Toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan ‘Landgoed Bos en Broek te Koningsbosch’ Gemeente Echt-Susteren Vastgesteld
Bestemmingsplan ‘Landgoed Bos en Broek te Koningsbosch’ Gemeente Echt-Susteren Vastgesteld
Rapportnummer:
P02865
IMRO-identificatienummer:
NL.IMRO.1711.BP20220080-VG01
Datum:
juni 2023
Projectteam BRO:
ROs, IMo
Concept:
Februari 2022
Ontwerp:
Juli 2022, december 2022, maart 2023
Vaststelling:
28 september 2023
Bron foto kaft:
BRO
Beknopte inhoud:
Bestemmingsplan ten behoeve van het bestemmen van landgoed Bos en Broek, waarbinnen de reeds gebouwde beheerschuur wordt gerealiseerd en de bestemming wonen wordt aangepast op de huidige woning en garage.
BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl
TOELICHTING
2
Inhoudsopgave
pagina
1.INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Vigerende bestemmingsplannen
3 3 4 4
1.3.1 Bestemmingsplan ‘Buitengebied’ 1.3.2 Bestemmingsplan ‘Cultuurhistorie Echt-Susteren’ 1.3.3 ‘Facetbestemmigsplan Dereguleren’ 1.4 Leeswijzer
4 6 6 6
2.PLANBESCHRIJVING 2.1 Bestaande situatie 2.2 Toekomstige situatie 2.3 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten
6 7 8 10
3.BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid
12 12
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) 3.1.4 Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking) 3.1.5 Wet milieubeheer 3.2 Provinciaal beleid
12 13 13 14 14 15
3.2.1 Provinciale Omgevingsvisie (POVI) 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 3.2.3 Omgevingsverordening Limburg 2021 3.3 Gemeentelijk beleid
15 16 18 19
3.3.1 Structuurvisie Echt-Susteren 2021-2025
19
4.ONDERZOEKSASPECTEN 4.1 Inleiding 4.2 Bodem 4.3 Geluid 4.4 Luchtkwaliteit 4.5 Milieuzonering 4.6 Externe veiligheid 4.7 Milieueffectrapportage 4.8 Kabels en leidingen
Inhoudsopgave
21 21 21 21 22 23 24 26 26
1
4.9 Ecologie 4.10 Waterhuishouding
26 31
4.10.1 Beleidskader 4.10.2 Kenmerken van het watersysteem 4.10.3 Overleg waterbeheerder 4.11 Archeologie en cultuurhistorie
31 32 33 33
4.11.1 Archeologie 4.11.2 Cultuurhistorie 4.12 Verkeer en parkeren
33 34 34
4.12.1 Verkeer 4.12.2 Parkeren
34 34
5.JURIDISCHE ASPECTEN 5.1 Planstukken 5.2 Toelichting op de verbeelding 5.3 Toelichting op de regels
35 35 35 35
5.3.1 Inleidende regels 5.3.2 Bestemmingsregels 5.3.3 Algemene regels 5.3.4 Overgangs- en slotregels
35 36 37 37
6.UITVOERBAARHEID 6.1 Financiële uitvoerbaarheid
38 38
6.1.1 Financiële uitvoerbaarheid 6.1.2 Kostenverhaal 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
38 38 38
6.2.1 Vooroverleg 6.2.2 Omgevingsdialoog 6.2.3 Zienswijzen
38 38 39
7.PROCEDURE 7.1 Procedure
40 40
SEPARATE Bijlagen: Bijlage 1: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 2: Quickscan flora en fauna Bijlage 3: Stikstofberekening Bijlage 4: Reactie vooroverleg Provincie Bijlage 5: Nota van Zienswijze
Inhoudsopgave
2
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding Het voornemen bestaat om de omliggende gronden van de Donnerskamp 3 te Koningsbosch een landgoed te realiseren. Aanleiding hiervoor vormt de wens van de eigenaar van Donnerskamp 3 (hierna: initiatiefnemer) om de in aanbouw zijnde schuur op dit adres te legaliseren. Het voornemen bestaat om deze schuur te gebruiken voor de stalling van materieel en machines ten behoeve van natuurbeheer. De gemeente Echt-Susteren heeft bij brief van 21 juli 2019 kenbaar gemaakt in beginsel geen medewerking te willen verlenen aan de legalisering van de schuur en is voornemens handhavend op te treden. De initiatiefnemer wenst echter de schuur te behouden. Dit is mogelijk door de oprichting van een landgoed. Onderhavig bestemmingsplan ziet op het realiseren van een landgoed inclusief een correctie van het bestaande bouwvlak. De bestaande woning en garage zijn inmiddels verbouwd (reeds eerder vergund). De bebouwing ligt echter deels buiten de bestemming wonen. De woonbestemming zal derhalve ook worden aangepast op de bestaande bebouwing.
Figuur 1.1: Uitsnede topografische kaart met globale ligging plangebied (rood omcirkeld)
Hoofdstuk 1
3
Het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren heeft bij brief van 4 november 2020 aangegeven in principe bereid te zijn medewerking te verlenen aan deze ontwikkelingen, door middel van een herziening van het bestemmingsplan voor het totale landgoed. Door middel van het voorliggende bestemmingsplan worden de gewenste ontwikkelingen juridischplanologisch mogelijk gemaakt. De bestaande bebouwing, activiteiten en ontwikkelingsmogelijkheden op het landgoed worden in dit bestemmingsplan opgenomen. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding voor de locatie en bijbehorende regels. Deze toelichting vergezelt het plan.
1.2 Plangebied Het landgoed is gelegen aan de Donnerskamp 3 te Koningsbosch. Deze locatie ligt ten noordwesten van Koningsbosch en op circa 200 ten oosten van de Duitse grens. In de omgeving zijn voornamelijk landbouwgronden en bossen gelegen. Aan de noordwestzijde wordt het plangebied begrenst door de steilrand en de weg Bos en Broek. Het plangebied heeft een oppervlakte van +/- 10,2 ha. en bestaat uit bebouwing, een boomgaard, een bomenweide met naaldbomen en bospercelen. Ten noorden van het plangebied ligt natuurreservaat Haeselaarsbroek en ten oosten van het plangebied is een camping gelegen. Het plangebied bestaat uit de percelen, kadastraal bekend als Echt, sectie AB, nummers 57, 58, 329, 357, 360, 356, 427, 424 en 49.
1.3 Vigerende bestemmingsplannen 1.3.1 Bestemmingsplan ‘Buitengebied’ Op de planlocatie vigeert het bestemmingsplan ‘Buitengebied’, dat op 14 december 2017 door de gemeenteraad van Echt-Susteren is vastgesteld. Het merendeel van de gronden is in dit plan bestemd tot ‘Natuur’ met de nadere functieaanduiding ‘bos’. De woning op het adres Donnerskamp 3 en de direct aansluitende gronden zijn bestemd tot ‘Wonen’ en de zuidwestelijk gelegen percelen zijn bestemd tot ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’. Voor het noordwestelijk deel van de planlocatie geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. Daarnaast gelden voor de noordelijk gelegen percelen de gebiedsaanduidingen ‘overige zone – ecologische hoofdstructuur’ en ‘reconstructiewetzone – extensiveringsgebied’. De voor ‘Natuur’ aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor behoud, herstel en versterking van landschappelijke, aardkundige en natuurwaarden, op natuurbeheer gericht agrarisch grondgebruik en extensief recreatief medegebruik. Op basis van de aanduiding ‘bos’ mogen de gronden tevens worden gebruik voor houtproductie. Binnen de natuurbestemming mag niet worden gebouwd, met uitzondering van hoogzitten en overige bouwwerken, geen gebouw zijnde (niet zijnde erf- en terreinafscheidingen). Het gerealiseerde beheergebouw is binnen de natuurbestemming niet rechtstreeks toegestaan.
Wel bevat het bestemmingsplan een afwijkingsbevoegdheid voor het realiseren van een beheerschuur. Hierbij gelden de volgende voorwaarden:
Hoofdstuk 1
4
a. b. c. d. e. f. g. h. i.
Het bouwwerk ter plaatse is noodzakelijk voor het beheer en het onderhoud van de gronden. Het bouwwerk heeft betrekking op een beheersobject van ten minste 50 ha. De inhoud bedraagt niet meer dan 50 m 3. De goothoogte bedraagt niet meer dan 3 m. De bouwhoogte niet meer bedraagt 4,5 m. Het bouwwerk geen aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken voer- of vaartuig betreft. Uit een onderzoek naar de bodemkwaliteit is gebleken. dat de bodem geschikt is voor de nieuwe voorziening. De wezenlijke waarden en kenmerken van de EHS niet.
Figuur 1.2: Uitsnede vigerend bestemmingsplan met ligging plangebied (rood omlijnd)
Niet aan alle bovengenoemde voorwaarden kan worden voldaan, aangezien het beoogde landgoed kleiner is dan de onder b genoemde 50 hectare en het gebouw groter is dan de genoemde maatvoering. Legalisering van de schuur met gebruikmaking van deze afwijkingsbevoegdheid is daarom niet mogelijk.
Hoofdstuk 1
5
Middels de oprichting van een nieuw landgoed kan het behoud van de schuur wel mogelijk worden gemaakt. Binnen een landgoed kan een dergelijk beheergebouw worden toegelaten. Dit gebouw is noodzakelijk voor de stalling en opslag van materieel en machines voor het beheer van het landgoed en daarom onlosmakelijk verbonden met het landgoed. Op het landgoed is sprake van één bebouwingsconcentratie, waarbinnen de bestaande woning, bijgebouw en schuur zijn gelegen. Van verdere verstening van dit gebied is dan ook geen sprake. 1.3.2 Bestemmingsplan ‘Cultuurhistorie Echt-Susteren’ Het plangebied is eveneens gelegen binnen bestemmingsplan ‘Cultuurhistorie Echt-Susteren’, vastgesteld op 22 september 2016. Op grond van dit bestemmingsplan ligt op de planlocatie de dubbelbestemming ‘Waarde – Aardkundige waarde’ en de functieaanduiding ‘specifieke vorm van waarde – aardkundige ensemble op den berg’. Op grond van deze aanduiding zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), de gronden mede bestemd voor het instandhouden en versterken van de cultuurhistorische, natuurlijke, landschappelijke en aardkundige waarden. Op deze gronden mag worden gebouwd overeenkomstig onderliggende bestemmingen. Dit bestemmingsplan staat het voornemen toe, zolang het initiatief de cultuurhistorische, natuurlijke, landschappelijke en aardkundige waarden niet onevenredig aantast.
1.3.3 ‘Facetbestemmigsplan Dereguleren’ Het plangebied is tot slot gelegen binnen ‘Facetbestemmingsplan Deregulering’, vastgesteld op 6 november 2019. Het bestemmingsplan is opgesteld nadat regelmatig belemmeringen werden ervaren en geconstateerd bij het toetsen van initiatieven en bouwplannen. Het facetbestemmingsplan wijzigt deels de regels van de vigerende bestemmingsplannen die binnen het plangebied van ‘Facetbestemmingsplan Deregulering’ zijn gelegen. De regels van ‘Facetbestemmingsplan Dereguleren’ worden overgenomen in de regels van onderhavig bestemmingsplan.
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een beschrijving van de bestaande situatie en de beoogde ontwikkelingen is opgenomen. De daaropvolgende hoofdstukken vormen de verantwoording van de ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse milieu- en onderzoeksaspecten die van belang zijn voor het voorliggende bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de juridische toelichting op de planopzet gegeven. In hoofdstuk 6 komt de economische uitvoerbaarheid van het plan aan de orde. Ten slotte is in hoofdstuk 7 een beschrijving van de verdere procedure opgenomen en wordt ingegaan op overleg en inspraak.
Hoofdstuk 1
6
2.
PLANBESCHRIJVING 2.1 Bestaande situatie De planlocatie is gelegen aan de Donnerskamp 3 te Koningsbosch en staat kadastraal bekend als gemeente Echt, sectie AB, nummers 47, 48, 49, 57, 58, 329, 356, 357, 360, 424 en 427. Aan de noordwestzijde wordt het plangebied begrenst door de steilrand en de weg Bos en Broek. Het plangebied heeft een oppervlakte van +/- 10,2 ha. en bestaat uit bebouwing, een boomgaard, een bomenweide met naaldbomen en bospercelen.
Figuur 2.1: Luchtfoto met ligging plangebied (rood omlijnd)
De hoofd- en bijgebouwen zijn centraal gelegen, op ca. 85m vanaf de weg Donnerskamp. Aan de zijde van de weg is het perceel ommuurd. De woning is een aantal jaren geleden verbouwd en er is een overkapping gerealiseerd. De overkapping heeft een oppervlakte van circa 144 m 2.
Hoofdstuk 2
7
Figuur 2.2: Aanzichten bestaande bebouwing
2.2 Toekomstige situatie Middels onderhavig bestemmingsplan wordt het plangebied bestemd tot landgoed. Het gebied wordt landschappelijk ingepast. Het volledige landschappelijk inpassingsplan 1 is als bijlage toegevoegd. Op deze manier wordt de nieuwe bebouwing en verharding goed ingepast in de omgeving. De reeds gebouwde schuur krijgt de functie van beheerschuur. Hier worden materialen en machines opgeslagen die worden gebruikt voor het beheer van het landgoed.
Figuur 2.3: Beheerschuur met uitsparing in het dak voor de aanwezige boom 1
BRO, Landschappelijk inpassing landgoed ‘Bos en Broek’, projectnr.: P02865, d.d. 2 december 2021.
Hoofdstuk 2
8
De bospercelen worden openbaar toegankelijk middels de aanleg van onverharde bospaden en poorten in de hekwerken. In het bos is een bestaande padenstructuur voorhanden (ca. 900 meter) die in verbinding staat met verschillende toegangspoorten die op het terrein aanwezig zijn. De onverharde padenstructuur wordt uitgebreid met ca. 500 meter en aangesloten op diverse recreatieve routes in de omgeving. Daarnaast zullen de entrees van het gebied op een aantrekkelijke manier worden ingericht, zodat het uitnodigt om de bospercelen te bezoeken. Dit kan door middel van een informatiebord, wegwijzer of een natuurpoort. Binnen de bestemming wonen is reeds een overkapping gerealiseerd. Deze overkapping wordt vergroot. Onder de overkapping zijn zitplaatsen en is een drinkwaterpunt aanwezig. De overkapping heeft in de nieuwe situatie een oppervlak van circa 296 m2.
Figuur 2.4: Landschappelijk inpassingsplan
Hoofdstuk 2
9
Figuur 2.5: Plattegrond nieuwe situatie
2.3 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten Ruimtelijk en functioneel gezien passen de beoogde ontwikkelingen goed in de omgeving. Het toekomstige landgoed bestaat uit aaneengesloten percelen, die hoofdzakelijk zijn begroeid met bos en een gezamenlijke oppervlakte hebben van ruim 10 hectare. Door het aanbrengen van nieuwe padenstructuren wordt de ruimtelijke eenheid binnen het landgoed versterkt. De bebouwing ligt ruimtelijk geconcentreerd op het voorste gedeelte van de site, waardoor er een natuurlijk verloop is van intensief gebruik bij het huiskavel naar een meer natuurlijke situatie in de achterliggende bossen. In deze bossen zal een kwalitatieve verbetering plaatsvinden naar een meer gevarieerd gemengd bos.
Hoofdstuk 2
10
De inrichtingsmaatregelen zijn uitgewerkt in het Inrichtings- en beheerplan Landgoed Bos en Broek (2021), waarin de maatregelen voor aanleg en onderhoud zijn uiteengezet. Middels het voorliggende bestemmingsplan wordt het landgoed bestemd. Er kan dan ook geconcludeerd worden dat het plan, zowel op korte als op (middel) lange termijn, geen negatieve ruimtelijke effecten tot gevolg heeft voor de omgeving.
Hoofdstuk 2
11
3.
BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 heeft het Rijk vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI omvat een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio’s; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes.
Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. afwentelen wordt voorkomen. De nationale overheid richt zich in de NOVI op 21 verschillende nationale belangen: 1. bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 5. zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 7. in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 8. waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 9. zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. beperken van klimaatverandering;
Hoofdstuk 3
12
11. realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 12. waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 14. waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 15. waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16. waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17. realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie; 19. behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 20. verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21. ontwikkelen van een duurzame visserij. Afweging Op rijksniveau is geen specifiek beleid vastgesteld ten aanzien van landgoederen. Het voorliggende initiatief betreft een lokale ontwikkeling, waarbij geen nationale belangen in het geding zijn. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden.
Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd. Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken. In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer. Afweging Op basis van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de planlocatie niet gelegen binnen een gebied waarop regels uit het Barro van toepassing zijn.
3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) De Rarro is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen en objecten, hoofdwegen en NNN-gebieden worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In de Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven.
Hoofdstuk 3
13
Afweging Het plangebied is gelegen in het radarverstoringsgebied. Hier geldt een maximale bouwhoogte van 114 meter ten opzichte van NAP. Aangezien het voorliggende bestemmingsplan geen bebouwing mogelijk maakt van deze hoogte, vormt het voorgenomen ontwikkeling geen belemmering voor het radarverstoringsgebied. 3.1.4 Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking) Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie2 komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn. Per 1 juli 2017 is een gewijzigde ladder in werking getreden.
Hierin is de tekst van de ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Afweging Het voorliggende plan ziet op het bestemmen van een landgoed en daarmee het legaliseren van een schuur met een oppervlak van circa 100 m2. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe bebouwing mogelijk van meer dan 500 m 2. De ladder van duurzame verstedelijking is derhalve niet van toepassing. 3.1.5 Wet milieubeheer In artikel 7.2, lid 1 van de Wet milieubeheer is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen: a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu; b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.
In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie.
2
o.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319)
Hoofdstuk 3
14
In lid 2 van hetzelfde artikel zijn als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In artikel 2, lid 5, aanhef en onder b. van het Besluit milieueffectrapportage, is vastgelegd dat de m.e.r.-beoordelingsplicht ook geldt voor plannen die weliswaar vallen onder een van de in onderdeel D genoemde activiteiten maar waarbij het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D, indien: 'op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben'. De afweging met betrekking tot de m.e.r.-(beoordelings)plichtigheid van dit bestemmingsplan is opgenomen in paragraaf 4.7.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Provinciale Omgevingsvisie (POVI) Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. Op 1 oktober 2021 heeft de provincie Limburg de provinciale omgevingsvisie vastgesteld: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg’ (hierna te noemen: POVI Limburg). De POVI Limburg is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. De POVI is op 25 oktober 2021 in werking getreden en vervangt daarmee het Provinciaal Omgevingsplan Limburg uit 2014 (POL2014). Daarnaast wordt een omgevingsverordening uitgewerkt om het beleid juridisch te verankeren. Deze ontwerp-omgevingsverordening wordt besproken in paragraaf 3.2.3. Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het land lijk als in het bebouwde gebied; een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); klimaatadaptatie en energietransitie.
Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Parti-
Hoofdstuk 3
15
cipatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt daarnaast een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Afweging Het plangebied is gelegen binnen de groenblauwe mantel en Natuurnetwerk. Wat betreft landschap is de opgave het behouden en versterken van kenmerkende kwaliteiten en afwikkeling van het Limburgse landschap, waaronder de groenblauwe mantel, (verbrede) Nationale Parken, Nationaal Landschap-Zuid Limburg en stad- landzones. Onderhavig planvoornemen ziet op het bestemmen van het perceel tot landgoed. Hiertoe worden verschillende inrichtingsmaatregelen genomen die het landschap versterken. Deze zijn opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan. Dit plan is als bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Hiermee is het planvoornemen in lijn met de POVI. 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 de 'Omgevingsverordening Limburg 2014' vastgesteld.
Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van het POL2014 juridische binding te geven. Ladder voor duurzame verstedelijking In de omgevingsverordening is een verwijzing opgenomen naar de Ladder voor duurzame verstedelijking en hierbij is in artikel 2.2.2 van de verordening het navolgende bepaald: 1. Een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, houdt rekening met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 2. Bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, worden tevens de mogelijkheden van herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen, zoals bedoeld in artikel 2.2.3, onderzocht. 3. De toelichting bij het ruimtelijk plan bevat een verantwoording over de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste en tweede lid. Specifieke bepalingen omtrent beschermingszones en beschermingsgebieden In de omgevingsverordening zijn verder specifieke bepalingen opgenomen ten aanzien van provinciale wegen en reserveringszones, beschermingszones natuur- en landschap, uitsluitingsgebieden windturbines, natuurbescherming, milieubeschermingsgebieden, regionale waterkeringen, normering wateroverlast, grondwateronttrekking, rioolplichtontheffing en gesloten stortplaatsen, alsmede bedrijventerreinen met provinciale geluidcontouren.
Goudgroene natuurzone Voor de natuurgebieden die behoren tot de Goudgroene natuurzone geldt het 'nee, tenzij'-principe. Het 'nee, tenzij'-principe betekent dat nieuwe plannen en projecten niet zijn toegestaan als deze een significant negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied, tenzij
Hoofdstuk 3
16
daarmee een zwaarwegend belang gediend is en er geen reële alternatieven voorhanden zijn. In dat geval moet de schade zoveel mogelijk beperkt worden door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resterende schade gecompenseerd worden. Bronsgroene landschapszone Deze zone omvat de landschappelijk waardevolle beekdalen en bufferzones rond bestaande natuurgebieden met de daarin aanwezige (extensievere) landbouwgebieden, monumenten, kleinere landschapselementen, waterlopen e.d.. Een kwart van de bronsgroene landschapszone wordt gevormd door het winterbed van de Maas. Het beleid in de bronsgroene landschapszone is er op gericht de (huidige) landschappelijke kernkwaliteiten van deze zone te behouden, te beheren, te ontwikkelen en te beleven. Ontwikkelingen binnen de ruimte die het beleid voor de verschillende thema’s biedt zijn mogelijk mits de kernkwaliteiten behouden blijven of versterkt worden (‘ja-mits’). Het accent is gelegd op de borgen van de kwaliteit en het functioneren van het regionaal watersysteem, de ontwikkeling van de landbouw in balans met de omgeving, het versterken van de kernkwaliteiten van landschap en cultuurhistorie en recreatief medegebruik.
Nieuwe ontwikkelingen worden uitgewerkt op basis van het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu (GKM) dat een uitwerking is van het Limburgs Kwaliteitsmenu Afweging Bestuursafspraken en de Ladder voor duurzame verstedelijking In hoofdstuk 3.3 wordt het regionale woonbeleid nader toegelicht en toegepast op de onderhavige planontwikkeling. De Ladder voor duurzame verstedelijking wordt nader toegelicht in paragraaf 3.1.4. Nu deze woningbouwontwikkeling voorziet in minder dan 12 woningen is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling waarbij de Ladder voor duurzame verstedelijking moet worden toegepast. Beschermingszones en beschermingsgebieden Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk II is gelegen. Het is in de boringsvrije zone Roerdalslenk II verboden om een boorput, een bodemenergiesysteem of een aardwarmtesysteem te maken of hebben of de grond te roeren, dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei. Daarnaast is het verboden om werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de Bovenste Brunssumklei kunnen aantasten.
Tot slot moet het voornemen tot het maken van een boorput, het aanleggen van een bodemenergiesysteem of het roeren van grond in de Roerdalslenk dieper dan 30 meter (in zone III) tot aan de Bovenste Brunssumklei vier weken tevoren schriftelijk gemeld worden aan gedeputeerde staten. Aangezien geen grondboringen van een dergelijke diepte voorzien zijn binnen onderhavig plan, vormt de ligging binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk II geen belemmering. Daarnaast ligt een gedeelte van het plangebied binnen de Goudgroene natuurzone. Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied dat deel uitmaakt van de Goudgroene natuurzone, maakt geen nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten. Tot slot ligt een gedeelte van het plangebied binnen de Bronsgroene landschapszone. De toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de Bronsgroene landschapszone, bevat een beschrijving van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. Het landgoed wordt landschappelijk ingepast. Hierdoor wordt voorkomen dat er negatieve effecten optreden binnen de zones.
Hoofdstuk 3
17
Voor het overige ligt het plangebied niet binnen milieubeschermingsgebieden of beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling past dan ook binnen de Omgevingsverordening Limburg 2014. 3.2.3 Omgevingsverordening Limburg 2021 Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Op 25 mei 2021 heeft het college van Gedeputeerde Staten het ontwerp van deze nieuwe Omgevingsverordening Limburg (2021) vastgesteld. Deze omgevingsverordening heeft van 7 juni tot en met 19 juli 2021 voor eenieder ter inzage gelegen en is op 17 december 2021 door Provinciale Staten vastgesteld. De inwerkingtreding is voorzien op 1 juli 2022 wanneer naar verwachting ook de nieuwe Omgevingswet in werking zal treden. Hoewel de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers. Op grond van kaart 4 ‘Grondwaterbescherming’ van de ontwerp-Omgevingsverordening Limburg ligt op het plangebied de ‘Boringsvrije zone Roerdalslenk II’.
Het is verboden een bodemenergiesysteem aan te leggen of te hebben in de boringsvrije zone Roerdalslenk, als deze dieper ligt dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei. Het aanleggen of hebben van een bodemenergiesysteem in deelzone II van de boringsvrije zone Roerdalslenk, dat niet onder het verbod van artikel 4.15 - derde Lid valt en dat dieper ligt dan 30 meter beneden het maaiveld tot aan de Bovenste Brunssumklei, wordt ten minste vier weken voor het begin ervan gemeld aan gedeputeerde staten. Onderhavig planvoornemen voorziet niet in het aanleggen van bodemenergiesysteem. Op grond van kaart 8 ‘Natuur’ van de Omgevingsverordening Limburg ligt op het plangebied de ‘Groenblauwe mantel’ en ‘Natuurnetwerk’. Conform artikel 7.6 van de ontwerp-omgevingsverordening dient de motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op een gebied in de groenblauwe mantel het volgende te beschrijven: a. de in het plangebied aanwezige kernkwaliteiten in de groenblauwe mantel; b. de waarde van het plangebied als ecologische verbinding tussen gebieden gelegen binnen het Natuurnetwerk Limburg in het bijzonder met het oog op de impact voor de habitattypen in de Natura 2000-gebieden; c. de waarde van het plangebied met het oog op de instandhouding van de natuurdoeltypen in de aangrenzende gebieden van het Natuurnetwerk Limburg; d.
de waarde van het plangebied voor het bieden van ruimte voor water en als waterberging in laagten en beekdalen e. de wijze waarop rekening is gehouden met de waarden onder a tot en met d; f. hoe op gebiedsniveau per saldo geen kwaliteitsverlies plaatsvindt van de waarden onder a tot en met d; g. hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd.
Hoofdstuk 3
18
In de onderbouwing is voldoende mate rekening gehouden met de in artikel 7.6 opgenomen instructieregels. Middels het inrichtingsplan wordt geborgd dat de kernkwaliteiten van de groenblauwe mantel worden gewaarborgd. Conform artikel 8.2 laat het omgevingsplan op locaties binnen het Natuurnetwerk Limburg geen nieuwe activiteiten of wijzigingen van bestaande activiteiten toe als deze: a. nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Limburg; of b. kunnen leiden tot een vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang tussen de gebieden van het Natuurnetwerk Limburg. De motivering bij een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de voorwaarden uit lid 1 is voldaan. Het planvoornemen staat een klein overdekt terras toe waar bezoekers van het landgoed gebruik kunnen maken van de aanwezige zitgelegenheid en waar drinkwater aanwezig is. Dit leidt niet tot vermindering van de kwaliteit van het Natuurnetwerk. Daarnaast wordt het landgoed landschappelijk ingepast, waardoor de kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Limburg juist worden versterkt. Afweging Het planvoornemen is in lijn met de Omgevingsverordening.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Echt-Susteren 2021-2025 De 'Structuurvisie Echt-Susteren 2012-2025 Ontwikkelen met kwaliteit' is opgesteld met het doel een duidelijke en actuele visie te formuleren op het gehele gemeentelijke grondgebied. Deze visie, met de daaraan ten grondslag liggende ruimtelijke gebiedsanalyse, is een belangrijke onderlegger voor het buitengebied van de gemeente. Buitengebied Voor het buitengebied heeft de gemeente een aantal ambities geformuleerd. Het realiseren van deze ambities draagt bij aan het halen van onze algemene doelstelling om ook in 2025 en lang daarna een aantrekkelijke gemeente te zijn waar het prettig wonen, werken en recreëren is. Het betreft de volgende ambities: de rust en ruimte in het buitengebied behouden en waar mogelijk versterken; verdere verstening tegengaan; vergroting van de contrasten tussen de aanwezige landschappen; komen tot een groen-blauwe ecologische ladder; behoud van een economisch gezonde, duurzame agrarische sector met het juiste bedrijf op de juiste plek; ruimte bieden aan een breed georiënteerde plattelandseconomie; het zijn van een toeristisch-recreatieve schakel in de Euregio. In de structuurvisie is de mogelijkheid opgenomen om in bepaalde gebieden te komen tot een landgoedontwikkeling.
Nieuwe landgoederen zijn als volgt gedefinieerd: “Een functionele eenheid, bestaande uit bos of natuur al dan niet met agrarische gronden met een productiedoelstelling. Een nieuw landgoed kan ontwikkeld worden in een gebied van minimaal 10ha
Hoofdstuk 3
19
nieuw groen. Op het landgoed staat één gebouw met maximaal 4 wooneenheden en heeft een tuin met allure en uitstraling. Belangrijkste aspecten zijn openbare toegankelijkheid, herkenbaarheid en eenheid. Als ruimtelijk kenmerk geldt dat er een raamwerk van wegen, waterlopen, lanen en singels is waarbinnen de verschillende ruimtegebruiksvormen zijn gerangschikt. Het geheel is een ecologische, economische en esthetische eenheid waarvan de invulling is geïnspireerd door het omringende landschap, de cultuurhistorie en de bodemgesteldheid. Bij de realisatie staat het bereiken van kwaliteitswinst van het landgoed zelf en van nabijgelegen natuurgebieden en landschappelijke waarden voorop.” Afweging In het voorliggende geval is sprake van een aantal aaneengesloten percelen, die hoofdzakelijk zijn begroeid met bos en een gezamenlijke oppervlakte hebben van 10,2 hectare. Hiermee wordt voldaan aan de voorwaarde dat sprake dient te zijn van een functionele eenheid van bos, natuur en eventueel agrarische gronden met een minimale omvang van 10 hectare. De ecologische, economische en esthetische eenheid zijn uitgewerkt in het landschappelijk inpassingsplan. Deze is als bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Met ‘één gebouw’ wordt bedoeld: één hoofdbouwmassa. Bijgebouwen zijn, mits goed ingepast, ook mogelijk.
In de voorliggende situatie aan de Donnerskamp zou de woning gezien moeten worden als hoofdbouwmassa en het bestaande bijgebouw bij de woning alsmede de recent gebouwde schuur als bijgebouwen. De nieuwe schuur kan legaal op het perceel blijven staan, indien deze wordt gebruikt als beheerschuur. Dit wordt middels onderhavig bestemmingsplan vastgelegd. Het plangebied is gelegen in Natuur Netwerk Nederland (toenmalige EHS). Volgens het schema in de Structuurvisie behoorde de locatie ten tijde van het vaststellen van de Structuurvisie nog tot ‘Verwevingsgebied’. De herbegrenzing van de toenmalige EHS door de provincie is de reden dat het gehéle woonperceel inclusief aanwezige woongebouwen binnen de EHS is gekomen te liggen en dat de nieuwe schuur op deze locatie qua bebouwing direct op aansluit en daarmee in bouwkundig-ruimtelijk opzicht onderdeel lijkt uit te maken van het woonperceel. Dit is niet toegestaan. Derhalve wordt het perceel bestemd als een landgoed. De nieuwe schuur zal gaan functioneren als een beheerschuur. In deze schuur komen materialen en machines die zullen worden gebruikt voor het onderhoud van het landgoed. Voor de EHS (NNN) is de provincie overlegpartner. Het plan is reeds voorgelegd aan de provincie.
In het overleg heeft de provincie aangegeven dat onder de voorwaarde van het realiseren van een goede en robuuste natuurlijke en landschappelijke inpassing kan instemmen met voornoemde ontwikkeling. De provincie heeft tevens aangegeven betrokken te worden bij de uitwerking van het landschaps- en beplantingsplan. Het landschaps- en beplantingsplan dient derhalve voorgelegd te worden aan de provincie. Samengevat voldoet de voorliggende planlocatie aan de in de structuurvisie opgenomen definitie en de voorwaarden die daarin zijn opgenomen waaronder sprake kan zijn van een nieuw landgoed.
Hoofdstuk 3
20
4.
ONDERZOEKSASPECTEN 4.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op verschillende onderzoeks- en milieuaspecten welke van belang zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening.
4.2 Bodem Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen, die met ruimtelijke plannen mogelijk worden gemaakt, onderzocht moet worden. Het plangebied legaliseert de bouw van een beheerderschuur binnen de bestemming ‘Natuur’. Voor het overige blijven de bestaande bestemmingen behouden, waardoor geen gevoeligere bestemming mogelijk wordt gemaakt. Een bodemonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect ‘bodem’ vormt hierdoor geen belemmering voor het planvoornemen.
4.3 Geluid Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de realisatie van geluidgevoelige objecten dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een onderzoekszone heeft, uitgezonderd woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Indien een geluidgevoelig object wordt gerealiseerd binnen deze zone, dient akoestisch onderzoek plaats te vinden. De beheerschuur is geen geluidgevoelig object zoals bedoeld in de Wet geluidhinder. Dit geldt eveneens voor de aan te leggen bomen. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Railverkeerslawaai en industrielawaai In de wijde omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen of gezoneerde industrieterreinen gelegen. Vanuit railverkeerslawaai en industrielawaai zijn er hiermee geen belemmeringen voor de ontwikkeling.
Hoofdstuk 4
21
4.4 Luchtkwaliteit Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: 1. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. 2. Een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. 3. Een plan draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. 4. Een plan past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel 'niet in betekenende mate' is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriele Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Een project is NIBM als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%.
De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het bestemmen van een landgoed en de legalisatie van een schuur. Dit zal geen verkeersgeneratie opleveren die de bovengenoemde NIBM-grenzen zullen overschrijden. Deze ontwikkelingen hebben namelijk geen toename van het aantal bezoekers aan het landgoed tot gevolg. De woning binnen het plangebied is reeds een bestaande woning. Dit leidt eveneens niet tot meer autobewegingen dan momenteel al plaats vindt. De beoogde ontwikkelingen blijven kortom ruim binnen het 3% criterium van de NIBM-grens. De voorgenomen ontwikkeling draagt dan ook 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de heersende luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen.
Ingevolge de Wet milieubeheer bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³ en voor PM10 40 µg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de vestiging van de beoogde functie.
Hoofdstuk 4
22
Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) is de concentratie PM2,5 ter plaatse gelegen onder de 10 µg/m³, de concentratie PM10 onder de 18 µg/m³ en de concentratie NO2 onder de 10 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren door voortschrijdende technologie. Conclusie luchtkwaliteit Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarnaast niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer en dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is.
4.5 Milieuzonering Algemeen Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 3. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorps-
3
Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 4
23
kernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. Toets plangebied Het plangebied wordt middels onderhavig bestemmingsplan bestemd tot landgoed. Tevens wordt de reeds gerealiseerde schuur gelegaliseerd. Onder de reeds gerealiseerde overkapping wordt een klein terras gerealiseerd waar bezoekers gebruik van kunnen maken. Hier is enkel een drinkwaterpunt aanwezig Bovengenoemde functies vormen geen belemmering voor de omgeving. Tot slot wordt middels onderhavig geen nieuwe gevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt die een belemmering vormen voor omliggende bedrijven. Conclusie Vanuit het aspect milieuzonering zijn er hiermee geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen.
4.6 Externe veiligheid Beleidskader Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico's dienen te worden beoordeeld op 2 maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Er moet getoetst worden aan het aspect externe veiligheid wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. Aangezien een landgoed geen kwetsbaar object betreft, is verdere toetsing in aan externe veiligheid in principe niet vereist. Volledigheidshalve is toch getoetst aan risicobronnen in de omgeving.
Hoofdstuk 4
24
Toetsing Risicobronnen
Figuur 4.1: Uitsnede risicokaart met ligging plangebied (blauw omlijnd)
In de omgeving rond het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen die een belemmering kunnen vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Op het perceel Koestraat 87 Koningsbosch bevindt zich een bovengrondse propaantank. Hiervoor geldt een risicoafstand (PR 10-6) van 35 meter. Het invloedsgebied reikt niet over het plangebied. Het plangebied bevindt zich op ruim 1 kilometer afstand. Over de provinciale weg N572 (circa op 1 kilometer afstand van het plangebied) vindt het vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Hiervoor geldt een risicoafstand (PR 10-6) van 0 meter. Het invloedsgebied reikt niet over het plangebied. Het plangebied bevindt zich op ruim 950 meter afstand. Overige risicobronnen bevinden zich op een grotere afstand en hebben geen invloedsgebied die reikt tot het plangebied. Conclusie Het aspect ‘externe veiligheid’ vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
Hoofdstuk 4
25
4.7 Milieueffectrapportage Beoordeling directe m.e.r.-plicht In het plangebied wordt een uitbreiding van het bestaande logiesgebouw en de oprichting van nieuwe bedrijfsbebouwing mogelijk gemaakt. Deze activiteit komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. De voorgenomen activiteit (realisatie van een veldschuur) komt niet voor als activiteit in Bijlage D van het Besluit m.e.r.. Er is geen sprake van een m.e.r.(beoordelings)-plichtige activiteit. Er is geen m.e.r.(beoordelings)-procedure noodzakelijk. Er hoeft voor deze activiteit geen vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen te worden. Naast het Besluit m.e.r. is de Wet natuurbescherming van belang om te bepalen of een plan-MER noodzakelijk is. In de Wet natuurbescherming is opgenomen dat wanneer significante effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten een plan-MER in procedure dient te worden gebracht. Wanneer aangetoond kan worden dat er geen significante effecten zijn te verwachten is een plan-MER niet noodzakelijk. Uit paragraaf 4.9 ‘Ecologie’ blijkt dat van significante effecten die kunnen leiden tot een noodzaak tot het uitvoeren van een passende beoordeling of plan-m.e.r.-plicht geen sprake is. Het bestemmingplan heeft geen significante gevolgen op een Natura 2000-gebied.
Er hoeft derhalve geen passende beoordeling te worden uitgevoerd en vanuit de Wet natuurbescherming geldt geen m.e.r.plicht.
4.8 Kabels en leidingen Binnen of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen kabels of leidingen gelegen die een zodanige bescherming behoeven, dat zij voorzien dienen te zijn van een bestemmingsplanplichtige beschermingszone. Bij de voorliggende ontwikkelingen hoeft hiermee dan ook geen rekening gehouden te worden.
4.9 Ecologie Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat deze in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid moeten worden uitgevoerd. In het kader van de ontwikkelingen binnen het toekomstige landgoed Bos en Broek is een quickscan flora en fauna4 opgesteld. Onderstaand worden de conclusies van het onderzoek weergegeven. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage. Dit onderzoek ziet uitsluitend op de delen van het plangebied waar daadwerkelijk ontwikkelingen zijn voorzien. Dit betreft twee deellocaties. In het onderzoek is daarnaast ook het gebied meegenomen waar de realisatie van een bedrijfswoning is voorzien. Deze ontwikkeling is echter reeds mogelijk gemaakt middels een eerder wijzigingsplan en wordt conform dat wijzigingsplan opgenomen in dit bestemmingsplan. In het kader van het voorliggende bestemmingsplan hoeft de bedrijfswoning niet nogmaals onderzocht en onderbouwd te worden. Deze deellocatie wordt daarom buiten beschouwing gelaten in de onderstaande beschrijving van de onderzoeksresultaten.
4
BRO, Quickscan flora en fauna ‘Landgoed Bos en Broekt’ te Koningsbosch, projectnummer P02865, 4 april 2022
Hoofdstuk 4
26
Toetsing gebiedsbescherming Wettelijke gebiedsbescherming Op grond van artikel 2.1 van de Wet natuurbescherming kunnen natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna, door de Minister worden aangewezen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn, de zogeheten Natura 2000-gebieden. Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen voor te beschermen soorten en/of habitats vastgesteld. Conform artikel 2.7 lid 2 van de Wet natuurbescherming is het verboden om projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op deze instandhoudingsdoelstelling van een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen verslechteren, of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Verder geldt dat een plan, dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, door een bestuursorgaan pas vastgesteld kan worden indien een passende beoordeling is gemaakt (artikel 2.7 lid 1 Wet natuurbescherming). Voor alle Natura 2000-gebieden geldt verder, op basis van artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming, een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze gebieden.
Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor deze gebieden zoveel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht. Uit de Memorie van Toelichting blijkt, dat de Wet natuurbescherming, buiten de zorgplicht, al voldoende instrumenten bevat om schadelijke handelingen in Natura 2000-gebieden te beperken. Deze zorgplicht is daarmee primair bedoeld om de eigen verantwoordelijkheid vast te leggen, die een ieder heeft voor een zorgvuldige omgang met de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. De sloopwerkzaamheden, alsook de bouw/aanlegfase waren met ingang van de inwerkingtreding van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn), samen met het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn), d.d. 1 juli 2021, aanvankelijk vrijgesteld van de Natura 2000-vergunningplicht. De vrijstelling geldt niet voor structurele stikstofemissies in de gebruiksfase of voor andere emissies dan stikstof. Op 2 november 2022 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat de bouwvrijstelling stikstof niet voldoet aan het Europese natuurbeschermingsrecht. Net als in de situatie vóórdat de bouwvrijstelling werd ingevoerd, blijft het mogelijk om per project onderzoek te doen naar de mogelijke gevolgen van de uitstoot van stikstof.
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Limburg bestaat het NNN uit de goudgroene natuurzone. Daarnaast worden ook de zilvergroene natuurzone en bronsgroene landschapszone beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Hoofdstuk 4
27
Het plangebied is gelegen binnen de goudgroene natuurzone en bronsgroene landschapszone. Binnen de voorgenomen plannen zal er geen sprake zijn van afname aan oppervlakte, aangezien de voorgenomen werkzaamheden binnen de goudgroene natuurzone ten behoeve van de natuur en de beleving hiervan zijn. Daarnaast zal er tevens geen sprake zijn van verlies aan kwaliteit van de goudgroene natuurzone. Door het plangebied de bestemming landgoed te geven, zal in de toekomstige situatie het groen nog beter gewaarborgd blijven. Daarnaast is er reeds een inrichtings- en beheerplan opgesteld voor het landgoed, waarin beschreven is hoe de algehele kwaliteit van de natuurwaarden worden verhoogd (Staro, 2021). Het plaatselijk uitdunnen van de bosschages zal leiden tot een variatie binnen het opgaand groen, daar waar momenteel sprak is van een monotone begroeiing. Daarnaast wordt grotendeels gebruik gemaakt van reeds aanwezig wandelpaden, waardoor het aanleggen van nieuwe wandelpaden tot een minimum wordt behouden. Binnen de toekomstige inpassing van het landschap zijn meerdere faunapassage in het hekwerk opgenomen, waardoor het plangebied voor soorten als ree, wild zwijn en das toegankelijk zal worden. Hierdoor zal de samenhang met omliggend opgaand groen en goudgroene natuurzone verbeteren.