.

Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan. Ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan met alle bijbehorende stukken gedurende 6 weken. Tevens wordt de bekendmaking toegezonden aan Gedeputeerde Staten, belanghebbenden en betrokken Rijksdiensten. Gedurende de termijn van ter inzage legging kan een ieder zienswijzen naar voren brengen. Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken. Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door ter inzage legging met voorafgaande kennisgeving en toezending van het besluit tot vaststelling aan Gedeputeerde Staten en betrokken Rijksdiensten, Waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien Gedeputeerde Staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, binnen 6 weken na vaststelling. Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden. Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

9.4.2 Zienswijzen Het ontwerp van voorliggend bestemmingsplan heeft vanaf 22 December 2023 tot en met 1 Februari 2024 voor zienswijzen ter visie gelegen. Gedurende deze termijn bestond voor een ieder de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen bij de gemeenteraad van Echt-Susteren. Naar aanleiding van de terinzagelegging zijn géén zienswijzen ontvangen.

58

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EchtSusteren&id=136539b2-e335-4e87-9a4f-09f95a88cb19